Onder het geweervuur en de kreten der gekwetste garden hadden de

aanvallers de verschansing beklommen, waarop men nu te halver lijve

een menigte municipale garden, soldaten en nationale garden uit de

voorsteden met het geweer in de hand zag. Zij bedekten reeds meer

dan twee derden der versperring, maar sprongen niet in de ruimte,

alsof zij weifelden en een hinderlaag vreesden. Zij schouwden in

de donkere barricade, zooals men in een leeuwenhol ziet. Het licht

der toorts bescheen slechts de bajonnetten, de berenmutsen, en het

bovenste der ontstelde en vertoornde gezichten.

Marius was nu ongewapend, want hij had zijn pistolen weggeworpen; maar

hij had het vaatje kruit in het benedenvertrek bij de deur opgemerkt.

Toen hij zich half omwendde en naar dien kant zag, legde een soldaat op

hem aan. Maar terzelfdertijd greep iemand den geweerloop en hield er de

hand voor. 't Was de jonge werkman met manchestersche broek, die was

komen toeloopen. Het schot ging af, doorboorde de hand en misschien

ook den werkman, want hij viel, maar de kogel trof Marius niet. Dit

alles gebeurde te midden van den rook en was slechts onduidelijk

zichtbaar. Hij had echter verward den tegen hem gerichten geweerloop

en de hand, die er zich vóór hield, gezien, en het schot gehoord. Maar

in dergelijke oogenblikken vliegt en snelt hetgeen men ziet voorbij,

zonder dat men zich aan iets kan hechten. Men voelt zich in nog

diepere duisternis voortgestuwd, en alles is nevel.

De opstandelingen, verrast maar niet verschrikt, hadden zich

weder vereenigd. Enjolras had geroepen: "Wacht! schiet niet in

't wild!" Inderdaad, in de eerste verwarring hadden zij elkander

kunnen raken. De meesten waren naar het venster van de eerste

verdieping en naar de zoldervensters gegaan, van waar zij de aanvallers

beheerschten. De moedigsten hadden zich met Enjolras, Courfeyrac, Jean

Prouvaire en Combeferre tegen de huizen op den achtergrond geplaatst,

zonder eenige bedekking en tegenover de gelederen der soldaten en

der garden, die op de barricade stonden.

Dit alles gebeurde zonder overijling, met die zonderlinge, dreigende

kalmte, welke het gevecht voorafgaat. Aan weerszijden legde men op

elkander aan; men was zoo dicht bijeen, dat men elkander verstaan

kon. Toen men op 't oogenblik was, dat de vonk zou ontspringen,

stak een officier met dikke epauletten den degen op en zeide:

"Velt 't geweer!"

"Vuur!" commandeerde Enjolras.

Aan weerszijden knalden de geweerschoten tegelijkertijd en alles

verdween in den rook.

't Was een scherpe en verstikkende rook, waarin, met zwak, dof gekerm,

stervenden en gekwetsten zich voortsleepten.

Toen de rook verdween, zag men aan beide zijden de strijders, die,

hoewel gedund, echter steeds op dezelfde plaats, weder in stilte hun

geweren laadden.

Eensklaps hoorde men een donderende stem, die riep:

"Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!"

Allen keerden zich naar den kant van waar de stem kwam.

Marius was de benedenkamer binnengegaan, had het kruitvaatje genomen en

van den rook en den donkeren nevel gebruik gemaakt, die de verschanste

ruimte vulde, om langs de barricade tot aan de opgestapelde steenen te

sluipen, waar tusschen de toorts stond. De toorts weg te rukken, het

vaatje kruit er neder te leggen, den stapel steenen er op te storten,

zoodat er aanstonds de bodem uitviel, dit alles was voor Marius het

werk van een oogenblik geweest. Nu aanschouwden hem met ontzetting

allen, nationale garden, municipale garden, officieren, soldaten,

die aan gene zijde der barricade saamgedrongen stonden, met den voet

op de keien, de toorts in de hand, zijn fier gelaat verlicht door een

vreeselijk besluit en de vlam der toorts naar dien schrikbarenden

steenhoop gewend, waartusschen men het gebroken kruitvaatje zag,

terwijl hij den ontzettenden kreet slaakte:

"Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!"

