"Luistert, kameraads, uit dat huis moeten wij schieten! Zoo wij aan

deze vensters zijn, zal geen duivel zich in de straat wagen!"

"Ja, maar het huis is gesloten," zei een der drinkers.

"Laat ons aankloppen."

"Men zal niet openen."

"Breken wij de deur open."

Le Cabuc liep naar de deur, die van een zwaren klopper was voorzien

en klopte. De deur ging niet open. Hij klopt nogmaals. Niemand

antwoordt. Een derde klop. Dezelfde stilte.

"Is hier iemand?" roept Le Cabuc.

Niets verroerde zich.

Toen greep hij een geweer en begon met den kolf tegen de deur te

stooten. 't Was een oude, lage, nauwe, sterke, eikenhouten gangdeur,

die van binnen met ijzer was beslagen, een ware vestingpoort. De

kolfslagen deden het huis dreunen, maar schokten de deur niet.

't Scheen echter dat de bewoners ongerust werden, want eindelijk

zag men een klein vierkant venster op de derde verdieping verlicht

en opengaan, en aan dat venster een brandende kaars en het ontsteld

gezicht van een man met grijs haar verschijnen, zijnde de portier.

De man, die tegen de deur klopte, hield op.

"Mijnheeren," vroeg de portier, "wat begeert gij?"

"Open," zei Le Cabuc.

"Dat kan niet, mijnheeren."

"Open, open!"

"Onmogelijk, mijnheeren!"

Le Cabuc nam zijn geweer en legde op den portier aan, maar wijl hij

beneden en 't zeer donker was, zag de portier hem niet.

"Wilt ge openen, ja of neen?"

"Neen, mijnheeren!"

"Ge zegt neen?"

"Ik zeg neen, goede...."

De portier kon niets meer zeggen. Het geweer was afgeschoten; de kogel

was onder de kin ingegaan en in den nek uitgekomen, na den halsader

doorsneden te hebben. Zonder een kreet te slaken zonk de grijsaard

ineen. De kaars viel en ging uit, en toen zag men niets meer dan een

bewegingloos hoofd op den rand van het venster en een weinig lichten

rook, die naar het dak opsteeg.

"Zoo!" zei Le Cabuc, den kolf van zijn geweer weder op de straatsteenen

latende vallen.

Hij had dit nauwelijks gezegd, toen hij een hand voelde, die zwaar

als de klauw eens arends op zijn schouder viel, en een stem hoorde,

die zeide:

"Kniel."

De moordenaar wendde zich om en zag het bleeke, koele gelaat van

Enjolras. Deze hield een pistool in de hand.

Op het geweerschot was hij toegeschoten.

Hij had met de linkerhand den kraag, den kiel, het hemd en den

draagband van Le Cabuc gegrepen.

"Kniel!" herhaalde hij.

En met een onweerstaanbare beweging boog de zwakke twintigjarige

jongeling als een riet den forschen vierkanten werkman, en deed hem

in het slijk knielen. Le Cabuc poogde zich te verzetten, maar 't was,

als ware hij door een bovenmenschelijke hand aangegrepen.

Bleek, met blooten hals, verward haar, had Enjolras op dit oogenblik,

met zijn vrouwelijk gelaat, iets van de Themis der Ouden. Zijn

opgezette neusvleugels, zijn nedergeslagen oogen gaven aan zijn

streng grieksch gelaat die vertoornde en verheven uitdrukking, welke,

volgens de zienswijze der oude wereld, aan de gerechtigheid betaamt.

De geheele barricade was toegesneld, en allen hadden zich op een

afstand in een kring geschaard, beseffende dat 't onmogelijk was,

een woord te zeggen bij 't geen zij zien zouden.

Le Cabuc, verwonnen en geen poging tot verzet meer beproevende, beefde

over al zijn leden. Enjolras liet hem los en zag op zijn horloge.

"Keer in tot u zelven," zeide hij. "Bid of denk. Gij hebt nog een

minuut."

"Genade!" stamelde de moordenaar, toen boog hij het hoofd en mompelde

eenige onverstaanbare vloeken.

Enjolras wendde den blik niet van zijn horloge; hij liet de minuut

voorbijgaan, en stak toen het horloge weder in zijn zak. Daarop nam

hij Le Cabuc, die jammerend op de knieën gezonken was, bij de haren

en drukte hem den loop van zijn pistool tegen het oor. Velen dezer

onverschrokken mannen, die zoo gerust tot de vreeselijkste onderneming

waren toegetreden, wendden het hoofd om.

