Toen op militaire wijze aanslaande, zeide hij:

"Eerbied voor de dépêche. Zij komt van de voorloopige regeering."

"Geef," zei Jean Valjean.

Gavroche hield het papier boven zijn hoofd.

"Verbeeld u niet, dat het een minnebriefje is. Het is wel voor een

vrouw, maar eigenlijk voor het volk. Wij vechten tegen de mannen,

maar eerbiedigen het schoone geslacht. Wij zijn niet als in de groote

wereld, waar lions aan chameaux minnebriefjes zenden."

"Geef."

"Inderdaad," hernam Gavroche, "ge schijnt mij een braaf man te zijn."

"Geef spoedig!"

"Ziedaar."

En hij gaf Jean Valjean het papier.

"Haast u nu, mijnheer Coos, wijl juffer Cosette wacht."

Gavroche scheen zelf schik te hebben over deze woordspeling.

Jean Valjean hernam:

"Moet het antwoord naar Saint-Merry worden gebracht?"

"Ge zoudt daarmede een dommen streek begaan. Deze brief komt van de

barricade in de straat Chanvrerie, en daarheen keer ik terug. Goeden

avond, burger."

Dit gezegd hebbende verwijderde zich Gavroche, of liever vloog naar de

plaats, van waar hij gekomen was; met de snelheid van een ontsnapten

vogel. Hij verdween in de duisternis, alsof hij er een gat in boorde,

regelrecht als een kanonskogel. De rue de l'Homme Armé werd weder

stil en eenzaam; in een oogwenk was deze wonderbare knaap, die in zich

iets van de schaduw en van den droom had, tusschen de in de duisternis

bedolven huizen als een damp verdwenen; en men zou dit geloofd hebben,

zoo niet weinige minuten na zijn verdwijning het gekletter van een

stuk geslagen vensterruit en het heerlijk gerinkel van een ingeworpen

straatlantaarn opnieuw de angstige bewoners eensklaps en ruw gewekt

had. 't Was Gavroche, die door de straat du Chaume ging.

DERDE HOOFDSTUK.

TERWIJL COSETTE EN VROUW TOUSSAINT SLAPEN.

Jean Valjean ging weder in huis met den brief van Marius. Tastend

klom hij de trap op, verheugd over de duisternis, als de uil die

zijn prooi wegvoert, opende en sloot weder zacht de deur, luisterde

of hij eenig gerucht hoorde, overtuigde zich dat, naar allen schijn,

Cosette en vrouw Toussaint sliepen, wilde een zwaveltje aansteken,

dat hem echter eenige keeren door het beven zijner hand mislukte,

want 't was hem alsof hij een diefstal pleegde. Eindelijk was de kaars

ontstoken; hij zette zich aan de tafel, vouwde het papier open en las.

Bij geweldige aandoeningen leest men niet, men knijpt, men verwoest als

't ware het papier, dat men in de hand heeft als een offer, men kreukt

het, men drukt er vertoornd of verblijd zijn nagels in, men vliegt

naar het einde, springt het begin over, de aandacht is koortsachtig,

zij begrijpt slechts de hoofdzaak; onnauwkeurig, het wezenlijke; zij

hecht zich slechts aan één punt, en al het overige verdwijnt. In het

briefje van Marius aan Cosette, zag Jean Valjean slechts deze woorden:

"... Ik sterf. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn."

Door deze twee regels werd hij als verblind, hij was een oogenblik

als verplet door den omkeer van aandoeningen, welke in hem ontstond,

als duizelend van verbazing aanschouwde hij het briefje van Marius;

de dood van het gehate wezen, dit schitterend uitzicht, vertoonde

zich voor zijn oogen.

