deze vensters zijn, zal geen duivel zich in de straat wagen!"
"Ja, maar het huis is gesloten," zei een der drinkers.
"Laat ons aankloppen."
"Men zal niet openen."
"Breken wij de deur open."
Le Cabuc liep naar de deur, die van een zwaren klopper was voorzien
en klopte. De deur ging niet open. Hij klopt nogmaals. Niemand
antwoordt. Een derde klop. Dezelfde stilte.
"Is hier iemand?" roept Le Cabuc.
Niets verroerde zich.
Toen greep hij een geweer en begon met den kolf tegen de deur te
stooten. 't Was een oude, lage, nauwe, sterke, eikenhouten gangdeur,
die van binnen met ijzer was beslagen, een ware vestingpoort. De
kolfslagen deden het huis dreunen, maar schokten de deur niet.
't Scheen echter dat de bewoners ongerust werden, want eindelijk
zag men een klein vierkant venster op de derde verdieping verlicht
en opengaan, en aan dat venster een brandende kaars en het ontsteld
gezicht van een man met grijs haar verschijnen, zijnde de portier.
De man, die tegen de deur klopte, hield op.
"Mijnheeren," vroeg de portier, "wat begeert gij?"
"Open," zei Le Cabuc.
"Dat kan niet, mijnheeren."
"Open, open!"
"Onmogelijk, mijnheeren!"
Le Cabuc nam zijn geweer en legde op den portier aan, maar wijl hij
beneden en 't zeer donker was, zag de portier hem niet.
"Wilt ge openen, ja of neen?"
"Neen, mijnheeren!"
"Ge zegt neen?"
"Ik zeg neen, goede...."
De portier kon niets meer zeggen. Het geweer was afgeschoten; de kogel
was onder de kin ingegaan en in den nek uitgekomen, na den halsader
doorsneden te hebben. Zonder een kreet te slaken zonk de grijsaard
ineen. De kaars viel en ging uit, en toen zag men niets meer dan een
bewegingloos hoofd op den rand van het venster en een weinig lichten
rook, die naar het dak opsteeg.
"Zoo!" zei Le Cabuc, den kolf van zijn geweer weder op de straatsteenen
latende vallen.
Hij had dit nauwelijks gezegd, toen hij een hand voelde, die zwaar
als de klauw eens arends op zijn schouder viel, en een stem hoorde,
die zeide:
"Kniel."
De moordenaar wendde zich om en zag het bleeke, koele gelaat van
Enjolras. Deze hield een pistool in de hand.
Op het geweerschot was hij toegeschoten.
Hij had met de linkerhand den kraag, den kiel, het hemd en den
draagband van Le Cabuc gegrepen.
"Kniel!" herhaalde hij.
En met een onweerstaanbare beweging boog de zwakke twintigjarige
jongeling als een riet den forschen vierkanten werkman, en deed hem
in het slijk knielen. Le Cabuc poogde zich te verzetten, maar 't was,
als ware hij door een bovenmenschelijke hand aangegrepen.
Bleek, met blooten hals, verward haar, had Enjolras op dit oogenblik,
met zijn vrouwelijk gelaat, iets van de Themis der Ouden. Zijn
opgezette neusvleugels, zijn nedergeslagen oogen gaven aan zijn
streng grieksch gelaat die vertoornde en verheven uitdrukking, welke,
volgens de zienswijze der oude wereld, aan de gerechtigheid betaamt.
De geheele barricade was toegesneld, en allen hadden zich op een
afstand in een kring geschaard, beseffende dat 't onmogelijk was,
een woord te zeggen bij 't geen zij zien zouden.
Le Cabuc, verwonnen en geen poging tot verzet meer beproevende, beefde
over al zijn leden. Enjolras liet hem los en zag op zijn horloge.
"Keer in tot u zelven," zeide hij. "Bid of denk. Gij hebt nog een
minuut."
"Genade!" stamelde de moordenaar, toen boog hij het hoofd en mompelde
eenige onverstaanbare vloeken.
Enjolras wendde den blik niet van zijn horloge; hij liet de minuut
voorbijgaan, en stak toen het horloge weder in zijn zak. Daarop nam
hij Le Cabuc, die jammerend op de knieën gezonken was, bij de haren
en drukte hem den loop van zijn pistool tegen het oor. Velen dezer
onverschrokken mannen, die zoo gerust tot de vreeselijkste onderneming
waren toegetreden, wendden het hoofd om.