Marius op deze barricade, na den tachtigjarigen grijsaard, was het

visioen der jonge revolutie, na de verschijning der oude.

"De barricade laten springen!" zei een sergeant, "dan springt gij

mede!"

"Dat weet ik!" antwoordde Marius.

En hij hield de toorts dicht bij het kruitvaatje. Maar reeds was

niemand meer op de versperring. De aanvallers drongen verschrikt en

verward, met achterlating van hun dooden en gekwetsten, naar het

einde der straat en verdwenen er wederom in de duisternis. 't Was

een algemeene vlucht.

De barricade was bevrijd.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EINDE VAN JEAN PROUVAIRES GEDICHT.

Allen omringden Marius. Courfeyrac viel hem om den hals.

"Gij hier!"

"Welk een geluk!" zei Combeferre.

"Gij zijt juist van pas gekomen!" zei Bossuet.

"Zonder u was ik doodgeschoten!" hernam Courfeyrac.

"Zonder u was ik doodgestoken!" zei Gavroche.

Marius vroeg:

"Waar is de aanvoerder?"

"Dat zijt gij," zei Enjolras.

't Had Marius den geheelen dag in het hoofd gegloeid; nu was 't

een storm. 't Scheen hem, dat deze storm buiten hem woedde en hem

medesleepte. 't Scheen hem, alsof hij reeds op een verren afstand

van het leven was. Zijn beide van liefde en van vreugd schitterende

maanden liepen eensklaps op dien vreeselijken afgrond uit: Cosette,

voor hem verloren, deze barricade, de heer Mabeuf, zich voor de

republiek latende dooden, hij zelf aanvoerder van opstandelingen,

dat alles kwam hem een monsterachtigen droom voor. Hij moest al zijn

geestkracht inspannen, om zich te herinneren, dat al wat hem omgaf,

werkelijk bestond. Marius had nog te kort geleefd, om te weten, dat

niets meer nabij is dan het onmogelijke, en men steeds het onverwachte

moet verwachten. Hij was bij zijn eigen drama tegenwoordig, als bij

een tooneelstuk dat men niet begrijpt.

In dezen nevel, die zijn geest omhulde, herkende hij Javert niet, die

aan den paal gebonden, gedurende den aanval zijn hoofd niet had bewogen

en rondom zich de revolutie zag woelen met de onderwerping van een

martelaar en de majesteit van een rechter. Marius zag hem zelfs niet.

Inmiddels naderden de aanvallers niet meer; men hoorde ze aan het einde

der straat heen en weder gaan, maar zij waagden er zich niet in, hetzij

dat zij bevelen wachtten, of dat zij versterking afwachtten, vóór

zij een nieuwen aanval tegen deze onneembare sterkte beproefden. De

opstandelingen hadden schildwachten geplaatst, en eenigen, die

studenten in de geneeskunde waren, waren bezig de gekwetsten te

verbinden.

Men had de tafels uit de herberg geworpen, behalve twee, die voor

het pluksel en de patronen waren bestemd, en de tafel waarop de

oude Mabeuf lag; men had ze voor de barricade gebruikt en ze in het

benedenvertrek vervangen door de matrassen der weduwe Hucheloup en

der dienstmeiden. Op deze matrassen had men de gekwetsten gelegd. Wat

van de drie arme wezens geworden was, die Corinthe bewoonden, wist men

niet. Eindelijk vond men ze in den kelder verborgen--als advocaten,

zei Bossuet. En hij voegde er bij: "Foei! vrouwen!"

De vreugd over de bevrijding der barricade werd op smartelijke wijze

gestoord.

Men hield appèl. Een der opstandelingen ontbrak. En wie? een der

meest geliefden, een der dappersten, Jean Prouvaire. Men zocht hem

onder de gekwetsten; hij was er niet; men zocht hem onder de dooden;

hij was er niet.

Hij was stellig gevangengenomen.

Combeferre zeide tot Enjolras:

"Zij hebben onzen vriend; wij hebben hun spion. Hecht ge aan den dood

van den verklikker?"

"Ja," antwoordde Enjolras, "maar minder dan aan het leven van Jean

Prouvaire."

