ELFDE HOOFDSTUK.

Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij

eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.

Onze vlucht en de gevolgen daarvan.

Pieter komt tot de ontdekking, dat het in

het bosch spookt.

't Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob

en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het

dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam

terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is

eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v.

als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het

water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den

weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen

en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste

voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten

wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende

golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine

scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.

Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden

bevroeden.

»Waar heb jij zoo'n pret over, Bob?» vroeg ik.

»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het

huis van Wobbe?»

»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.»

»Neen, ik ook niet,» zei ik.

»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken,

als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot

is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de

ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne

kar weg.»

»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.

»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en

wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den

wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht.

Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen

doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne

bollen en stoeten. Ha-ha-ha!»

Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne

brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de

zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.

»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik

moet hem een handje helpen!»

»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook

wel min of meer toelachte.

»Natuurlijk!» zei Bob.

»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke

onderneming.»

»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er

nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik

ga, jongens, die grap moet ik hebben.»

Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.

Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis

aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.

Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een

oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs

op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.

Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man

een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar

duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was

het deksel dicht.

Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het

tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen,

hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden

het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht

hebben, eer wij het gedaan hadden.

Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet

bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou

worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene

menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk

gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.

»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar

buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de

portaligheid vandaan?»

Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.

»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m'n lieve mensch.

Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog

door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.»

»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene

hand uit te steken, om hem te helpen.

»'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg

en rad. Help maar eens kijken!»

»'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere.

»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke

noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker

volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.

Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De

aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene

behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig

op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den

bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor

de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons

heen.

»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt,

zal het je niet bevallen.»

Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand

ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons

wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het

hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en

hadden hem weldra ingehaald.

Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder

een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het

bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer

vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus

onzen gang en liepen doelloos verder.

Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan

een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen

stonden.

»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »'t Ziet er daar zoo echt prettig

uit.»

»Mij goed!» zeiden Bob en ik.

»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,» zei Pieter, op de

waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»

»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers,

die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.»

Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was

hij daarvan niet erg zeker.

»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen

komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch

zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen,

dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en

kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.»

Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen

er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het

bosch in.

Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende

kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur

van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen

prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die

daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan

en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk!

Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons

zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust

meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf

ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn

boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.

Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op,

berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar

wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te

rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was.

In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep

was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil

lag eene plank.

»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?»

vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een

boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.

»Ik weet het niet,» zei ik.

»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne

villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt

wordt.»

»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik

van de plank val, ben ik doornat.»

Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij,

waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de

plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen.

Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na

tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen,

wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij

loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan

weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van

inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den

baron als zijn boschwachter vergeten.

Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou

veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen

wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob

de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op.

Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te

begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond

terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een

hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij

gebroken was.

»Stuk!» zei Bob.

»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.»

»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en

ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.»

»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet

stuk, kijkt maar.»

»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch

is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.»

»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en

met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te

maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan

leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij

stuk is.»

»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel.

»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt

geen twijfel.»

»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen,

Bob, -- ik heb het liever niet.»

»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten

liggen?»

»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten

wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan

iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»

»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt

gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.»

Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke

letters:

»Deze plank is gebroken.»

»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is

duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de

gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.»

Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals

we haar gevonden hadden.

»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in

het geheel niet op zijn gemak gevoelde.

Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen

wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan

den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij

ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.

En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde

ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven

klimmen.

»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.

Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten

vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.

»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»

't Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid

te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.

»'t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds

achter de struiken, is zeker de koning.»

»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat

zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel

grappig, zulk eene konijnen-kolonie.»

»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!»

»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er

bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.»

»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.»

»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens

probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid

verraden; maar met pijlen konden we het wagen.»

»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.

»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan.

't Wordt hoog tijd.»

»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.»

»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe

van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe

komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»

»'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op.

»Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.»

»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.

»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen

zij ze met de handen.»

»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht,

waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »'t Moet wel een

aardig werkje zijn, dunkt me.»

»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de

strooper onder het zand bedolven en moet sterven.»

»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. »En

dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het

einde.»

»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke

nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.

Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel

niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik

overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den

gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den

schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de

struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde

hij hals over kop naar beneden.

»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je

jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je

stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»

Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te

schrijven.

»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de

oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om

te krullen van boosheid.

»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk.

»Vluchten, jongens!»

Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij

voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich

naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die

nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.

»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en

haastig bij hem neerknielde.

»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.

»Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar?» vroeg Bob angstig.

»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.

»Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg

Pieter, -- wáár ben je getroffen?»

»Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet!» jammerde Piet.

