"Ja, mijn goede mijnheer Courfeyrac. Ach, goede God, wilt ge mij

ook deze tafel op dat leelijke ding zetten? Niet alleen wegens het

bedkleedje, maar ook wegens een bloempot, die uit het dakvenster op de

straat viel, heeft het gouvernement mij met honderd francs beboet. Is

't geen schandelijkheid?"

"Nu, moeder Hucheloup, wij zullen u wreken."

Moeder Hucheloup scheen niet goed te begrijpen, wat zij bij deze wijze

van schadevergoeding winnen zou. Zij was tevreden, op de wijze dier

Arabische vrouw, welke van haar man een klap hebbende ontvangen,

zich bij haar vader beklaagde, wraak eischte en zeide: "Vader, ge

zijt mijn man een beleediging voor zijn beleediging schuldig." De

vader vroeg: "Op welke wang hebt ge den klap ontvangen?"--"Op de

linkerwang." De vader gaf haar een slag op de rechterwang zeggende:

"Nu zijt ge voldaan. Ga uw man zeggen, dat hij mijn dochter een klap

heeft gegeven, maar dat ik zijn vrouw terug heb geslagen."

De regen had opgehouden. Er was versterking aangekomen. Werklieden

hadden onder hun kielen een tonnetje buskruit, een mand met

flesschen vitriool, twee of drie flambouwen en een menigte lampions,

de overblijfsels van het feest des Konings, gebracht, welk feest

onlangs, namelijk den 1sten Mei, gevierd was. Men zeide, dat deze

amunitie vanwege een kruidenier uit de voorstad St. Antoine, genaamd

Pepin, kwam. Men verbrak de eenige lantaarn in de straat Chanvrerie,

de daarop volgende lantaarn in de straat St. Dénis en al de lantaarns

in de omliggende straten: Mondétour, du Cygne, des Prêcheurs, en der

groote en kleine Truanderie.

Enjolras, Combeferre en Courfeyrac bestuurden alles. Nu werden twee

barricaden tegelijkertijd opgeworpen, die beide tegen het huis

Corinthe steunden en een rechthoek vormden; de grootste sloot de

straat Chanvrerie, de andere de straat Mondétour aan de zijde van de

Zwanestraat. Deze laatste, zeer smalle barricade was slechts uit tonnen

en straatsteenen samengesteld. Er waren omstreeks vijftig werklieden;

waarbij een dertigtal met geweren gewapend; want onderweg hadden zij

al wat een zwaardvegerswinkel bevatte, geleend.

Men kan zich niets grilliger en bonter voorstellen dan dezen troep. De

een droeg een buis, een sabel en twee ruiterpistolen; een ander

was in hemdsmouwen en had een ronden hoed op en een kruithoorn op

zijde; een derde was met negen vel grauw papier geharnast en met een

zadelmakersels gewapend. Een schreeuwde: "Verdelgen wij allen en sneven

wij op de punt onzer bajonnetten!" deze had geen bajonnet. Een ander

droeg over zijn jas den koppel en de patroontasch van een nationale

garde, op het foudraal van welke patroontasch in roode wol dit

opschrift stond: "Openbare orde." Er waren veel geweren met de nummers

der legioenen, weinig hoeden, geen dassen, veel naakte armen, eenige

pieken, lieden van allerlei ouderdom, allerlei gezichten; bleeke,

kleine jongelingen, bronskleurige kaaiwerkers. Allen haastten zich;

en terwijl men elkander hielp, sprak men van de mogelijke kansen;

dat men tegen drie uren 's morgens hulp zou hebben, dat men van een

regiment zeker was; dat geheel Parijs in opstand zou komen. Vreeselijke

gesprekken, waaronder zich een soort van hartelijke vroolijkheid

mengde. Men zou gezegd hebben, dat het broeders waren; maar zij kenden

zelfs elkanders namen niet. De groote gevaren hebben dit schoone,

dat zij de broederschap van onbekenden in het licht stellen.