Dit gebeurde in de benedenkamer bij den paal van Javert.

"Welaan," hernam Combeferre, "ik zal mijn zakdoek aan mijn stok binden

en als parlementair hun de uitwisseling van beide mannen voorstellen."

"Luister!" zei Enjolras, zijn hand op den arm van Combeferre leggende.

Aan het einde der straat klonk een onheilspellend wapengekletter.

Men hoorde een mannelijke stem roepen:

"Leve Frankrijk! leve de toekomst!"

Men herkende de stem van Prouvaire.

Een plotseling weerlicht trof het oog en geweren knetterden.

Het werd weder stil.

"Zij hebben hem gedood!" riep Combeferre.

Enjolras zag Javert aan en zeide tot hem:

"Uw vrienden hebben u doodgeschoten."

ZESDE HOOFDSTUK.

HET ZIELTOGEN DES DOODS NA HET ZIELTOGEN DES LEVENS.

't Is een eigenaardigheid van deze soort van oorlog, dat de barricaden

schier altijd van voren worden aangevallen en over 't algemeen de

aanvallers zich onthouden de stelling om te gaan, hetzij omdat zij

hinderlagen duchten of omdat zij vreezen zich in kromme straten

te wagen. De aandacht der opstandelingen was dus uitsluitend op de

groote barricade gericht, die blijkbaar het steeds bedreigde punt was

en waar onfeilbaar de strijd weder moest beginnen. Maar Marius dacht

evenwel aan de kleine barricade en ging er heen. Zij was verlaten en

slechts bewaakt door de kleine lampion, die tusschen de straatsteenen

flikkerde. In de steeg Mondétour en in de vertakkingen der kleine

Truanderie en de Zwanestraat was 't overigens volkomen stil.

Toen Marius, na gedaan onderzoek, zich verwijderde, hoorde hij in de

duisternis flauw zijn naam uitspreken:

"Mijnheer Marius!"

Hij ontroerde, want hij herkende de stem, die hem twee uren te voren

door het hek in de straat Plumet geroepen had.

Maar nu scheen deze stem nog slechts een ademtocht te zijn.

Hij sloeg een blik om zich, doch zag niemand.

Marius meende zich bedrogen te hebben, en dat 't een zinsbedrog was,

't geen zijn geest bij de buitengewone omstandigheden voegde, welke

zich om hem verdrongen. Hij deed een schrede, om uit den afgelegen

hoek te komen, waar de barricade was.

"Mijnheer Marius!" herhaalde de stem.

Nu kon hij niet langer twijfelen, hij had duidelijk gehoord: hij

schouwde opnieuw rond, doch zag niets.

"Aan uw voeten," zei de stem.

Hij bukte en zag in de schaduw een gestalte, welke over de

straatsteenen naar hem toe kroop. 't Was deze gestalte, die tot hem

gesproken had.

Het licht der lampion deed een kiel, een gescheurde grof manchestersche

broek, bloote voeten en iets dat naar een bloedvlek geleek,

onderscheiden. Marius zag een bleek hoofd, dat zich oprichtte en tot

hem sprak:

"Herkent ge mij niet?"

"Neen."

"Eponine."

Marius boog zich haastig. 't Was inderdaad het ongelukkig meisje,

in manskleederen.

"Waarom zijt ge hier? Wat doet ge daar?"

"Ik sterf," zeide zij.

Er zijn woorden en omstandigheden, welke de diepste mijmering wakker

schudden. Marius riep als opspringend:

"Ge zijt gewond! Wacht, ik zal u in huis dragen! Men zal u

verbinden! Is 't ernstig? hoe zal ik u nemen, om u niet zeer te

doen? Waar hebt ge pijn? Hulp! Mijn God! Maar waarom zijt ge hier

gekomen?"

En hij poogde zijn arm onder haar te schuiven om haar op te

tillen. Terwijl hij haar ophief, ontmoette hij haar hand.

Zij slaakte een flauwen kreet.

"Heb ik u zeer gedaan?" vroeg Marius.

"Een weinig."

"Maar ik heb slechts uw hand geraakt."

Zij hief de hand op voor Marius' oogen, en Marius zag in 't midden

dezer hand een zwarte opening.