Men hoorde het schot; de moordenaar viel met het hoofd voorover op

de straat. Enjolras richtte het hoofd op, en van de gerechtigheid

zijner daad overtuigd, sloeg hij een strengen blik om zich.

Toen stiet hij het lijk met den voet en zeide:

"Werpt dat buiten."

Drie mannen hieven het lichaam van den ellendeling op, dat nog de

laatste stuiptrekkingen van het scheidend leven vertoonde, en wierpen

het over de kleine barricade in de straat Mondétour.

Enjolras stond in gedachten verdiept. Wie weet welk een grootsche

duisternis zich langzaam over zijn vreeselijke rust spreidde. Eensklaps

verhief hij de stem. Allen zwegen.

"Burgers," zei Enjolras, "wat die man heeft gedaan, is vreeselijk; en

wat ik heb gedaan, is afschuwelijk. Hij heeft gemoord, en daarom heb

ik hem gedood. Ik moest het doen, want de opstand moet zijn krijgstucht

hebben. Hier is moord een nog grooter misdaad dan elders; de revolutie

richt haar blik op ons, wij zijn de priesters der republiek, wij zijn

de offers van den plicht en onze strijd mag door geen misdaad bezoedeld

worden. Ik heb dus dezen man gevonnist en ter dood veroordeeld. Wat mij

aangaat, ik was genoodzaakt te doen wat ik gedaan heb, hoezeer ik het

verafschuwde; ik heb mijzelven dus ook gericht en gij zult aanstonds

zien waartoe ik mij heb veroordeeld." Allen, die hem hoorden, beefden.

"Wij zullen uw lot deelen," riep Combeferre.

"Goed," hernam Enjolras. "Nog één woord. Door dezen man te dooden,

gehoorzaamde ik aan de noodzakelijkheid; maar de noodzakelijkheid is

een monster der oude wereld; de noodzakelijkheid heet Noodlot. De wet

van den vooruitgang nu, is dat de monsters voor de Engelen verdwijnen,

en het Noodlot voor de Broederschap wijke. 't Is een slecht oogenblik

om het woord liefde uit te spreken. Om 't even, ik noem en verheerlijk

het. Liefde, ge zijt de toekomst. Dood, ik bedien mij van u, maar

haat u. Burgers, in de toekomst zullen noch donderslagen, noch wreede

onwetendheid, noch bloedige wedervergelding zijn. Wanneer er geen Satan

meer is, zal er geen Michaël meer zijn. In de toekomst zal niemand een

ander meer dooden, de aarde zal gelukkig zijn, het menschelijk geslacht

zal beminnen. De dag zal komen, burgers, dat alles eensgezindheid,

harmonie, vreugd en leven zal zijn, hij zal komen, en om hem te doen

komen, willen wij sterven."

Enjolras zweeg, zijn teedere lippen sloten zich; eenigen tijd bleef

hij bewegingloos als marmer op de plek staan, waar hij bloed had

vergoten. Zijn strak oog maakte, dat men slechts fluisterend om

hem sprak.

Zwijgend drukten Jean Prouvaire en Combeferre elkander de hand en

dicht bij elkander in den hoek der barricade staande, aanschouwden

zij met bewondering, waaraan zich medelijden paarde, den ernstigen

jongeling, die beul en priester, en even als het kristal, licht maar

tevens rots was.

Laat ons hier terstond zeggen, dat later, na het gevecht, toen de

lijken naar de Morgue gebracht en onderzocht werden, bij Le Cabuc

een kaart van politieagent werd gevonden. De schrijver van dit boek

heeft in 1848 het bijzonder rapport te dezer zake aan den prefect

van politie van 1832 in handen gehad.

Laat er ons bijvoegen, dat, zoo men de vreemde, maar waarschijnlijk

gegronde geruchten gelooven mag, Le Cabuc Claquesous was. Zeker is

het, dat na den dood van Le Cabuc nimmer meer van Claquesous gehoord

werd. Claquesous heeft geen spoor van zijn verdwijning achtergelaten;

het schijnt, dat hij tot het onzichtbare is teruggekeerd. Zijn leven

was duisternis, zijn einde nacht.

Geheel de troep opstandelingen was nog onder den indruk van dit zoo

spoedig gevoerd en zoo haastig geëindigd proces, toen Courfeyrac in

de barricade den kleinen jongen wederzag, die hem dien morgen naar

Marius had gevraagd.

