Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij
eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.
Onze vlucht en de gevolgen daarvan.
Pieter komt tot de ontdekking, dat het in
het bosch spookt.
't Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob
en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het
dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam
terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is
eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v.
als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het
water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den
weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen
en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste
voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten
wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende
golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine
scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.
Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden
bevroeden.
»Waar heb jij zoo'n pret over, Bob?» vroeg ik.
»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het
huis van Wobbe?»
»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.»
»Neen, ik ook niet,» zei ik.
»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken,
als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot
is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de
ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne
kar weg.»
»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.
»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en
wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den
wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht.
Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen
doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne
bollen en stoeten. Ha-ha-ha!»
Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne
brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de
zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.
»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik
moet hem een handje helpen!»
»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook
wel min of meer toelachte.
»Natuurlijk!» zei Bob.
»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke
onderneming.»
»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er
nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik
ga, jongens, die grap moet ik hebben.»
Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.
Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis
aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.
Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een
oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs
op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.
Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man
een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar
duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was
het deksel dicht.
Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het
tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen,
hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden
het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht
hebben, eer wij het gedaan hadden.
Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet
bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou
worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene
menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk
gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.
»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar
buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de
portaligheid vandaan?»
Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.
»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m'n lieve mensch.
Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog
door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.»
»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene
hand uit te steken, om hem te helpen.
»'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg
en rad. Help maar eens kijken!»
»'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere.
»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke
noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker
volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.
Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De
aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene
behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig
op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den
bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor
de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons
heen.
»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt,
zal het je niet bevallen.»
Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand
ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons
wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het
hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en
hadden hem weldra ingehaald.
Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder
een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het
bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer
vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus
onzen gang en liepen doelloos verder.
Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan
een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen
stonden.
»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »'t Ziet er daar zoo echt prettig
uit.»
»Mij goed!» zeiden Bob en ik.
»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,» zei Pieter, op de
waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»
»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers,
die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.»
Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was
hij daarvan niet erg zeker.
»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen
komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch
zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen,
dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en
kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.»
Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen
er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het
bosch in.
Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende
kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur
van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen
prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die
daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan
en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk!
Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons
zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust
meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf
ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn
boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.
Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op,
berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar
wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te
rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was.
In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep
was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil
lag eene plank.
»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?»
vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een
boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.
»Ik weet het niet,» zei ik.
»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne
villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt
wordt.»
»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik
van de plank val, ben ik doornat.»
Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij,
waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de
plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen.
Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na
tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen,
wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij
loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan
weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van
inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den
baron als zijn boschwachter vergeten.
Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou
veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen
wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob
de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op.
Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te
begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond
terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een
hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij
gebroken was.
»Stuk!» zei Bob.
»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.»
»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en
ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.»
»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet
stuk, kijkt maar.»
»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch
is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.»
»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en
met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te
maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan
leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij
stuk is.»
»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel.
»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt
geen twijfel.»
»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen,
Bob, -- ik heb het liever niet.»
»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten
liggen?»
»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten
wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan
iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»
»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt
gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.»
Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke
letters:
»Deze plank is gebroken.»
»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is
duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de
gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.»
Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals
we haar gevonden hadden.
»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in
het geheel niet op zijn gemak gevoelde.
Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen
wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan
den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij
ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.
En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde
ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven
klimmen.
»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.
Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten
vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.
»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»
't Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid
te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.
»'t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds
achter de struiken, is zeker de koning.»
»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat
zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel
grappig, zulk eene konijnen-kolonie.»
»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!»
»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er
bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.»
»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.»
»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens
probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid
verraden; maar met pijlen konden we het wagen.»
»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.
»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan.
't Wordt hoog tijd.»
»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.»
»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe
van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe
komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»
»'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op.
»Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.»
»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.
»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen
zij ze met de handen.»
»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht,
waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »'t Moet wel een
aardig werkje zijn, dunkt me.»
»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de
strooper onder het zand bedolven en moet sterven.»
»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. »En
dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het
einde.»
»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke
nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.
Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel
niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik
overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den
gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den
schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de
struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde
hij hals over kop naar beneden.
»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je
jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je
stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»
Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te
schrijven.
»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de
oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om
te krullen van boosheid.
»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk.
»Vluchten, jongens!»
Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij
voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich
naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die
nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.
»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en
haastig bij hem neerknielde.
»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.
»Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar?» vroeg Bob angstig.