Heimelijk slaakte hij een afschuwelijken vreugdekreet. 't Was

dus gedaan. De ontknooping was spoediger gekomen dan hij had

durven hopen. Het wezen, dat zijn lot hinderde, verdween, uit

zich zelf, vrijelijk, ongedwongen, zonder dat hij, Jean Valjean,

er iets toe gedaan had; zonder dat het zijn schuld was, ging deze

man sterven. Misschien was hij reeds dood.--Hier begon de koorts te

berekenen. Neen, hij is nog niet dood. De brief is blijkbaar geschreven

om door Cosette eerst den volgenden morgen gelezen te worden; na de

beide losbrandingen, welke men tusschen elf uren en middernacht gehoord

had, was er niets voorgevallen; de barricade zal niet ernstig worden

aangevallen dan met het aanbreken van den dag; maar om 't even, nu

"deze man" aan den krijg heeft deelgenomen, is hij verloren; hij is

door het raderwerk gevat.--Jean Valjean gevoelde zich bevrijd. Nu

zou hij wederom alleen met Cosette zijn. De mededinging hield op;

het verledene nam weder een aanvang. Hij behoefde het briefje slechts

te behouden. Cosette zou nooit weten wat van "dien man" geworden

was. Hij behoefde de dingen slechts hun loop te laten. Deze man

kon niet ontsnappen. Zoo hij nog niet dood is, zal hij toch stellig

sterven. Welk een geluk!

Na dit alles binnensmonds gezegd te hebben werd hij somber. Vervolgens

ging hij naar beneden en wekte den portier.

Een uur later ging Jean Valjean in de uniform van nationale garde

en gewapend uit. De portier had in de buurt gemakkelijk gevonden,

wat aan de uitrusting ontbrak. Hij had een geladen geweer en een

volle patroontasch. Hij begaf zich naar den kant des Halles.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVERDREVEN IJVER VAN GAVROCHE.

Inmiddels had Gavroche een avontuur gehad.

Nadat hij de straatlantaarn in de rue du Chaume zooveel hij kon

verbrijzeld had, kwam hij in de rue des Vieilles-Haudriettes, en er

geen "kat of muis" ziende, vond hij de gelegenheid gunstig om het

geheele liedje dat hij kende, te zingen.

Zijn gang, in plaats van zich door 't gezang te vertragen, werd er

eer te sneller door. En nu strooide hij als 't ware langs de slapende

of verschrikte huizen deze vurige verzen uit:

L'oiseau médit dans les charmilles,

Et prétend qu'hier Atala

Avec un russe s'en alla.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Mon ami pierrot, tu babilles,

Parce que l'autre jour Mila

Cogna sa vitre, et m'appela.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Les drôlesses sont fort gentilles;

Leur poison qui m'ensorcela

Griserait monsieur Orfila.

Où vont les belles filles,

Lon la.

J'aime l'amour et ses bisbilles,

J'aime Agnès, j'aime Paméla,

Lise en m'allumant se brûla.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Jadis, quand je vis les mantilles

De Suzette et de Zéila,

Mon âme à leurs plis se mêla.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Amour, quand, dans l'ombre où tu brilles,

Tu coiffes de roses Lola,

Je me damnerais pour cela.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Jeanne, à ton miroir tu t'habilles!

Mon coeur un beau jour s'envola;

Je crois que c'est Jeanne qui l'a.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Le soir, en sortant des quadrilles,

Je montre aux étoiles Stella

Et je leur dis: regardez-la.

Où vont les belles filles,

Lon la. [14].

Aan het gezang paarde Gavroche een levendig gebarenspel. Het gebaar

is de versterking der woorden. Zijn gezicht, een onuitputtelijke

verzameling van maskers, maakte grilliger en phantastischer grimassen

dan een lap linnen met gaten die in den wind fladdert. Wijl 't

ongelukkig donker en hij alleen was, werd dit noch gezien noch was

het zichtbaar. Er gaan veel schatten verloren.

Eensklaps bleef hij staan.

"Laat ons de romance afbreken," zeide hij.

