Hij dacht aan den degen zijns vaders, dien zijn grootvader aan een

uitdrager verkocht en dien Marius zoo smartelijk betreurd had. Hij

zeide tot zich, dat deze dappere, onbezoedelde degen wel had gedaan

hem te ontkomen en vertoornd in de duisternis te verzinken; dat

die degen verstandig was geweest door aldus te ontvluchten, en de

toekomst voorzien had; dat hij een voorgevoel had gehad van het

oproer, den oorlog der goten, der straatsteenen, het schieten door

keldergaten, de aanvallen van achter; dat, van Marengo en Friedland

gekomen, hij niet naar de straat de la Chanvrerie wilde gaan; dat, na

't geen hij met den vader had gedaan, hij dezen oorlog met den zoon

niet wilde doen. Hij zeide tot zich, dat, zoo deze degen hier was,

zoo hij hem aan de sponde zijns stervenden vaders ontvangen had en

hij hem voor dit nachtelijk gevecht tegen Franschen in een blinde

steeg had durven vatten, hij hem zekerlijk de handen branden en als

het zwaard des engels voor hem vlammen zou. Hij zeide tot zich, dat

hij zich gelukkig mocht achten, dat hij dien degen niet had, dat dit

goed, billijk was; dat zijn grootvader de werkelijke bewaarder van den

roem zijns vaders was geweest, en het beter was, dat de degen van den

kolonel in 't openbaar geveild, aan een uitdrager verkocht, onder het

oud roest geworpen was, dan dat hij heden het vaderland deed bloeden.

Toen weende hij bitterlijk.

't Was afschuwelijk. Maar wat zou hij doen? Zonder Cosette leven kon

hij niet. Wijl zij vertrokken was, moest hij immers sterven! Had hij

haar zijn woord van eer niet gegeven, dat hij sterven zou? Zij was

vertrokken, terwijl zij dit wist; zij vond het dus goed, dat Marius

stierf. 't Was overigens duidelijk, dat zij hem niet meer beminde,

wijl zij vertrokken was zonder hem te berichten, zonder een woord,

zonder een brief, hoewel zij zijn verblijf wist! Waarom en waarvoor zou

hij thans nog leven? En daarbij, kon hij terugkeeren, na hier gekomen

te zijn? Nu het gevaar genaderd was, zou hij het nu ontvluchten? na de

barricade te hebben gezien, zich uit de voeten maken, bevend wegloopen

en zeggen: "Waarlijk, ik heb er genoeg van; ik heb gezien en dat is

genoeg; 't is de burgeroorlog, ik ga heen." Hij zou zijn vrienden

verlaten, die hem wachtten; die hem misschien noodig hadden; die een

handvol tegen een leger waren. Hij zou tegelijkertijd een verrader

aan de liefde en aan de vriendschap zijn! Zijn lafhartigheid onder

het voorwendsel van vaderlandsliefde verbergen! Dat was onmogelijk,

en zoo de schim van zijn vader daar in die duisternis was en hem

zag terugdeinzen, zou hij hem met het plat zijns degens slaan en hem

toeroepen: "Voorwaarts, lafaard!"

Ter prooi aan den stroom zijner gedachten boog hij het hoofd.

Eensklaps richtte hij het op. In zijn geest was een schitterende

helderheid ontstaan. 't Is aan de nabijheid van het graf eigen, dat

zij de gedachten verruimt. Bij de nadering van het graf ziet men

helderder. De handeling, waartoe hij misschien gereed was over te

gaan, verscheen hem niet meer erbarmelijk, maar grootsch. Plotseling,

door eene geheime werking der ziel, herschiep zich de straatoorlog

voor het oog van zijn geest. Al de levendige vraagteekens zijner

mijmering kwamen in menigte terug, doch zonder hem in verwarring te

brengen. Hij liet er geen enkele onbeantwoord.