»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.
»Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg
Pieter, -- wáár ben je getroffen?»
»Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet!» jammerde Piet.
»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter
aan! Vooruit, Pieter, gauw?»
»De boschwachter? O -- O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar
-- waar is hij, Bob?»
»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden!
Maar haast je!»
Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te
zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst
had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte,
dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne
macht te krijgen.
Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het
gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want
Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom,
den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook
ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.
Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd
was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.
»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.
»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo
vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet
aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte,
dat deze hem begon in te halen.
»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.
Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei
weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.
Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen
oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om
hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.
Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het
voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te
klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en
juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven
letters in het oog vielen.
»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden
naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter
zich te kijken.
»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger
roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.
[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak....
(pag. 195).]
Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak
gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water
viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om
hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze
gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en
in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd,
en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te
springen.
Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk,
daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand
van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan
den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar
malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger
werd, tot aan zijn middel in het water terug.
't Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En
dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in,
sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te
werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot
bedaren komen van het lachen.
Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te
zien, dat zijne woede geen grenzen kende.
»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe.
Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en
was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat
als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op
de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de
vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren
te gaan aantrekken.
En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien
hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door
daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en
Pieter te wachten.
Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met
Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij
verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was.
't Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.
»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob,
grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, 't zou me wat waard
geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig
schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar
is Pieter-neef?»
»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou
komen. Heb-je hem niet gezien?»
»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat
hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn
ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel
mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar
dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de
rekening werd. Waar zou hij nu blijven?»
»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je
maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten
wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.»
Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef
bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te
maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat
laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch
al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou
vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen.
»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik geloof, dat
Pieter-neef verdwaald is.»
»Dat zou erger zijn,» vond Karel.
»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.
»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees
ik,» hernam Bob.
»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in 't bosch ook in het
geheel niet meê. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.»
»Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn
lot overlaten, niet waar?»
»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.
»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten op te sporen.»
»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. »'t Bosch is heel
groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in
zijn angst al afgedwaald is.»
»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer geen tijd verliezen.»
»En Burts dan?» vroeg Karel.
»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed,
want na een bad is men altijd slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»
Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in.
»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant
uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te
vinden.»
»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij
scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden,» zei Karel.
»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat met het oog op Burts
gevaarlijk zijn?»
»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe meer kans om
gesnapt te worden.»
»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel doen, als het geheel
donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister
hier in het bosch, vindt-je niet?»
»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.
»'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.»
»'t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje onrustig, nu het
zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij
ons, dat wij vóór donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de
hand aan.
Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig
spoor van Pieter te ontdekken.
Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker
al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond
tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar
huis te moeten gaan.
Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.
»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. »Ga gij beiden
maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige
menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets
beters?»
Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden
wij ook onaangenaam.
»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen
als we kunnen,» zei Karel. »Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij
thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot
overlaten.»
»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»
Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze
stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in
den omtrek moest kunnen hooren.
»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!» weerklonk het uit drie monden
tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels
en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de
ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en
vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen
van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen,
maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het
hooren daarvan eene rilling door de leden voer.
Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil
staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze
gehoorvliezen zou doen trillen.
Doch wij luisterden tevergeefs.
»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog niet opgeven.»
Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden
wij, of wij iets mochten vernemen.
Opeens zei Bob:
»Luister, jongens, ik hoor iets!»
Wij luisterden.
»Hoor, -- daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.
»Ja, -- ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter zijn. 't Komt van
dien kant.»
Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.
»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan straks nog eens
roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.»
Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij
opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren.
»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!»
Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden
daarna, of we Pieters antwoord hoorden.
Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij
elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed!
»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting!» riep Bob ons
opgetogen toe. »'t Is toch wel aardig, hê, zoo'n nachtelijk tochtje door
een bosch. 't Is zoo geheimzinnig!»
Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de
gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.
Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar
vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij
beefde over zijn geheele lichaam.
»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben ik blij, dat
jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»
»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat voor me opzitten,
als ik thuis kom.»
Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra
hadden wij het dorp bereikt.
Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch
duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan.
»'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij zacht en met eene
huivering, »en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt
er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste
wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door
den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede,
als je weer naar het bosch gaat.»
»Och, -- dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, jongen!»
Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een
haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij
alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik
vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar
hij zeide gestreng:
»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar
verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en
grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.»
»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: »'t Komt alles
van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor
hem. Ga naar bed, Dorus!»
Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof.