Cosette had niet zonder een poging tot wederstand de straat Plumet

verlaten. Voor het eerst, sedert zij met elkander leefden, was de wil

van Cosette met dien van Jean Valjean in tegenspraak, en waren beiden,

zoo niet in botsing, ten minste in wrijving met elkander geweest. Aan

de eene zijde had zich tegenwerping, aan de andere onwrikbaarheid

bevonden. De plotselinge raad: "Verhuis", Jean Valjean zoo ruw door

een onbekende toegeworpen, had hem zoodanig verontrust, dat hij

gebiedend was geworden. Hij meende, dat hij ontdekt en vervolgd werd,

en Cosette had moeten zwichten.

Beiden waren in de rue de l'Homme Armé aangekomen, zonder den mond

te openen of elkander een woord te zeggen, en ieder aan zijn eigen

gedachten overgegeven; Jean Valjean zoo ongerust, dat hij Cosettes

treurigheid niet zag, Cosette zoo treurig, dat zij Jean Valjeans

ongerustheid niet zag.

Jean Valjean had vrouw Toussaint medegenomen, 't geen hij nooit bij

zijne vorige afwezigheden gedaan had. Hij vermoedde, dat hij misschien

niet meer naar de straat Plumet zou wederkeeren, en kon evenmin vrouw

Toussaint er achterlaten als haar zijn geheim zeggen. Bovendien hield

hij haar voor trouw en eerlijk. Het verraad van den dienstbode jegens

den meester begint met de nieuwsgierigheid. En vrouw Toussaint, als

ware zij voorbestemd om Jean Valjeans dienstmeid te zijn, was niet

nieuwsgierig. Zij zeide, met haar hakkelende tong en boersche taal:

"Zoo ben ik, ik doe mijn werk; het overige gaat mij niet aan."

Bij het verlaten der straat Plumet, dat schier een vlucht was geweest,

had Jean Valjean niets medegenomen dan het kleine welriekend valies,

't welk Cosette met den naam van "onafscheidelijke" had gedoopt. Volle

koffers hadden kruiers vereischt en kruiers zijn getuigen. Men had

een huurrijtuig voor de deur in de Babelstraat doen komen en daarmede

was men vertrokken.

Met veel moeite had vrouw Toussaint verlof verkregen om eenig lijnwaad,

kleederen en lijfsbehoeften in te pakken, Cosette had niets dan haar

schrijfgereedschap en schrijfportefeuille medegenomen.

Ten einde de eenzaamheid en het duistere dezer verdwijning te

vermeerderen, had Valjean het zoo geschikt, dat hij niet eerder dan

tegen het vallen van den avond het huis der straat Plumet verliet,

't geen aan Cosette den tijd had gelaten Marius een briefje te

schrijven. Eerst toen het geheel donker was, kwam men in de rue

de l'Homme-Armé.

Zwijgend was men te bed gegaan.

De woning in de rue de l'Homme-Armé was op een achterplaats gelegen, op

de tweede verdieping, en bestond uit twee slaapkamers, een eetkamer,

en daarnaast een keuken met opkamertje, waar een bed stond, dat

vrouw Toussaint ten deel viel. De eetkamer was tevens de voorkamer

en scheidde de twee slaapvertrekken. De woning was van het noodige

huisraad voorzien.

Men stelt zich schier even onverstandig weder gerust als men zich

verontrust: zóó is de menschelijke natuur. Nauwelijks was Jean

Valjean in de rue de l'Homme-Armé, of zijn angst verminderde en

verdween allengskens geheel. Er zijn plaatsen van rust, die om zoo

te spreken onwillekeurig op den geest werken. Een afgelegen straat

heeft gewoonlijk vreedzame bewoners. Jean Valjean ondervond als 't

ware de aanstekelijke kalmte dezer steeg van het oude Parijs, welke

zoo nauw is, dat ze voor de rijtuigen met een boom is afgesloten,

die doof en stom te midden der woelige stad, duister op den middag en,

om zoo te spreken, onvatbaar is voor aandoeningen, tusschen haar twee

rijen hooge honderdjarige huizen, die zwijgen als grijsaards. In deze

straat heerscht een terughoudende vergetelheid. Jean Valjean ademde

er gerust. Hoe zou men hem daar vinden?

Zijn eerste zorg was zijn "onafscheidelijke" nabij zich te nemen.

Hij sliep gerust. De nacht brengt raad; men kan er bijvoegen: de

nacht brengt kalmte. Den volgenden ochtend ontwaakte hij schier

vroolijk. Hij vond de eetzaal fraai, die leelijk was en gemeubeld

met een oude ronde tafel, een laag buffet, waar boven een spiegel,

een vermolmden armstoel en eenige stoelen, waarop vrouw Toussaint

haar pakken had gelegd. In een dier pakken zag men door een opening

Jean Valjeans uniform van nationale garde.

Cosette had zich door vrouw Toussaint een kom bouillon in haar kamer

laten brengen, en kwam eerst des avonds te voorschijn.

Tegen vijf ure had vrouw Toussaint, die, zeer druk met deze kleine

verhuizing, heen en weder liep, in de eetkamer een koud hoen

opgezet. Uit liefde voor haar vader, hield Cosette hem aan tafel

gezelschap.

Daarna had zij echter, onder voorwendsel van hevige hoofdpijn, Jean

Valjean goedennacht gezegd en zich naar haar slaapkamer begeven. Jean

Valjean had met smaak een hoenderboutje genuttigd en werd allengs

geruster, zoo zelfs, dat hij nu, behagelijk met de ellebogen op de

tafel geleund, zich geheel veilig achtte.

Terwijl hij dit sober maal deed, had hij twee of driemalen vrouw

Toussaint stamelend hooren zeggen: "Mijnheer, er is wat te doen,

men vecht in Parijs." Maar in zijn overleggingen verdiept, had hij

er geen acht op geslagen. Om de waarheid te zeggen, had hij 't niet

recht verstaan.

Hij stond op en wandelde heen en weder van het raam naar de deur,

en van de deur naar 't raam, hoe langer hoe meer gerustgesteld.

Met zijn kalmte keerde ook Cosette, zijn eenige zorg, in zijn

gedachten terug. Niet dat deze hoofdpijn, deze zenuwachtigheid,

een meisjesgril, een voorbijgaande wolk, hem ontstelde; dit alles

zou immers binnen een paar dagen over zijn; maar hij dacht aan de

toekomst, en als gewoonlijk, dacht hij er met genoegen aan. Alles wel

overwogen, zag hij geen verhindering, dat zijn gelukkig leven opnieuw

zou beginnen. In sommige uren schijnt alles onmogelijk, in andere

alles gemakkelijk; Jean Valjean was in een dier gunstige uren. Zij

komen gewoonlijk na de kwade, gelijk de dag na den nacht, ten gevolge

dier wet van opvolging en tegenstelling, welke in den aard der natuur

ligt en die de oppervlakkigen eenvoudig afwisseling noemen. In de

vreedzame straat, waar hij de wijk nam, maakte Jean Valjean zich van

alles los wat hem sedert eenigen tijd bekommerd had. Juist wijl hij

veel duisters had gezien, begon hij nu eenig licht te bespeuren. Zoo,

zonder verwikkeling of ongeval, de straat Plumet te hebben verlaten,

dit was reeds een heelen stap verder. 't Zou misschien verstandig

zijn, het land te verlaten, al ware het maar voor eenige maanden, en

naar Londen te gaan. Nu, men zou gaan. Wat deed het er toe, of hij

in Frankrijk of in Engeland was, mits hij slechts Cosette bij zich

had? Cosette was zijn natie. Cosette was voldoende voor zijn geluk;

het denkbeeld, dat hij voor Cosettes geluk niet genoegzaam was, welk

denkbeeld hem vroeger koortsen en slapelooze nachten had bezorgd, kwam

zelfs niet in hem op. Hij was in de vergetelheid van al zijn verledene

smarten en zag alles rooskleurig. Wijl Cosette bij hem was, scheen

zij hem te behooren; een optische misleiding, welke iedereen gevoeld

heeft. Hij overlegde bij zich zelven, met de grootste gemakkelijkheid,

zijn reis naar Engeland met Cosette, en zag zijn geluk in 't verschiet

zijner droomen weder opgebouwd, om 't even waar.

Terwijl hij langzaam heen en weder door de kamer wandelde, viel zijn

blik plotseling op iets zonderlings.

Vóór hem zag en las hij in den vooroverhangenden spiegel boven het

buffet duidelijk de volgende regels:

"Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond

vertrekken. Van avond zullen wij in de rue de l'Homme-Armé No. 7

zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.--Cosette, 4 Juni."

Jean Valjean bleef verbaasd staan.

Cosette had, bij haar aankomst, haar schrijfportefeuille op het

buffet voor den spiegel gelegd, en, geheel met haar smartelijken

angst vervuld, die er laten liggen zonder zelfs op te merken dat ze

open was, en wel juist ter plaatse waar zij op de door haar geschreven

regels had gedrukt, om ze te drogen, en welke zich op het vloeipapier

hadden afgedrukt.

De spiegel weerkaatste het geschrevene.

Het gevolg hiervan was, wat men in de meetkunst een gelijkvormige

figuur noemt; het op het vloeipapier omgekeerde schrift vertoonde zich

recht in den spiegel, zoodat Jean Valjean nu den brief voor zich zag,

welken Cosette den vorigen dag aan Marius had geschreven.

't Was zeer eenvoudig en toch verpletterend.

Jean Valjean trad naar den spiegel. Hij herlas de vijf regels,

maar kon ze niet gelooven. Zij kwamen hem voor als vertoonden zij

zich in een bliksemstraal. 't Was een gezichtsbegoocheling. 't Was

onmogelijk. 't Kon niet zijn.

Allengs werd zijn begrip helderder; hij beschouwde Cosettes

schrijfportefeuille, en de werkelijkheid vertoonde zich voor hem. Hij

nam de portefeuille en zeide: 't Komt hiervan. Koortsachtig beschouwde

hij de op het vloeipapier gedrukte regels, de omgekeerde letters

vormden een verward gekrabbel, 't geen hij niet kon ontcijferen. Toen

dacht hij: Maar dit beteekent niets, daar staat niets geschreven. En

onuitsprekelijk verlicht ademde hij ruimer. Wie heeft niet in

vreeselijke oogenblikken zulk een domme vreugd gehad? De ziel geeft

zich niet aan wanhoop over, zonder alle illusiën uitgeput te hebben.

Hij hield de schrijfportefeuille in de hand en beschouwde ze,

dwaselijk verblijd, bijna lachende om het gezichtsbedrog, dat hem

misleid had. Eensklaps viel zijn blik weder op den spiegel en hij

zag opnieuw de verschijning. Met onverbiddelijke juistheid teekenden

er zich de vijf regels op af. 't Was nu geen zinsbegoocheling; de

terugkomst eener verschijning is een wezenlijkheid; 't was duidelijk,

dat het omgekeerde schrift in den spiegel nu recht stond. Hij begreep.

Jean Valjean waggelde, liet de schrijfportefeuille ontglippen en

zonk op den ouden armstoel naast het buffet, met neergezonken hoofd,

strak, verwilderd oog. Hij zeide bij zich zelven, dat het duidelijk

was, dat het licht der wereld voor altijd verduisterd was, en dat

Cosette dit aan iemand geschreven had. Toen hoorde hij zijn ziel,

weder woest geworden, in de duisternis een gesmoord gebrul slaken. Ga

den leeuw den hond ontnemen, dien hij in zijn hok heeft.

't Was een zonderlinge en treurige omstandigheid; Marius had op

dit oogenblik den brief van Cosette nog niet; het toeval had hem

verraderlijk aan Jean Valjean gebracht, vóór hem aan Marius ter hand

te stellen.

Tot hiertoe was Jean Valjean door geen beproevingen overwonnen. Hij

was aan vreeselijke verzoekingen blootgesteld geweest; geen slagen

van den tegenspoed waren hem gespaard; de wreedheid van het lot,

gewapend met al den haat en al de verachting der maatschappij, had hem

tot doel gekozen en aangegrepen. Voor niets was hij teruggedeinsd,

voor niets was hij gezwicht. Toen hij moest, had hij zich aan alle

uitersten onderworpen; hij had zijn herkregen onschendbaarheid als

mensch opgeofferd, zijn vrijheid overgeleverd, zijn hoofd gewaagd,

alles verloren, alles geleden, en was onbaatzuchtig en stoïcijnsch

gebleven, zelfs in zóóverre, dat men soms zou gedacht hebben,

dat hij zich zelven geheel vergat, gelijk een martelaar. Zijn door

alle mogelijke aanvallen van den tegenspoed verstaald gemoed scheen

onverwinnelijk. Maar wie zijn binnenste had gezien, zou hebben moeten

bekennen, dat het thans zwak was.

Immers van al de folteringen, waarmede het lot hem zoolang vervolgd

had, was deze de schrikkelijkste. Nimmer had hem zulk een klauw

gegrepen. Al zijn geheime gevoelens waren in oproer. Al zijn zenuwen

waren pijnlijk aangedaan. Helaas, de grootste beproeving, of liever

de eenige beproeving, is het verlies van het beminde voorwerp.

De arme oude Jean Valjean beminde Cosette zekerlijk niet anders

dan als een vader; maar in dit vaderlijk gevoel, gelijk wij bereids

hebben doen opmerken, had zijn ongehuwd leven alle soorten van liefde

gebracht: hij beminde Cosette als zijn dochter, als zijn moeder, als

zijn zuster; en wijl hij nooit een minnares of echtgenoot gehad had,

en de natuur een schuldeischer is die geen protest wil, had zich ook

dit gevoel, het onuitroeibaarste van alle, gevoegd bij de andere,

flauw, rein door de reinheid der verblinding, onbewust van zich

zelve hemelsch, engelachtig, goddelijk; minder als gevoel dan als

instinct, minder als instinct dan als een onmerkbare en onzichtbare,

maar wezenlijke bekoorlijkheid; en de eigenlijke liefde, was in zijn

overgroote teederheid voor Cosette als de goudader in de donkere en

nog niet ontgonnen mijn.

Men herinnere zich den toestand van Valjeans hart, welken wij bereids

aangewezen hebben. Geen huwelijk was tusschen hen mogelijk, zelfs niet

dat der zielen, en echter was het stellig dat beider lot verbonden

was. Uitgezonderd Cosette, namelijk een kind, had Jean Valjean zijn

geheele leven lang niets gekend, dat men beminnen kan. De elkander

opvolgende hartstocht en liefde hadden bij hem niet dat afwisselend

groen-lichtgroen op donkergroen voortgebracht, 't welk men op de

bladeren ziet, die den winter doorstaan, en op de menschen, die over

de vijftig jaren komen. Kortom, deze inwendige samensmelting, dat

geheel, waarvan de uitkomst een verhevene deugd was, had eindelijk

van Jean Valjean een vader voor Cosette gemaakt. Een zonderlinge

vader, samengesteld uit grootvader, zoon, broeder en echtgenoot,

die in Jean Valjean woonden; een vader, waarin zelfs een moeder was;

een vader die Cosette beminde en aanbad, en voor wien het kind licht,

woonplaats, familie, vaderland en hemel was.

Toen hij nu zag, dat dit bepaald voorbij was, dat zij hem ontsnapte,

dat zij uit zijn handen glipte, dat zij water, nevel was, toen hij

voor zijn oogen deze verpletterende waarheid zag: Een ander is het

doel van haar hart, een ander is de wensch haars levens; zij heeft een

minnaar; ik ben slechts de vader; ik besta niet meer;--toen hij niet

langer kon twijfelen en tot zich zelven zeide: Zij verwijdert zich van

mij!--overtrof de smart, welke hij gevoelde, alle voorstelling. Alles

te hebben gedaan, wat hij had gedaan, om op dit punt te komen! en

om inderdaad niets te zijn. Toen, zooals wij gezegd hebben, huiverde

hij van weerzin van het hoofd tot de voeten. Hij gevoelde tot in de

wortels van zijn haar zijn zelfzucht ontwaken, en het ik brulde in

den afgrond van dezen man.

