ZEVENDE HOOFDSTUK.

Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.

Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.

Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het

dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij

zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog

altoos met neef Pieter opgescheept zat.

»Kom je niet spelen?» vroegen we.

»Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar

hij mag wel wandelen.»

»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.

»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, dan moet je je

rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet meê!»

Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de

onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te

vervolgen.

Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide:

»Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer,

warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik

zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.»

»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»

»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan we immers altijd!»

»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»

»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, en ik weet niet,

of Mama het wel hebben wil.»

»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.

»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou geval maar niet

gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»

»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was

als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding.

Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal

pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene

enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man,

vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de

jongens zagen er altoos zóó vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde.

Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen

maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat

hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet

veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en

geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en

hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog.

Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo

heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij

lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden,

want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. Zij liepen dus

veel kans, het onderspit te moeten delven.

Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren

ons bad te nemen.

Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum

van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet,

want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste

plaats.

Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en volgde met

belangstelling onze evolutiën in het natte element. Die waren inderdaad

ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen

haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo

geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten.

Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij

een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg was,

dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn

rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat

kan ik verzekeren. Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw

rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o jé, als dan

het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en

kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven.

»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en

zich van zijne kleêren begon te ontdoen. »Ik kom er ook in; hier verveel

ik me, en 't schijnt me zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet

uit?»

»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet

greep en hem eene duikeling liet maken, »nog lang niet, Pieter, kom er

maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»

Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in

het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat

het voor hem een zeer ongewoon werk was.

»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, »wat is dat

koud!»

»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij

voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»

»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar in, Pietje. Heusch,

het zal je meêvallen.»

»Maar 't is zoo koud,» zei Piet weifelend.

»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan,» zei Bob. »Maar je

moet het zelf weten, hoor.»

Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene

been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere.

»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»

Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.

Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel

liepen zij op hem toe en grepen hem, vóór hij de vlucht had kunnen

nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken.

»Brrr -- hè -- hè -- hè -- brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat me lho-hos!»

zei hij smeekend. »Ik verdrink!»

»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei Bob. En toen zij

midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig

knipoogje:

»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee -- drie, daar gaat

Pieter!»

»O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen!» smeekte Piet. Maar dat baatte

hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling

kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer

boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór hij

gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.

»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.

En daar ging Pietje voor de derde maal.

»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je hier burger

geworden, Pietje!»

»Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff!» kermde Piet, die nu zijne

vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij

durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van

zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.

Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar

werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen

was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en

verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste

overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.

»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij ontsteld. »Er trok me

iets aan de beenen!»

»'k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een heel eind verder

bevond.

»Wat kan dat toch geweest.....»

O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst

bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje

toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets

meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij

dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde

het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier.

»Wat is men licht in het water, zoo licht als een veêrtje,» zei hij. »'k

Vind het hier heerlijk.»

»Krijgertje doen?» vroeg ik.

»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.

Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven

liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur

van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan

voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar

en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een

vijandigen voet stonden.

Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen,

-- maar toen was het laat.

»Gooi in het water -- die kleeren!» hoorden wij een van hen zeggen.

»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!»

»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei de derde met een

grijnslach. »Maar vlug dan, want ze komen al terug!»

Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen

zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in

staat.

Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles,

wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden,

ten einde tijd te winnen.

»Als je 't hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» riep hij hun toe.

»Wacht je dan voor de gevolgen!»

Maar zij waren onvermurwbaar.

Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en

groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken.

In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk

te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het

op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij

kwaad!

»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»

»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» voorspelde Karel. »Die

apen!»

»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze naar Artis sturen en

dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons

goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?»

»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht.

Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. »Al mijne

kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»

»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat ons overschiet.»

»En dan?»

»Ze aantrekken!»

»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen nader stond dan

het lachen.

Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken.

»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets wits boven de

oppervlakte verschijnende.

»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »'t Is het mijne, Kareltje.

Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie

ik wel.»

»O, 't is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd.

»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.

»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.

»En ik eene kous!» juichte ik.

»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen we het straks wel

sorteeren.»

»Eene broek!»

»Nog eene!»

»En eene blouse! Weer twee schoenen!»

»Hier is een hemd!»

Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken

wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze

schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen

Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem

eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze

natte kleeren, als het beeld der wanhoop.

»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde hij. »Was ik maar niet

met jelui meêgegaan en had ik maar niet gezwommen!»

»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder

meê. Help liever de kleêren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.»

»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» vroeg Piet op

schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en

duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop.

»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het

ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen,» zei Bob, die medelijden

met hem begon te krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts

en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf

als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna

geen droppeltje inblijft.»