Zijn kattenoog had onder een koetspoort iets gezien, dat men in de

schilderkunst een geheel noemt, dat wil zeggen, een wezen en een

voorwerp; het voorwerp was een handkar, het wezen een Auvergner,

die er op sliep.

De boomen der kar rustten op de straat, het hoofd van den Auvergner

lag op den hellenden bodem der kar, en zijn voeten raakten de

straatsteenen.

Gavroche herkende dadelijk, met zijn ondervinding van de wereldsche

dingen, een dronkaard.

't Was een of ander kruier van den hoek, die te veel gedronken had

en te lang sliep.

"Daartoe dienen nu de zomernachten," dacht Gavroche. "De Auvergner

slaapt op zijn kar. Men neemt de kar voor de republiek, en laat den

Auvergner aan de monarchie."

Zijn geest werd door deze heldere ingeving verlicht:

"Deze kar zou zeer goed voor onze barricade gebezigd kunnen worden."

De Auvergner snorkte.

Zacht trok Gavroche de kar achteruit en den Auvergner vooruit, namelijk

bij de voeten en na een minuut lag de onverstoorbare Auvergner plat

op de straat.

De kar was nu ledig.

Gavroche, die gewoon was op alle wijzen aan het onverwachte het hoofd

te bieden, had steeds allerlei dingen bij zich. Hij grabbelde in een

zijner zakken en haalde er een stukje papier en een eindje rood potlood

uit, dat hij van dezen of genen timmerman had gekaapt. Hij schreef:

"Fransche Republiek."

"Uw kar in ontvangst genomen."

Hij onderteekende: "Gavroche."

Toen dit verricht was, schoof hij het papiertje in den zak van het

manchestersche vest van den steeds ronkenden Auvergner, pakte de

boomen met beide handen en joeg in vollen galop met triompheerend

geraas de kar naar den kant des Halles.

't Was gevaarlijk. Bij de koninklijke drukkerij stond een

wachtpost. Gavroche dacht er niet aan. De post was bezet door nationale

garden der voorstad. De wacht werd opmerkzaam, en de hoofden richtten

zich op. Twee achter elkander verbrijzelde straatlantaarns, het

luidkeels gezongen lied, dit was te veel voor de beschroomde bewoners

dezer straten, die slapen willen voor dat de zon ondergaat, en die

zoo vroeg den domper op hun kaars zetten. Sedert een uur maakte de

straatjongen in deze vreedzame wijk het geraas van een vlieg in een

flesch. De sergeant der voorstad luisterde, en wachtte. Hij was een

voorzichtig man.

Het geraas van het verward gerol der kar deed de maat van lijdzame

afwachting overloopen en de sergeant besluiten een verkenning te

beproeven.

"'t Is een geheele bende," zeide hij; "laat ons voorzichtig te

werk gaan."

't Was duidelijk, dat de hydra der regeeringloosheid uit haar hol

was gekomen en in de wijk woedde.

De sergeant waagde zich met zachten tred buiten den wachtpost.

Eensklaps bevond zich Gavroche, juist toen hij met zijn kar den hoek

der straat Vieilles-Haudriettes om kwam hollen, tegenover een uniform,

een schako, een pluim en een geweer.

Ten tweeden male bleef hij stilstaan.

"Ha!" zeide hij, "is het dat?--Goedendag, openbare orde."

Gavroches verbazing was gewoonlijk van korten duur en verdween spoedig.

"Waar wilt ge heen, deugniet?" vroeg de sergeant.

"Burger," zei Gavroche, "ik heb u niet gescholden, waarom beleedigt

ge mij?"

"Waar gaat ge heen, snaak?"

"Mijnheer, ge waart misschien gisteren een verstandig man, maar heden

schijnt ge het verstand afgelegd te hebben."

"Ik vraag u, waar ge heen gaat, schobbejak?"