Laat ons bedenken, waarom zou zijn vader zich vertoornen? Zijn

er geen gevallen, dat de opstand zich tot de waardigheid van den

plicht verheft? Welke vernedering was er voor den zoon van kolonel

Pontmercy in het gevecht dat beginnen zou? 't Is niet meer Montmirail

of Champaubert; 't is iets anders. 't Geldt niet een gewijd gebied,

maar een heilige idée. Het vaderland treurt; 't zij zoo; maar de

menschheid juicht. Is het overigens wel waar, dat het vaderland

treurt? Frankrijk bloeit, maar de vrijheid glimlacht; en tegenover

den glimlach der vrijheid vergeet Frankrijk zijn wonde. En zoo men

de zaak uit een hooger gezichtspunt beschouwt, wat is er dan van een

burgeroorlog te zeggen?

Burgeroorlog? Wat bedoelt men? Is er een buitenlandsche oorlog? Is

niet elke oorlog tusschen menschen een oorlog tusschen broeders? 't

Is alleen het doel, dat den oorlog een naam geeft. Er is geen

buitenlandsche of burger-oorlog; er is alleen een onrechtvaardige

en rechtvaardige oorlog. Tot den dag wanneer het groote menschelijke

verdrag zal zijn gesloten, kan de oorlog noodzakelijk zijn, althans

die, welke ontstaat door de zich haastende toekomst tegen het

terugwijkende verleden. Wat heeft men dien oorlog te verwijten? De

oorlog wordt dan eerst schande, de degen dan eerst dolk, wanneer

hij het recht, den vooruitgang, de rede, de beschaving, de waarheid

vermoordt. Dan is hij, 't zij buitenlandsche of burger-oorlog,

onrechtvaardig en heet misdaad. Met welk recht zou, behalve om deze

heilige zaak, de rechtvaardigheid, de eene vorm van den oorlog den

anderen verachten? met welk recht zou de degen van Washington de

piek van Camille Desmoulins verachten? Wie is de grootste, Leonidas

tegen den vreemde, of Timoleon tegen den dwingeland? De een is

de verdediger, de ander de bevrijder. Zal men, zonder naar het

doel te vragen, iederen binnenlandschen strijd veroordeelen? Men

veroordeele dan Brutus, Marcellus, Arnold van Blankenheim,

Coligny. Guerilla-oorlog? straatoorlog? Waarom niet? 't Was de oorlog

van Ambiorix, van Artevelde, van Marnix, van Pelagius. Maar Ambiorix

streed tegen Rome, Artevelde tegen Frankrijk, Marnix tegen Spanje,

Pelagius tegen de Mooren; allen tegen den vreemdeling. Welnu, de

monarchie is vreemdeling, de verdrukking is vreemdeling; de "gratie

Gods" is vreemdeling. Het despotisme overweldigt de zedelijke grenzen,

gelijk de vijandelijke inval de geographische grenzen overweldigt. Den

dwingeland of den Engelschman wegjagen, is, in beide gevallen, zijn

grond hernemen. Er komt een uur, waarin protesteeren niet meer baat;