In de keuken was een vuur ontstoken, en men goot in een vorm kogels

van tinnen potten, lepels, vorken en van al het tinwerk, dat in de

herberg voorhanden was. Onder dit alles dronk men. De knalhoedjes en

kogels lagen op de tafels tusschen de wijnglazen. In de biljartkamer

waren vrouw Hucheloup, Matelotte en Gibelotte, ieder op verschillende

wijze door den schrik bevangen, de eene versuft, de andere hijgend,

de derde levendig, bezig oud linnen te scheuren en pluksel te maken,

hierbij geholpen door drie opstandelingen, harige, gebaarde snaken,

die met naaistershanden het linnen plozen en de vrouwen deden beven.

De man met de rijzige gestalte, dien Courfeyrac, Combeferre en

Enjolras hadden opgemerkt, juist toen hij zich aan den hoek der

Billettes bij den hoop voegde, werkte aan de kleine barricade en

maakte er zich nuttig. Gavroche werkte aan de groote. De knaap, die

Courfeyrac in diens woning gewacht en naar mijnheer Marius gevraagd

had, was omstreeks het oogenblik verdwenen, toen men den omnibus

omver had geworpen.

Gavroche, die geheel opgewekt en verheugd was, liep heen en weder,

naar boven, naar beneden, juichte en zong. Hij scheen er te zijn

om allen aan te moedigen. Had hij een prikkel? ja, gewis, zijn

blijdschap. Men zag, men hoorde Gavroche immer. Hij vervulde de lucht

en was overal tegelijk. Stilstand was voor hem onmogelijk. De groote

barricade voelde hem op haar rug. Hij plaagde de gapers, spoorde de

luiaards aan, wekte de vermoeiden op, maakte de denkers levendig,

vervroolijkte dezen, bracht genen tot adem, anderen in toorn, allen

in beweging; hier spotte hij met een student, daar tergde hij een

werkman; vloog, stond stil, ijlde door het gewoel en den arbeid,

sprong van het een op het ander, floot, gonsde en plaagde allen;

hij was de vlieg van de revolutionnaire koets.

De eeuwigdurende beweging was in zijn kleine armen en het eeuwigdurend

geschreeuw in zijn kleine longen.

"Moedig! nog meer keien! nog meer tonnen! nog meer voorwerpen!

waar zijn ze? Hier met een mand gruis om deze opening te dichten. Ze

is klein, uw barricade. Ze moet hooger zijn. Legt en werpt er alles op,

steekt er alles in. Breekt het huis af. Ha! zie hier een glazen deur!"

Dit deed de werklieden uitroepen:

"Een glazen deur! wat zullen wij met een glazen deur uitvoeren, knaap?"

"Een glazen deur is uitmuntend voor een barricade. Het belet wel niet

dat men ze aanvalt, maar hindert om ze te nemen. Zijt ge dan nooit

over een muur, waarop glasscherven lagen, geklauterd, om appels te

kapen. Een glazen deur snijdt de likdoorns der nationale garde af,

wanneer zij de barricade wil beklimmen. Verduiveld! het glas is

verraderlijk. Uw verbeelding, kameraads! is niet zeer sterk; ge

begrijpt niets."

Overigens was hij verwoed op zijn pistool zonder haan. Hij ging van den

een tot den ander en eischte een geweer: "Ik wil een geweer!" riep hij,

"waarom geeft men mij geen geweer?"

"Gij een geweer!" zei Combeferre.

"Waarom niet?" hernam Gavroche; "ik had er een in 1830, toen men met

Karel X plukhaarde!"

Enjolras haalde de schouders op en zeide:

"Wanneer de mannen er allen hebben, zal men ze aan de kinderen geven."

Gavroche wendde zich fier om en antwoordde:

"Zoo ge vóór mij sneuvelt, neem ik het uwe."

"Straatjongen!" zei Enjolras.

"Melkmuil!" zei Gavroche.

Een pronker, die, naar hier verdwaald, aan het einde der straat

slenterde, gaf een afleiding.