Men hoorde het schot; de moordenaar viel met het hoofd voorover op
de straat. Enjolras richtte het hoofd op, en van de gerechtigheid
zijner daad overtuigd, sloeg hij een strengen blik om zich.
Toen stiet hij het lijk met den voet en zeide:
"Werpt dat buiten."
Drie mannen hieven het lichaam van den ellendeling op, dat nog de
laatste stuiptrekkingen van het scheidend leven vertoonde, en wierpen
het over de kleine barricade in de straat Mondétour.
Enjolras stond in gedachten verdiept. Wie weet welk een grootsche
duisternis zich langzaam over zijn vreeselijke rust spreidde. Eensklaps
verhief hij de stem. Allen zwegen.
"Burgers," zei Enjolras, "wat die man heeft gedaan, is vreeselijk; en
wat ik heb gedaan, is afschuwelijk. Hij heeft gemoord, en daarom heb
ik hem gedood. Ik moest het doen, want de opstand moet zijn krijgstucht
hebben. Hier is moord een nog grooter misdaad dan elders; de revolutie
richt haar blik op ons, wij zijn de priesters der republiek, wij zijn
de offers van den plicht en onze strijd mag door geen misdaad bezoedeld
worden. Ik heb dus dezen man gevonnist en ter dood veroordeeld. Wat mij
aangaat, ik was genoodzaakt te doen wat ik gedaan heb, hoezeer ik het
verafschuwde; ik heb mijzelven dus ook gericht en gij zult aanstonds
zien waartoe ik mij heb veroordeeld." Allen, die hem hoorden, beefden.
"Wij zullen uw lot deelen," riep Combeferre.
"Goed," hernam Enjolras. "Nog één woord. Door dezen man te dooden,
gehoorzaamde ik aan de noodzakelijkheid; maar de noodzakelijkheid is
een monster der oude wereld; de noodzakelijkheid heet Noodlot. De wet
van den vooruitgang nu, is dat de monsters voor de Engelen verdwijnen,
en het Noodlot voor de Broederschap wijke. 't Is een slecht oogenblik
om het woord liefde uit te spreken. Om 't even, ik noem en verheerlijk
het. Liefde, ge zijt de toekomst. Dood, ik bedien mij van u, maar
haat u. Burgers, in de toekomst zullen noch donderslagen, noch wreede
onwetendheid, noch bloedige wedervergelding zijn. Wanneer er geen Satan
meer is, zal er geen Michaël meer zijn. In de toekomst zal niemand een
ander meer dooden, de aarde zal gelukkig zijn, het menschelijk geslacht
zal beminnen. De dag zal komen, burgers, dat alles eensgezindheid,
harmonie, vreugd en leven zal zijn, hij zal komen, en om hem te doen
komen, willen wij sterven."
Enjolras zweeg, zijn teedere lippen sloten zich; eenigen tijd bleef
hij bewegingloos als marmer op de plek staan, waar hij bloed had
vergoten. Zijn strak oog maakte, dat men slechts fluisterend om
hem sprak.
Zwijgend drukten Jean Prouvaire en Combeferre elkander de hand en
dicht bij elkander in den hoek der barricade staande, aanschouwden
zij met bewondering, waaraan zich medelijden paarde, den ernstigen
jongeling, die beul en priester, en even als het kristal, licht maar
tevens rots was.
Laat ons hier terstond zeggen, dat later, na het gevecht, toen de
lijken naar de Morgue gebracht en onderzocht werden, bij Le Cabuc
een kaart van politieagent werd gevonden. De schrijver van dit boek
heeft in 1848 het bijzonder rapport te dezer zake aan den prefect
van politie van 1832 in handen gehad.
Laat er ons bijvoegen, dat, zoo men de vreemde, maar waarschijnlijk
gegronde geruchten gelooven mag, Le Cabuc Claquesous was. Zeker is
het, dat na den dood van Le Cabuc nimmer meer van Claquesous gehoord
werd. Claquesous heeft geen spoor van zijn verdwijning achtergelaten;
het schijnt, dat hij tot het onzichtbare is teruggekeerd. Zijn leven
was duisternis, zijn einde nacht.
Geheel de troep opstandelingen was nog onder den indruk van dit zoo
spoedig gevoerd en zoo haastig geëindigd proces, toen Courfeyrac in
de barricade den kleinen jongen wederzag, die hem dien morgen naar
Marius had gevraagd.
