"Eerbied voor de dépêche. Zij komt van de voorloopige regeering."
"Geef," zei Jean Valjean.
Gavroche hield het papier boven zijn hoofd.
"Verbeeld u niet, dat het een minnebriefje is. Het is wel voor een
vrouw, maar eigenlijk voor het volk. Wij vechten tegen de mannen,
maar eerbiedigen het schoone geslacht. Wij zijn niet als in de groote
wereld, waar lions aan chameaux minnebriefjes zenden."
"Geef."
"Inderdaad," hernam Gavroche, "ge schijnt mij een braaf man te zijn."
"Geef spoedig!"
"Ziedaar."
En hij gaf Jean Valjean het papier.
"Haast u nu, mijnheer Coos, wijl juffer Cosette wacht."
Gavroche scheen zelf schik te hebben over deze woordspeling.
Jean Valjean hernam:
"Moet het antwoord naar Saint-Merry worden gebracht?"
"Ge zoudt daarmede een dommen streek begaan. Deze brief komt van de
barricade in de straat Chanvrerie, en daarheen keer ik terug. Goeden
avond, burger."
Dit gezegd hebbende verwijderde zich Gavroche, of liever vloog naar de
plaats, van waar hij gekomen was; met de snelheid van een ontsnapten
vogel. Hij verdween in de duisternis, alsof hij er een gat in boorde,
regelrecht als een kanonskogel. De rue de l'Homme Armé werd weder
stil en eenzaam; in een oogwenk was deze wonderbare knaap, die in zich
iets van de schaduw en van den droom had, tusschen de in de duisternis
bedolven huizen als een damp verdwenen; en men zou dit geloofd hebben,
zoo niet weinige minuten na zijn verdwijning het gekletter van een
stuk geslagen vensterruit en het heerlijk gerinkel van een ingeworpen
straatlantaarn opnieuw de angstige bewoners eensklaps en ruw gewekt
had. 't Was Gavroche, die door de straat du Chaume ging.
DERDE HOOFDSTUK.
TERWIJL COSETTE EN VROUW TOUSSAINT SLAPEN.
Jean Valjean ging weder in huis met den brief van Marius. Tastend
klom hij de trap op, verheugd over de duisternis, als de uil die
zijn prooi wegvoert, opende en sloot weder zacht de deur, luisterde
of hij eenig gerucht hoorde, overtuigde zich dat, naar allen schijn,
Cosette en vrouw Toussaint sliepen, wilde een zwaveltje aansteken,
dat hem echter eenige keeren door het beven zijner hand mislukte,
want 't was hem alsof hij een diefstal pleegde. Eindelijk was de kaars
ontstoken; hij zette zich aan de tafel, vouwde het papier open en las.
Bij geweldige aandoeningen leest men niet, men knijpt, men verwoest als
't ware het papier, dat men in de hand heeft als een offer, men kreukt
het, men drukt er vertoornd of verblijd zijn nagels in, men vliegt
naar het einde, springt het begin over, de aandacht is koortsachtig,
zij begrijpt slechts de hoofdzaak; onnauwkeurig, het wezenlijke; zij
hecht zich slechts aan één punt, en al het overige verdwijnt. In het
briefje van Marius aan Cosette, zag Jean Valjean slechts deze woorden:
"... Ik sterf. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn."
Door deze twee regels werd hij als verblind, hij was een oogenblik
als verplet door den omkeer van aandoeningen, welke in hem ontstond,
als duizelend van verbazing aanschouwde hij het briefje van Marius;
de dood van het gehate wezen, dit schitterend uitzicht, vertoonde
zich voor zijn oogen.
