Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en wat
Bob in den toren vond. Hoe in het eene huis
vreugde en in het andere droefheid kon
heerschen om eenzelfde gebeurtenis.
't Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat
ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep
ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest
optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu
vroeg ontwaken.
Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was
bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld
en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de
zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk,
langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende
dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op
het dak, de hanen kraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe,
het zonnetje scheen zoo heerlijk. 't Was een genot, buiten te zijn.
't Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen
werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren
opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een
lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees
langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet
dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot
boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de
andere.
Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen,
want overal opende hij de achterdeur en riep: »Mel-lek!» En de laatste
lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.
Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en
gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich
binnenstormden.
»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. »Moe heeft het
gezegd.»
Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke
boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was,
ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd
er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden
keer een uur later, als de kerk aanging.
Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn
gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou
afbrengen, o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen
en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo
tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij
drukte.
Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij
altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de
doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls.
Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei
tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te
brengen.
»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken daarboven, hoor, en geen
jongens meênemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er
niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»
»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.
»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» riep Pa mij nog na.
Onderweg kwam ik Bob tegen.
»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»
»Ja, ik ga naar de kerk.»
Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want
dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al.
Hij vervolgde:
»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»
Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl zou zijn, maar van
liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het
niet.
»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslisten toon, »en de
meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten
beloven, dat ik geen jongens zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als
je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»
»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg
vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»
»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?»
»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer
loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?»
»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden.
Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben
niet op tijd gereed. Tot van middag!»
Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat
hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer
over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.
Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels
van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het
orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien
morgen gezongen zouden worden.
Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er
stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den
gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet
bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag, want het
waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden.
Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was
een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een
duitje bijverdiende met orgeltrappen.
»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? Komt de meester
niet?»
»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»
»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk
komen, denk ik, want het is prachtig weêr. Kom, ik zal maar gaan
zitten.»
Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond,
en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die
had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen
jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd.
Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze
boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de
hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de
jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene
groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel
waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de
andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan
meteen onze giften in ontvangst.
»Morgen Dorus!» zei Jan.
»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig
stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de
kerk kon zien, en staarde op de bank, waar 's Zondags altoos zijne
ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven
nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne
oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders
gedachten te kunnen lezen.
»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij toe, en zijn mond
plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te
schreien.
Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik
den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig
over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd
de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen
met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef?
Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel
veroordeeld zouden worden.
»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden
aanzag. »Maar -- dat zou verschrikkelijk zijn.»
Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd
het drukker in de kerk.
Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook
bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk
midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een
verbazend drukke praktijk.
En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook
meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was
hij nog boos op me?
De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de
meeste menschen komen precies op tijd of te laat.
Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen
voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het
luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze
volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk:
»De gemeente gelieve te zingen --» maar nu verhief zijne stem zich,
zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger,
en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van
den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij zei altoos veers
en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet.
»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» En nu
begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven
vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt
vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter
mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geëindigd had, speelde
ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit
en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders
altoos uit volle borst meêzong, scheen nu geen zingenslust te hebben,
althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.
Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat
bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging
dan ook tot het einde toe zeer goed.
Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de
dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord.
Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat
ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die
opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij
recht prettig.
Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde,
want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob
binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid
bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en
nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij
het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het
ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou
Bob misschien weer gaan uithalen, -- want dat deed hij immers altijd?
Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest
ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den
koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus
eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon er niets aan doen, en dat
wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht.
Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar
plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te
drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.
»Niet doen! -- Niet doen!» riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob
zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij
zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te
drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene
onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht
dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon
hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik,
dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:
»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»
Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte
alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die
doodbedaard op een stoel was gaan zitten.
»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, »ben je daar toch?»
»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo
nijdig aan.»
»Ik vind het leelijk van je, Bob -- erg leelijk!» zei ik weer. »Als ik
den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.»
»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus. Doch wees nu maar
bedaard, -- ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en
stil zal blijven zitten. Is het nu goed?»
Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist
wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor
mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien.
Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt
geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net,
of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want
ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij
direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik
wilde hem in het geheel niet aanmoedigen.
Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen
had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken,
wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon
zitten.
»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch ik bleef op mijne
muziek turen en verwaardigde hem met geen blik.
Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest,
en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de
zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden
Potman, die hem heel boos zat aan te kijken.
»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfelde niet, of men zou
beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte.
»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden Potman eens boos wezen!
Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.»
En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te
schommelen, zoodat de stoel er van kraakte.
»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»
Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde
niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. »Aanstonds
breekt de stoel nog,» zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik
die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor
en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het
hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de
kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar
het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van
gehoord, dan ik vreesde.
Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want
Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de
koster naar boven zou komen.
Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der
Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek
van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn
vriend Bob mijne aandacht daar totaal van afgeleid. En de oude Potman
ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten
weg, of de oude man zat al te knikkebollen.
Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de
trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon
niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar
hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen?
Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in
ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem.
Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig
gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte
ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle
kerkgangers vergeten.
»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond.
»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik heb het geld
gevonden van den diefstal, -- al het geld!»
In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek.
»Het geld! -- Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot er niet mede, Bob,
want dat zou laag en laf wezen.»
»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. 't Ligt boven in den toren,
onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben
gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!»
Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel te denken volgde ik
hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd.
Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen
moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou
toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens
zien.
Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig
tikte, en hadden weldra het nest bereikt.
»Kijk, -- hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de eieren er nog
precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door
den dief, want zie maar, hier ligt het geld!»
Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, -- daar lag het gestolene; een
briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes.
Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door
geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige
honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden
te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was.
Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war.
»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de onschuld van mijne
ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!»
»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.
»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijk den
burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek er tegen
niemand......»
Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want -- daar
klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er
gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. 't Was kerkgezang -- en dat
nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde,
had ik het orgel vergeten, en nu -- was het te laat!
Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide
vrienden aan.
»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig voor je uit. 't Is
zeker het derde gezang?»
Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt
en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden,
naar het orgel, -- maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds
onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar
invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd.
Hij vond mij zeker erg slecht.
En ik -- schreide tranen van verdriet.
Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het
zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was.
Zijn gelaat stond zeer ernstig.
»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.
Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik
antwoordde niet.
»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, maar dringend.
»Ik was er niet, Pa.»
Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.
»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt me meer, dan je
wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.»
Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben.
»Waar was je dan?» vroeg hij even later.
»Pa, ik was in den toren. Bob......»
»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, -- Dorus!
Wat val je me tegen.»
»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. »Hij is zelfs
gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.»
»En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven.
't Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.»
»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft
hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk
gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem
naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen -- toen was ik het
derde gezang vergeten, -- ik dacht er in het geheel niet meer aan,
totdat ik opeens hoorde zingen.»
»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een en al verbazing
was. »Dat zeg je immers?»
»Ja, Pa.»
»En waar zijn die jongens nu?»
»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want
zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.»
Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:
»Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus?»
»Ja, Pa.»
Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk
verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed
voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van
zijne predikatie.
Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij
zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig
gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren
gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der
Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht
gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar
zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?
Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om
het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten
schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van
den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.
Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat
verscheen om den hoek.
»Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat
geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet
denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa
heeft het mij bevolen.»
En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne
domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet
weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer
ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de
preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik
er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen
zeide.
Eindelijk werd de slotzang opgegeven.
Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te
herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn
mooiste stuk ten beste.
Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester
en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene
zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig
naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen
toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was,
spreekt vanzelf.
Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles
vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk,
om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en
daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen,
uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven
geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar
voor eenigen tijd ontdekt hadden.
»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.
»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.
Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout
vergaf.
Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:
»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij
verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den
burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door
iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te
bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft
dat alles daar zeker verstopt.»
»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar
weet je immers niets van?»
Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een
bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.
»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de
burgemeester.
»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob.
»Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest,
want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de
eieren in den steek lieten.»
»Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal
er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om één uur bij me
op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?»
»Ja burgemeester.»
»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene
zal ik meênemen.»
Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij
voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker
den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien
gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag,
vroeg hij:
»Wat is er in den toren te doen, jongens?»
»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat
ziet hij bleek!»
En luid antwoordde hij:
»In den toren? Op dit oogenblik niets.»
Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist
naar buiten komen.
De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter
gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige
spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne
gejaagde bewegingen zien.
De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester
Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde,
en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u
gevangen.»
Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's
tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.
»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt,
laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?»
Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om
zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige
woning groote vreugde hebben geheerscht!