Gavroche antwoordde:

"Ge spreekt zeer lief. Waarachtig, men zou 't van uw ouderdom niet

verwachten. Gij moest ieder haartje van uw hoofd voor honderd francs

verkoopen, dat zou u vijfhonderd francs opbrengen."

"Waar gaat ge heen? waar gaat ge heen? bandiet?"

Gavroche hernam:

"Dat zijn leelijke woorden. Zoodra men u weder laat zingen, moet men

u beter den mond afvegen."

De sergeant velde de bajonnet.

"Wilt ge mij eindelijk zeggen, waar ge heen gaat, ellendeling?"

"Generaal," zei Gavroche, "ik ga den dokter halen voor mijn vrouw

die bevallen moet."

"In 't geweer!" schreeuwde de sergeant.

Zich door datgene te redden, wat ons in de val heeft gebracht, is

het meesterstuk van schrandere mannen; Gavroche mat met een blik den

geheelen toestand. 't Was de kar, die hem in gevaar had gebracht,

de kar moest hem nu helpen.

Juist toen de sergeant op Gavroche aanstormde, rolde de kar, nu een

werptuig geworden en met alle kracht voortgejaagd, met geweld tegen

den buik van den sergeant, die achterover in de goot viel, terwijl

zijn geweer in de lucht afging.

Op het geroep van den sergeant stormden de manschappen uit de wacht;

het geloste schot gaf aanleiding tot een algemeene losbranding op

goed geluk af, waarna men weder de geweren laadde en opnieuw begon.

Dit schieten in den blinde duurde een goed kwartier en doodde eenige

vensterruiten.

Intusschen hield Gavroche, die in allerijl weggeloopen was, vijf of

zes straten verder stil en zette zich buiten adem op den straatpaal

aan den hoek der straat des Enfants-rouges.

Hij luisterde.

Na eenige oogenblikken in den adem schietens, wendde hij zich naar

den kant waar nog als razend geschoten werd, bracht zijn linkerhand

ter hoogte van zijn neus, en stak ze driemalen vooruit, terwijl hij

met de rechterhand tegen zijn achterhoofd sloeg, een krachtig gebaar,

waarin de Parijsche straatjongen de geheele Fransche ironie vereenigt,

en dat stellig van goede uitwerking is, wijl het reeds een halve eeuw

bestaan heeft.

Maar deze aardigheid werd door een bittere gedachte gestoord. "Ja,"

zeide hij, "ik heb hier wel ongemakkelijk schik, maar ik raak van mijn

weg en zal een geduchten omweg moeten maken. Als ik nu maar bijtijds

aan de barricade ben."

Toen trok hij verder en onder 't loopen zeide hij: "Wacht! hoe ver

was ik ook met het liedje gekomen?"

Hij begon weder zijn lied te zingen, terwijl hij snel door de straten

liep, en zong in de duisternis:

Mais il reste encore des bastilles,

Et je vais mettre le holà

Dans l'ordre public que voilà.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Quelqu'un veut-il jouer aux quilles?

Tout le vieux monde s'écroula.

Quand la grosse boule roula.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Vieux bon peuple, à coups de béquilles,

Cassons ce Louvre où s'étala

La monarchie en falbala.

Où vont les belles filles,

Lon la.

Nous en avons forcé les grilles,

Le roi Charles Dix, ce jour-là

Tenait mal et se décolla.

Où vont les belles filles,

Lon la. [15]

Het in 't geweer komen van den wachtpost was niet zonder gevolg. De

kar werd veroverd, de dronkaard gevangengenomen. De eene werd in een

bergplaats gebracht, de andere later als medeplichtige aan den opstand

een weinig door den krijgsraad vervolgd. Het openbaar ministerie van

dien tijd gaf bij deze gelegenheid een bewijs van zijn onvermoeibaren

ijver ter verdediging der maatschappij.