Deze jongen, met dit stoutmoedig, onbezorgd voorkomen, had zich bij
het vallen van den avond weder bij de opstandelingen gevoegd.
BOEK XIII.
MARIUS TREEDT IN DE SCHADUW.
EERSTE HOOFDSTUK.
VAN DE STRAAT PLUMET NAAR DE WIJK ST. DENIS.
De stem, die in de schemering Marius naar de barricade der straat
Chanvrerie had geroepen, had op hem den indruk der stem van het
noodlot gemaakt. Hij wilde sterven, de gelegenheid bood er zich
toe aan; hij klopte aan de deur van het graf, een hand reikte hem
in de schaduw den sleutel. Die sombere openingen, welke zich in de
duisternis aan de wanhoop vertoonen, zijn verleidelijk. Marius nam
de staaf uit het hek, welke hem zoo dikwerf doorgang had verleend,
ging uit den tuin en zeide: "Welaan!"
Zinneloos van smart, niets bepaalds en zekers meer in zijn hersenen
voelende, niet in staat voortaan iets meer van het lot te verwachten,
na deze twee, in de dronkenschap der jeugd en der liefde doorgebrachte
maanden, tegelijk door al de droomen der wanhoop overweldigd, had
hij nog slechts één wensch: er spoedig een einde aan te maken.
Haastig ging hij voort; toevallig was hij gewapend, daar hij de
pistolen van Javert bij zich had.
De jongeling, dien hij meende gezien te hebben, was op de straat uit
zijn oogen verdwenen.
Marius, die de straat Plumet langs den boulevard had verlaten, ging
over de Esplanade, de brug der Invaliden, de Champs-Elysées, het plein
Lodewijk XV, tot hij de straat Rivoli bereikte. De magazijnen waren
er open; het gas brandde onder de bogen: de vrouwen deden inkoopen
in de winkels, men at ijs in het café Laiter, en pasteitjes bij den
Engelschen pasteibakker. Echter reden eenige postrijtuigen in galop
van het hôtel des Princes en het hôtel Meurice.
Marius ging door de passage Delorme naar de straat St. Honoré. De
winkels waren daar gesloten, de bewoners spraken voor hun op een kier
staande deuren, de voorbijgangers gingen heen en weder, de lantaarns
brandden, en van de eerste verdieping af waren al de ramen als
gewoonlijk verlicht. Op het plein van het Palais-Royal stond cavalerie.
Marius ging door de straat St. Honoré. Naar gelang hij zich van het
Palais-Royal verwijderde, waren er minder verlichte vensters: de
winkels waren geheel gesloten, niemand stond aan de deur te praten,
de straat werd somberder, maar tegelijkertijd nam de menigte toe. De
voorbijgangers waren nu dichte drommen geworden. Men zag niemand in
die menigte spreken, en evenwel ging er een dof, zwaar gegons uit op.
Naar den kant der fontein de l'Arbre-Sec waren "samenscholingen,"
beweginglooze, sombere groepen, die tusschen de heen en weergaanden
als steenen in een stroomend water stonden.
Aan den ingang der straat des Prouvaires ging de menigte niet meer
voort. Zij vormde hier een tegenstand biedende, aaneen geslotene,
saamgedrongene, schier ondoordringbare massa van lieden, die zacht met
elkander spraken. Er waren schier geen zwarte kleeren noch ronde hoeden
bij. 't Waren kielen, buizen, petten, bloote hoofden met verwilderd
haar. Deze massa golfde verward in den nachtelijken nevel. Haar
gefluister had een heeschen, trillenden klank. Hoewel niemand ging,
hoorde men voetgetrappel in het slijk. Aan gene zijde dezer dichte
menigte, in de straat du Roule, in de straat des Prouvaires, en in de
verlenging der straat St. Honoré, was geen enkel venster verlicht. Men
zag in het verschiet dezer straten de rijen afzonderlijke, steeds
kleiner wordende lantaarns. De lantaarns van dien tijd geleken groote
roode, aan touwen hangende sterren, die op de straat een schaduw als
van een groote spin wierpen. Deze straten waren niet eenzaam. Men
onderscheidde er bundels tegen elkander gezette geweren, bajonetten,
die zich bewogen, en bivouakeerende troepen. Geen nieuwsgierige
overschreed deze grens. Daar hield het verkeer op. Daar eindigde de
menigte en begon het leger.