na de rede, moeten daden volgen; de levende kracht voltooit wat de

idée ontworpen heeft; de geketende Prometheus begint, Aristogiton

voltooit; de encyclopedie verlicht de geesten, de 10 Augustus

electriseert ze. Na Eschylus, Thrasybules; na Diderot, Danton. De

massa's nemen gaarne een meester aan, haar eigen wicht drukt haar. De

menigte vereenigt zich lichtelijk tot een gehoorzaam geheel. Men moet

de menschen aansporen, aandrijven, ruw voortstuwen, door de weldaad

zelve hunner bevrijding, hun oogen door de waarheid zeer doen, hun

het licht met geduchte handen toewerpen. Zij moeten tot hun eigen

belang eenigszins door een bliksemstraal opgewekt worden, de schok

maakt hen wakker. Vandaar de noodzakelijkheid der stormklokken en der

oorlogen. De groote strijders moeten opstaan, de natiën door moedige

daden verlichten en deze jammerende menschheid wakkerschudden, welke de

"gratie Gods", het geweld, het fanatisme, het onverantwoordelijk gezag

en de absolute majesteit met schaduw bedekken; een domme troep, die

in zijn halve blindheid den flauwen glans dezer donkere overwinningen

van den nacht bewondert. Weg met den dwingeland! Maar hoe? Van wien

spreekt ge? Noemt ge Lodewijk Filips een dwingeland? Neen; evenmin

als Lodewijk XVI. Zij zijn beiden, wat de geschiedenis gewoonlijk

goede koningen noemt. Maar de beginselen laten zich niet kneeden, de

logica van het ware is rechtlijnig, het eigenaardige der waarheid is,

dat haar toegevendheid ontbreekt; dus geen concessiën; alle overmacht

op den mensch moet tegengegaan worden; in Lodewijk XVI heerscht de

"gratie Gods"; in Lodewijk Filips iets er van, wijl hij "Bourbon" is,

beiden vertegenwoordigen in zekere mate de verbeurdverklaring van het

recht, en ten einde de algemeene overheersching tegen te gaan, moeten

zij bestreden worden; het moet, Frankrijk is altijd de eerste die

begint. Wanneer in Frankrijk de meester valt, valt hij overal. Kortom,

welke zaak is rechtvaardiger en bijgevolg welke oorlog grootscher

dan de maatschappelijke waarheid te herstellen, haar troon aan de

vrijheid, het volk aan het volk, de souvereiniteit aan den mensch

weder te geven, op Frankrijks hoofd het purper terug te brengen,

de rede en de gerechtigheid in haar volle recht te herstellen, alle

kiemen van vijandschap te verstikken, door ieder het zijne te geven,

den hinderpaal weg te nemen, welke het koningschap de algemeene

eendracht in den weg stelt, het recht voor het menschelijk geslacht

gelijk te maken? Zulke oorlogen stichten den vrede. Een ontzaggelijke

vesting van vooroordeelden, voorrechten, bijgeloovigheden, logens,

knevelarijen, misbruiken, gewelddadigheden, ongerechtigheden en

duisternis staat nog in de wereld, met haar torens van haat. Zij

moet vernietigd worden. Dit monsterachtig gewrocht moet ingenomen

en gesloopt worden. De overwinning van Austerlitz is roemrijk, de

inneming der Bastille is verheven.

Wie heeft niet bij zich zelven opgemerkt, dat de ziel--en dit

is het wonderbare harer eenheid met veelzijdigheid verbonden--de

zonderlinge eigenschap bezit in de uiterste omstandigheden schier

koel te redeneeren; en vaak gebeurt het, dat droevige hartstocht en

diepe wanhoop, zelfs in hun somberste vlagen, over vreemde onderwerpen

peinzen en bijzondere vraagstukken overwegen. De logica mengt zich met

de stuiptrekking, en de draad der redeneering zweeft zonder te breken

in den woesten storm der gedachten. Zoodanig was de gemoedsgesteldheid

van Marius.

Terwijl hij ternedergedrukt, maar vastberaden, en evenwel aarzelend,

bevend voor hetgeen hij doen wilde, zich aan deze gedachten overgaf,

dwaalde zijn blik in de barricade. De opstandelingen spraken er

halfluid, zonder zich te bewegen, en men gevoelde er die zekere

stilte, welke den laatsten vorm der verwachting kenmerkt. Boven

hen onderscheidde Marius, aan het venster eener derde verdieping,

een toeschouwer of getuige, die hem bijzonder oplettend voorkwam. 't

Was de door Le Cabuc doodgeschoten portier. Onduidelijk zag men van

beneden dit hoofd, door het licht der tusschen de steenen staande

toorts. Niets vreemder, bij dit sombere, flikkerende licht, dan dit

bleek, bewegingloos, verbaasd gelaat, met opstaand haar, open, strakke

oogen en gapenden mond, dat zich in eene nieuwsgierige houding naar de

straat boog. 't Scheen, alsof degeen die dood was, hen aanschouwde,

die sterven zouden. Een lange bloedstreep, die uit het hoofd was

gekomen, liep uit het venster tot aan de hoogte der eerste verdieping,

waar zij ophield.

BOEK XIV.

DE GROOTHEID DER WANHOOP.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VLAG: EERSTE BEDRIJF.

