»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, jongens, 't gaat
best. Jou beurt, Dorus.»
»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:
"Zij vliegen vroolijk in het rond."
»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:
"Of kruipen langzaam op den grond,"
want dat doen ze ook dikwijls.»
"En brommen haast den heelen nacht,"
vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord
behoefde te zoeken.
"Zeg Pieter, had je dat gedacht?"
zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.
»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drieën,
dus nu het laatste nog. 't Is mijne beurt, niet waar?» zei Bob.
»Ja, jou beurt,» zei Karel.
»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, laat mij eens even
bedenken. Misschien komt het wel.»
En na een oogenblik toevens vervolgde hij:
»Ha, ik ben klaar. Luister:
"Wel neefje, ben je nu tevreê?"
»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vreê? Wacht:
wee, meê, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor.
"En valt het aantal je niet meê?"
»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nu nog twee regeltjes
en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»
»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op 't oogenblik.
Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een:
"Me dunkt, je hebt nu overvloed."
»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»
»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt
op gegroet. De laatste regel kan dus zijn:
"Ontvang ten slotte onzen groet."
Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net
overschrijven en het jelui eens voorlezen.»
Bob deed het, en las:
Waarde Pieter!
"Zie Pieter, wat ik zenden zal:
Driehonderd roovers in getal.
't Geschenk is wel niet heel veel waard,
't Is een cadeau uit onzen gaard.
Zij vliegen vroolijk in het rond,
Of kruipen langzaam op den grond,
En brommen haast den heelen nacht.
Zeg Pieter, had-je dat gedacht?
Wel neefje, ben je nu tevreê?
En valt het aantal je niet meê?
Me dunkt, je hebt nu overvloed.
Ontvang ten slotte onzen groet."
KAREL HOLM.
DORUS VOLMAAR.
BOB DE WILD.
»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die het vers in eene
enveloppe deed en deze dichtplakte. »Dichten schijnt me toch niet erg
moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig
tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend
geslaagd. En jelui?»
Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de
proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast,
zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk
gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid:
»Jongeheer Pieter van Koorde,
Keizersgracht No. 234
Amsterdam.»
»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa
al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?»
»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob deftig, en na gegroet
te hebben gingen wij het dorp in.
Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes
in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals
wij later hoorden, dat zij gedaan hadden.
Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde
aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis,
omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van
Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.
»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.
»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. 't Kost een dubbeltje
vracht, Mevrouw.»
»O, -- ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.»
Mientje gehoorzaamde.
»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan hij mij te sturen
hebben? Maar neen, -- ik ben abuis. 't Is voor Pieter, zie ik. Daar
staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar
school is. Wat kan daar toch inzitten?»
Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was.
»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met de vingers betast
te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je
wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den
brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo aardig voor
hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, -- heel
zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.»
Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug.
»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel.
Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.
Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die
honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis
gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan
zij zenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op
de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen.
De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden,
begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te
klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de
vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te
snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons
en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van
angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen.
Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen,
haastig binnen.
»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er brand, Mevrouw?»
»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng
haar dadelijk weg -- naar buiten. Dadelijk, asjeblief.»
Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren;
zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het
geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde
oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te
kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van
schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met
alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij tot in
den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen
van hare daad stond aan te staren.
[Illustration: .... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin
was, op den grond vallen. (pag. 213).]
De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit
en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot
ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne
hoeken te verlaten.
Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen
blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen,
eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje
meer, waar geen kever te vinden was.
»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, die beefde als een
espenblad.
Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten
van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen
zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten
te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en
weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den schouder en vier kropen
tegen haar boezelaar op.
»Domme meid! -- Ga weg, afschuwelijk dier! -- Hoe kon je nu zoo dom --
koest, beest, koest, -- zijn, om die mand, -- sss -- sss; -- te laten
vallen!»
»O mevrouw, -- ga weg -- ga weg, -- bah, wat afschuwelijke dieren! --
kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op -- o foei, hu, er zit er een
in mijn hals, -- en tegen de lamp -- en o, mevrouw, de gordijnen --
ksss, ksss -- zitten vol! 't Is afschuwelijk.»
»Mientje, hier houd ik het niet langer uit -- o foei, ze zitten me op
mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu,
haal dat beest er uit! -- Haal het er uit, zeg ik!»
»Ik durf niet, -- dat durf ik niet!»
En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje,
schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden.
Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo
verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken.
Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij
moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden.
Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er
enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten.
»O Mientje, -- wat voel ik daar in mijn hals?» riep Mevrouw huiverend
uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, -- »wat voel ik
daar, Mientje!»
»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, --
voor duizend gulden niet! -- Hu, wat een akelige beesten!»
Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand
langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje
vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar
ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen.
»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt
die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik
zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten
bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»
Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld.
»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. »Hij zal ons
misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»
Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig
uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was.
»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen torren, het zijn
meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En
nu zijn ze alle weg!»
»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg?
De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van
die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»
»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar zaten er ook in! Hu,
ik ga niet meê, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets,
niemendal van hebben.»
»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij den langen stoffer
maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me?
Een sigarenkistje, of zoo iets?»
»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik, om er die akelige
beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt
niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar
buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»
»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»
»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper
gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die
beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»
Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen
ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte
diertjes te vangen.
Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware
met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever.
't Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het
lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne
Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de
kamer weer vrij zou zijn.
Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden,
stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen
had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij
drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje,
om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij
nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de
gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd
Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachte verschijning van
een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje,
maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen.
Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon
telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden
genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.
Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers
afgekomen.