Gavroche riep hem toe:

"Voeg u bij ons, jongmensch. Nu! wilt ge dan niets voor het oude

vaderland doen?"

De pronker maakte zich schielijk uit de voeten.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE TOEBEREIDSELEN.

De dagbladen van dien tijd, welke zeiden, dat de barricade der

straat Chanvrerie, "dit schier oninneembare gewrocht," zooals zij

't noemden, tot aan de eerste verdieping van een huis reikte, hebben

zich vergist. Zij was werkelijk niet hooger dan zes of zeven voet. Zij

was zoodanig opgeworpen, dat de strijders of er achter verdwijnen, of

de versperring beheerschen konden, en zelfs er den top van bestijgen,

langs vier rijen straatsteenen, die van binnen als een trap opeen

waren gestapeld. Van buiten had het front der barricade, welke, uit

stapels straatsteenen en tonnen samengesteld, door balken en planken

verbonden was, die in de wielen der kar van Anceau en den omvergeworpen

omnibus waren gestoken, een steil, ontoegankelijk voorkomen.

Een opening, genoegzaam om één persoon door te laten, was tusschen

den muur der huizen en het einde der barricade gelaten, waardoor

men er kon in- en uitgaan. De boom van den omnibus was met touwen

overeind gebonden, en een roode vlag, daaraan vastgehecht, wapperde

boven de barricade.

De kleine barricade Mondétour, die achter de herberg was verborgen,

viel niet in 't gezicht. Deze beide vereenigde barricaden vormden

een wezenlijke redoute. Enjolras en Courfeyrac hadden het onnoodig

geoordeeld het ander gedeelte der straat Mondétour te barricadeeren,

dat in de straat des Prêcheurs op de Halles uitloopt, vermoedelijk om

zoo mogelijk een gemeenschap met buiten te behouden, en weinig beducht

van in de gevaarlijke en moeielijke steeg des Prêcheurs aangevallen

te worden.

Uitgezonderd dezen opengebleven uitgang, benevens de enge snijding

in de straat Chanvrerie, vertoonde het inwendige der barricade,

waarin de herberg uitliep, een aan alle zijden gesloten onregelmatig

vierkant. Tusschen de groote versperring en de hooge huizen, die den

achtergrond der straat vormden, was een ruimte van omstreeks twintig

schreden, zoodat de barricade gezegd kon worden tegen deze huizen te

leunen, die alle bewoond, doch van onder tot boven gesloten waren.

Dit geheele werk werd zonder eenige belemmering in minder dan een uur

voltooid, en zonder dat deze handvol stoutmoedige mannen een berenmuts

of bajonnet zagen te voorschijn komen. De weinige burgers, welke zich

op dit tijdstip van het oproer nog in de straat St. Denis waagden,

sloegen een blik in de straat Chanvrerie, bespeurden de barricade en

versnelden hun schreden.

Toen de twee barricaden voltooid waren en de vlag er van woei, droeg

men een tafel uit de herberg, en Courfeyrac klom op die tafel. Enjolras

bracht het vierkante koffertje en Courfeyrac opende het. Dat koffertje

was vol patronen. Toen men de patronen zag, doorliep een rilling

zelfs de moedigsten, en er ontstond een oogenblik stilte.

Glimlachend deelde Courfeyrac ze uit.

Ieder ontving dertig patronen. Velen hadden buskruit en maakten er nog

meer patronen van, met de kogels, die men goot. Het vaatje buskruit

stond ter zijde op een andere tafel bij de deur, en men hield dit

in voorraad.

De alarmtrom, die door geheel Parijs werd geslagen, hield niet op,

doch eindelijk werd dit voor hen een eentonig geluid, waarop zij geen

acht meer sloegen. Nu eens verwijderde het zich, dan kwam het weer

nader, met sombere afwisseling van toon.