Er kwam nog niets. Op Saint-Merry had het tien uren geslagen. Enjolras

en Combeferre hadden zich met de karabijn in de hand bij den ingang

der groote barricade geplaatst. Zij spraken niet met elkander, maar

luisterden en poogden het flauwste en verste gerucht van voetstappen

te hooren.

Eensklaps verhief zich te midden van deze akelige stilte een heldere,

jonge, vroolijke stem, die uit de straat St. Denis scheen te komen,

en zong op de wijs van het oud volkslied: Au clair de la lune, het

volgende gerijmsel, dat met een soort hanengekraai eindigde:

Mon nez est en larmes,

Mon ami Bugeaud,

Prêt' moi tes gendarmes

Pour leur dire un mot.

En capote bleue,

La poule au shako,

Voici la banlieue!

Co-cocorico! [11]

Zij drukten elkander de hand.

"'t Is Gavroche," zei Enjolras.

"Hij waarschuwt ons," zei Combeferre.

Een snelle loop stoorde de stilte op de eenzame straat; men zag

een wezen, nog vlugger dan een clown over den omnibus klauteren,

en Gavroche sprong buiten adem in de barricade, zeggende:

"Mijn geweer! Zij komen!"

Een electrieke rilling doorliep de gansche barricade, en men hoorde

de beweging der handen die naar de geweren grepen.

"Wilt ge mijn karabijn?" vroeg Enjolras aan den straatjongen.

"Ik wil het groote geweer," antwoordde Gavroche.

En hij nam het geweer van Javert.

Twee schildwachten waren teruggetrokken en bijna tegelijkertijd

met Gavroche in de barricade gekomen. 't Waren de schildwachten

van het einde der straat en der kleine Truanderie. De schildwacht

in de Predikerstraat was op zijn post gebleven, 't geen aanduidde,

dat niets van de zijde der bruggen en der Hallen kwam.

De straat Chanvrerie, waarvan nauwelijks eenige straatsteenen bij

het schijnsel van het licht, dat de vlag bescheen, zichtbaar waren,

vertoonde aan de opstandelingen het gezicht van een lang, open,

in rook staand poortgewelf.

Ieder had zijn post voor den strijd ingenomen.

Drie-en-veertig opstandelingen, waarbij Enjolras, Combeferre,

Courfeyrac, Bossuet, Joly, Bahorel en Gavroche, lagen geknield in

de groote barricade, zoodat hun hoofden, met de kruin er van gelijk

waren, terwijl zij hun geweren, als in schietgaten, op de steenen

lieten rusten, en aldus oplettend, zwijgend wachtten, gereed om te

vuren. Zes hadden zich, onder het commando van Feuilly, met aangelegd

geweer voor de vensters der twee verdiepingen van Corinthe geplaatst.

Zoo verstreken nog eenige oogenblikken; toen werd duidelijk in de

richting van Saint-Leu het gerucht van afgemeten, zware, talrijke

voetstappen gehoord. Dit aanvankelijk flauw, toen duidelijk, vervolgens

luid en dreunend gerucht naderde langzaam, onafgebroken, rustig en

vreeselijk. Men hoorde niets anders. 't Was de stilte en het gerucht

tevens van het standbeeld des commandeurs in Don Juan; maar die

steenentred had iets onbeschrijfelijks, ontzettends en verscheidens,

dat terzelfder tijd het denkbeeld van een menigte en het denkbeeld

van een spookbeeld deed ontstaan. Men meende het schrikbarende beeld

"Legioen" te hooren gaan. Deze tred naderde; het naderde dichter, en

bleef staan. Het was alsof men aan het einde der straat den adem van

vele menschen hoorde. Men zag evenwel niets, maar merkte, geheel op

den achtergrond, in de dikke duisternis, een aantal metalen draden,

fijn als naalden en schier onzichtbaar, zich bewegen, gelijkende aan

die onbeschrijfelijke stralen, welke men vóór het insluimeren onder

de gesloten oogleden in de eerste nevelen van den slaap ziet. 't

Waren de bajonnetten en geweerloopen, flauw verlicht door den verren

weerschijn der toorts.

