Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieën
een cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouw
van Koorde en haar dienstmeisje op de vlucht
werden gejaagd en Pieter het verloren
terrein heroverde.
Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen.
Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust
was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.
Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan
dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter:
»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me
daar een groot genoegen mede doen.»
»Je kunt er vast op rekenen.»
Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te
wenschen.
»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende. »Kom je nu ook
eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en
losloopende beren, hoor neefje.»
Bob lachte eens.
»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan komen als het
vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.»
»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel
fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»
Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog
tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken
wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.
»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.
»Zeer slecht, -- 't kon niet slechter,» zei Jan met een diepen zucht.
»We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden
gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. 't Is
verschrikkelijk!»
»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch immers nog
vrijgesproken worden?»
»Kunnen, ja, dat is waar, -- maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij
hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de
Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is
zeer gering.»
Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar
wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de
hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd
in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurde het
hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele
keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel
geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht
plagen.
Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de
hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne
kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart
gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest.
»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.
Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: »Dorus, ik moet
voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij
nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.»
»Zeker, meester, met genoegen.»
»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal
geschieden.»
»Ja meester, daar kan u op aan.»
»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het orgel?»
»Ik beloof het u, meester.»
»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar
bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek
ook vooral niet te veel registers uit.»
Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben
gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen
kwartier later moest Bob al schoolblijven.
Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien
schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel 's morgens
als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof
ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de
schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen
groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel
te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden
wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.
»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik
's avonds bij elkander waren.
»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.
»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er
hebben?»
»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk vinden, als wij
er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij
willen zijn, als hij die ontvangt.»
»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op
volgen: »Ja, -- doen.»
Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris,
wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze
jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer
kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd.
Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd
gevangenen in.
»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we Pieter zijn cadeautje
sturen.»
»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig dood.»
»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje,
dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze
onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten
we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.»
»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons drieën wel een versje
maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.»
»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan
het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»
Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de
mand deden. 't Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij
zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren!
Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat
er geen enkele ontsnappen kon.
»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat zaakje is in orde. Nu
ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar meê,
dan gaan we naar de speelkamer.»
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel
zitten.
»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»
»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat zoo gemakkelijk is?
Ik weet geen begin.»
»Ik ook niet!» zei ik.
»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu
het er op aankomt, trek je je terug.»
»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf maar op,
Bobbertje, en mopper niet zoo.»
"Zie Pieter, wat ik zenden zal!"
»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie je wel; dat je
het wel kunt? 't Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou
beurt.»
"Driehonderd roovers in getal!"
zei ik. »Dat rijmt immers?»
»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er
uitstekend bij. 't Zijn ook echte roovers.»
»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»
»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen
regel.»
»'t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te
rijmen,» zei ik.
»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar:
"'t Geschenk is wel niet heel veel waard."
»Is die goed?»
»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord op »waard» te vinden.
»Waard -- wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O ja, waard, paard,
staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg.
Ha, ik weet er al een:
"'t Is een geschenk uit onzen gaard."