Men laadde de karabijnen en geweren zonder overijling en met ernstige

plechtigheid. Enjolras plaatste drie schildwachten buiten de barricade,

een in de straat Chanvrerie, de tweede in de Predikerstraat, de derde

aan den hoek der kleine Truanderie.

Toen nu de barricades gereed, de posten aangewezen, de geweren

geladen, de schildwachten uitgezet waren, wachtten zij gewapend,

stoutmoedig, gerust, alleen in deze vreeselijke straten, waar niemand

meer kwam, omgeven door deze doodsche, als uitgestorven huizen,

waarin geen menschelijk leven vernomen werd, gehuld in de toenemende

avondschaduwen, te midden van deze duisternis en stilte, waarin men

iets onheilspellends en schrikbarends voelde naderen.

ZESDE HOOFDSTUK.

IN AFWACHTING.

Wat deden zij in deze uren van afwachting?

Wij moeten het zeggen, wijl het tot de geschiedenis behoort.

Terwijl de mannen patronen en de vrouwen pluksel maakten, terwijl

een groote ketel vol gesmolten tin en lood, bestemd om er kogels van

te gieten, op een gloeiend komfoor rookte, terwijl de schildwachten

met het geweer in den arm op de barricade stonden, terwijl Enjolras,

dien niets kon afleiden, het oog op de schildwachten hield, gingen

Combeferre, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Feuilly, Bossuet, Joly,

Bahorel en eenige anderen tot elkander en vereenigden zich, als in de

zorgelooste dagen van hun studententijd, en in den hoek van deze in

een kazemat veranderde herberg, op een paar schreden van de redoute,

welke zij hadden opgericht, terwijl hun geladen geweren tegen den

rug van hun stoel stonden, begonnen deze zoo schoone jongelingen,

zoo nabij hun laatsten oogenblik misschien, liefdesgedichten te

reciteeren, als deze:

Vous rappelez-vous notre douce vie

Lorsque nous étions si jeunes tous deux,

Et que nous n'avions au coeur d'autre envie

Que d'être bien mis et d'être amoureux!

Lorsqu'en ajoutant votre âge à mon âge,

Nous ne comptions pas à deux quarante ans,

Et que, dans notre humble et petit ménage,

Tout, même l'hiver, nous était printemps!

Beaux jours! Manuel était fier et sage,

Paris s'asseyait à de saints banquets,

Foy lançait la foudre, et votre corsage

Avait une épingle où je me piquais.

Tout vous contemplait. Avocat sans causes.

Quand je vous menais au Prado dîner,

Vous étiez jolie au point que les roses

Me faisaient l'effet de se retourner.

Je les entendais dire: est-elle belle!

Comme elle sent bon! quels cheveux à flots

Sous son mantelet elle cache une aile;

Son bonnet charmant est à peine éclos.

J'errais avec toi, pressant ton bras souple.

Les passants croyaient que l'amour charmé

Avait marié, dans notre heureux couple.

Le doux mois d'avril au beau mois de mai.

Nous vivions cachés, contents, porte close,

Dévorant l'amour, bon fruit défendu;

Ma bouche n'avait pas dit une chose

Que déjà ton coeur avait répondu.

La Sorbonne était l'endroit bucolique

Où je t'adorais du soir au matin.

C'est ainsi qu'une âme amoureuse applique

La carte du Tendre au pays Latin.

O place Maubert! O place Dauphine!

Quand, dans le taudis frais et printanier,

Tu tirais ton bas sur ta jambe fine,

Je voyais un astre au fond du grenier.

J'ai fort lu Platon, mais rien ne m'en reste

Mieux que Malebranche et que Lamennais

Tu me démontrais la bonté céleste

Avec une fleur que tu me donnais.

Je t'obéissais, tu m'étais soumise.

O grenier doré! te lacer! te voir

Aller et venir dès l'aube en chemise,

Mirant ton front jeune à ton vieux miroir!

Et qui donc pourrait perdre la mémoire

De ces temps d'aurore et de firmament,

De rubans, de fleurs, de gaze et de moire,

Où l'amour bégaie un argot charmant!