Wederom ontstond een pauze, als wachtte men van weerszijden. Eensklaps

riep uit deze duisternis een stem, die te akeliger klonk, wijl men

niemand zag, en 't dus was, alsof de duisternis zelve sprak:

"Werda?"

Terzelfdertijd hoorde men het gekletter der geweren, die werden

aangelegd.

Enjolras antwoordde met luide en fiere stem:

"Fransche revolutie!"

"Vuur!" zei de stem.

Een weerlicht kleurde al de gevels der straat rood, als ware een oven

plotseling geopend en weder gesloten.

Een schrikkelijk geknal klonk tegen de barricade. De roode vlag

viel. De kogelregen was zoo geweldig en dicht geweest, dat hij

den vlaggestok, dat is de punt van den boom van den omnibus, had

omgeworpen. Kogels, welke van de huizen waren teruggekaatst, sprongen

in de barricade en kwetsten verscheidene mannen.

De indruk van dit eerste geweervuur was verstijvend. De aanval was

ruw, en geschikt om de moedigsten te doen nadenken. 't Was duidelijk,

dat men ten minste met een geheel regiment te doen had.

"Makkers!" riep Courfeyrac, "laat ons geen kruit verliezen. Wachten

wij met vuren tot zij in het bereik zijn."

"Maar laat ons voor alles de vlag weder oprichten," zei Enjolras.

Hij raapte de vlag op, die juist voor zijn voeten was gevallen.

Men hoorde het klinken der laadstokken in de geweren buiten de

barricade; de soldaten laadden weder.

Enjolras hernam:

"Wie heeft hier moed? Wie wil de vlag weder op de barricade planten?"

Niemand antwoordde. Op de barricade te klimmen, op het oogenblik, dat

men er ongetwijfeld weder op aanlegde, dit was evengoed als in den

dood gaan. De moedigste aarzelt, zich er toe te veroordeelen. Zelfs

Enjolras sidderde. Hij hernam:

"Biedt niemand zich aan?"

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE VLAG: TWEEDE BEDRIJF.

Sedert men te Corinthe aangekomen en begonnen was de barricade op te

richten, had men weinig meer op den ouden Mabeuf gelet. De heer Mabeuf

had evenwel den troep niet verlaten. Hij was het benedenvertrek der

herberg binnengegaan en had zich naast de toonbank neergezet. Daar zat

hij, om zoo te spreken, als vernietigd. Hij scheen niet meer te zien,

noch te denken. Courfeyrac en anderen hadden hem twee of driemaal

aangesproken, hem voor het gevaar gewaarschuwd en vermaand zich te

verwijderen, zonder dat hij hen scheen te hooren. Wanneer men niet tot

hem sprak, bewogen zich zijn lippen alsof hij iemand antwoordde, maar

richtte men het woord tot hem, dan werden zijn lippen bewegingloos

en zijn oogen hadden niets levendigs meer. Eenige uren voor dat de

barricade werd aangevallen, had hij een houding aangenomen, welke

hij niet meer had verlaten; hij zat met beide handen op zijn knieën,

met voorover gebogen hoofd, als schouwde hij in een afgrond. Niets

had hem uit deze houding kunnen trekken; het scheen alsof zijn

geest elders dan in de barricade was. Toen ieder zijn post voor het

gevecht had ingenomen, was niemand in het benedenvertrek der herberg

gebleven, dan Javert, die aan den paal was gebonden, een opstandeling,

die met bloote sabel Javert bewaakte, en Mabeuf. Toen de aanval

plaats had en het geweervuur knalde, had de schok zijn lichaam als

't ware wakkergeschud. Haastig had hij zich opgericht, was het

vertrek binnengegaan en juist toen Enjolras zijn vraag herhaalde:

"Biedt niemand zich aan?" zag men den grijsaard op den drempel der

herberg verschijnen.

Zijn verschijning veroorzaakte in de groepen eene opschudding. Een

kreet ging op:

"'t Is de stemmer! 't is het conventielid! 't is de volksrepresentant!"

Waarschijnlijk hoorde hij niet.

