Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel
en daarna voor visch speelt.
Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, om zijne stelten te
halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp
gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede
te spelen.
Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat
de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij
zeide.
Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen,
was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep,
weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij
zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal
bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden:
Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang.
Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen
voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne
vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel
geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel.
Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan,
met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den
zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en
telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan
Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de
Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.
Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij
dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van
zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in.
»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden,» zei Tines
Wobbe, »dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.»
»'t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was nu al genoeg
geplaagd.»
»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een grijnslachje, dat
wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen
van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van
eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen
uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos
buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens
niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat
deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er
eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij
in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij
hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we
het nooit nalaten.
»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in de rede.
»Goed nieuws?» klonk het terug.
»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel
ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. »Ik noodig alle
jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg
te komen, 's middags om één uug, tot het houden van een wedstgijd in het
hagdloopen op stelten.»
»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de jongens hem vroolijk
in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als
iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend
hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na.
Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk.
»'t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn grappigsten toon.
»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het opeens uit aller mond.
»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben nog niet
uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in
pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...»
»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»
»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne
beide handen. »Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd
zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek,
maag niet in een fgaaien band.»
»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»
»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. »En dan heb ik nog
een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik
behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed
beggepen?»
»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk het lachend rondom
Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten
lachen.
»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» vroeg Dirk
Langeraar aan Bob.
»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan.» En heel
vaderlijk liet hij er op volgen: »Kleine jongetjes moeten niet naag
alles vgagen, hoog kegeltje?»
»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»
Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep
hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet.
En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De
schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de
Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór
den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar
uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde
zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar
twijfelde hij ook niet aan.
Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te
ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu
bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug.
»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.
»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.
»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines Wobbe. »Wat heb je hem
gedaan?»
»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van
middag,» zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij
wat hij gedaan had.
»Zoo'n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu voor den schoenmaker,
Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt.
't Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.»
»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig lachje. »En hij zal
me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het
hardst steltloopen?»
»Goed!» zei ik.
Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten.
»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.
»Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd.
Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk
Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»
Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we
konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer
dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij
niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden
op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen.
De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed
wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen!
Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de
Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te
zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam
boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn
voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa
in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op.
»Hè-hè!»
»Au! Ga toch weg!»
»Rijs op, zeg ik je!»
»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»
»Ik stik! Ik stik!»
»Au, mijn arm!»
»Mijne beenen breken!»
»Je zit op mijn rug!»
Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand
van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen
een steen terecht gekomen.
»'t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een buil op. 't Doet
me anders wel pijn.»
Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.
»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.
»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.
»'t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den dam is, volgen alle
anderen,» en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij
allen nadoen, net als de schapen.»
»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.
»Ja, overdoen! Overdoen!»
»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.
»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot zich niet
tweemaal aan denzelfden steen.»
Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob
en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk
de prijzen wel zouden winnen.
»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het van Bob en Tines toch
niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.»
»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede om een prettigen
middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is
toch de hoofdzaak.»
»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen,» zei ik.
»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij
tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen.» zei
Huib de Leeuw.
»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen?» vroeg Bob.
»Ja, -- wat dan?»
»Verstoppertje?»
»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?»
»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder
dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde.
Is dat afgesproken?»
»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel,
-- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.»
Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom
staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij
hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij
natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een
gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk.
Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een
luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij
gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende
spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten,
dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten
eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen,
bij het volgende spel weer schuil te gaan.
Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd,
om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel,
vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd.
Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende
schuilhoeken te vinden.
Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van
den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden,
kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug
verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes.
Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon
hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des
schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid
om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene
omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was
om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer
hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij
een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone
brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die
daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem,
zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich
daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om
zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan,
maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet
weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem
vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem
buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig
niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens
gevonden had, zei hij tot de andere jongens:
»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat brandnetelboschje
zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.»
»Ga kijken, -- dan weet je het!» raadde ik hem aan met een leuk gezicht.
Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid
waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne
meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland
door den rijstebrijberg.
»Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg hij met een
overmoedig lachje.
»Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik!» zei ik lachend.
»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet hier zitten! Vooruit,
daar gaat hij!»
En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in.
Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong
Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan
hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra
wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want
Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot
opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong
en wij hem hoorden roepen:
»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt
om te zoeken. Jou slimme rot!»
Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu
hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van
het boschje.
»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken toon. »Wel
driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!»
»'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei Tines Wobbe. »Ik gun
je de pret.»
»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde
kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.»
Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen
een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te
zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof
wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook
een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als
die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men
nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden bereikt. Het
kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te
verliezen.
't Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was
Cor Valk de zoeker.
En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij
dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs
zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde
van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als
hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg
niet was.
Welk plaatsje had hij dan gevonden?
De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met
den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman
als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en
dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd
uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot
gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit,
om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel
voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal
netten, waarmede hij menig vischje verschalkte.
Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote
vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet
anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water
er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of
luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door
den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar
binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den
gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de
visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.
Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het
droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was,
had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel
meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk
te kunnen ondernemen.
Hij deed het dan ook.
Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg
voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te
bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want
het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door.
Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden,
want dáár lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje
vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem
dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig
wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij
met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets
verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.
»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk
zocht te maken in zijne kleine gevangenis. »Zie zoo, -- laat ze nu
maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de
brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen,
zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als
een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes
heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze
zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een
wreede dood is. -- O jé, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in
zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, --
natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets
van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als
een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho
maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!»
Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de
handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel
voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje
zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek
te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij
het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel
gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten
rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker.
Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de
lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet;
hij dacht aan geen gevaar.
Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vóór Bob, die hem nu
wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong
hij met zijne beide knieën op het luik en draaide de wervels over.
»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene toe. »Nu ben je
gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet,
met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk
jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»
»Neen, de Veer, ik dacht.....»
»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor
je doen.....»
»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»
»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan
zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver
weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»
»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......»
»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.»
»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van
en ik zal de schade wel betalen.....»
»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek
met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je
opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn;
't is bepaald grappig, 't is vermakelijk!»
»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij,
asjeblieft!»
»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een
lus, en dan zijn we klaar.»
Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit
alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe
hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er
op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars
weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat.
En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De
kaar zat stevig in elkander.
»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!»
Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook
deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te
kunnen worden.
»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast,
hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten!
Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat
vergeet ik mijn leven lang niet!»
»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten toon. »Och toe,
laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal
doen.»
»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?»
»Dat ook niet, -- och toe, ik....»
O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette
haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd
lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk
met de beenen omhoog.
Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch
te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag
hij, dat de kaar vlak aan den kant stond.
Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen
te gelijk om hulp hoorden roepen.
»Help! -- Help! -- Moord! -- Moord!» gilde hij.
»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht maar, mijn jongen, wij
zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla!»
Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.
Och, och, wat lachte die schoenmaker.
Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel
wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden
man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed
niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden.
»Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help!» Bob kroop
ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op
en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan
hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig
dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en
dan hoorden wij hem weer om hulp roepen.
»O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik....
brrr!
Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er
toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er
weldra een groote oploop ontstond.
Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om
zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen
niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst
lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op
het droge te trekken.
»Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu
straf genoeg gehad.»
»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het uit de kaar.
»Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» riep een van de
omstanders lachend den schoenmaker toe.
»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat
ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»
»'t Bevalt hem er niet!» riep een ander.
»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»
»Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe!»
»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon
te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het
lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de
gaatjes in alle richtingen wegvloeide.
Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder
luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren.
Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het
volk heen, -- naar zijn huis toe.
Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest
ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was
hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst
op zijn gelaat.
Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet
ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de
keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij
nooit vernomen.
Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen
ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik
onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob
gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had
gehad.