Het avontuur van Gavroche, dat als overlevering in de wijk van den

Tempel bewaard is gebleven, is een der vreeselijkste herinneringen van

de oude burgers van het Marais, en draagt in hun geheugen den titel

van: "Nachtelijke aanval tegen den post der koninklijke drukkerij."

EINDE VAN HET VIERDE DEEL.

INHOUD.

Boek I.

Eenige bladzijden geschiedenis.

Bladz.

I. Goed gesneden 7

II. Slecht genaaid 12

III. Lodewijk Filips 15

IV. Scheuren in de fundamenten 22

V. Feiten, waaruit de geschiedenis voortkomt, maar welke de

geschiedenis niet kent 29

VI. Enjolras en zijn luitenants 38

Boek II.

Eponine.

I. Het veld van de Leeuwerik 45

II. Het ontstaan van de kiemen der misdaden in de

gevangenissen 50

III. Vader Mabeuf heeft een verschijning 54

IV. Marius heeft een verschijning 58

Boek III.

Het huis in de straat Plumet.

I. Het verborgen huis 65

II. Jean Valjean nationale garde 69

III. Bladeren en bloesems 71

IV. Verandering van het hek 74

V. De roos bespeurt dat zij een wapen is 79

VI. De veldslag begint 83

VII. Tegen treurigheid nog grooter treurigheid 86

VIII. De galeiketen 90

Boek IV.

Hulp van beneden kan soms hulp van boven zijn.

I. Uitwendige verwonding, inwendige genezing 101

II. 't Is voor moeder Plutarchus niet moeielijk een

verschijnsel te verklaren 103

Boek V.

Welks einde het begin niet gelijkt.

I. De eenzaamheid en de kazerne 113

II. Vrees van Cosette 115

III. Opmerkingen van vrouw Toussaint 118

IV. Een hart onder een steen 120

V. Cosette na den brief 125

VI. De ouden zijn bestemd om ten geschikten tijde uit te gaan 127

Boek VI.

De kleine Gavroche.

I. Ondeugende streek van den wind 133

II. Hoe de kleine Gavroche zich Napoleon den Groote ten

nutte maakt 136

III. De ontvluchting 155

Boek VII.

De dieventaal.

III. De weenende en de lachende dieventaal 170

IV. De twee plichten: waken en hopen 173

Boek VIII.

Verrukking en droefheid.

I. Helderheid 181

II. De bedwelming van het volmaakte geluk 186

III. Begin der schaduw 188

IV. De hond 191

V. Des nachts 198

VI. Marius keert in zooverre tot de werkelijkheid terug,

dat hij aan Cosette zijn adres geeft 198

VII. Het jonge en het oude hart tegenover elkander 204

Boek IX.

Waarheen gaan zij?

I. Jean Valjean 219

II. Marius 220

III. De heer Mabeuf 223

Boek X.

De vijfde Juni 1832.

I. Het oppervlakkige der quaestie 229

II. De grond der quaestie 232

III. Een begrafenis: kans tot wedergeboorte 236

IV. De gistingen van eertijds 241

V. Eigenaardigheid van Parijs 245

Boek XI.

Het stofdeeltje verbroedert zich met den orkaan.

I. Eenige ophelderingen nopens den oorsprong van Gavroches

poëzie.--Invloed van een lid der academie op deze poëzie 251

II. Gavroche op marsch 253

III. Billijke verontwaardiging van een kapper en een barbier 256

IV. De knaap verwondert zich over den grijsaard 258

V. De grijsaard 259

VI. Recruten 261

Boek XII.

Corinthe.

I. Geschiedenis van Corinthe sinds zijn stichting 265

II. Voorloopige vroolijkheid 269

III. De nacht daalt op Grantaire 277

IV. Pogingen van troost op de weduwe Hucheloup 280

V. De toebereidselen 283

VI. In afwachting 285

VII. De man, dien men in de Billettes-straat had ontmoet 288

VIII. Verscheidene vraagteekens betreffende een zekeren

le Cabuc, die misschien niet le Cabuc heette 292

Boek XIII.