Hij trad regelrecht naar Enjolras; de opstandelingen verwijderden zich

van hem met godsdienstige vrees; hij ontrukte de vlag aan Enjolras,

die als versteend achteruit trad, en toen, zonder dat iemand hem

durfde tegenhouden, of helpen, beklom deze tachtigjarige grijsaard,

met waggelend hoofd en vasten voet, langzaam de in de barricade van

straatsteenen gemaakte trap. 't Was zoo ontzettend en zoo grootsch,

dat allen om hem heen riepen: "Hoeden af!" Iedere trede, welke hij

opging, was vreeselijk; zijn grijs haar, zijn ingevallen gezicht,

zijn groot, kaal, gerimpeld hoofd, zijn holle oogen, zijn verbaasde,

open mond, zijn oude arm, die de roode banier ophief, traden uit

de schaduw en schenen grooter te worden in het bloedroode licht der

toorts; men waande het spooksel van 't jaar 93 uit de aarde te zien

verrijzen, met de vlag van het schrikbewind, in de hand. Toen hij

op de laatste trede was, toen deze bevende vreeselijke schim op dit

getimmerte van afbraak stond, tegenover twaalfhonderd onzichtbare

geweren, in 't aangezicht van den dood en als ware hij sterker dan

deze, had de geheele barricade in de duisternis een bovennatuurlijk

en colossaal voorkomen.

Er ontstond een stilte, zooals die alleen bij wonderwerken heerscht.

Te midden van deze stilte zwaaide de grijsaard de roode vlag en riep:

"Leve de revolutie! leve de republiek! broederschap! gelijkheid! en

de dood!"

Men hoorde buiten de barricade een zacht, vluchtig geprevel, als dat

eens priesters, die haastig een gebed spreekt. 't Was waarschijnlijk

de commissaris van politie, die aan 't andere einde der straat de

wettelijke sommatiën deed.

Toen riep dezelfde luide stem, die werda! geroepen had:

"Verwijdert u!"

Bleek, verwilderd, met oogen die door de akelige vlammen van den

waanzin verlicht werden, hief de heer Mabeuf de vlag boven zijn hoofd

en herhaalde:

"Leve de republiek!"

"Vuur!" riep de stem.

Een tweede salvo, een schrootvuur gelijkende, werd tegen de barricade

gelost.

De grijsaard zonk op de knieën, liet de vlag los en viel als een

plank achterover op de straat, zoo lang hij was, met uitgebreide armen.

Stroomen bloeds kwamen onder hem te voorschijn. Zijn grijs, bleek en

treurig hoofd scheen den hemel te aanschouwen.

Een dier verheven aandoeningen van den mensch, die hem zelfs doen

vergeten zich te verdedigen, beving de opstandelingen en zij naderden

het lijk met eerbiedige ontzetting.

"Wat mannen waren die koningsmoorders!" zei Enjolras.

Courfeyrac fluisterde Enjolras in 't oor:

"Ik zeg 't alleen aan u; ik wil de opgetogenheid niet verzwakken; maar

hij was niets minder dan een koningsmoorder. Ik heb hem gekend. Hij

heette vader Mabeuf. Ik weet niet, hoe 't heden met hem was. Hij was

altijd een eenvoudige sukkel. Bezie zijn hoofd eens."

"Het hoofd van een ouden sukkel en het hart van Brutus," antwoordde

Enjolras.

Met verheffing van stem vervolgde hij:

"Burgers! Dit is een voorbeeld, 't welk de ouden den jongeren

geven. Wij aarzelden, hij kwam! wij deinsden terug, hij trad

vooruit! Ziedaar wat zij, die van ouderdom beven, leeren aan hen die

van angst beven! Deze oude man stierf met roem voor het vaderland. Hij

heeft een lang leven en een verheven dood gehad. Beschermen wij thans

het lijk, en dat ieder onzer dien dooden grijsaard verdedige, zooals

hij zijn levenden vader zou verdedigen, en dat zijn tegenwoordigheid

in ons midden, de barricade onoverwinbaar make!"

Een dof, maar krachtig gemurmel van toestemming beantwoordde deze

toespraak.

