In het huis van Antipholus van Ephesus.
Adriana en Luciana komen op.
ADRIANA. Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,
Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!
En, Luciana, twee uur moet het zijn.
LUCIANA. Een koopman heeft hem moog'lijk uitgenoodigd,
Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.
Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;
De man is van zijn doen en laten baas;
Hem is de tijd de baas; hij ziet: 't is tijd;
En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.
ADRIANA. Wat is 't, dat hem die meerd're vrijheid geeft?
LUCIANA. 't Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.
ADRIANA. Deed ik als hij, hij nam 't mij kwalijk af.
LUCIANA. Met recht: zijn wil voert over u den staf.
ADRIANA. Een ezel is 't, die zulk een staf verdraagt!
LUCIANA. Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!
Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,
Voert één deel over 't ander steeds gebied;
Zie 't vee, den visch, den vogel in de lucht,
't Is steeds de man, die orde houdt en tucht;
De man, half god, van alle scheps'len 't eerst,
Die 't breede land, de woeste zee beheerscht,
Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,
Ver boven vogels, vee en visch verheven,
Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!
En plooi ùw willen naar des meesters wil.
ADRIANA. U schrikt van de' echt die slavernij wis af?
LUCIANA. Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.
ADRIANA. Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.
LUCIANA. 'k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.
ADRIANA. Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?
LUCIANA. Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.
ADRIANA. Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;
Zacht blijft men, is voor 't tegendeel geen grond.
Een armen mensch, door 't nijdig lot geplaagd,
Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;
Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,
Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;
Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,
Van 't voos geduld, dat dit verlichting schenkt;
Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en ras
Blijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.
LUCIANA. Nu 'k huw wel eens en neem de proef er van.--42
Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.
(Dromio van Ephesus komt op.)
ADRIANA. Nu, is de komst uws tragen heers op handen?
DROMIO VAN EPHESUS. O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren
weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.
ADRIANA. Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?
DROMIO VAN EPHESUS. Zijn doen? dat heeft hij mij aan 't oor
verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.
LUCIANA. Sprak hij zoo zacht, dat gij 't niet vatten kondt?
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen
maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het
mijn bevatting te boven ging.
ADRIANA. Maar 'k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?
Hij leeft, zoo 't schijnt, om mij pleizier te doen.
DROMIO VAN EPHESUS. Nu, meesteres, hij is een dolle stier.
ADRIANA. Een dolle stier, gij schelm?
DROMIO VAN EPHESUS. Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.
Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,
Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;
"'t Is etenstijd," riep ik; "mijn goud!" riep hij;
"Uw maal brandt aan," riep ik; "mijn goud!" riep hij;
"Komt gij naar huis?" riep ik; "mijn goud!" riep hij,
"Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?"
"Het vleesch brandt aan," riep ik; "mijn goud!" riep hij;
"Heer, de eedle vrouw,--" riep ik; "hang op uw vrouw!
"Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!"
LUCIANA. Dat zeide, wie?
DROMIO VAN EPHESUS. Dat zeide hij, mijn meester;
"'k Weet niets," riep hij, "van huis of vrouw of lief." 71
En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,
Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,
Want, kort en goed, zijn rans'len dreef mij voort.
ADRIANA. Terug, schavuit, en breng uw meester hier.
DROMIO VAN EPHESUS. Terug? en dan met slagen weer naar hier?
Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.
ADRIANA. Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.
DROMIO VAN EPHESUS. En hij zou 't gloeien doen met rooden schijn;
Zoo schonkt gij beiden mij een heil'genglorie.
ADRIANA. Weg, domme prater, haal uw meester hier!
DROMIO VAN EPHESUS. Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dáárom
Te schoppen als een bal van hier naar ginds?
Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,
Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.
(Dromio van Ephesus af.)
LUCIANA. Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!
ADRIANA. Wis zit hij bij het een of ander liefje' en praat,
Terwijl ik naar een enk'len lach verlang.
Ontnam reeds rimp'lige ouderdom mijn wang
Haar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,
Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?
Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,
't Is barschheid, ruw en hard als steen, die 't doet,
Lokt and'rer fraai gewaad hem van mijn zij,
't Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.
Wat is in mij vervallen en is 't niet
Door hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,
Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraal
Van hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.
Doch grillig springt mijn hert naar jonger hout
En nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.
LUCIANA. Wat plaagt u de ijverzucht!--Foei, schaam u toch!
ADRIANA. 'k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik 't nog.
Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;
Waarom is hij niet hier, zoo 't dit niet is?
Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,
Waar' enkel dit, dit achterweeg gebleven,
En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!
Ik zie het nu, de fijnst geslepen steen
Verliest zijn glans, en blijve goud ook goud,
Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudt
Het niet aldoor; en op den schoonsten naam
Werpt valschheid en verleiding vaak een blaam.
Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,
Wil ik 't in tranen met mijzelf begraven.
LUCIANA. Wat de ijverzucht bespott'lijk door kan draven!
(Beiden af.)