Marius treedt in de schaduw.

I. Van de straat Plumet naar de wijk St. Denis 299

II. Parijs uit de uilenvlucht gezien 301

III. De uiterste rand 304

Boek XIV.

De grootheid der wanhoop.

I. De vlag: eerste bedrijf 313

II. De vlag: tweede bedrijf 316

III. Gavroche had beter gedaan de karabijn van Enjolras

te nemen 318

IV. Het vaatje buskruit 319

V. Einde van Jean Prouvaires gedicht 322

VI. Het zieltogen des doods na het zieltogen des levens 323

VII. Gavroche, een diepzinnig berekenaar der afstanden 328

Boek XV.

De Rue de l'Homme Armé.

I. Drinker, babbelaar 335

II. De straatjongen een vijand van lichten 343

III. Terwijl Cosette en vrouw Toussaint slapen 346

IV. Overdreven ijver van Gavroche 348

AANTEEKENINGEN

[1] Monte à Regret (met tegenzin beklommen) het schavot.

[2] Beroemd woord in les Horaces.

[3] Een laag mastik op een vensterruit gelegd, houdt de stukken glas

tegen en verhindert het gerucht.

[4] Des nachts kan men niets zien.--Des daags ziet men zeer goed.--De

burger is vol angst voor apocrief geschrift. Houdt u altijd goed,

al is 't ook dat ge pijn in 't lijf krijgt!

[5] Uitgezonderd den laatsten regel: "Ik heb slechts een God, een

koning, een oortje en een laars," is er eigenlijk in het geheele

liedje volstrekt geen zin.

[6] Daar schommelt het afgrijselijk rif

Eens minnaars die er zich verhing.

[7] Carpe horas beteekent: maak u den tijd ten nutte.

[8] In de verte verbaast zij, dichtbij verschrikt zij. Op haar neus

zit een stoutmoedige wrat. Men beeft ieder oogenblik, dat zij hem

zal afsnuiten en haar neus op een mooien dag in haar mond zal vallen.

[9] Onthaal u zoo ge kunt en eet zoo gij het waagt.

[10] Herinnert ge u ons bekoorlijk leven, toen wij, beiden nog jong,

niets anders begeerden dan fraai gekleed te zijn en te beminnen. Toen

wij geen veertig jaren telden wanneer wij ons beider leeftijd

samenvoegden; terwijl in onze kleine, stille huishouding alles,

zelfs de winter, lente voor ons was.

Schoone dagen! Manuel was fier en wijs; Parijs vierde heilige

feestmalen, Foy schoot bliksems, en aan uw keurs was een speld,

waaraan ik mij prikte.

Allen aanschouwden u. Ik was een advocaat zonder zaken, toen ik u naar

het Prado ten eten voerde. Gij waart zoo schoon, dat het mij scheen,

alsof de rozen zich omkeerden om u te zien.

Ik hoorde ze zeggen: hoe schoon is zij! Welk een liefelijke geur! Welk

golvend haar! Zij verbergt onder haar mantilje een vleugel; haar

bekoorlijk mutsje is nauwelijks ontsloten.

Ik doolde met u, en drukte uw malschen arm. De wandelaars geloofden,

dat de verrukte liefde in ons gelukkig paar de zachte maand April

met de schoone Meimaand had gehuwd.

Wij leefden verscholen, tevreden, met gesloten deur en smaakten de

liefde, de heerlijke verbodene vrucht. Mijn mond zeide niets of uw

hart had het reeds beantwoord.

De Sorbonne was het landelijke oord, waar ik u van 's morgens tot 's

avonds aanbad. Alzoo past een minnend hart de kaart van het teedere

op de latijnsche wijk toe.

O plein Maubert! O plein Dauphine! Wanneer ge in het frissche

lentekamertje de kous aan uw fijn been deedt, zag ik een ster op

den bodem.