Nos jardins étaient un pot de tulipe;

Tu masquais la vitre avec un jupon;

Je prenais le bol de terre de pipe,

Et je te donnais la tasse en japon.

Et ces grands malheurs qui nous faisaient rire

Ton manchon brûlé, ton boa perdu!

Et ce cher portrait du divin Shakespeare

Qu'un soir pour souper nous avons vendu.

J'étais mendiant, et toi charitable.

Je baisais au vol tes bras frais et ronds.

Dante in-folio nous servait de table

Pour manger gaîment un cent de marrons.

La première fois qu'en mon joyeux bouge,

Je pris un baiser à ta lèvre en feu,

Quand tu t'en alias décoiffée et rouge,

Je restai tout pâle et je crus en Dieu!

Te rappelles-tu nos bonheurs sans nombre,

Et tous ces fichus changés en chiffons!

Oh! que de soupirs, de nos coeurs pleins d'ombre,

Se sont envolés dans les cieux profonds! [10]

Het uur, de plaats, deze herinneringen der jeugd, eenige sterren

die aan den hemel begonnen te fonkelen, de doodsche stilte op de

eenzame straten, de nabijheid van het onvermijdelijke avontuur, dat

zich voorbereidde, dit alles gaf een opwekkende bekoorlijkheid aan

deze halfluid in de avondschemering gefluisterde verzen door Jean

Prouvaire, die, zooals gezegd is, een teeder dichter was.

Men had intusschen in de kleine barricade een lampion ontstoken,

en in de groote een dier dikke wasflambouwen, zooals men ze op

vastenavond voor de rijtuigen ontmoet, welke met gemaskerden beladen

naar de Courtille gaan. Men weet, dat deze flambouwen uit de voorstad

St. Antoine kwamen.

Deze toorts stond in een soort van kooi, van straatsteenen gemaakt,

die aan drie zijden gesloten was, om ze tegen den wind te beschutten,

en ze was zoodanig geplaatst, dat al haar licht op de vlag viel,

terwijl de straat en de barricade in de duisternis bleven, zoodat men

niets zag dan de roode vlag, die als door een groote dievenlantaarn

verlicht scheen.

Dat licht gaf aan de roode vlag een onbeschrijfelijk vreeselijken

purpergloed.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE MAN, DIEN MEN IN DE BILLETTES-STRAAT HAD ONTMOET.

De nacht was nu gedaald, maar niets kwam. Men hoorde slechts verwarde

geluiden, en nu en dan eenig geweergeknetter, dat echter niet aanhield

en op verren afstand was.

Dit lang toeven was een bewijs dat het gouvernement den tijd gebruikte

om zijn krachten te verzamelen. Deze vijftig mannen wachtten er

zestig-duizend af.

Enjolras was door dat ongeduld bevangen, 't welk sterke zielen

aangrijpt voor den aanvang van gewichtige gebeurtenissen. Hij

begaf zich tot Gavroche, die bezig was in het benedenvertrek

patronen te maken, bij het flauwe licht van twee kaarsen, die hij

voorzichtigheidshalve op de toonbank had gezet, dewijl het buskruit

op de tafels lag. De twee kaarsen wierpen niet den minsten schijn

naar buiten. Bovendien hadden de opstandelingen gezorgd geen licht

op de bovenverdiepingen te ontsteken.

Gavroche had op dit oogenblik zijn gedachten op iets anders dan wel

op zijn patronen gevestigd.

De man van de straat des Billettes was binnengekomen en had zich aan

het minst verlichte tafeltje geplaatst. Er was hem een munitie-geweer

van groot model uitgereikt, dat hij tusschen de knieën hield. Gavroche,

die tot hiertoe aan honderd "aangename" dingen had gedacht, had den

man niet eens gadegeslagen.

