Waarin Bob eene uitnoodiging ontvangt van den Heer
Denappel, zijne stelten terug wil hebben en
van den regen in den drop komt. De
krijgslist van Karel Holm en mij.
Bob keerde dus langs den achterweg naar huis terug, wat voor hem slechts
een omweg was van ongeveer tien minuten.
»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» mompelde hij
vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. »Maar toch,»
liet hij er op volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer
beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de
menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens
onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als
ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in
plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te
doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf
loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een
mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!»
Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de
toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging
fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan,
toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen.
De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het
dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den
overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge
moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom
een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom
was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos'
bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en
landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij
had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was
ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met
een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield
en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij)
had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot
genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite
getroostte.
Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.
»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag.
»Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg!»
Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er
altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden
wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg.
»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want hij mocht Bob
graag lijden.
»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» zei Bob.
»Zoo? -- Waagom? -- Hè-hè-hè-hè! Moet Mina ook stelten leegen loopen?
Hè-hè-hè-hè!»
Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij
lachte altijd met eene è-klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn
neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden
hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden
wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.
»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans
om ze terug te krijgen.»
»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust
hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet
willen?»
»Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we
het?»
»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om één uug. De
pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cgusoë, in een mooien blauwen
band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek.
De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te
geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je?»
»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen meêdoen? En waar is het?»
»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle
jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen?»
»Met alle genoegen, mijnheer!»
»En zouden ze eg lust in hebben?»
»Of ze, dat kan u begrijpen!»
»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want
andegs gaat de pget jou neus voogbij, hè-hè-hè-hè! Dag Bob!»
»Ja mijnheer, wist ik maar hoè!»
»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij
voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, --
hè-hè-hè-hè? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven,
hè-hè-hè-hè!»
Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene
visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest
hij natuurlijk Bob eens goed plagen.
»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog!»
Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over
het aanstaande feestje.
»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde hij. »Ik mòèt ze
terughebben, -- dat spreekt van zelf!»
Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van
hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen
had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er
zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen
naar de kerk mocht ik ze nooit meênemen.
Bob en ik waren in den tuin.
»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, »bedenk jij nu
toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen
kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen.
Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat
leelijke ding.»
»Ja, -- en ook van je idée, om Mina nat te spuiten in plaats van de
ramen.»
»Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op
dit oogenblik de hoofdzaak.»
»Wel, ga ze terugvragen.»
»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me
kopje onder in eene waschtobbe stopte!»
»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis
niet in den tuin van den dokter kijken?»
Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van
zijn hoofd en zwaaide er lustig meê in het rond. Toen wierp hij hem hoog
in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een
kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon
nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had.
»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd,
hoor! Kom jò, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet
eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede.»
»Ja, doe dat!»
In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van
mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den
verrekijker op den zolder.
»Zeg jò, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker goed uit elkaar
halen.»
Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds
zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en
dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn
idée was.
Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een
paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den
kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een
soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.
»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. Ze heeft ze
zeker hier of daar weggestopt.»
»Misschien wel in de keuken,» zei ik.
»Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid,
-- 't zijn hààr stelten toch niet?»
»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?»
»Dààr!»
Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument
bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij
met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker
bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.
Eindelijk gaf ik het op.
»'k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je stelten kwijt,
Bobbertje.»
»'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd meêdoen, als ik geen
stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken?»
Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het
bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien.
»Kijk eens, dáár, Bob, -- dáár, vlak onder het keukenraam, op den grond!
Daar liggen ze!»
Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij
veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden
willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook.
»'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam
gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben.»
Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten.
»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, jò, nu kan je
ze pas goed zien.»
Nu, dat was waar.
»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?»
»Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het
slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over,
spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar
ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam
staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag
en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het.»
»'t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten opmerken. »Als ze je
snapt, ben je er bij.»
»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe.
»Of als de dokter je ziet.....»
»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.»
»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.»
»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik
terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd
organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor
het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan
kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?»
»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.»
»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van
eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen?»
»Volkomen.»
»Tot straks dan!»
Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik
voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende
dak nog niet eens verlaten kon hebben.
Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk
ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen
houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste
gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den
kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin
van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen
om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde
doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij
bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar
frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het
schuurtje.
Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren.
Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk
aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen
bleef hij nog eenigen tijd zitten.
Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn
signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den
terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.
»Dat was toevallig, hè?» zei hij ernstig.
»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat zij lont geroken
heeft. 't Is toch een slimmerd.»
»Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft
gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij
onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen.»
»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt
niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo
buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù juist buiten kwam en de stelten in
het schuurtje bracht.»
»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» zei Bob. »Over een
kwartier waag ik het weer.»
Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou
zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te
ondernemen.
Eindelijk ging Bob.
Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en
sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den
dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles
veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van
nood zou ik mijn signaal doen hooren.
Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en
behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem
bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest
hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna
op zijn buik over den grond.
Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen,
tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het
schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts
zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het
schuurtje.....
O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging
snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina.
Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij
mislukte van den schrik.
Mina ijlde naar het schuurtje!
Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon.
Mina had de deur bereikt.
Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een
oogenblik en hij zou gered zijn.
Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel
voor.
Bob was gevangen.
Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n
akelige meid!
In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken
verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den
laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan.
Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen
maar, hoe dat gedaan moest worden.
Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten
einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel
uit Haarlem thuisgekomen zou zijn.
Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar
Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind.
Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij
een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou
niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een
kameraad in den steek laten zou hij nooit doen.
Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik
zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam.
»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.
»Zoo Karel! Al terug?»
»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»
»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten
in het schuurtje van den dokter.»
»Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter?» zei Karel in de
grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»
»Mina, de meid.»
Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest
hij er om lachen, maar later keek hij ernstig.
»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin,
dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij worden. Wij kunnen hem niet aan
zijn lot overlaten.»
»Juist, Karel, precies mijn idée, -- maar hoe?»
»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee
kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te
bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde
was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het
schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»
»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig idée. Hadden
wij maar eene boodschap!»
»Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik
wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en
geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?»
»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»
Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle
ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze
alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar
den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets belet ons, om dat
nu te doen.»
»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de
voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt
eene leuke historie, Karel!»
»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»
Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe
verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd.
Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze
wegen scheidden.
»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je
achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren.
Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»
»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen
hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.»
»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg er zin in.
Voorzichtig, hoor!»
»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»
»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»
»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je
kunt.»
»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»
Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo
noodlottig geworden was.
Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het
afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd,
namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te
bellen, en door Bob uit het schuurtje.
Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven
om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de
sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje.
Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze
krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om
mij heen.
Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof
den grendel weg, en opende de deur.
Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand.
Maar o jé, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina
opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan.
»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in
plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te
gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en
ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg
op.
Ik ijlde hem vooruit.
O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en
die muts op, en dan op stelten.
Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag
aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos,
toen zij bemerkte, wat er gebeurd was.
»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens
gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!»
Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en
weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld.
Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer
in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om
het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed.
Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden
Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar
niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te
doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug.
Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel
harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het
pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den
terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord
toe te voegen.
Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.
»'t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want ze had me beloofd,
dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!»