"Wat deert u aan de hand?" vroeg hij.

"Zij is doorboord."

"Doorboord?"

"Ja."

"Waarmede?"

"Met een kogel."

"Hoe?"

"Hebt ge een geweer gezien, dat op u was aangelegd?"

"Ja, en een hand, die er zich tegen hield."

"'t Was de mijne."

Marius rilde.

"Welke dwaasheid. Arm meisje! Maar des te beter; wanneer 't zoo is,

zal 't geen gevaar hebben; laat mij u op een bed dragen! Men zal u

verbinden; men sterft niet van een doorschoten hand."

Zij fluisterde:

"De kogel heeft de hand doorboord, maar is door den rug uitgekomen. 't

Is onnoodig mij van hier te verwijderen. Ik zal u zeggen, hoe gij

mij, beter dan een wondheeler, verbinden kunt. Zet u naast mij op

dezen steen."

Hij gehoorzaamde; zij legde het hoofd op de knieën van Marius, en

zonder hem te aanschouwen, zeide zij:

"O, hoe goed! hoe wèl ben ik nu! Zie, nu lijd ik niet meer."

Zij zweeg een oogenblik, toen draaide zij met moeite haar gezicht om

en zag Marius aan.

"Weet ge, mijnheer Marius? Het griefde mij, dat ge dien tuin

binnengingt; 't was dwaas, want ik had u immers het huis gewezen,

en buitendien moest ik toch weten, dat een jongeling als gij..."

Zij zweeg, en van de treurige gedachten, die waarschijnlijk haar geest

vervulden, tot iets anders overgaande, vroeg zij met een smartelijken

glimlach:

"Gij vindt mij leelijk, niet waar?"

Zij vervolgde:

"Weet ge, ge zijt verloren! Niemand zal thans de barricade kunnen

verlaten. Ik ben 't, die u hier heb gevoerd. Ge zult sterven; ik reken

er zeker op. Evenwel bracht ik, toen ik zag dat men op u aanlegde,

mijn hand voor den loop van het geweer. 't Is waar! maar ik wilde

vóór u sterven. Toen ik den kogel ontving, sleepte ik mij hier heen;

men heeft mij niet gezien, men heeft mij niet opgepakt. Ik wachtte u,

en dacht: Hij zal dus niet komen? O! zoo ge 't wist; ik beet in mijn

kiel, zoo'n pijn had ik. Op 't oogenblik ben ik wèl. Herinnert ge u den

dag, toen ik uw kamer binnentrad, toen ik mij in uw spiegel spiegelde,

en den dag toen ik u op den boulevard ontmoette. Hoe zongen de vogels

toen! 't Is nog niet lang geleden. Gij gaaft mij vijf francs en ik

zeide tot u: Ik wil uw geld niet. Hebt ge ten minste het geldstuk

opgeraapt? Ge zijt niet rijk. Ik dacht er niet aan, u te zeggen het

weer op te rapen. De zon scheen, en 't was niet koud. Herinnert ge u,

mijnheer Marius? O! ik ben gelukkig! Iedereen moet sterven!"

Zij had een verwilderd, ernstig en smartelijk voorkomen. Haar

gescheurde kiel liet haar naakte borst zien. Zij hield, terwijl ze

sprak, haar doorschoten hand tegen haar borst gedrukt, waar een andere

opening was, en waaruit nu en dan een stroom bloed vloeide als wijn

uit een open spongat.

Marius beschouwde het ongelukkig schepsel met innig medelijden.

"O!" riep zij eensklaps uit, "nu komt het weder. Ik stik."

Zij greep haar kiel en beet er in; haar beenen verstijfden op de

straatsteenen.

Juist klonk de jonge hanenstem van den kleinen Gavroche in de

barricade. De knaap was op een tafel geklommen om zijn geweer te

laden en zong vroolijk het toen in de mode zijnde liedje:

En voyant Lafayette,

Le gendarme répête:

Sauvons nous! sauvons nous! sauvons nous! [12]

Eponine richtte zich op, luisterde, en prevelde:

"Hij is 't."

Zij wendde zich tot Marius:

"Mijn broeder is daar. Hij mag mij niet zien. Hij zou mij beknorren."