Deze jongen, met dit stoutmoedig, onbezorgd voorkomen, had zich bij

het vallen van den avond weder bij de opstandelingen gevoegd.

BOEK XIII.

MARIUS TREEDT IN DE SCHADUW.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE STRAAT PLUMET NAAR DE WIJK ST. DENIS.

De stem, die in de schemering Marius naar de barricade der straat

Chanvrerie had geroepen, had op hem den indruk der stem van het

noodlot gemaakt. Hij wilde sterven, de gelegenheid bood er zich

toe aan; hij klopte aan de deur van het graf, een hand reikte hem

in de schaduw den sleutel. Die sombere openingen, welke zich in de

duisternis aan de wanhoop vertoonen, zijn verleidelijk. Marius nam

de staaf uit het hek, welke hem zoo dikwerf doorgang had verleend,

ging uit den tuin en zeide: "Welaan!"

Zinneloos van smart, niets bepaalds en zekers meer in zijn hersenen

voelende, niet in staat voortaan iets meer van het lot te verwachten,

na deze twee, in de dronkenschap der jeugd en der liefde doorgebrachte

maanden, tegelijk door al de droomen der wanhoop overweldigd, had

hij nog slechts één wensch: er spoedig een einde aan te maken.

Haastig ging hij voort; toevallig was hij gewapend, daar hij de

pistolen van Javert bij zich had.

De jongeling, dien hij meende gezien te hebben, was op de straat uit

zijn oogen verdwenen.

Marius, die de straat Plumet langs den boulevard had verlaten, ging

over de Esplanade, de brug der Invaliden, de Champs-Elysées, het plein

Lodewijk XV, tot hij de straat Rivoli bereikte. De magazijnen waren

er open; het gas brandde onder de bogen: de vrouwen deden inkoopen

in de winkels, men at ijs in het café Laiter, en pasteitjes bij den

Engelschen pasteibakker. Echter reden eenige postrijtuigen in galop

van het hôtel des Princes en het hôtel Meurice.

Marius ging door de passage Delorme naar de straat St. Honoré. De

winkels waren daar gesloten, de bewoners spraken voor hun op een kier

staande deuren, de voorbijgangers gingen heen en weder, de lantaarns

brandden, en van de eerste verdieping af waren al de ramen als

gewoonlijk verlicht. Op het plein van het Palais-Royal stond cavalerie.

Marius ging door de straat St. Honoré. Naar gelang hij zich van het

Palais-Royal verwijderde, waren er minder verlichte vensters: de

winkels waren geheel gesloten, niemand stond aan de deur te praten,

de straat werd somberder, maar tegelijkertijd nam de menigte toe. De

voorbijgangers waren nu dichte drommen geworden. Men zag niemand in

die menigte spreken, en evenwel ging er een dof, zwaar gegons uit op.

Naar den kant der fontein de l'Arbre-Sec waren "samenscholingen,"

beweginglooze, sombere groepen, die tusschen de heen en weergaanden

als steenen in een stroomend water stonden.

Aan den ingang der straat des Prouvaires ging de menigte niet meer

voort. Zij vormde hier een tegenstand biedende, aaneen geslotene,

saamgedrongene, schier ondoordringbare massa van lieden, die zacht met

elkander spraken. Er waren schier geen zwarte kleeren noch ronde hoeden

bij. 't Waren kielen, buizen, petten, bloote hoofden met verwilderd

haar. Deze massa golfde verward in den nachtelijken nevel. Haar

gefluister had een heeschen, trillenden klank. Hoewel niemand ging,

hoorde men voetgetrappel in het slijk. Aan gene zijde dezer dichte

menigte, in de straat du Roule, in de straat des Prouvaires, en in de

verlenging der straat St. Honoré, was geen enkel venster verlicht. Men

zag in het verschiet dezer straten de rijen afzonderlijke, steeds

kleiner wordende lantaarns. De lantaarns van dien tijd geleken groote

roode, aan touwen hangende sterren, die op de straat een schaduw als

van een groote spin wierpen. Deze straten waren niet eenzaam. Men

onderscheidde er bundels tegen elkander gezette geweren, bajonetten,

die zich bewogen, en bivouakeerende troepen. Geen nieuwsgierige

overschreed deze grens. Daar hield het verkeer op. Daar eindigde de

menigte en begon het leger.