Marius had den wil van iemand, die geen hoop meer heeft. Men had
hem geroepen; hij moest gaan. Het gelukte hem door de menigte te
dringen, en door de bivouakeerende troepen te sluipen; hij ontging
de patrouilles en vermeed de schildwachten. Langs een omweg bereikte
hij de straat Béthisy en ging naar den kant der Halles. Aan den hoek
der straat des Bourdonnais waren geen lantaarns meer.
Na de streek der volks en die der troepen te zijn voorbijgekomen,
bevond hij zich in iets vreeselijks. Geen voorbijganger, geen soldaat,
geen licht meer; niemand! De eenzaamheid, de stilte, de nacht; een
onbeschrijfelijke huivering overviel hem. Wanneer hij een straat
inging, was 't hem, alsof hij in een kelder kwam.
Hij ging steeds verder.
Hij deed eenige schreden. Iemand ijlde hem voorbij. Was 't een man? een
vrouw? waren het meer personen? Hij zou het niet kunnen zeggen. 't
Was voorbijgegaan en verdwenen.
Langs allerlei omwegen kwam hij in een steeg, welke hij voor de straat
de la Poterie hield; omstreeks het midden dier steeg stiet hij tegen
een hindernis. Hij stak de handen uit. 't Was een omvergeworpen
kar; zijn voet voelde waterplassen, diepten, losse en opgehoopte
straatsteenen. 't Was een begonnen, maar verlaten barricade. Hij klom
over de steenen en kwam aan de andere zijde der versperring. Hij
ging dicht langs de straatpalen en nam de huizen tot richting. Op
eenigen afstand voorbij de barricade meende hij iets wits voor zich
te zien. Hij naderde en 't nam een vorm aan. 't Waren twee witte
paarden, de paarden van den omnibus, welke Bossuet des morgens had
uitgespannen en die den geheelen dag van de eene in de andere straat
hadden rondgezworven, en eindelijk hier waren blijven staan met het
uitgeput geduld der dieren, die evenmin de handelingen van den mensch
begrijpen als de mensch de handelingen der Voorzienigheid begrijpt.
Marius ging de paarden voorbij. Toen hij aan een straat kwam, welke hem
de straat du Contrat Social scheen te zijn, floot een geweerkogel,
in de duisternis in 't wild geschoten, dicht langs hem heen, en
doorboorde boven zijn hoofd een scheerbekken, dat aan de deur van
een barbierswinkel hing. In 1846 kon men nog in de straat du Contrat
Social aan den hoek des Halles dat doorgeschoten scheerbekken zien.
Dat geweerschot was nog leven. Van dien oogenblik ontmoette hij
niets meer.
Deze geheele streek scheen een afdaling langs donkere trappen.
Marius ging niettemin steeds voort.
TWEEDE HOOFDSTUK.
PARIJS UIT DE UILENVLUCHT GEZIEN.
Een wezen, dat op dit oogenblik boven Parijs had gezweefd, met de
vlerken van een vleermuis of de vleugels van een uil, zou een somber
tafereel onder zijn oogen hebben gehad.
Deze gansche oude wijk des Halles, die als een stad in een stad is,
doorsneden van de straten St. Denis en St. Martin, waarin zich duizend
stegen kruisen en waarvan de opstandelingen hun vesting en wapenplaats
hadden gemaakt, verscheen hem als een ontzaggelijk groote donkere
kuil in het midden van Parijs gegraven. Daar verzonk de blik in
een afgrond. Wijl de straatlantaarns er stukgeslagen en de vensters
gesloten waren, was er alle licht, alle leven, elk gerucht, iedere
beweging geweken. De onzichtbare politie van het oproer, namelijk
de nacht, waakte alom en handhaafde de orde. Het kleine getal in
groote duisternis te hullen, iederen strijder te verdubbelen, door de
kansen welke deze duisternis bevat, dit is de noodzakelijke tactiek
van den opstand. Bij 't vallen van den avond had ieder venster, waar
licht werd ontstoken, een kogel ontvangen. Het licht werd uitgedaan,
soms was de bewoner gedood. Niets bewoog zich dan ook meer. In de
huizen was niets dan schrik, rouw, angst; in de straten een soort van
heilige ontzetting. Men zag er zelfs niet de lange rijen vensters en
verdiepingen, de kanten der schoorsteenen en daken, het onduidelijk
schijnsel op de slijkerige, natte straatsteenen.
