Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon
en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,
Bob eene edelmoedige daad verrichtte en
Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje
getooid werd.
Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen
wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden
wij ons veel genot van dat feestje voor.
's Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn
gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met
rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van
zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens
om te gaan) op de markt bij den kermiswagen.
Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen,
die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en
Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen
in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik
groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi
weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook,
dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was
spoedig gereed om mij te vergezellen.
Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei
hij op eens:
»Ik wou, dat ik dood was!»
En meteen begon hij te schreiën.
Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.
»Ja, -- dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij
ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel,
zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, --
schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word,
hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als
Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten
weten, niet waar?»
»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.
»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het weten. Maar Vader en
Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen
wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En
dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald
met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons
te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet
langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood
was, Dorus.»
Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.
»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. Neen, je moet
den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij
onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.»
»Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar
eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest,
en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij
niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn
tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht
zal afloopen, Dorus.»
»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. »Maar willen we nu de
sleutels gaan halen?»
Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en
Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis.
»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En Jan aanziende
vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte:
»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op
je porte-monnaie passen, Dorus.»
Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.
»Dat is laster, -- gemeene laster!» siste hem tusschen de lippen door.
»Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken,» lachte Arie
sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor kleine langvinger.»
»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden met hem.
Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe,
krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem
raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó over
zijne ouders hoorde spreken.
Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond
driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek
heel boos.
»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal ik je afleeren!»
Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen
hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het
kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?
»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee
neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog na. »Wij weten te goed, dat het
muist wat van de katten komt.»
»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei ik, om Jan te
troosten.
»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem!» zei
Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan.
Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet
bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en
telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war.
Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme
menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en
toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans
woorden, niet langer.
Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De
sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar
niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter.
»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem onder het naar huis
gaan.
»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen zucht. »Veel lust
heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de
jongens zien mij liever niet dan wel.»
»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het
waar was.
»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent
net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit
vergeten.»
»En Bob dan? -- En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij zullen je ook niet uit
den weg gaan.»
»Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden wij plotseling eene
stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we
goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te
wachten. Hij kwam nu te voorschijn.
»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen is, die het je
lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»
Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed.
En Jan klaarde er ook heelemaal van op.
»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe
graag hij wilde.
»Zeker, -- doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als je het niet doet,
dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!»
Dat was fideel van Bob.
»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.
»Goed. -- Ik doe meê!» klonk zijn antwoord.
Wij hielden woord.
Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten we, op stelten
natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden
joelen.
Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi
gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan
werd er vroolijk van.
»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij opgetogen. »'t Is
een man, zooals er maar weinig zijn.»
Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk
rondloopen, om alles in orde te brengen.
»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» zei Bob. »Jongens,
wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.»
»Jij natuurlijk,» zei Jan.
»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»
»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik.
»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven,
waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij
kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe
meer vreugd, zeg ik maar.»
Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte
heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van
den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op
stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen
klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.
Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden
toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op
het gelaat:
»Moet hij ook meêdoen?»
Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij
dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans
vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist
wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte
en vlak voor Tines ging staan.
»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen dat je daar niets
tegen hebt?»
»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en smalend liet hij er op
volgen: »Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer
Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd
deelneemt.»
»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines
Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want
Jan blijft hier en doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen
met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines!»
Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem,
waarom wij allen moesten lachen.
»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er toch eigenlijk niet
veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. »Dan was jij
vrij zeker van den prijs!»
»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!»
»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor
zoover ik weet.»
Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste
vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde
hij er zich vreeselijk aan.
»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als je durft!»
»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.
Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene
klok.
Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was.
't Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik
mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde.
»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij vriendelijk. »Mag
ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te
komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij
elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was
je dat veggeten?»
Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:
»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»
»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik
zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.»
O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines
Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van.
»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten.
Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken
appelwijn?»
»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, en allen gingen wij
mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons
gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer
Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken,
opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn
genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want
van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat
het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar
de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij
waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de
feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van
mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd,
of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de
kippetjes.
Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden:
1. Pieter van Koorde.
2. Jan van der Vliet.
3. Adriaan Bolt.
4. Tines Wobbe.
5. Huibert de Leeuw.
6. Dorus Volmaar.
7. Karel Holm.
8. Bob de Wild.
9. Cor Valk.
10. Dirk Langeraar.
11. Arie Kooy.
12. Karel Buurs.
Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder
vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar
Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van
Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op
was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander
moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen
het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar
als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren.
»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer Denappel, toen hij onze
namen in volgorde opgeschreven had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is
dood, -- goed begepen?»
»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»
»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan
het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal
vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen
zwenken naar den kant van den winner.
Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.
»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel
ging het voorwaarts.
Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er
smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij
meedeed.
»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij eigenwijs, »als hij
lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»
Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had
het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje.
»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.
Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.
Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou,
want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even
later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een
streepje.
»Numego vijf en zes!»
Nu was ik aan de beurt.
»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan lachen ze me uit, als
ik het zoo ver verlies.»
»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en inderdaad won ik het
met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo
hard niet geloopen, als ik kon.
Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden
het beiden best.
»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o
wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de
voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was
prachtig, om te zien.
Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte
eene buiteling, -- en kreeg een streepje.
Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander
gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was
Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we zouden
aan den tweeden beginnen.
»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» riep mijnheer
Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij.
En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang!
Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer
een streepje kreeg, mocht niet meer meêdoen.
Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige
gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna
Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm
er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen.
Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg
ook Arie Kooy zijn tweede streepje.
Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag.
»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.
Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje
»dgie», of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen
tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje
begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij
den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef
voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vóor hij kon opstaan had
Bob de vlag bereikt en was Karel dood.
Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk
als overwinnaar uit het strijdperk.
Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en
hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en
spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging.
»Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg?» vroeg
hij ontsteld.
En toen jammerde de geheele troep in koor:
»We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood!» Wij moesten
geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst.
»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat is dat jammeg,
want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te
pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.»
»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en
de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de
versnaperingen rondgedeeld werden.
Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde:
1. Jan van der Vliet.
2. Tines Wobbe.
3. Dorus Volmaar.
4. Bob de Wild.
5. Cor Valk.
6. Karel Buurs.
Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden
gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed
steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij
ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl
Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden.
»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob
draven.
»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die
nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen.
Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te
verkoopen.
Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei:
»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het
verloor.»
»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos
aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.»
»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.
»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!»
Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur,
want ik bleef hem kort op de hielen.
Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:
»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»
Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob
verslagen. Ik was dood.
Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar
drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.
Eerst moesten Jan en Bob loopen.
»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. »Als ik het tegen
hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het
wel winnen.»
»Dus je wilt het hem laten winnen?»
»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won,
al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.»
»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het hardst.»
»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.»
»Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines
kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dàt is de
reden.»
»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal
mis!»
Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af.
Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want
hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus
bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar
toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen.
»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij
zagen, »kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je
goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn
leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»
»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens hem bestormden
met de vraag, hoe dit mogelijk was.
»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel niet moê.»
Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee
streepjes en was dus dood.
Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den
tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had.
Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was
afgeloopen, dan wij gedacht hadden.
Wat was Jan van der Vliet blij!
»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, »want jij loopt toch
veel beter dan ik.»
»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn
list zoo goed gelukt was, »ik zal het later wel eens beter overdoen, dat
beloof ik je!»
»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om
getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.
Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem
staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu
stil, en mijnheer Denappel zeide:
»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met
vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt
me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik
zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een
pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg
Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen
zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.»
Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan.
Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank.
»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de
avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij
eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met
pleizieg.»
Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.
»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» vervolgde mijnheer
Denappel, »en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal
geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen
gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En
nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen zóó bijzondeg
moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet
meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit
geschenk van mij kgijgt.»
Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar
tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had,
hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene
mooie daad van Bob vond.
Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde
mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons:
»'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» En haar
Tines bij het oor houdende zeide hij: »Luister maar, Tines, je kunt het
best hooren.»
Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene
hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had
zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt
zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het
oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.
't Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob
stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik
nog, dat de ondeugd het er om gedaan had.
Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf
het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende.
Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en
vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal
hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk
over het geheele dorp.
't Was een heerlijke middag geweest.