Marius had den wil van iemand, die geen hoop meer heeft. Men had

hem geroepen; hij moest gaan. Het gelukte hem door de menigte te

dringen, en door de bivouakeerende troepen te sluipen; hij ontging

de patrouilles en vermeed de schildwachten. Langs een omweg bereikte

hij de straat Béthisy en ging naar den kant der Halles. Aan den hoek

der straat des Bourdonnais waren geen lantaarns meer.

Na de streek der volks en die der troepen te zijn voorbijgekomen,

bevond hij zich in iets vreeselijks. Geen voorbijganger, geen soldaat,

geen licht meer; niemand! De eenzaamheid, de stilte, de nacht; een

onbeschrijfelijke huivering overviel hem. Wanneer hij een straat

inging, was 't hem, alsof hij in een kelder kwam.

Hij ging steeds verder.

Hij deed eenige schreden. Iemand ijlde hem voorbij. Was 't een man? een

vrouw? waren het meer personen? Hij zou het niet kunnen zeggen. 't

Was voorbijgegaan en verdwenen.

Langs allerlei omwegen kwam hij in een steeg, welke hij voor de straat

de la Poterie hield; omstreeks het midden dier steeg stiet hij tegen

een hindernis. Hij stak de handen uit. 't Was een omvergeworpen

kar; zijn voet voelde waterplassen, diepten, losse en opgehoopte

straatsteenen. 't Was een begonnen, maar verlaten barricade. Hij klom

over de steenen en kwam aan de andere zijde der versperring. Hij

ging dicht langs de straatpalen en nam de huizen tot richting. Op

eenigen afstand voorbij de barricade meende hij iets wits voor zich

te zien. Hij naderde en 't nam een vorm aan. 't Waren twee witte

paarden, de paarden van den omnibus, welke Bossuet des morgens had

uitgespannen en die den geheelen dag van de eene in de andere straat

hadden rondgezworven, en eindelijk hier waren blijven staan met het

uitgeput geduld der dieren, die evenmin de handelingen van den mensch

begrijpen als de mensch de handelingen der Voorzienigheid begrijpt.

Marius ging de paarden voorbij. Toen hij aan een straat kwam, welke hem

de straat du Contrat Social scheen te zijn, floot een geweerkogel,

in de duisternis in 't wild geschoten, dicht langs hem heen, en

doorboorde boven zijn hoofd een scheerbekken, dat aan de deur van

een barbierswinkel hing. In 1846 kon men nog in de straat du Contrat

Social aan den hoek des Halles dat doorgeschoten scheerbekken zien.

Dat geweerschot was nog leven. Van dien oogenblik ontmoette hij

niets meer.

Deze geheele streek scheen een afdaling langs donkere trappen.

Marius ging niettemin steeds voort.

TWEEDE HOOFDSTUK.

PARIJS UIT DE UILENVLUCHT GEZIEN.

Een wezen, dat op dit oogenblik boven Parijs had gezweefd, met de

vlerken van een vleermuis of de vleugels van een uil, zou een somber

tafereel onder zijn oogen hebben gehad.

Deze gansche oude wijk des Halles, die als een stad in een stad is,

doorsneden van de straten St. Denis en St. Martin, waarin zich duizend

stegen kruisen en waarvan de opstandelingen hun vesting en wapenplaats

hadden gemaakt, verscheen hem als een ontzaggelijk groote donkere

kuil in het midden van Parijs gegraven. Daar verzonk de blik in

een afgrond. Wijl de straatlantaarns er stukgeslagen en de vensters

gesloten waren, was er alle licht, alle leven, elk gerucht, iedere

beweging geweken. De onzichtbare politie van het oproer, namelijk

de nacht, waakte alom en handhaafde de orde. Het kleine getal in

groote duisternis te hullen, iederen strijder te verdubbelen, door de

kansen welke deze duisternis bevat, dit is de noodzakelijke tactiek

van den opstand. Bij 't vallen van den avond had ieder venster, waar

licht werd ontstoken, een kogel ontvangen. Het licht werd uitgedaan,

soms was de bewoner gedood. Niets bewoog zich dan ook meer. In de

huizen was niets dan schrik, rouw, angst; in de straten een soort van

heilige ontzetting. Men zag er zelfs niet de lange rijen vensters en

verdiepingen, de kanten der schoorsteenen en daken, het onduidelijk

schijnsel op de slijkerige, natte straatsteenen.