Er zijn inwendige instortingen. Een wanhopige zekerheid dringt niet

bij den mensch binnen zonder zekere diepe elementen te verwijderen

en te verbreken, welke soms de mensch zelf zijn. Wanneer de smart tot

dien graad is gekomen, nemen al de krachten van het zelfbewustzijn de

vlucht. 't Is een noodlottige crisis. Weinigen onzer komen er ongedeerd

en trouw aan den plicht uit te voorschijn. Zoodra de grens van het

lijden overschreden is, wankelt zelfs de onwrikbaarste deugd. Jean

Valjean nam de schrijfportefeuille en overtuigde zich nogmaals; hij

bleef met strakken blik als versteend over deze onloochenbare regels

gebogen; er pakte zich in zijn binnenste zulk een machtige wolk te

zamen, dat men zou gemeend hebben, dat dit geheel inwendig bestaan

zou verpletterd worden.

Hij onderzocht deze openbaring, door 't vergrootglas zijner gepeinzen,

met eene schijnbare kalmte, die vreeselijk was, want het is inderdaad

verschrikkelijk, wanneer de kalmte van den mensch de koelheid van

een standbeeld bereikt.

Hij mat den schrikbarenden stap, dien zijn lot had gedaan zonder

dat hij het vermoedde; hij herinnerde zich zijn vrees van den vorigen

zomer, welke hij zoo dwaselijk verdreven had; hij ontdekte den afgrond;

't was altijd dezelfde, maar nu bevond zich Jean Valjean niet meer

op den rand er van, maar op den bodem.

't Was een vreemde en smartelijke zaak; hij was gevallen zonder 't

bemerkt te hebben. Al het licht zijns levens was verdwenen, hoewel

hij gemeend had steeds de zon te zien.

Zijn instinct aarzelde niet. Hij bracht sommige omstandigheden, sommige

daden, het blozen en verbleeken van Cosette in sommige gevallen,

met elkander in verband, en zeide bij zich zelven: "Hij is 't." De

scherpzinnigheid der wanhoop is een soort van geheimzinnige boog,

die nooit zijn doel mist. Terstond bij zijn eerste gissing trof hij

Marius. Hij kende den naam niet, maar vond dadelijk den man. Hij

zag duidelijk op den bodem zijner onverbiddelijke herinnering,

den onbekenden zwerver van het Luxembourg, dien ellendigen jager

op minnarijen, dien romantischen lediglooper, dien dwaas, dien

laaghartige, want 't is een laaghartigheid meisjes toe te lonken,

terwijl haar vader, die haar bemint, naast haar zit.

Na zich volkomen overtuigd te hebben, dat de jongeling hier in 't spel

was en alles van hem was gekomen, sloeg Jean Valjean,--de herboren

man, de man die zooveel aan zijn ziel gewerkt had, de man die zooveel

pogingen had gedaan, zijn leven, zijn ellende en rampen in liefde op

te lossen, een blik in zich zelven en zag een spook--den haat.

De grootste smarten bevatten afmatting en moedeloosheid. De mensch,

bij wien zij binnentrekken, voelt, dat hem iets verlaat. In de jeugd

is haar bezoek treurig, later is het heilloos. Helaas! wanneer het

bloed warm, het haar zwart is, wanneer het hoofd recht op het lichaam

staat, gelijk de vlam op de kaars, wanneer de rol van het lot nog

bijna geheel vol is, wanneer het hart, vervuld met eene gelukkige

liefde, nog met volle kracht klopt, wanneer men nog den tijd voor zich

heeft om te kunnen herstellen; wanneer men al de vrouwen, de lonken,

de toekomst en den horizont nog voor zich heeft; wanneer het leven

zijn volkomen kracht heeft,--indien de wanhoop alsdan vreeselijk is,

wat moet zij dan in de grijsheid zijn, wanneer de versnellende jaren

meer en meer verzwakken, in den schemeravond des levens, wanneer men

de starren van het graf begint te zien.