Het oog, dat uit de hoogte in die donkere massa had geschouwd zou
misschien hier en daar op zekere afstanden, onduidelijke lichten
hebben gezien, die zonderlinge, afgebroken lijnen deden uitkomen,
omtrekken van vreemdsoortige bouwstukken, en als in bouwvallen heen
en weder gaande lichten: daar waren de barricaden.
Het overige was een nevelachtig duister, zwaarmoedig, akelig meer,
waarboven de sombere, beweginglooze gestalten van den toren St. Jacques
en de kerk St. Merry en twee of drie dier groote monumenten zich
verhieven, waarvan de mensch reuzen en de nacht schimmen maakt.
In den omtrek van dezen eenzamen en onrustbarenden doolhof, in de
wijken waar het Parijsche verkeer niet opgehouden had en nog enkele
schaarsche straatlantaarns brandden, had de beschouwer uit de lucht
den metaalglans der sabels en bajonetten, het dof gerol der artillerie
en het stil gewemel der bataljons, dat met de minuut toenam, kunnen
opmerken; een ontzaggelijke gordel, die zich langzaam om het oproer
klemde en sloot.
De omsingelde wijk was niets meer dan een soort van vreeselijke
spelonk; alles scheen er onbewegelijk of in slaap, en zooals men gezien
heeft, heerschte in iedere straat, welke men bereiken kon, slechts
duisternis; een beangstigende duisternis, vol hinderlagen, onbekende en
schrikkelijke dingen, waar men slechts met angst kon binnendringen en
toeven, waar zij, die binnengingen, beefden voor hen die hen wachtten,
en dezen voor hen die komen zouden; onzichtbare strijders achter elken
hoek der straat verschanst; hinderlagen van het graf in de duisternis
des nachts verborgen. Geen ander licht was nu meer te verwachten dan
de bliksem der geweren, geen andere ontmoeting dan de ruwe plotselinge
verschijning van den dood. Waar? Hoe? Wanneer? Men wist het niet, maar
't was stellig en onvermijdelijk. Daar, op deze voor de worsteling
aangeduide plek, zouden het gouvernement en de opstand, de nationale
garde en de volksgenootschappen, de burgerij en het oproer in de
duisternis rondwarend elkander ontmoeten. Voor de eenen zoowel als
voor de anderen bestond dezelfde noodzakelijkheid. Voortaan was
geen andere uitkomst mogelijk dan te overwinnen of te sneven. 't
Was zulk een uiterste toestand, zulk een machtige duisternis, dat de
beschroomdsten door moed werden bezield en de vermetelsten met schrik.
Overigens was van weerszijden de woede, de verbittering, de
stoutmoedigheid dezelfde. Voor de eenen was vooruitgaan sneven, en
niemand dacht er aan terugwijken; voor de anderen was standhouden
sneven, en niemand dacht aan vluchten.
Noodzakelijk moest den volgenden dag alles geëindigd zijn, moest de
triumf aan deze of aan gene zijde, moest de opstand een revolutie of
een oproer zijn. Dit begreep het gouvernement zoowel als de partijen;
de geringste burger gevoelde het. Hierdoor ontstond een angstgevoel,
't welk zich bij de ondoordringbare duisternis dezer wijk mengde,
waar alles beslist zou worden; vandaar een vermeerdering van angst
rondom deze stilte, waaruit een ontknooping zou ontstaan. Men
hoorde er slechts één geluid, hartverscheurend als een doodsgalm,
dreigend als een vervloeking,--de alarmklok van Saint-Merry. Niets
was ijzingwekkender dan de klank van dit woest, wanhopig gelui,
dat in de duisternis jammerde.
Zooals vaak gebeurt, scheen de natuur samen te werken met hetgeen
de menschen wilden doen. Niets stoorde de heillooze harmonie van
het geheel. De sterren waren verdwenen; zware wolken bedekten den
geheelen horizont met haar treurige plooien. Een donkere hemel lag
op de doodsche straten, alsof een onmetelijk lijklaken over dit
onmetelijk graf was gespreid.