Heimelijk slaakte hij een afschuwelijken vreugdekreet. 't Was
dus gedaan. De ontknooping was spoediger gekomen dan hij had
durven hopen. Het wezen, dat zijn lot hinderde, verdween, uit
zich zelf, vrijelijk, ongedwongen, zonder dat hij, Jean Valjean,
er iets toe gedaan had; zonder dat het zijn schuld was, ging deze
man sterven. Misschien was hij reeds dood.--Hier begon de koorts te
berekenen. Neen, hij is nog niet dood. De brief is blijkbaar geschreven
om door Cosette eerst den volgenden morgen gelezen te worden; na de
beide losbrandingen, welke men tusschen elf uren en middernacht gehoord
had, was er niets voorgevallen; de barricade zal niet ernstig worden
aangevallen dan met het aanbreken van den dag; maar om 't even, nu
"deze man" aan den krijg heeft deelgenomen, is hij verloren; hij is
door het raderwerk gevat.--Jean Valjean gevoelde zich bevrijd. Nu
zou hij wederom alleen met Cosette zijn. De mededinging hield op;
het verledene nam weder een aanvang. Hij behoefde het briefje slechts
te behouden. Cosette zou nooit weten wat van "dien man" geworden
was. Hij behoefde de dingen slechts hun loop te laten. Deze man
kon niet ontsnappen. Zoo hij nog niet dood is, zal hij toch stellig
sterven. Welk een geluk!
Na dit alles binnensmonds gezegd te hebben werd hij somber. Vervolgens
ging hij naar beneden en wekte den portier.
Een uur later ging Jean Valjean in de uniform van nationale garde
en gewapend uit. De portier had in de buurt gemakkelijk gevonden,
wat aan de uitrusting ontbrak. Hij had een geladen geweer en een
volle patroontasch. Hij begaf zich naar den kant des Halles.
VIERDE HOOFDSTUK.
OVERDREVEN IJVER VAN GAVROCHE.
Inmiddels had Gavroche een avontuur gehad.
Nadat hij de straatlantaarn in de rue du Chaume zooveel hij kon
verbrijzeld had, kwam hij in de rue des Vieilles-Haudriettes, en er
geen "kat of muis" ziende, vond hij de gelegenheid gunstig om het
geheele liedje dat hij kende, te zingen.
Zijn gang, in plaats van zich door 't gezang te vertragen, werd er
eer te sneller door. En nu strooide hij als 't ware langs de slapende
of verschrikte huizen deze vurige verzen uit:
L'oiseau médit dans les charmilles,
Et prétend qu'hier Atala
Avec un russe s'en alla.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Mon ami pierrot, tu babilles,
Parce que l'autre jour Mila
Cogna sa vitre, et m'appela.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Les drôlesses sont fort gentilles;
Leur poison qui m'ensorcela
Griserait monsieur Orfila.
Où vont les belles filles,
Lon la.
J'aime l'amour et ses bisbilles,
J'aime Agnès, j'aime Paméla,
Lise en m'allumant se brûla.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Jadis, quand je vis les mantilles
De Suzette et de Zéila,
Mon âme à leurs plis se mêla.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Amour, quand, dans l'ombre où tu brilles,
Tu coiffes de roses Lola,
Je me damnerais pour cela.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Jeanne, à ton miroir tu t'habilles!
Mon coeur un beau jour s'envola;
Je crois que c'est Jeanne qui l'a.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Le soir, en sortant des quadrilles,
Je montre aux étoiles Stella
Et je leur dis: regardez-la.
Où vont les belles filles,
Lon la. [14].
Aan het gezang paarde Gavroche een levendig gebarenspel. Het gebaar
is de versterking der woorden. Zijn gezicht, een onuitputtelijke
verzameling van maskers, maakte grilliger en phantastischer grimassen
dan een lap linnen met gaten die in den wind fladdert. Wijl 't
ongelukkig donker en hij alleen was, werd dit noch gezien noch was
het zichtbaar. Er gaan veel schatten verloren.
Eensklaps bleef hij staan.
"Laat ons de romance afbreken," zeide hij.
