VIJFDE HOOFDSTUK.

Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot

spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof

tot treurigheid gaf.

De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van

groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis.

Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen

worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst,

maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid.

Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.

't Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de

vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen

ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was

ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in

de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare

lijfspreuk was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» en die

spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen

Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon

daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de

tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en

blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in

bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie

goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven.

Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker

was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen,

staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel

geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme

ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was

zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen,

dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij

bijna zoo rijk werd als een koning.

Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knieën voor het

geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand

tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:

»Kees! -- Kees! --»

Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.

»Kees! -- Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing van stem. »Kees!

Word dan toch wakker! Kijk eens, wat ik hier gevonden heb. -- Een

schat, Kees, drie gouden tientjes!»

»Hé? -- Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel

wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen

doorstak. »Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk,

Trijn, dat kan niet.»

»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze.

Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg!»

In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en

wat kleeren aan, en zeide:

»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat

eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de

wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.»

Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte

op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op

neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij

niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.

In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan,

precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de

tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het

geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener,

die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven.

»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wien wij niet dankbaar

genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar

hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot

allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten

denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu

gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn.»

»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?»

»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook

wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand

zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos

tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen

moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven

toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan

zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan

kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we

moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen

eindelijk ook gaan komen.»

Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide

ze:

»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en 't is een mooi idée van je, maar

zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons

zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter

schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat

geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust

over.»

»Niet gerust? -- Niet aannemen?» vroeg Kees vol verwondering. »En waarom

zouden wij het niet aannemen? 't Is ons toch gegeven en we hebben het

niet gestolen!»

»Ja, dat is waar.»

»En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en

wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die

daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat

wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn.»

»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd

ons thuisbezorgd.»

»Juist, -- 't ging er precies mede als met dit geld. Een of ander

weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven,

wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet

van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.»

»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons op St.

Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.»

»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch zou ik er voor

zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. 't Is zoo'n

groote som.»

»Voor òns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene

kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom

hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen

niemand van te spreken, en -- --.»

»Dus geheim houden?»

»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken.

't Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een

huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan

voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan

onze armoede nu een einde komt.»

»Nu, 't is mij goed, -- hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen

vrede meê heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan

het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! 't Is toch waarlijk geen

kleinigheid, om die zoo maar weg te geven.»

»Ja vrouw, 't is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten.

't Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is,

daar twijfel ik niet aan.»

»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. 't Is me

nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is.»

»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge

je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons

bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen?»

»Ja, ja, -- dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen.»

»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook

stil, hoor!»

»Ja, vader.»

»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en 't is niet

noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen

altijd zooveel, veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, -- en dat is nu

niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.»

Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de

zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast

werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de

rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij

er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden

gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al

luchtkasteelen gebouwd!

Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord,

en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid.

Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den

burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel

ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd.

Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. 's Morgens om elf

uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend

vuurtje door het dorp rond.

't Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk,

de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet,

om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik

in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde,

hetgeen hij bij goed weêr elken morgen gewoon was te doen. Na eenige

oogenblikken rondwandelens echter werd zijne aandacht getrokken door

het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd

van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor

aanwezig, dus òf hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te

sluiten, òf er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door

het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist

was, moest er gestolen zijn.

De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen

aan Geertje, de meid:

»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?»

»Neen, mijnheer.»

»Weet je het zeker?»

»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.»

Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw:

»Lize, ben jij al op 't kantoor geweest van morgen?»

»Neen, waarom vraag je dat?»

»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor?»

»Neen pa, ik ook niet.»

»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, terwijl hij zich met

groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet.

Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich

droeg, en genadige hemel, -- ja, een enkele blik was voldoende om hem

te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief

geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de sloten van zijn bureau

waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was

geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!

Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele

vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars

had bediend.

»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie kan dat nu toch

gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop

ik?»

»'k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde de

directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. »Wie had dàt nu ooit kunnen

denken! Zoo'n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd,

tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig -- 't is precies

twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: 't is twee

honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en

een van veertig.»

»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.»

»Waarlijk, -- dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er

is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig

gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis!»

»'t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de handen van

verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen,

lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden.»

»Dat is waar, -- je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den

burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een

woord, van hetgeen hier voorgevallen is, begrepen?»

»Ja, pa!»

»En vlug, -- als de wind, hoor!»

»Ja, pa!»

Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van

hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert

vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen.

Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de

directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren,

alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde

verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel

doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.

Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een

nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij

alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:

»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van

dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden?»

»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien

ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de

eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens,

u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is

op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor,

zij zingt in de keuken als een lijster.»

»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekening toch schuldig

bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken.»

De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de

keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het

hoogste lied.

Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst

voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een

verlegen lachje:

»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw

zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil....»

»Neen, meisje, 't is mij om u te doen!» sprak de burgemeester op

gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje

keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare

onschuld.