Terwijl een nog geheel politiek gevecht op deze zelfde plek werd
voorbereid, die reeds zoovele revolutionnaire gebeurtenissen had
gezien, terwijl de jongelingschap, de geheime genootschappen,
de scholen, in naam der beginselen, en de middelklasse, in naam
der stoffelijke belangen, naderden om elkander aan te vallen,
te omstrengelen en neder te werpen; terwijl ieder het laatste en
beslissende uur der crisis verhaastte en riep, zoowel binnen als buiten
deze noodlottige wijk, in het diepst der onpeilbare holen van dit oude,
ellendige Parijs, 't welk verdwijnt onder den glans van het gelukkige
weelderige Parijs, hoorde men dof de sombere stem des volks brommen.
Een vreeselijke, heilige stem, gevormd uit het gebrul van het dier en
het woord Gods, die de zwakken verschrikt en de wijzen waarschuwt,
die tegelijkertijd van onder komt als de stem van den leeuw, en van
boven als de stem des donders.
DERDE HOOFDSTUK.
DE UITERSTE RAND.
Marius was aan de Halles gekomen.
Daar was alles nog stiller, donkerder en onbewegelijker dan in de
naburige straten. 't Was alsof de ijskoude rust van het graf uit de
aarde was gekomen en zich onder den hemel had verspreid.
Evenwel scheen een roode gloed op den zwarten grond van de hooge daken
der huizen, die aan de zijde van St. Eustache de straat Chanvrerie
sloten; 't was de weerschijn der toorts, die in de barricade van
Corinthe brandde. Marius had zich naar dien rooden gloed gericht,
die hem naar de Perenmarkt had gevoerd, waar hij den donkeren ingang
der Predikerstraat bespeurde. Hij ging er in. De schildwacht der
opstandelingen, die aan het andere einde stond, zag hem niet. Hij
voelde zich in de nabijheid van hetgeen hij kwam zoeken en ging op
de teenen voorwaarts. Dra bereikte hij den elleboog van het kortste
gedeelte der straat Mondétour, zooals men zich herinnert, de eenige
uitgang, dien Enjolras naar buiten behouden had. Om den hoek van het
laatste huis, links, stak hij het hoofd vooruit en schouwde in dat
gedeelte der straat Mondétour.
Even voorbij den donkeren hoek der steeg en der straat Chanvrerie,
die een breede schaduw wierp, waarin hij zelf verscholen was, zag hij
op de straat een lichtschijnsel, op weinig afstand van de herberg,
en daarachter een lampion, die in een soort van ruwen muur flikkerde,
en gehurkte mannen met geweren op hun knieën. Dat alles was op tien
ellen afstands van hem.
't Was het binnenste der barricade.
De huizen ter rechterzijde der steeg verborgen hem het overige der
herberg, de groote barricade en de vlag.
Marius had nog slechts één schrede te doen.
Toen zette de ongelukkige jongeling zich op een straatpaal, sloeg de
armen over elkander en dacht aan zijn vader.
Hij dacht aan den heldhaftigen kolonel Pontmercy, die zulk een fier
soldaat was geweest, die onder de Republiek Frankrijks grenzen
bewaakt, en onder den Keizer de grenzen van Azië betreden had;
die Genua, Alexandrië, Milaan, Turijn, Madrid, Weenen, Dresden,
Berlijn, Moskou had gezien; die op al de zegerijke slagvelden van
Europa droppels van hetzelfde bloed had gestort, dat hij, Marius,
in zijn aderen had; die vóór den tijd grijs was geworden in de
krijgstucht en het bevelhebberschap; die met vastgegespten gordel,
afhangende epauletten, door kruitdamp zwart geworden kokarde, door den
helm gerimpeld voorhoofd, in de barak, in het kamp, op het bivouak,
in de hospitalen geleefd had, en na verloop van twintig jaren uit de
groote oorlogen terug was gekeerd met naden in de wang, glimlachende
oogen, eenvoudig, rustig, bewonderenswaardig, rein als een kind,
die alles voor, en niets tegen Frankrijk had gedaan.
Hij zeide bij zich zelven, dat thans ook zijn dag was gekomen, zijn
uur eindelijk had geslagen, dat ook hij, na zijn vader, dapper,
onversaagd, stoutmoedig zou zijn, de kogels te gemoet gaan, de
bajonetten zijn borst tegenhouden, zijn bloed vergieten, den vijand,
den dood zoeken, op zijn beurt strijden, en het slagveld betreden,
en dat het slagveld, 't welk hij ging betreden, de straat, en dat de
strijd, dien hij aanging, de burgeroorlog was!
Hij zag den burgeroorlog als een gapenden afgrond voor zich en hij
zou er zich instorten.
Toen overviel hem een huivering.