Zijn kattenoog had onder een koetspoort iets gezien, dat men in de
schilderkunst een geheel noemt, dat wil zeggen, een wezen en een
voorwerp; het voorwerp was een handkar, het wezen een Auvergner,
die er op sliep.
De boomen der kar rustten op de straat, het hoofd van den Auvergner
lag op den hellenden bodem der kar, en zijn voeten raakten de
straatsteenen.
Gavroche herkende dadelijk, met zijn ondervinding van de wereldsche
dingen, een dronkaard.
't Was een of ander kruier van den hoek, die te veel gedronken had
en te lang sliep.
"Daartoe dienen nu de zomernachten," dacht Gavroche. "De Auvergner
slaapt op zijn kar. Men neemt de kar voor de republiek, en laat den
Auvergner aan de monarchie."
Zijn geest werd door deze heldere ingeving verlicht:
"Deze kar zou zeer goed voor onze barricade gebezigd kunnen worden."
De Auvergner snorkte.
Zacht trok Gavroche de kar achteruit en den Auvergner vooruit, namelijk
bij de voeten en na een minuut lag de onverstoorbare Auvergner plat
op de straat.
De kar was nu ledig.
Gavroche, die gewoon was op alle wijzen aan het onverwachte het hoofd
te bieden, had steeds allerlei dingen bij zich. Hij grabbelde in een
zijner zakken en haalde er een stukje papier en een eindje rood potlood
uit, dat hij van dezen of genen timmerman had gekaapt. Hij schreef:
"Fransche Republiek."
"Uw kar in ontvangst genomen."
Hij onderteekende: "Gavroche."
Toen dit verricht was, schoof hij het papiertje in den zak van het
manchestersche vest van den steeds ronkenden Auvergner, pakte de
boomen met beide handen en joeg in vollen galop met triompheerend
geraas de kar naar den kant des Halles.
't Was gevaarlijk. Bij de koninklijke drukkerij stond een
wachtpost. Gavroche dacht er niet aan. De post was bezet door nationale
garden der voorstad. De wacht werd opmerkzaam, en de hoofden richtten
zich op. Twee achter elkander verbrijzelde straatlantaarns, het
luidkeels gezongen lied, dit was te veel voor de beschroomde bewoners
dezer straten, die slapen willen voor dat de zon ondergaat, en die
zoo vroeg den domper op hun kaars zetten. Sedert een uur maakte de
straatjongen in deze vreedzame wijk het geraas van een vlieg in een
flesch. De sergeant der voorstad luisterde, en wachtte. Hij was een
voorzichtig man.
Het geraas van het verward gerol der kar deed de maat van lijdzame
afwachting overloopen en de sergeant besluiten een verkenning te
beproeven.
"'t Is een geheele bende," zeide hij; "laat ons voorzichtig te
werk gaan."
't Was duidelijk, dat de hydra der regeeringloosheid uit haar hol
was gekomen en in de wijk woedde.
De sergeant waagde zich met zachten tred buiten den wachtpost.
Eensklaps bevond zich Gavroche, juist toen hij met zijn kar den hoek
der straat Vieilles-Haudriettes om kwam hollen, tegenover een uniform,
een schako, een pluim en een geweer.
Ten tweeden male bleef hij stilstaan.
"Ha!" zeide hij, "is het dat?--Goedendag, openbare orde."
Gavroches verbazing was gewoonlijk van korten duur en verdween spoedig.
"Waar wilt ge heen, deugniet?" vroeg de sergeant.
"Burger," zei Gavroche, "ik heb u niet gescholden, waarom beleedigt
ge mij?"
"Waar gaat ge heen, snaak?"
"Mijnheer, ge waart misschien gisteren een verstandig man, maar heden
schijnt ge het verstand afgelegd te hebben."
"Ik vraag u, waar ge heen gaat, schobbejak?"