"Uw broeder?" vroeg Marius, die in het bitterste en smartelijkste

van zijn hart aan de plichten dacht, welke zijn vader hem jegens het

gezin Thénardier had opgedragen; "wie is uw broeder?"

"Die kleine jongen."

"Die zingt?"

"Ja."

Marius keerde zich om.

"Ach, ga niet heen," zeide zij; "'t zal nu niet lang meer duren."

Zij had zich bijna ten halve opgericht, maar haar stem was zeer

zwak en werd door den hik afgebroken. Bij tusschenpoozen rochelde

zij. Zij bracht haar gezicht zoo dicht zij kon bij dat van Marius,

en zeide met zonderlinge uitdrukking:

"Luister, ik wil u in niets misleiden. Ik heb een brief voor u in mijn

zak. Sedert gisteren. Men had mij gezegd hem op de post te brengen. Ik

heb hem gehouden. Ik wilde niet, dat ge hem kreegt. Maar ge zult

zeker kwaad op mij zijn, wanneer wij elkander straks wederzien. Men

ziet elkander immers weder, niet waar? neem uw brief."

Zij greep krampachtig met haar doorboorde hand de hand van Marius,

maar zij scheen geen pijn meer te gevoelen. Zij bracht de hand van

Marius in den zak van haar kiel. Marius voelde er inderdaad een papier.

"Neem," zeide zij.

Marius nam den brief.

Zij gaf een teeken van tevredenheid en toestemming.

"Beloof mij nu, voor mijn moeite..."

Zij hield op.

"Wat?" vroeg Marius.

"Beloof mij!"

"Ik beloof u."

"Beloof, dat ge mij een kus op 't voorhoofd zult geven, wanneer ik

dood ben.--Ik zal het voelen."

Zij liet haar hoofd weder op Marius' knieën zinken en haar oogen

sloten zich. Hij meende, dat haar arme ziel ontvloden was. Eponine

bleef bewegingloos; eensklaps, juist toen Marius geloofde dat zij den

eeuwigen slaap was ingegaan, opende zij langzaam haar oogen, waarin

de sombere donkerheid des doods scheen, en zij zeide met een stem,

wier zachtheid reeds uit een andere wereld scheen te komen:

"En hoor, mijnheer Marius, ik geloof, dat ik een weinig op u verliefd

was."

Zij poogde nog te glimlachen, en stierf.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

GAVROCHE, EEN DIEPZINNIG BEREKENAAR DER AFSTANDEN.

Marius hield zijn woord. Hij drukte een kus op het bleeke voorhoofd,

dat met een koud zweet was bepareld. 't Was geen ontrouw jegens

Cosette; 't was het ernstig en teeder afscheid van een ongelukkige

ziel.

Niet zonder eene heimelijke siddering had hij den brief genomen,

dien Eponine hem gegeven had. Hij had terstond iets gewichtigs

vermoed. Hij was ongeduldig om hem te lezen. Zoo is het menschelijk

hart; nauwelijks had het ongelukkig meisje de oogen gesloten, of

Marius dacht er aan den brief te openen. Hij liet haar zacht op de

aarde glijden en verwijderde zich. Iets zeide hem, dat hij dien brief

niet in de tegenwoordigheid van dat lijk mocht lezen.

Hij trad naar een kaars in het beneden vertrek. 't Was een met de

netheid der vrouwen toegevouwen en verzegeld briefje. Het adres was

van een vrouwenhand en luidde:

"Aan mijnheer, den heer Marius Pontmercy, ten huize van den heer

Courfeyrac, straat Verrerie, No. 16."

Hij brak het briefje open en las:

"Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond

vertrekken. Van avond zullen wij in rue de l'Homme-Armé No. 7

zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.--Cosette, 4 Juni."

Zoo onschuldig was deze liefde, dat Marius zelfs Cosettes handschrift

niet kende.