Enjolras bukte, lichtte het hoofd van den grijsaard op en kuste zijn

voorhoofd, toen zijn armen uitbreidende en den doode met die teedere

bezorgdheid behandelende, als vreesde hij hem zeer te doen, trok hij

hem zijn rok uit, wees allen op de bloedende openingen en zeide:

"Dit is thans onze vlag!"

DERDE HOOFDSTUK.

GAVROCHE HAD BETER GEDAAN DE KARABIJN VAN ENJOLRAS TE NEMEN.

Men wierp op den heer Mabeuf een langen zwarten omslagdoek van de

weduwe Hucheloup. Zes mannen maakten van hun geweren een draagbaar,

waarop het lijk werd gelegd, en men droeg het met ontbloote hoofden,

plechtig, langzaam naar de groote tafel in het benedenvertrek.

Deze mannen, geheel vervuld met de ernstige en heilige zaak, welke

zij verrichtten, dachten niet meer aan den gevaarlijken toestand,

waarin zij zich bevonden.

Toen het lijk dicht voorbij den onbewegelijken Javert ging, zeide

Enjolras tot den spion:

"Gij, zoo aanstonds!"

Ondertusschen meende de kleine Gavroche, de eenige die zijn post

niet had verlaten en op verkenning gebleven was, mannen zachtkens de

barricade te zien naderen. Eensklaps riep hij:

"Weest op uw hoede!"

Courfeyrac, Enjolras, Jean Prouvaire, Combeferre, Joly, Bahorel,

Bossuet--allen verlieten haastig de herberg. Er was schier geen tijd

meer. Men zag een glinsterenden, dichten hoop bajonnetten boven

de barricade golven. Municipale garden van hooge gestalte drongen

voorwaarts, eenigen klommen over den omnibus, anderen gingen door de

opening, den straatjongen voor zich uitdrijvende, die achteruit ging,

maar niet vluchtte.

Het was een kritiek oogenblik. 't Was die eerste vreeselijke minuut

der overstrooming, wanneer de rivier tot aan den top des oevers stijgt

en door de scheuren van den dijk begint te kwellen. Nog een seconde

en de barricade was genomen geweest.

Bahorel wierp zich op den eersten municipalen garde, die binnentrad,

en doodde hem met een karabijnschot; een tweede garde doorstak

Bahorel met zijn bajonnet. Een andere had Courfeyrac reeds op den

grond geworpen, die hulp riep. De grootste van allen, een soort van

reus, liep met gevelde bajonnet op Gavroche toe. De straatjongen nam

het groote geweer van Javert in zijne kleine armen, legde moedig

op den reus aan en drukte af. Geen schot! Javert had zijn geweer

niet geladen. De municipale garde lachte luidkeels en stak met zijn

bajonnet naar den knaap.

Doch vóór de bajonnet Gavroche kon raken, ontviel het geweer aan de

handen van den soldaat; een kogel had den municipalen garde midden

tegen 't voorhoofd getroffen en hij zonk achterover. Een tweede kogel

trof den anderen garde, die Courfeyrac had aangevallen, in de borst

en wierp hem neer.

't Was Marius, die zooeven in de barricade was gekomen.

VIERDE HOOFDSTUK.

HET VAATJE BUSKRUIT.

Besluiteloos en huiverend had Marius, in den hoek der straat Mondétour

verscholen, het begin van het gevecht aanschouwd. Lang kon hij echter

aan die geheimzinnige, machtige aandrift geen weerstand bieden, welke

een roepstem uit den afgrond kan worden genoemd. Tegenover het dreigend

gevaar, tegenover den dood van den heer Mabeuf, dit somber raadsel,

tegenover den gesneuvelden Bahorel, terwijl Courfeyrac om hulp riep,

tegenover den bedreigden knaap, en zijn vrienden, welke hij of te

hulp komen of wreken moest, was alle weifeling verdwenen, en met zijn

twee pistolen in de hand had hij zich in het gewoel gestort. Met het

eerste schot had hij Gavroche gered, met het tweede Courfeyrac bevrijd.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 25 / 28 段