Gavroche antwoordde:
"Ge spreekt zeer lief. Waarachtig, men zou 't van uw ouderdom niet
verwachten. Gij moest ieder haartje van uw hoofd voor honderd francs
verkoopen, dat zou u vijfhonderd francs opbrengen."
"Waar gaat ge heen? waar gaat ge heen? bandiet?"
Gavroche hernam:
"Dat zijn leelijke woorden. Zoodra men u weder laat zingen, moet men
u beter den mond afvegen."
De sergeant velde de bajonnet.
"Wilt ge mij eindelijk zeggen, waar ge heen gaat, ellendeling?"
"Generaal," zei Gavroche, "ik ga den dokter halen voor mijn vrouw
die bevallen moet."
"In 't geweer!" schreeuwde de sergeant.
Zich door datgene te redden, wat ons in de val heeft gebracht, is
het meesterstuk van schrandere mannen; Gavroche mat met een blik den
geheelen toestand. 't Was de kar, die hem in gevaar had gebracht,
de kar moest hem nu helpen.
Juist toen de sergeant op Gavroche aanstormde, rolde de kar, nu een
werptuig geworden en met alle kracht voortgejaagd, met geweld tegen
den buik van den sergeant, die achterover in de goot viel, terwijl
zijn geweer in de lucht afging.
Op het geroep van den sergeant stormden de manschappen uit de wacht;
het geloste schot gaf aanleiding tot een algemeene losbranding op
goed geluk af, waarna men weder de geweren laadde en opnieuw begon.
Dit schieten in den blinde duurde een goed kwartier en doodde eenige
vensterruiten.
Intusschen hield Gavroche, die in allerijl weggeloopen was, vijf of
zes straten verder stil en zette zich buiten adem op den straatpaal
aan den hoek der straat des Enfants-rouges.
Hij luisterde.
Na eenige oogenblikken in den adem schietens, wendde hij zich naar
den kant waar nog als razend geschoten werd, bracht zijn linkerhand
ter hoogte van zijn neus, en stak ze driemalen vooruit, terwijl hij
met de rechterhand tegen zijn achterhoofd sloeg, een krachtig gebaar,
waarin de Parijsche straatjongen de geheele Fransche ironie vereenigt,
en dat stellig van goede uitwerking is, wijl het reeds een halve eeuw
bestaan heeft.
Maar deze aardigheid werd door een bittere gedachte gestoord. "Ja,"
zeide hij, "ik heb hier wel ongemakkelijk schik, maar ik raak van mijn
weg en zal een geduchten omweg moeten maken. Als ik nu maar bijtijds
aan de barricade ben."
Toen trok hij verder en onder 't loopen zeide hij: "Wacht! hoe ver
was ik ook met het liedje gekomen?"
Hij begon weder zijn lied te zingen, terwijl hij snel door de straten
liep, en zong in de duisternis:
Mais il reste encore des bastilles,
Et je vais mettre le holà
Dans l'ordre public que voilà.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Quelqu'un veut-il jouer aux quilles?
Tout le vieux monde s'écroula.
Quand la grosse boule roula.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Vieux bon peuple, à coups de béquilles,
Cassons ce Louvre où s'étala
La monarchie en falbala.
Où vont les belles filles,
Lon la.
Nous en avons forcé les grilles,
Le roi Charles Dix, ce jour-là
Tenait mal et se décolla.
Où vont les belles filles,
Lon la. [15]
Het in 't geweer komen van den wachtpost was niet zonder gevolg. De
kar werd veroverd, de dronkaard gevangengenomen. De eene werd in een
bergplaats gebracht, de andere later als medeplichtige aan den opstand
een weinig door den krijgsraad vervolgd. Het openbaar ministerie van
dien tijd gaf bij deze gelegenheid een bewijs van zijn onvermoeibaren
ijver ter verdediging der maatschappij.
Het avontuur van Gavroche, dat als overlevering in de wijk van den
Tempel bewaard is gebleven, is een der vreeselijkste herinneringen van
de oude burgers van het Marais, en draagt in hun geheugen den titel
van: "Nachtelijke aanval tegen den post der koninklijke drukkerij."
EINDE VAN HET VIERDE DEEL.
INHOUD.
Boek I.
Eenige bladzijden geschiedenis.
Bladz.
I. Goed gesneden 7
II. Slecht genaaid 12
III. Lodewijk Filips 15
IV. Scheuren in de fundamenten 22
V. Feiten, waaruit de geschiedenis voortkomt, maar welke de
geschiedenis niet kent 29
VI. Enjolras en zijn luitenants 38
Boek II.
Eponine.
I. Het veld van de Leeuwerik 45
II. Het ontstaan van de kiemen der misdaden in de
gevangenissen 50
III. Vader Mabeuf heeft een verschijning 54
IV. Marius heeft een verschijning 58
Boek III.
Het huis in de straat Plumet.
I. Het verborgen huis 65
II. Jean Valjean nationale garde 69
III. Bladeren en bloesems 71
IV. Verandering van het hek 74
V. De roos bespeurt dat zij een wapen is 79
VI. De veldslag begint 83
VII. Tegen treurigheid nog grooter treurigheid 86
VIII. De galeiketen 90
Boek IV.
Hulp van beneden kan soms hulp van boven zijn.
I. Uitwendige verwonding, inwendige genezing 101
II. 't Is voor moeder Plutarchus niet moeielijk een
verschijnsel te verklaren 103
Boek V.
Welks einde het begin niet gelijkt.
I. De eenzaamheid en de kazerne 113
II. Vrees van Cosette 115
III. Opmerkingen van vrouw Toussaint 118
IV. Een hart onder een steen 120
V. Cosette na den brief 125
VI. De ouden zijn bestemd om ten geschikten tijde uit te gaan 127
Boek VI.
De kleine Gavroche.
I. Ondeugende streek van den wind 133
II. Hoe de kleine Gavroche zich Napoleon den Groote ten
nutte maakt 136
III. De ontvluchting 155
Boek VII.
De dieventaal.
III. De weenende en de lachende dieventaal 170
IV. De twee plichten: waken en hopen 173
Boek VIII.
Verrukking en droefheid.
I. Helderheid 181
II. De bedwelming van het volmaakte geluk 186
III. Begin der schaduw 188
IV. De hond 191
V. Des nachts 198
VI. Marius keert in zooverre tot de werkelijkheid terug,
dat hij aan Cosette zijn adres geeft 198
VII. Het jonge en het oude hart tegenover elkander 204
Boek IX.
Waarheen gaan zij?
I. Jean Valjean 219
II. Marius 220
III. De heer Mabeuf 223
Boek X.
De vijfde Juni 1832.
I. Het oppervlakkige der quaestie 229
II. De grond der quaestie 232
III. Een begrafenis: kans tot wedergeboorte 236
IV. De gistingen van eertijds 241
V. Eigenaardigheid van Parijs 245
Boek XI.
Het stofdeeltje verbroedert zich met den orkaan.
I. Eenige ophelderingen nopens den oorsprong van Gavroches
poëzie.--Invloed van een lid der academie op deze poëzie 251
II. Gavroche op marsch 253
III. Billijke verontwaardiging van een kapper en een barbier 256
IV. De knaap verwondert zich over den grijsaard 258
V. De grijsaard 259
VI. Recruten 261
Boek XII.
Corinthe.
I. Geschiedenis van Corinthe sinds zijn stichting 265
II. Voorloopige vroolijkheid 269
III. De nacht daalt op Grantaire 277
IV. Pogingen van troost op de weduwe Hucheloup 280
V. De toebereidselen 283
VI. In afwachting 285
VII. De man, dien men in de Billettes-straat had ontmoet 288
VIII. Verscheidene vraagteekens betreffende een zekeren
le Cabuc, die misschien niet le Cabuc heette 292
Boek XIII.
