DROMIO VAN SYRACUSE. Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!
Dit is een tooverland! O wee ons, wee!
Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.
Verzetten we ons, dan brengen ze ons in 't nauw,
En knijpen voor het minst ons bont en blauw.
LUCIANA. Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?
Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ja, zeker is 't uw geest, zooals de mijne.
DROMIO VAN SYRACUSE. Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Uitwendig niet.
DROMIO VAN SYRACUSE. Ja toch ik werd een aap.
LUCIANA. Wat zoudt gij wezen, als 't geen ezel was?
DROMIO VAN SYRACUSE. 't Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.
Ja 't moet wel zijn, dat ik een ezel ben,
Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.
ADRIANA. Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,
Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,
Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.
Kom, man, aan tafel.--Dromio, wees portier.--
'k Wil heden boven met u spijzen, man;
Gij zult mij al uw dolle streken biechten.--
Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,
Dan spijst hij elders: laat geen sterv'ling toe.--
Kom, zuster.--Dromio, wees een goed portier.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?
Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?
Ik ken mijzelven niet en zij mij best.
Hoe 't zij, 'k wil meegaan zonder verder vragen,
En blindlings in dit avontuur mij wagen.
DROMIO VAN SYRACUSE. Is 't uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?
ADRIANA. Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!
LUCIANA. Kom, kom, Antipholus, of 't maal is koud.
(Allen af.)