Het oog, dat uit de hoogte in die donkere massa had geschouwd zou

misschien hier en daar op zekere afstanden, onduidelijke lichten

hebben gezien, die zonderlinge, afgebroken lijnen deden uitkomen,

omtrekken van vreemdsoortige bouwstukken, en als in bouwvallen heen

en weder gaande lichten: daar waren de barricaden.

Het overige was een nevelachtig duister, zwaarmoedig, akelig meer,

waarboven de sombere, beweginglooze gestalten van den toren St. Jacques

en de kerk St. Merry en twee of drie dier groote monumenten zich

verhieven, waarvan de mensch reuzen en de nacht schimmen maakt.

In den omtrek van dezen eenzamen en onrustbarenden doolhof, in de

wijken waar het Parijsche verkeer niet opgehouden had en nog enkele

schaarsche straatlantaarns brandden, had de beschouwer uit de lucht

den metaalglans der sabels en bajonetten, het dof gerol der artillerie

en het stil gewemel der bataljons, dat met de minuut toenam, kunnen

opmerken; een ontzaggelijke gordel, die zich langzaam om het oproer

klemde en sloot.

De omsingelde wijk was niets meer dan een soort van vreeselijke

spelonk; alles scheen er onbewegelijk of in slaap, en zooals men gezien

heeft, heerschte in iedere straat, welke men bereiken kon, slechts

duisternis; een beangstigende duisternis, vol hinderlagen, onbekende en

schrikkelijke dingen, waar men slechts met angst kon binnendringen en

toeven, waar zij, die binnengingen, beefden voor hen die hen wachtten,

en dezen voor hen die komen zouden; onzichtbare strijders achter elken

hoek der straat verschanst; hinderlagen van het graf in de duisternis

des nachts verborgen. Geen ander licht was nu meer te verwachten dan

de bliksem der geweren, geen andere ontmoeting dan de ruwe plotselinge

verschijning van den dood. Waar? Hoe? Wanneer? Men wist het niet, maar

't was stellig en onvermijdelijk. Daar, op deze voor de worsteling

aangeduide plek, zouden het gouvernement en de opstand, de nationale

garde en de volksgenootschappen, de burgerij en het oproer in de

duisternis rondwarend elkander ontmoeten. Voor de eenen zoowel als

voor de anderen bestond dezelfde noodzakelijkheid. Voortaan was

geen andere uitkomst mogelijk dan te overwinnen of te sneven. 't

Was zulk een uiterste toestand, zulk een machtige duisternis, dat de

beschroomdsten door moed werden bezield en de vermetelsten met schrik.

Overigens was van weerszijden de woede, de verbittering, de

stoutmoedigheid dezelfde. Voor de eenen was vooruitgaan sneven, en

niemand dacht er aan terugwijken; voor de anderen was standhouden

sneven, en niemand dacht aan vluchten.

Noodzakelijk moest den volgenden dag alles geëindigd zijn, moest de

triumf aan deze of aan gene zijde, moest de opstand een revolutie of

een oproer zijn. Dit begreep het gouvernement zoowel als de partijen;

de geringste burger gevoelde het. Hierdoor ontstond een angstgevoel,

't welk zich bij de ondoordringbare duisternis dezer wijk mengde,

waar alles beslist zou worden; vandaar een vermeerdering van angst

rondom deze stilte, waaruit een ontknooping zou ontstaan. Men

hoorde er slechts één geluid, hartverscheurend als een doodsgalm,

dreigend als een vervloeking,--de alarmklok van Saint-Merry. Niets

was ijzingwekkender dan de klank van dit woest, wanhopig gelui,

dat in de duisternis jammerde.

Zooals vaak gebeurt, scheen de natuur samen te werken met hetgeen

de menschen wilden doen. Niets stoorde de heillooze harmonie van

het geheel. De sterren waren verdwenen; zware wolken bedekten den

geheelen horizont met haar treurige plooien. Een donkere hemel lag

op de doodsche straten, alsof een onmetelijk lijklaken over dit

onmetelijk graf was gespreid.