Marius treedt in de schaduw.
I. Van de straat Plumet naar de wijk St. Denis 299
II. Parijs uit de uilenvlucht gezien 301
III. De uiterste rand 304
Boek XIV.
De grootheid der wanhoop.
I. De vlag: eerste bedrijf 313
II. De vlag: tweede bedrijf 316
III. Gavroche had beter gedaan de karabijn van Enjolras
te nemen 318
IV. Het vaatje buskruit 319
V. Einde van Jean Prouvaires gedicht 322
VI. Het zieltogen des doods na het zieltogen des levens 323
VII. Gavroche, een diepzinnig berekenaar der afstanden 328
Boek XV.
De Rue de l'Homme Armé.
I. Drinker, babbelaar 335
II. De straatjongen een vijand van lichten 343
III. Terwijl Cosette en vrouw Toussaint slapen 346
IV. Overdreven ijver van Gavroche 348
AANTEEKENINGEN
[1] Monte à Regret (met tegenzin beklommen) het schavot.
[2] Beroemd woord in les Horaces.
[3] Een laag mastik op een vensterruit gelegd, houdt de stukken glas
tegen en verhindert het gerucht.
[4] Des nachts kan men niets zien.--Des daags ziet men zeer goed.--De
burger is vol angst voor apocrief geschrift. Houdt u altijd goed,
al is 't ook dat ge pijn in 't lijf krijgt!
[5] Uitgezonderd den laatsten regel: "Ik heb slechts een God, een
koning, een oortje en een laars," is er eigenlijk in het geheele
liedje volstrekt geen zin.
[6] Daar schommelt het afgrijselijk rif
Eens minnaars die er zich verhing.
[7] Carpe horas beteekent: maak u den tijd ten nutte.
[8] In de verte verbaast zij, dichtbij verschrikt zij. Op haar neus
zit een stoutmoedige wrat. Men beeft ieder oogenblik, dat zij hem
zal afsnuiten en haar neus op een mooien dag in haar mond zal vallen.
[9] Onthaal u zoo ge kunt en eet zoo gij het waagt.
[10] Herinnert ge u ons bekoorlijk leven, toen wij, beiden nog jong,
niets anders begeerden dan fraai gekleed te zijn en te beminnen. Toen
wij geen veertig jaren telden wanneer wij ons beider leeftijd
samenvoegden; terwijl in onze kleine, stille huishouding alles,
zelfs de winter, lente voor ons was.
Schoone dagen! Manuel was fier en wijs; Parijs vierde heilige
feestmalen, Foy schoot bliksems, en aan uw keurs was een speld,
waaraan ik mij prikte.
Allen aanschouwden u. Ik was een advocaat zonder zaken, toen ik u naar
het Prado ten eten voerde. Gij waart zoo schoon, dat het mij scheen,
alsof de rozen zich omkeerden om u te zien.
Ik hoorde ze zeggen: hoe schoon is zij! Welk een liefelijke geur! Welk
golvend haar! Zij verbergt onder haar mantilje een vleugel; haar
bekoorlijk mutsje is nauwelijks ontsloten.
Ik doolde met u, en drukte uw malschen arm. De wandelaars geloofden,
dat de verrukte liefde in ons gelukkig paar de zachte maand April
met de schoone Meimaand had gehuwd.
Wij leefden verscholen, tevreden, met gesloten deur en smaakten de
liefde, de heerlijke verbodene vrucht. Mijn mond zeide niets of uw
hart had het reeds beantwoord.
De Sorbonne was het landelijke oord, waar ik u van 's morgens tot 's
avonds aanbad. Alzoo past een minnend hart de kaart van het teedere
op de latijnsche wijk toe.
O plein Maubert! O plein Dauphine! Wanneer ge in het frissche
lentekamertje de kous aan uw fijn been deedt, zag ik een ster op
den bodem.