Wat gebeurd was, kan in weinige woorden verhaald worden. Eponine had

alles gedaan. Na den avond van den 3 Juni had zij een tweevoudige

gedachte: de plannen van haar vader en de bandieten op het huis in de

straat Plumet te verijdelen, en Marius van Cosette te scheiden. Zij had

haar lompen verruild met die van den eersten den besten jongen snaak,

die er vermaak in vond zich als vrouw te kleeden, terwijl Eponine

zich als man verkleedde. Zij was het, die op het Marsveld aan Jean

Valjean deze uitdrukkelijke waarschuwing had gegeven: "verhuis." Jean

Valjean was inderdaad naar huis gekeerd en had aan Cosette gezegd:

"Wij vertrekken van avond en gaan met vrouw Toussaint naar de rue de

l'Homme-Armé. In de volgende week zullen wij te Londen zijn." Door dien

onverwachten slag verpletterd had Cosette haastig aan Marius een paar

regels geschreven. Maar hoe ze op de post te bezorgen. Zij ging niet

alleen uit, en vrouw Toussaint zou, verwonderd over zulk een boodschap,

stellig den brief aan mijnheer Fauchelevent hebben vertoond. In deze

verlegenheid had Cosette door het hek heen Eponine gezien, die in

manskleederen om den tuin zwierf. Cosette had "dien jongen werkman"

geroepen, hem vijf francs en den brief gegeven, zeggende: "breng

dien brief dadelijk aan het adres." Eponine had den brief in haar

zak gestoken. Den volgenden dag, den 5 Juni, was zij naar Courfeyrac

gegaan, en had naar Marius gevraagd, niet om hem dezen brief ter hand

te stellen, maar om iets te doen, 't welk ieder jaloersch en beminnend

hart zal begrijpen, om "te zien." Daar had zij Marius, of ten minste

Courfeyrac, gewacht--altijd om te zien.--Toen Courfeyrac haar had

gezegd: wij gaan naar de barricade, was haar een denkbeeld in 't hoofd

gekomen: zich aan dien dood over te geven, zooals zij zich aan ieder

anderen dood zou hebben overgegeven, en er Marius in te storten. Zij

was Courfeyrac gevolgd, zij had kennis genomen van de plaats waar de

barricade werd opgericht; en, overtuigd, dat Marius, die geen bericht

had ontvangen en wiens brief zij had onderschept, tegen den avond

zich naar de gewone vereenigingsplaats van elken avond zou begeven,

was zij naar de straat Plumet gegaan, had er Marius gewacht en hem

in naam zijner vrienden de oproeping gedaan, die, zoo zij meende,

hem naar de barricade moest voeren. Zij rekende op de wanhoop van

Marius, wanneer hij Cosette niet vond; zij bedroog zich niet. Toen

was zij naar de straat Chanvrerie wedergekeerd. Men heeft gezien,

wat zij er deed. Zij was gestorven met die treurige blijdschap der

jaloersche harten, welke het beminde wezen in hun dood medesleepen,

en die zeggen: niemand zal hem hebben!

Marius bedekte Cosettes brief met kussen. Zij beminde hem dus! Een

oogenblik dacht hij, dat hij nu niet meer moest sterven. Maar toen

zeide hij tot zich zelven: "Zij vertrekt. Haar vader voert haar mede

naar Engeland, en mijn grootvader weigert mij te laten trouwen. Niets

is in het ongelukkige lot veranderd." Peinzers als Marius hebben

zulke vlagen van diepe zwaarmoedigheid, waaruit wanhopige besluiten

ontstaan. De last des levens wordt ondragelijk; de dood maakt er

een spoedig einde aan. Toen dacht hij, dat hij twee plichten had

te vervullen: Cosette van zijn dood kennis geven en haar een laatst

vaarwel zenden, en den armen knaap, Eponines broeder en Thénardiers

zoon, uit het dreigende gevaar, dat naderde, redden.

Hij had een portefeuille bij zich; dezelfde welke het boekje had bevat,

waarin hij zooveel liefdesgedachten voor Cosette geschreven had. Hij

scheurde er een blaadje uit en schreef met potlood deze weinige regels:

"Ons huwelijk was onmogelijk. Ik heb mijn grootvader verzocht, hij

heeft geweigerd; ik ben zonder fortuin, gij insgelijks. Ik ijlde

tot u, maar vond u niet meer; gij weet welk woord ik u gegeven heb,

ik houd het. Ik sterf. Ik bemin u. Wanneer gij dit leest, zal mijn

ziel bij u zijn en tot u lachen."