Terwijl een nog geheel politiek gevecht op deze zelfde plek werd

voorbereid, die reeds zoovele revolutionnaire gebeurtenissen had

gezien, terwijl de jongelingschap, de geheime genootschappen,

de scholen, in naam der beginselen, en de middelklasse, in naam

der stoffelijke belangen, naderden om elkander aan te vallen,

te omstrengelen en neder te werpen; terwijl ieder het laatste en

beslissende uur der crisis verhaastte en riep, zoowel binnen als buiten

deze noodlottige wijk, in het diepst der onpeilbare holen van dit oude,

ellendige Parijs, 't welk verdwijnt onder den glans van het gelukkige

weelderige Parijs, hoorde men dof de sombere stem des volks brommen.

Een vreeselijke, heilige stem, gevormd uit het gebrul van het dier en

het woord Gods, die de zwakken verschrikt en de wijzen waarschuwt,

die tegelijkertijd van onder komt als de stem van den leeuw, en van

boven als de stem des donders.

DERDE HOOFDSTUK.

DE UITERSTE RAND.

Marius was aan de Halles gekomen.

Daar was alles nog stiller, donkerder en onbewegelijker dan in de

naburige straten. 't Was alsof de ijskoude rust van het graf uit de

aarde was gekomen en zich onder den hemel had verspreid.

Evenwel scheen een roode gloed op den zwarten grond van de hooge daken

der huizen, die aan de zijde van St. Eustache de straat Chanvrerie

sloten; 't was de weerschijn der toorts, die in de barricade van

Corinthe brandde. Marius had zich naar dien rooden gloed gericht,

die hem naar de Perenmarkt had gevoerd, waar hij den donkeren ingang

der Predikerstraat bespeurde. Hij ging er in. De schildwacht der

opstandelingen, die aan het andere einde stond, zag hem niet. Hij

voelde zich in de nabijheid van hetgeen hij kwam zoeken en ging op

de teenen voorwaarts. Dra bereikte hij den elleboog van het kortste

gedeelte der straat Mondétour, zooals men zich herinnert, de eenige

uitgang, dien Enjolras naar buiten behouden had. Om den hoek van het

laatste huis, links, stak hij het hoofd vooruit en schouwde in dat

gedeelte der straat Mondétour.

Even voorbij den donkeren hoek der steeg en der straat Chanvrerie,

die een breede schaduw wierp, waarin hij zelf verscholen was, zag hij

op de straat een lichtschijnsel, op weinig afstand van de herberg,

en daarachter een lampion, die in een soort van ruwen muur flikkerde,

en gehurkte mannen met geweren op hun knieën. Dat alles was op tien

ellen afstands van hem.

't Was het binnenste der barricade.

De huizen ter rechterzijde der steeg verborgen hem het overige der

herberg, de groote barricade en de vlag.

Marius had nog slechts één schrede te doen.

Toen zette de ongelukkige jongeling zich op een straatpaal, sloeg de

armen over elkander en dacht aan zijn vader.

Hij dacht aan den heldhaftigen kolonel Pontmercy, die zulk een fier

soldaat was geweest, die onder de Republiek Frankrijks grenzen

bewaakt, en onder den Keizer de grenzen van Azië betreden had;

die Genua, Alexandrië, Milaan, Turijn, Madrid, Weenen, Dresden,

Berlijn, Moskou had gezien; die op al de zegerijke slagvelden van

Europa droppels van hetzelfde bloed had gestort, dat hij, Marius,

in zijn aderen had; die vóór den tijd grijs was geworden in de

krijgstucht en het bevelhebberschap; die met vastgegespten gordel,

afhangende epauletten, door kruitdamp zwart geworden kokarde, door den

helm gerimpeld voorhoofd, in de barak, in het kamp, op het bivouak,

in de hospitalen geleefd had, en na verloop van twintig jaren uit de

groote oorlogen terug was gekeerd met naden in de wang, glimlachende

oogen, eenvoudig, rustig, bewonderenswaardig, rein als een kind,

die alles voor, en niets tegen Frankrijk had gedaan.

Hij zeide bij zich zelven, dat thans ook zijn dag was gekomen, zijn

uur eindelijk had geslagen, dat ook hij, na zijn vader, dapper,

onversaagd, stoutmoedig zou zijn, de kogels te gemoet gaan, de

bajonetten zijn borst tegenhouden, zijn bloed vergieten, den vijand,

den dood zoeken, op zijn beurt strijden, en het slagveld betreden,

en dat het slagveld, 't welk hij ging betreden, de straat, en dat de

strijd, dien hij aanging, de burgeroorlog was!

Hij zag den burgeroorlog als een gapenden afgrond voor zich en hij

zou er zich instorten.

Toen overviel hem een huivering.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 24 / 28 段