Ik heb Plato gelezen, maar niets er van onthouden. Gij beweest

mij beter dan Malebranche en Lamennais de goedheid des hemels

door een bloem, welke gij mij gaaft. Ik gehoorzaamde u, ge waart

mij onderworpen. O lief vlieringkamertje! Uw corset te rijgen, u

's morgens vroeg in uw hemd te zien heen en wedergaan, uw jeugdig

hoofd in uw ouden spiegel weerkaatsend!

Wie zou dien tijd van morgenrood, linten, bloemen, gaas en moiré

kunnen vergeten, toen de liefde haar bekoorlijke, geheimzinnige

taal fluisterde!

Onze tuin was een tulpenpot; uw onderrok diende tot gordijn voor het

venster, ik nam de aarden kom en gaf u den japanschen kop.

En de groote rampen, waarom wij lachten! Uw mouw brandde, ge verloort

uw boa! En wij verkochten het fraai portret van Shakespeare, om er

's avonds voor te kunnen eten. Ik was een bedelaar en gij waart

milddadig. In de vlucht kuste ik uw schoone, ronde armen. Dante

in-folio diende ons tot tafel, om er kastanjes aan te eten.

Toen ik in mijn vroolijk verblijf voor het eerst uw gloeiende lippen

kuste en gij met verward haar en blozend heengingt, bleef ik verbleekt

staan, en geloofde aan God.

Herinnert ge u ons onmetelijk geluk en al uw gehavende halsdoekjes. O,

hoeveel zuchten zijn uit onze volle harten ten hemel gestegen.

[11] Mijn neus druipt; mijn vriend Bugeaud, leen mij uw gendarmes,

ik heb hun iets te zeggen: In blauwe kapotjas, met de kip op de shako,

ziedaar de voorstad! Kukeleku!

[12] Zoodra de gendarm Lafayette ziet, roept hij: Vluchten wij,

vluchten wij!

[13] Buvard, Bavard, in 't oorspronkelijke; het eerste beteekent

een schrijfportefeuille met vloeipapier dat dient om het geschrevene

te drogen.

[14] De vogel lastert in den boom en beweert dat Atala gisteren met

een Rus is voortgegaan.--Waarheen gaan de schoone meisjes, la la!

Mijn vriend Pierrot, gij babbelt, omdat Mila laatst aan haar venster

klopte en mij riep.--Waarheen enz.

Die meisjes zijn zeer bekoorlijk. Haar vergift, waarmede zij mij

betooverden, zou zelfs mijnheer Orfila dronken maken. Waarheen enz.

Ik houd van de liefde en haar gekweel, ik bemin Agnes, ik bemin Pamela,

Lize brandde zich zelve door mij in vlam te zetten.--Waarheen enz.

Eertijds toen ik de mantilles van Suzette en Zeila zag, verschool

zich mijn hart in haar plooien.--Waarheen enz.

Liefde, wanneer gij, in de schaduw schitterend, Lola met rozen

omkranst, zou ik er mijn ziel voor willen geven.--Waarheen enz.

Jeanne, ge kleedt u voor uw spiegel! Mijn ziel ontvlood op zekeren dag;

ik geloof dat Jeanne ze heeft.--Waarheen enz.

Des avonds wanneer ik van het bal kom, wijs ik Stella aan de sterren

en zeg: aanschouwt haar.--Waarheen enz.

[15] Er zijn nog altijd bastilles, maar ik zal de openbare orde

terecht brengen.--Waarheen enz.

Wil iemand kegelen gaan? De oude wereld stortte in toen de groote

kogel rolde.--Waarheen enz.

Oud, goed volk, laat ons met krukken het Louvre inslaan, waar de

monarchie in falbala prijkt.--Waarheen enz.

Wij hebben de hekken opengebroken, dien dag hield koning Karel X zich

slecht en ging heen.--Waarheen enz.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 28 / 28 段