NEGENDE HOOFDSTUK.

Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en

hoe de beer wraak nam. De heldendaden van

Pieter-neef en van Tip, den veldwachter.

Hoe Bob berenleider werd.

Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer

niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog

wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij

eene pret met dat dier gehad.

In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de

poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden

wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden

wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den

poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders

gezelschap ons vaderland door.

Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een

van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met

zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den

wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het

marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van

de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk

touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij

vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht

slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht,

doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel

bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden,

hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn

beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en --

begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet

te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel

niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede

plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een

anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak

voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een

vervaarlijk gebrom hooren.

Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt

van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden

waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat

we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons

aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe

vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het

dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed

te klimmen.

Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij

natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem

een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden.

Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met

onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel

wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen.

Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem

te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange

stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat

hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met

een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen

maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van

den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het

met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad.

»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst stilstond. »Gelukkig,

dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen

verscheurd!»

De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in

zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met

plagen.

»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de vrouw, die in

den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de

berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat

ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen.

Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij

medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het

marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor

de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.

Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier

staan.

»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. »Waar

is de berenleider?»

»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester,» klonk het

antwoord.

»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is,

zonder toezicht blijven?» zei de burgemeester op gestrengen toon.

»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.»

»Flip -- wie is dat?»

»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet

thuis.»

»Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen

kwaad?»

»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de vrouw, die het

buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, »Flip is niet thuis.»

»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, vrouw, of dat touw

sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht

worden.»

»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks

komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn

man naar Haarlem.»

»Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?»

»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt,

zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.»

»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had,

bruintje zoo nabij te komen.

»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten

mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me

moet komen.»

»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»

Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer

weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij

dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan

zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken.

Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet

eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij

bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen,

maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs

Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen,

dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen.

Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan

tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem

den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret,

dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder

schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te

krijgen, maar de beer hield vast.

Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een

vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof

dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en

begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen

de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone

bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn

meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp,

konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te

beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor

zoover zijn touw hem dat toeliet.

Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan,

wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen.

»Allo! Ho -- hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, en weer begon hij op

de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en

toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op.

Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond

hij er geheel op.

Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en

de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op

de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje

te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te

zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar

beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij

eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne

pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want

zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er

geen beweging in krijgen.

Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele

dorp!

De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo

hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak

bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok.

Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit

elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor

Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte

en stokstijf bleef staan.

»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, want wij dachten

niet anders of hij zou verscheurd worden.

Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier

af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het

beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De

haren rezen ons ten berge van schrik.

Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een

lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet

verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het

touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den

jongenstroep. Onder den kreet »De beer is los! De beer is los! De beer

is los!» sloegen allen op de vlucht.

Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen

den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om

hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door

met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die

midden op het marktplein stond.

Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van

schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om

hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde.

Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knieën had

willen vallen, als dat had kunnen baten.

»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een

eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou.

Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het

geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld.

Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen

veilig en zeer goed op zijn gemak.

»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den

lantaarnpaal stond.

»'k Durf -- niet -- o -- help!» kreunde Piet.

»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» plaagde Bob, die schik

in het geval begon te krijgen.

»O -- Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.

»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» ging zijn plaaggeest

voort.

Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in

het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos

in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel

verstandiger uit dan zijn slachtoffer.

Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van

rinkelen.

O hemel!

Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de

achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen.

Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in

achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte

hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde

en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om

zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht,

die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen

bijna uit den boom buitelde.

Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij

twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een

vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in

hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend.

Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed

van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar

achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op

vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter

verwaardigde hij met geen enkelen blik meer.

Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna

zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van

den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op

een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen,

dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar

hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij

hebben hem den geheelen avond niet terug gezien.

Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het

gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor

zoover wij bij een man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging

als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet,

dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog

niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis

moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden

hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen

kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan

en zeide:

»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.»

»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik

even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de

tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden.

»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt er een oploop.»

»Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer

kan immers klimmen?»

Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam

stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon

het wel eens bitter slecht met hem afloopen.

»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou Bob er uit moeten

komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en

weer loopt?»

»Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet

graag in zijne plaats willen zijn.»

»Ik ook niet, Jan.»

»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene

revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?»

»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet

tot nog toe niemand kwaad.»

»Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne

broodwinning verliezen,» merkte Jan op.

Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.

Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare

middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom

heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er

onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den

boom verwijderde.

Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: »De beer

komt! De beer komt!» sloegen zij op de vlucht.

Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging

regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen

blik aanzag, en zeide op boozen toon:

»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat

afschuwelijke beest hier midden op het dorp.»

»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver in de hand

verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.

»Is die man nog niet thuis?»

»'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er

nu niet dichtbij.»

»Ja, -- ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch opeens van

gedachten veranderende, vervolgde hij:

»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat

beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?»

Tip sloeg aan en zeide dapper:

»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.»

De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij

volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging

met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling

bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den

burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij

niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat

strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde

daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug.

Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de

ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die

gedachte maakte hem erg boos.

»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en vastbinden!»

»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet

brengende.

Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat

de burgemeester kortaf tot hem zeide:

»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»

Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene

eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht.

Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens

was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te

volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing:

»Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat

en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een

dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang

ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch

altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.»

»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is.

Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, --

begrepen, Tip!»

»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die verbazend in zijne

nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen

was.

»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en

vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.»

»Ja wel, burgemeester.»

Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den

wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar

bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van

Tip.

Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette

hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar

het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij

in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan

te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene

kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen,

toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen

spelende op hem af kwam.

O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips

gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het

op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom

terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger

dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen

afstand.

Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had

er ook niet weinig pret in, en begon te zingen:

"O moeder, de beer is los;

Hoor dat beest eens brullen!

Snijd hem neus en ooren af,

Dan hebben wij wat te smullen!"

Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper meê te zingen, tot

groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en --

vlug als eene kat klauterde hij den boom in.

Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst

aan.

»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!»

klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om

een einde aan de zaak te maken.

»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of het kost een

menschenleven.»

»Jawel, burgemeester,» zei Tip.

Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds

hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt.

»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.

Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de

revolver volstrekt geen meester was.

»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» dacht hij bij

zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit.

»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft hij dien jongen

bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»

Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet

schieten.

»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.

»Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van

den beer den jongen tref -- wat dan?»

»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.

»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het

je, Tip!»

Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al

wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef

waar hij was, aan den voet van den boom.

Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op

zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet

hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde

hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig

middel tot redding in de gedachten kwam.

De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende

dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat

de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde

Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en

nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak

het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor

hooren, als om hem te bedanken.

Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in

veiligheid te brengen. »Die waagt, die wint!» mompelde hij. Hij greep

den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne

occarino, en zei toen met gebiedende stem:

»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen rukte hij aan het touw,

zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood.

Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester

gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had,

of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.

»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, en alle menschen

hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen.

Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet

weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer

bereikt.

Bob blies op zijne occarino.

»Hallo! Op! -- Op!» gebood hij.

En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op

zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden

kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig

aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, --

en ging bedaard heen.

»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.

En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen,

dat oud en jong meêdeden, uit volle borst:

»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»

Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De

burgemeester trad dadelijk op hem toe.

»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in

beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.»

Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:

»'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»

»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een

verscheurend dier?»

»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch

geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij

heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»

»Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een

hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet

ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier

geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»

»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta

er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.»

»Doe dat, -- en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester heengaande. Tip

volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in

het geheel geen kranig figuur gemaakt had.

Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste

water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem

tot de grootste heldendaden in staat.

En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den

volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend.

Wilde Bob · 第 14 / 22 题