Niets hebbende om den brief te verzegelen, vouwde hij hem slechts in

vieren en schreef er dit adres op:

"Aan mejuffrouw Cosette Fauchelevent, ten huize van den heer

Fauchelevent, rue de l'Homme-Armé No. 7."

Na den brief dichtgevouwen te hebben, bleef hij een oogenblik in

gedachten, nam weder zijn portefeuille, opende ze en schreef met

hetzelfde potlood op de eerste bladzijde deze vier regels:

"Ik heet Marius Pontmercy. Men brenge mijn lijk bij mijn grootvader,

den heer Gillenormand, straat Filles-du-Calvaire, No. 6, au Marais."

Hij stak de portefeuille weder in zijn rokzak, en riep Gavroche. Op

de stem van Marius ijlde de straatjongen bereidvaardig en vroolijk toe.

"Wilt ge iets voor mij doen?"

"Alles," zei Gavroche. "Mijn lieve Hemel, zonder u was ik om zeep

geweest."

"Ge ziet dezen brief?"

"Ja."

"Neem hem. Verlaat dadelijk de barricade (Gavroche begon, verontrust,

zich achter 't oor te krabben) en bezorg hem morgenochtend aan 't

adres, aan mejuffrouw Cosette, ten huize van den heer Fauchelevent,

rue de l'Homme-Armé No 7."

De moedige knaap hernam:

"Heel gaarne! Maar men zal intusschen de barricade innemen, en ik

zal er niet bij zijn."

"De barricade zal volgens alle waarschijnlijkheid niet eerder dan

met het aanbreken van den dag aangevallen en niet voor morgen-middag

ingenomen worden."

Inderdaad lieten de aanvallers de barricaden nog altijd met rust. 't

Was een dier pauzen, die in nachtelijke gevechten niet zeldzaam zijn,

en die steeds door te geweldiger aanvallen gevolgd worden.

"Zoo ik uw brief nu morgenochtend bracht?" zei Gavroche.

"Dan zal het te laat zijn. Vermoedelijk zal de barricade belegerd en

zullen alle straten bewaakt worden, zoodat gij niet meer weg zoudt

kunnen komen. Ga dadelijk."

Gavroche wist niets hierop te antwoorden; hij bleef, besluiteloos en

treurig zijn oor krabbende, staan. Eensklaps nam hij met een zijner

eigenaardige bewegingen, den brief.

"'t Is goed," zeide hij.

Toen liep hij ijlings door de straat Mondétour.

Een gedachte, die bij Gavroche was ontstaan, maar welke hij verzweeg,

uit vrees dat Marius er tegenwerping op zou maken, bracht hem tot

een besluit. Deze gedachte was:

"'t Is nauwelijks middernacht; de rue de l'Homme-Armé is niet ver,

ik ga dadelijk den brief bezorgen en zal bijtijds terug zijn."

BOEK XV.

DE RUE DE L'HOMME-ARMÉ.

EERSTE HOOFDSTUK.

DRINKER, BABBELAAR. [13]

Wat beteekent de onrust eener stad in vergelijking met het oproer der

ziel? De mensch is een nog ondoorgrondelijker diepte dan het volk. Jean

Valjean was op dit oogenblik ter prooi aan een vreeselijken inwendigen

storm. Al de afgronden hadden zich opnieuw in hem geopend. Ook

hij sidderde, evenals Parijs, op den drempel van een vreeselijke en

duistere revolutie. Eenige uren waren daartoe voldoende geweest. Zijn

lot en zijn geweten waren plotseling in schaduwen gehuld. Van hem

kon men evenzeer als van Parijs zeggen: de twee beginselen staan

tegenover elkander. De witte engel en de zwarte engel waren op 't

punt elkander op de brug boven den afgrond aan te grijpen. Wie van

beiden zal den andere er in storten? Wie zal overwinnen?

Den avond voor den 5den Juni was Jean Valjean, vergezeld van Cosette

en van vrouw Toussaint, een woning in de rue de l'Homme Armé gaan

betrekken. Daar wachtte hem een voorval.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 26 / 28 段