ACHTSTE HOOFDSTUK.

Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van

twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in

figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in

eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.

Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was

bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn

hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig

vóór schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed.

Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite

gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat

Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.

Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de

baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem,

menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn

tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijna te laat

was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien

minuten voor negenen, eer hij er aan dacht.

»O heden!» mompelde hij. »'t Is al bijna te laat, maar als ik hard loop,

kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet

ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.»

Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school

begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die

langzaam het dorp naderde.

Bob bleef staan.

Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide.

Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de

school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng,

dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat

naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel

belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan

een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob

de geheele school.

Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij

op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde

oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te

dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat

onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij

zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen

zijne plaats nog ledig bleef.

»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de meester. Doch wij wisten

het niet.

»Hij is toch niet ziek?» klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij

het antwoord schuldig blijven.

»Lees maar door, Anna!»

Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en

Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam.

»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.

»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»

»Van buiten, meester.»

»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»

Bob keek zwijgend voor zich op den grond.

»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»

»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»

»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar,

Bob?»

Bob mompelde zoo iets van: »Kon 't niet helpen,» maar veel verstonden

wij er niet van.

»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene kinderachtige

uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je

kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel,

maar ik kan er niets aan doen.»

Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of

hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te

kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was.

»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,»

fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden,

maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.

Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. In het portaal

was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels,

welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als

hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te

zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval met de woorden:

»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar

steentjes tellen.»

Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal

terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog

zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets

overschoot.

Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld

had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te

zetten.

»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas

op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.»

Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen.

Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk

moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde

hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet

eens, dat er gelezen werd.

»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.

Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons boek op te zien.

»'k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.

»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.

O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot

beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den

laatsten zin, dien hij gehoord had, niet.

»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» klonk het gestreng

uit 's meesters mond. »Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees

verder, Jacob de Haas.»

Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met

lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.

»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook

niet wat harder?» mompelde hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben.

Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O jé,

waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!»

»Die volgt!» klonk het weer.

Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een

weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te

kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht.

Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer

denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij

wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was.

»Jongens!» fluisterde hij weer.

Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij

zagen niet op.

»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob lispelen.

Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden,

wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging.

»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden

van pleizier.

»Ja, -- een grooten, bruinen beer.»

»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.

»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»

»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met

lezen op. »Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt

je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»

't Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob

een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het

goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester,

dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte

straf zou anders stellig Bobs deel zijn.

Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kòn ook

niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten,

om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het

goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens

ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het

ver mis!

»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je bent waarlijk

niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je

gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je zóó, dat

je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!»

Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig.

Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij

hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde,

wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters

rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit

naar de deur.

»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga

steentjes tellen!»

Bob bleef zwijgend zitten.

»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»

»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.

»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!»

Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar

wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest

allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met

neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht.

't Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg

boos.

»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.

En korten tijd daarna was het weer:

»Die volgt!»

Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de

rekenles.

Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden

oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn

gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng,

maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke

zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos

aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.

Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al

de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer

althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet

bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een

berenleider op een enkelen morgen »afgewerkt» te kunnen worden.

»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken,

terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» morde Bob, die erg boos

was op den meester. »Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik

doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij

wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat

het wil!»

Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede

hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te

beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven,

want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien

zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.

Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.

»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,»

mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna

nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met

gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik

hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken!»

Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij

bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen

naar het verscheurende dier stonden te kijken.

»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. »En nu steentjes te

moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den

achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch,

daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes

tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene

gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan

staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed

en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan

hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe

het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja,

daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten,

hoe lang de gang is.»

Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker.

Weldra wist hij, wat hij weten wilde.

»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»

»Nu de breedte.»

Bob mat weer.

»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De gang heeft dus

eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig

vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten.

Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene

oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot

veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante

centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is

precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den

meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb

ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan

worden.»

Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen.

Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de

hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan.

»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.

Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:

»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»

Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester

begreep het ook niet.

»Klaar?» vroeg hij. -- »Er zijn er duizend? Wat -- duizend?»

»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, zooals u

bevolen had. Er zijn er duizend.»

Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in

een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester

zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden,

want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet

tot bedaren komen.

Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even

smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij

gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:

»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»

»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene oppervlakte van

veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante

centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.»

»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer in den lach schoot,

»dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let

beter op.»

»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van

zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op

en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer.

Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te

keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen,

want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al

sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij

het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af.

Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.

»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol gelaat.

De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van

den wilden Bob.

»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob,» zei

hij, den deugniet op den schouder kloppende.

»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens

hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden.

»Ga dan maar heen, Bob.»

»Asjeblieft meester. Dag meester.»

En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór wij den beer bereikt

hadden.

»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op den achterweg!»

Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons

allen begaven wij ons daarheen.

Ha, daar zagen wij hem!

't Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had

dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den

grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan

had; dat stelde ons eenigszins gerust.

De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden gehoopt, dat hij

iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een

Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die

onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan

hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.

»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier

voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en

huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn

meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat.

Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende

dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna

nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was

een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene

bewondering op te wekken.

Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als

ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer

men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval

was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf

oploopen.

Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!

Wilde Bob · 第 13 / 22 题