»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, burgemeester?»

»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?»

»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer

grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: »Wel, op

bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me?»

»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is,

Geertje!» zei de burgemeester.

»Ingebroken! -- Gestolen!» riep Geertje doodsbleek uit. »Wel,

verschrikkelijk!»

En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet

zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van

ontsteltenis, luid begon te schreien. Het kostte mevrouw zelfs niet

weinig moeite, haar tot bedaren te brengen.

De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na

enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en

zeide, toen zij vertrokken was:

»Zij is beslist onschuldig.»

»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel mevrouw in. »Neen, wij

moeten den dief ergens anders zoeken.»

»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken.

Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad?»

»Gisteren? -- Neen, -- o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij

heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag.

Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel

gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn.»

De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij

zeide:

»Zoo, -- Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke

lieden, maar toch -- iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer

wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van

niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen

gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten?»

»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar is geen sprake van.

Zij zijn geen van beiden in het kantoor geweest en ik heb het zelf

gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van

diefstal te verdenken.»

»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is

eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de

brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er

misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest?»

»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen.

Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet

gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier

alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de

koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor.»

»Zoo, -- ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem

zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, -- en u?»

»Ik ook niet, burgemeester. 't Is, geloof ik, een jongmensch, dat

nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat

hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje

met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer

acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.»

»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de burgemeester. »U moet

wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den

dief kan afhangen.»

»Ik heb u verder niets te zeggen.»

»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat het mijn plicht is,

eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij

Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag

nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!»

Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de

woning.

Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den

veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met

zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen

te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook

Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen

zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al

hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.

»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide ze tot Kees. »O

God, -- daar heb je 't al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd!»

»Waarom? -- Wij hebben het toch niet gestolen!» zei Kees binnensmonds.

Maar toch verbleekte ook hij.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen.

»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf.

Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds

ophad.

»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip!»

Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:

»Wil u niet gaan zitten?»

De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef

midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in

oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel,

enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er

niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd

gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt.

Op dat kastje bleef eindelijk 's burgemeesters blik rusten, en het met

den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:

»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud

hier uitgespreid op den grond.»

Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit

kwam, en zeide:

»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch

niet, dat we gestolen hebben, -- dat we dieven zijn?»

»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» voegde Kees er

bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten

wilde, het ontvangen bevel uit te voeren.

»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te

kort hebben gedaan.»

»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben

ons voor niets of niemand te schamen,» zei weêr Trijn, terwijl haar de

tranen in de oogen kwamen.

»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel

zeggen, als zij het hooren? Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dìt

nog eens beleven zou!»

»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. »En gij, goede

menschen,» -- vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, »ik raad u aan,

kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke

menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te

schamen. 't Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking

kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel,

wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek,

is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!»

»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want ik voel me in het

geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek

instelt, wil ik het u, -- neen, kàn en 'màg ik het u niet langer

verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is.»

»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij:

»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard

verder. -- En wàt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet?»

»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dààr

onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, --

hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik 't u zeg.»

»Wat? -- Hé, wat zegt u? -- Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar

gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen.»

»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog rustig te slapen,

ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer

dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden

tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.»

»'t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester met een ongeloovig

gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is

dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het

nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de

deur doorgeschoven worden?»

»'t Is wèl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder kaseweel[1]. Dat

moet ik zeggen.»

[1] Casueel, bedoelde Kees.

Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar

echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze

zaak voor hen kon hebben.

»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we

ons voorgesteld hebben.»

»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een

stapeltje kleêren. Wil u het openen?»

»Geef maar hier.»

De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie

goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had.

»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei hij, terwijl hij

Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat had ik niet van u gedacht, vrouw

van der Vliet; ik heb u altoos voor eene door en door eerlijke vrouw

gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u

gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak

de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie

weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld

weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten

niet door nog te liegen.»

Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het

spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze

uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te

roepen:

»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig,

mijnheer de burgemeester!»

Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit,

en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem.

't Was een treurig tooneel.

De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk,

met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed.

Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte

haar gelaat met haar boezelaar.

»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. »Ik ben onschuldig,

zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert

niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk

gezegd!»

Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.

»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze. »Nu zullen ze je

moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, -- en wie zal er

dan voor jou zorgen...»

»'t Zàl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....»

Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast

zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen.

»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek

toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik

u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk

hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, 't is de waarheid -- ik lieg u

niets voor, niets --»

De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden

te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al

bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht,

maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.

De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te

brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij

gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige

fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij

het maar gedaan.

Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan

hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen,

doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen

proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste

verslagenheid achterlatende.

Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van

Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht,

er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf

overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het

onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig

lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en

hem onaangenaam stemde.

»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij bij zichzelven, maar

hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen.

Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester:

»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij

Van der Vliet, burgemeester.»

»Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»

»Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn?»

Wilde Bob · 第 10 / 22 题