»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter

aan! Vooruit, Pieter, gauw?»

»De boschwachter? O -- O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar

-- waar is hij, Bob?»

»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden!

Maar haast je!»

Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te

zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst

had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte,

dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne

macht te krijgen.

Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het

gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want

Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom,

den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook

ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.

Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd

was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.

»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.

»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo

vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet

aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte,

dat deze hem begon in te halen.

»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.

Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei

weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.

Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen

oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om

hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.

Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het

voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te

klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en

juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven

letters in het oog vielen.

»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden

naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter

zich te kijken.

»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger

roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.

[Illustration: Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak....

(pag. 195).]

Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak

gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water

viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om

hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze

gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en

in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd,

en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te

springen.

Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk,

daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand

van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan

den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar

malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger

werd, tot aan zijn middel in het water terug.

't Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En

dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in,

sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te

werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot

bedaren komen van het lachen.

Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te

zien, dat zijne woede geen grenzen kende.

»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe.

Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en

was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat

als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op

de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de

vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren

te gaan aantrekken.

En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien

hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door

daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en

Pieter te wachten.

Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met

Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij

verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was.

't Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.

»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob,

grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, 't zou me wat waard

geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig

schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar

is Pieter-neef?»

»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou

komen. Heb-je hem niet gezien?»

»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat

hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn

ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel

mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar

dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de

rekening werd. Waar zou hij nu blijven?»

»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je

maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten

wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.»

Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef

bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te

maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat

laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch

al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou

vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen.

»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik geloof, dat

Pieter-neef verdwaald is.»

»Dat zou erger zijn,» vond Karel.

»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.

»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees

ik,» hernam Bob.

»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in 't bosch ook in het

geheel niet meê. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.»

»Ja, -- hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn

lot overlaten, niet waar?»

»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.

»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten op te sporen.»

»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. »'t Bosch is heel

groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in

zijn angst al afgedwaald is.»

»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer geen tijd verliezen.»

»En Burts dan?» vroeg Karel.

»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed,

want na een bad is men altijd slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»

Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in.

»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant

uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te

vinden.»

»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij

scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden,» zei Karel.

»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat met het oog op Burts

gevaarlijk zijn?»

»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe meer kans om

gesnapt te worden.»

»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel doen, als het geheel

donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister

hier in het bosch, vindt-je niet?»

»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.

»'t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.»

»'t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje onrustig, nu het

zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij

ons, dat wij vóór donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de

hand aan.

Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig

spoor van Pieter te ontdekken.

Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker

al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond

tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar

huis te moeten gaan.

Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.

»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. »Ga gij beiden

maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige

menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets

beters?»

Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden

wij ook onaangenaam.

»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen

als we kunnen,» zei Karel. »Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij

thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot

overlaten.»

»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»

Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze

stemmen. 't Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in

den omtrek moest kunnen hooren.

»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!» weerklonk het uit drie monden

tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels

en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de

ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en

vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen

van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen,

maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het

hooren daarvan eene rilling door de leden voer.

Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil

staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze

gehoorvliezen zou doen trillen.

Doch wij luisterden tevergeefs.

»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog niet opgeven.»

Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden

wij, of wij iets mochten vernemen.

Opeens zei Bob:

»Luister, jongens, ik hoor iets!»

Wij luisterden.

»Hoor, -- daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.

»Ja, -- ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter zijn. 't Komt van

dien kant.»

Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.

»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan straks nog eens

roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.»

Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebben beklommen wij

opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren.

»Pieter! -- Hallo! -- Hallo! -- Pieter!»

Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden

daarna, of we Pieters antwoord hoorden.

Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij

elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed!

»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting!» riep Bob ons

opgetogen toe. »'t Is toch wel aardig, hê, zoo'n nachtelijk tochtje door

een bosch. 't Is zoo geheimzinnig!»

Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de

gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.

Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk -- ha, daar

vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij

beefde over zijn geheele lichaam.

»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben ik blij, dat

jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»

»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat voor me opzitten,

als ik thuis kom.»

Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra

hadden wij het dorp bereikt.

Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch

duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan.

»'t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij zacht en met eene

huivering, »en wat was het er donker, griezelig donker. En het spookt

er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste

wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door

den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede,

als je weer naar het bosch gaat.»

»Och, -- dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, jongen!»

Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een

haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij

alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik

vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar

hij zeide gestreng:

»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar

verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en

grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.»

»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: »'t Komt alles

van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor

hem. Ga naar bed, Dorus!»

Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof.

Wilde Bob · 第 16 / 22 题