Terwijl hij aldus peinsde, trad vrouw Toussaint binnen. Jean Valjean

stond op en vroeg haar:

"Naar welken kant is het? Weet ge het?"

Verbaasd, wist vrouw Toussaint niets te antwoorden, dan:

"Wat belieft u?"

Jean Valjean hernam:

"Hebt ge mij aanstonds niet gezegd, dat men vocht?"

"Ach ja, mijnheer," antwoordde vrouw Toussaint. "'t Is naar den kant

van Saint-Merry."

Uit het diepst van onzen geest komt soms, zelfs zonder dat wij het

weten, een werktuiglijke beweging. 't Was waarschijnlijk onder den

indruk van zulk een beweging, waarvan hij zich nauwelijks bewust was,

dat Jean Valjean vijf minuten later zich op de straat bevond.

Hij zat blootshoofds op den straatpaal voor de deur van zijn huis en

scheen te luisteren.

't Was geheel donker geworden.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE STRAATJONGEN EEN VIJAND VAN LICHTEN.

Hoe lang bleef hij in die houding? Welke was de eb en vloed zijner

treurige gedachten? richtte hij zich weder op? bleef hij gebogen? was

hij als gebroken onder zijn zwaarmoedigheid? kon hij zich nog

oprichten en in zijn geweten op iets dat vast was steunen? Hij zou

het waarschijnlijk zelf niet hebben kunnen zeggen.

De straat was eenzaam. Eenige angstige personen, die haastig naar huis

gingen, zagen hem nauwelijks. Ieder voor zich zelven, in tijden van

gevaar. De lantaarnopsteker kwam als gewoonlijk de lantaarn aansteken,

die vlak tegenover het huis No. 7 stond, en ging heen. Jean Valjean

zou voor dengene, die hem aldus in die schaduw had gezien, geen

levend mensch hebben geleken. Hij zat op den straatpaal voor zijn

deur, bewegingloos als een klomp ijs. De wanhoop verstijft. Men

hoorde de stormklok en onduidelijke woeste geruchten. Te midden van

dat somber gelui, vermengd met het oproer, sloeg het op St. Paul elf

uren, plechtig, zonder overhaasting; want de stormklok is de mensch;

het uur is God. De voortgang van den tijd maakte geen indruk op

Jean Valjean; hij bewoog zich niet. Intusschen ontstond omstreeks

dit oogenblik in de richting der Hallen een geweldig geschiet; het

werd door een tweede nog geweldiger gevolgd; 't was waarschijnlijk de

aanval tegen de barricade in de straat Chanvrerie, welke wij gezien

hebben, dat door Marius werd afgeslagen. Bij deze dubbele losbranding,

wier geweld door de stilte des nachts scheen versterkt, ontroerde Jean

Valjean; hij richtte zich op, naar de zijde van waar het gerucht kwam,

en zonk toen weder op den straatpaal, sloeg de armen over elkander,

en langzaam zonk zijn hoofd weder op zijn borst.

Hij hervatte zijn somber gesprek met zich zelven.

Eensklaps sloeg hij de oogen op; men ging in de straat, hij hoorde

voetstappen nabij zich, en bij het licht der straatlantaarn, naar

den kant der straat, die bij het Archief uitloopt, zag hij een bleek,

jeugdig en opgewekt gelaat.

Gavroche was in de rue de l'Homme-Armé gekomen.

Hij zag naar boven en scheen iets te zoeken. Hij zag zeer duidelijk

Jean Valjean, maar lette niet op hem.

Na omhoog te hebben gezien, keek Gavroche nu naar beneden; hij ging

op de teenen staan en betastte de deuren en vensters der huizen; zij

waren alle gesloten en gegrendeld. Na vijf of zes derwijze versperde

huizen onderzocht te hebben, haalde de straatjongen de schouders op en

mompelde bij zich zelven: Verduiveld! Toen keek hij weder omhoog. Jean

Valjean, die een oogenblik te voren, in de gemoedsstemming, waarin

hij was, niemand toegesproken of geantwoord zou hebben, gevoelde zich

onwederstaanbaar gedrongen een woord tot dezen knaap te richten.

"Kleine," zeide hij, "wat wilt ge?"