Ik heb Plato gelezen, maar niets er van onthouden. Gij beweest
mij beter dan Malebranche en Lamennais de goedheid des hemels
door een bloem, welke gij mij gaaft. Ik gehoorzaamde u, ge waart
mij onderworpen. O lief vlieringkamertje! Uw corset te rijgen, u
's morgens vroeg in uw hemd te zien heen en wedergaan, uw jeugdig
hoofd in uw ouden spiegel weerkaatsend!
Wie zou dien tijd van morgenrood, linten, bloemen, gaas en moiré
kunnen vergeten, toen de liefde haar bekoorlijke, geheimzinnige
taal fluisterde!
Onze tuin was een tulpenpot; uw onderrok diende tot gordijn voor het
venster, ik nam de aarden kom en gaf u den japanschen kop.
En de groote rampen, waarom wij lachten! Uw mouw brandde, ge verloort
uw boa! En wij verkochten het fraai portret van Shakespeare, om er
's avonds voor te kunnen eten. Ik was een bedelaar en gij waart
milddadig. In de vlucht kuste ik uw schoone, ronde armen. Dante
in-folio diende ons tot tafel, om er kastanjes aan te eten.
Toen ik in mijn vroolijk verblijf voor het eerst uw gloeiende lippen
kuste en gij met verward haar en blozend heengingt, bleef ik verbleekt
staan, en geloofde aan God.
Herinnert ge u ons onmetelijk geluk en al uw gehavende halsdoekjes. O,
hoeveel zuchten zijn uit onze volle harten ten hemel gestegen.
[11] Mijn neus druipt; mijn vriend Bugeaud, leen mij uw gendarmes,
ik heb hun iets te zeggen: In blauwe kapotjas, met de kip op de shako,
ziedaar de voorstad! Kukeleku!
[12] Zoodra de gendarm Lafayette ziet, roept hij: Vluchten wij,
vluchten wij!
[13] Buvard, Bavard, in 't oorspronkelijke; het eerste beteekent
een schrijfportefeuille met vloeipapier dat dient om het geschrevene
te drogen.
[14] De vogel lastert in den boom en beweert dat Atala gisteren met
een Rus is voortgegaan.--Waarheen gaan de schoone meisjes, la la!
Mijn vriend Pierrot, gij babbelt, omdat Mila laatst aan haar venster
klopte en mij riep.--Waarheen enz.
Die meisjes zijn zeer bekoorlijk. Haar vergift, waarmede zij mij
betooverden, zou zelfs mijnheer Orfila dronken maken. Waarheen enz.
Ik houd van de liefde en haar gekweel, ik bemin Agnes, ik bemin Pamela,
Lize brandde zich zelve door mij in vlam te zetten.--Waarheen enz.
Eertijds toen ik de mantilles van Suzette en Zeila zag, verschool
zich mijn hart in haar plooien.--Waarheen enz.
Liefde, wanneer gij, in de schaduw schitterend, Lola met rozen
omkranst, zou ik er mijn ziel voor willen geven.--Waarheen enz.
Jeanne, ge kleedt u voor uw spiegel! Mijn ziel ontvlood op zekeren dag;
ik geloof dat Jeanne ze heeft.--Waarheen enz.
Des avonds wanneer ik van het bal kom, wijs ik Stella aan de sterren
en zeg: aanschouwt haar.--Waarheen enz.
[15] Er zijn nog altijd bastilles, maar ik zal de openbare orde
terecht brengen.--Waarheen enz.
Wil iemand kegelen gaan? De oude wereld stortte in toen de groote
kogel rolde.--Waarheen enz.
Oud, goed volk, laat ons met krukken het Louvre inslaan, waar de
monarchie in falbala prijkt.--Waarheen enz.
Wij hebben de hekken opengebroken, dien dag hield koning Karel X zich
slecht en ging heen.--Waarheen enz.