Toen hij binnenkwam, volgde Gavroche hem werktuiglijk met de oogen

en bewonderde zijn geweer; toen hij was gaan zitten, sprong de

straatjongen eensklaps overeind. Zij, die tot dat oogenblik den

man hadden bespied, zouden ontdekt hebben, dat hij met bijzondere

opmerkzaamheid alles in de barricade en in den troep muitelingen had

opgenomen; sedert hij echter 't vertrek was binnengetreden, had hij

zich aan een soort van stille overpeinzing overgegeven en scheen

niets te zien van 't geen gebeurde. De straatjongen naderde dien

mijmerenden persoon en draaide op de teenen om hem heen, evenals men

om iemand gaat, dien men vreest te wekken. Tegelijkertijd vertoonden

zich op zijn kinderlijk gelaat, dat zoo onbeschaamd en zoo ernstig

tevens, zoo lichtzinnig en zoo diep, zoo vroolijk en zoo treurig

was, achtereenvolgens al de trekken, die uitdrukken: "Haha!--niet

mogelijk!--ik ben blind!--ik droom!--zou hij het zijn?--neen, hij

is 't niet!--maar toch!--maar neen!" enz. enz. Gavroche wipte op

zijn teenen, balde zijn handen in zijn zakken, bewoog den hals als

een vogel, en stak de onderlip vooruit. Hij was verbaasd, onzeker,

twijfelend, overtuigd, begoocheld. Hij had het voorkomen van den chef

der gesnedenen op de slavenmarkt, die onder een tal logge vrouwen een

Venus ontdekt, of van een kunstkenner, die onder een hoop kladwerk een

Raphaël vindt. Alles was in hem werkzaam, het instinct, dat opspoort,

en het verstand, dat verbindt. Het was duidelijk, dat Gavroche iets

op zijn hart had.

't Was te midden dezer bezigheid, dat Enjolras hem naderde.

"Gij zijt klein," zei Enjolras. "Men zal u niet zien. Ga uit de

barricade, sluip langs de huizen: neem de straten een weinig op en

kom mij zeggen wat er geschiedt."

Gavroche hief zich op de teenen.

"Ha! de kleinen zijn dan toch tot iets goed! 't Is zeer gelukkig. Ik

ga! Vertrouw intusschen de kleinen en wantrouw de grooten...."

Hij richtte het hoofd op en voegde er op gesmoorden toon bij, terwijl

hij op den man der Billettes-straat wees:

"Ziet ge dien groote?"

"Nu?"

"'t Is een stille verklikker."

"Zijt ge er zeker van?"

"Nog geen veertien dagen geleden, trok hij mij bij het oor van de

kornis der Koningsbrug, waar ik een luchtje schepte."

Enjolras verwijderde zich haastig van den straatjongen en fluisterde

zeer zacht een dichtbij staanden werkman van de Wijnhaven eenige

woorden toe. De werkman verliet het vertrek, en kwam zeer spoedig

weder binnen, vergezeld van drie anderen. De vier mannen, sjouwers met

breede schouders, plaatsten zich, zonder iets te doen dat de aandacht

van den man der Billettes-straat kon trekken, achter de tafel waaraan

hij zat. Zij waren blijkbaar gereed zich op hem te werpen.

Toen naderde Enjolras den man en vroeg hem:

"Wie zijt gij?"

Bij deze plotselinge vraag, richtte de man zich verschrikt op. Hij

boorde zijn blik tot in het diepst van Enjolras' eerlijk oog en

scheen er zijn gedachte in uit te vorschen. Met een glimlach, die de

verachtelijkste, krachtigste en stoutmoedigste uitdrukking der wereld

had, antwoordde hij met trotschen ernst:

"Ik zie wat het is... Nu, ja!"

"Gij zijt een spion?"

"Ik ben agent van het gezag."

"Hoe heet gij?"

"Javert."

Enjolras gaf dezen vier mannen een teeken. In een oogwenk, vóór dat

Javert den tijd had zich om te keeren, werd hij bij den kraag gevat,

op den grond geworpen, gekneveld en onderzocht.