"Ik heb honger," antwoordde Gavroche onbewimpeld. En hij voegde er bij:

"Kleine!? Gij zijt zelf klein."

Jean Valjean tastte in zijn zak en haalde er een vijffrancstuk uit.

Maar Gavroche, een soort van kwikstaart, die schielijk van de eene

tot de andere beweging overging, had een steen opgeraapt. Hij had de

lantaarn in 't oog gekregen.

"Zoo!" zeide hij, "hebt ge hier uw lantaarns nog. Dat is niet zooals

't behoort, vrienden! 't Is wanorde. Zij moeten stuk."

Hij wierp den steen in de lantaarn, waarvan het glas met zulk een

gerinkel viel, dat de achter hun gordijnen verscholen bewoners van

het tegenoverstaande huis uitriepen:

"'t Is weer als in drie-en-negentig!"

De lantaarn schommelde hevig, het licht ging uit, en in de straat

werd het plotseling donker.

"Zoo is 't goed, oude straat," zei Gavroche, "zet uw slaapmuts op."

Toen zich tot Jean Valjean wendende:

"Hoe heet dit groote gebouw aan het einde der straat? 't Is het

Archief, niet waar? Die dikke kolommen moeten even omver gehaald en

daarvan een fraaie barricade gemaakt worden."

Jean Valjean naderde Gavroche, en zeide halfluid en als bij zich

zelven:

"De arme jongen, hij heeft honger."

En hij stopte hem het vijffrancstuk in de hand.

Gavroche richtte het hoofd op, verwonderd over de grootte van het

geldstuk; hij bezag het in de duisternis, en de blankheid ervan bracht

hem in verrukking. Hij kende de vijffrancstukken van hooren zeggen;

hij had er een gunstig idée van; 't verheugde hem er persoonlijk

kennis mede te maken.

"Laat ons het beest eens goed bekijken!" zeide hij.

Hij beschouwde het eenige oogenblikken met verrukking; doch zich

vervolgens weder tot Jean Valjean wendende, gaf hij hem het geldstuk

terug en zeide majestueus:

"Burger, ik werp liever lantaarns in. Neem uw wild beest terug. Ik

laat mij niet omkoopen. Het heeft vijf klauwen, maar 't zal mij

niet pakken."

"Hebt ge een moeder?" vroeg Jean Valjean.

Gavroche antwoordde:

"Misschien beter dan gij."

"Welnu," hernam Jean Valjean, "behoud dit geld dan voor uw moeder."

Gavroche voelde zich bewogen. Hij had bovendien opgemerkt, dat de man

die tot hem sprak geen hoed op had, en dit boezemde hem vertrouwen in.

"Waarlijk," zeide hij, "is 't niet om mij af te houden van de lantaarns

stuk te slaan?"

"Sla alles stuk wat ge wilt."

"Ge zijt een braaf man," zei Gavroche.

En hij stak het vijffrancstuk in een zijner zakken.

Met toenemend vertrouwen voegde hij er bij:

"Woont ge in deze straat?"

"Ja, waarom?"

"Zoudt ge mij No. 7 kunnen wijzen?"

"Wat wilt ge in No. 7?"

De knaap zweeg, vreezende te veel gezegd te hebben; hij streek haastig

met zijn vingers door zijn haar en antwoordde niets dan:

"Ha! Zoo!"

Een denkbeeld schoot Jean Valjean door den geest. De angst geeft soms

licht. Hij zeide tot den knaap:

"Brengt gij mij den brief, dien ik wacht?"

"Gij?" zei Gavroche. "Ge zijt geen vrouw."

"De brief is voor mejuffer Cosette, niet waar?"

"Cosette?" mompelde Gavroche; "ja, ik geloof dat het die rare naam is."

"Nu!" hernam Jean Valjean, "ik moet haar dien brief

overhandigen. Geef."

"In dat geval moet ge ook weten, dat ik van de barricade gezonden ben?"

"Ongetwijfeld," zei Jean Valjean.

Gavroche stak zijn hand in een anderen zijner zakken en haalde er

een in vieren gevouwen papier uit.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 27 / 28 段