»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij het ook doen.

Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken

wij er toch door kwijt.»

»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene

pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien

maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien,

zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!»

»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.

»Of een strijkijzer!» zei ik.

»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog wordt!»

»Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»

»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een

paar uren te bleeken leggen!»

»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen

gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was.

Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover

gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte

goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen

hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in

den tuin nog uit te lachen op den koop toe.

»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» zei Bob met gebalde

vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»

»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»

»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» zei Bob.

»Ja,» zei Karel, -- »en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben

door en door koud!»

»Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we!»

Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer

onaangenaam gevoel, al die natte kleêren, maar daar was nu eenmaal niets

aan te veranderen.

In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen

blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de

laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene

verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend

hebben.

Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven

werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen

achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk

was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig

vermaak, waarboven wij ons verheven achtten.

Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen

aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij

in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad

kozen.

»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.

»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde Karel, die erg

boos op hen was.

»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik een steen op mijn

hoofd! Ze gooien!»

»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze schijnen te meenen,

dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat

naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons

eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.»

Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren

en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed

voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien.

»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden

tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd

opkijken. Nu, -- daar gaat hij!»

»Een!»

Bob wachtte een oogenblik.

»Twee!»

Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken.

»Drie! Valt aan!»

Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet,

die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in

de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht.

O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij

daartoe hun best, -- maar 't was te laat.

In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de

vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield,

ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren

boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens

toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars

verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging

niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het

uitschreeuwden van pijn en angst.

»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand

toediende. »Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb

eene gulle bui vandaag!»

Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te

ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam

er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag

gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de

oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en

wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf

een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had

gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn

vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam,

knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:

»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»

»Hê, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» zei Bob.

Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen

tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren

zeer tevreden over onszelven.

»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.

»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik denk, dat ze ons

voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.»

»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.

Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder

den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders

toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te

vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite

gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats

zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar

te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter

evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor

dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te

vragen, iets, wat wij nooit deden.

't Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf

dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet

naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was,

thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar

-- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar

zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar

hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was,

maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de

slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde,

juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot

doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat

vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den

toeschouwer allerakeligst aan.

Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar

jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten.

Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu

eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij

vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers,

die al te voorschijn waren gekomen.

Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in

Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie

weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel

zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen

zouden er graag een willen hebben.

»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je

zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.»

»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne

oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige

Tante van die onschuldige diertjes had. »Aan jou?»

»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is.»

»'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met

den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het

niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»

»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.

Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te

gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen

zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten

waren slechts door een houten beschot gescheiden.

Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar

licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed.

»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» vroeg Bob lachend.

»Ik heb nog wel tabak.»

»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van den grootsten

afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er

aan denk, word ik nu nog ziek.»

»Wel te rusten dan!» zei Bob.

»Slaap lekker!» was Pieters wensch.

Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden.

Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het

was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant.

Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet

zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mòèst hij

het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er

van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht

kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam

oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de

oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te

schudden in zijn bed van 't lachen.

[Illustration: In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen

stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).]

Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij

tikte zacht terug.

»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»

»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.

»Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob!» hoorde hij Piet

fluisteren.

»Dieven?» vroeg Bob terug.

»Neen -- erger, Bob. Een -- spook.»

»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»

»Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij

hier!»

»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»

't Werd weer stil in Pieters kamer.

Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een

schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het

ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur

geopend en kwam Piet binnensluipen.

»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst,

»wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat

mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van

angst.»

»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,» was Bobs

hardvochtige raad. »Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op

bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.»

»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; »voor geen geld

ga ik dáár slapen! 't Is afschuwelijk, Bob.»

»Wat wil je dan?»

»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»

»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. We kunnen er

onmogelijk met ons beiden in.»

»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob,

asjeblieft?»

»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld

een onderzoek instellen.»

»O, -- maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte Piet, bevende van

ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar

beneden moest begeven.

»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, dat er niet eens iets

op je kamer is, om bang voor te wezen.»

»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een

afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen.»

Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.

»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij lachend uit zijn

bed sprong.

Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van

zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed

vandaan haalde.

»Waar is nu het spook?» vroeg hij.

»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.

»'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. »Je hebt je

weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!»

Pieter kwam behoedzaam nader.

»Dáár is het, -- dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, toen hij om den

hoek van de deur keek.

»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een

zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!»

Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en

teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende

om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet

zonder schaamte:

»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje,

waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.»

»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik Pa roepen?»

»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?»

»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij

zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap

lekker, Piet!»

»Goeden nacht!»

Wilde Bob · 第 12 / 22 题