Men vond bij hem een klein rond kaartje, tusschen twee glazen gevat,

waarop aan de eene zijde het wapen van Frankrijk met dit opschrift:

"Toezicht en waakzaamheid" (surveillance et vigilance) en aan de

andere zijde deze woorden: "Javert, inspecteur van politie, oud

twee-en-vijftig jaar;" met de handteekening van den toenmaligen

prefect van politie Gisquet.

Bovendien had hij zijn horloge en zijn beurs, welke eenige goudstukken

bevatte. Men liet hem horloge en beurs. In het horlogezakje voelde

men en nam er een briefje in een omslag uit, dat Enjolras opende

en waarop hij deze regels las, die eigenhandig door den prefect van

politie geschreven waren:

"De inspecteur van politie Javert zal, zoodra hij zijn staatkundigen

last vervuld heeft, zich door een bijzonder toezicht overtuigen of

het waar is, dat kwaadwilligen op den rechteroever der Seine bij de

Jenabrug iets uitvoeren."

Na het onderzoek liet men Javert weder opstaan, bond hem met de

armen op den rug in het midden van het benedenvertrek aan een kolom,

die vroeger haar naam aan de herberg had gegeven.

Gavroche, die het gansche tooneel bijgewoond en met stillen hoofdknik

alles goedgekeurd had, naderde Javert en zeide hem:

"Zoo heeft de muis de kat gegrepen."

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat het gedaan was eer

men er buiten de herberg iets van gemerkt had. Javert had geen kreet

gelaten. Toen men Javert aan de kolom zag gebonden, kwamen Courfeyrac,

Bossuet, Joly, Combeferre en de mannen, die zich tusschen de barricaden

bevonden, toeloopen.

Javert, die zoodanig met touwen aan den paal was gebonden, dat hij

zich niet verroeren kon, richtte het hoofd op, met de deemoedige

gerustheid van iemand, die nooit gelogen heeft.

"'t Is een spion," zei Enjolras.

En zich tot Javert wendende:

"Gij zult doodgeschoten worden, twee minuten voor de barricade

ingenomen wordt."

Javert antwoordde op zijn meest barschen toon:

"Waarom niet dadelijk?"

"Wij moeten zuinig zijn met het kruit."

"Maak er dan met een mes een einde aan."

"Spion," zei de schoone Enjolras, "wij zijn rechters en geen

moordenaars."

Toen riep hij Gavroche...

"Gij, ga aan uw werk! Doe wat ik u gezegd heb."

"Ik ga," riep Gavroche.

En op het punt van heen te gaan, zeide hij:

"Apropos, geef mij zijn geweer! Ik laat u den muzikant, maar geef

mij de klarinet."

De straatjongen sloeg als militair aan en ijlde vroolijk door de

snijding der groote barricade.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VERSCHEIDENE VRAAGTEEKENS BETREFFENDE EEN ZEKEREN LE CABUC, DIE

MISSCHIEN NIET LE CABUC HEETTE.

De treurige schildering, welke wij ondernomen hebben, zou niet

volledig zijn en den lezer niet in de juiste en ware omtrekken deze

grootsche oogenblikken van maatschappelijk zieltogen en revolutionnaire

worsteling vertoonen, waar stuiptrekking aan kracht is gepaard, zoo wij

in deze schets een voorval oversloegen, vol epische afgrijselijkheid

en woestheid, dat schier onmiddellijk na Gavroches vertrek plaats had.

Zooals men weet vormen de samenscholingen een soort van sneeuwbal,

die in haar voortrollen hoopen onrustige mannen medesleept. Deze

vragen elkander niet van waar zij komen. Onder de voorbijgangers,

die zich gevoegd hadden bij den troep welken Enjolras, Combeferre

en Courfeyrac aanvoerden, was iemand in 't buis van een sjouwer,

dat aan de ellebogen versleten was, die allerlei gebaren maakte,

vloekte en het voorkomen van een woesten dronkaard had. Deze man,

Le Cabuc genoemd, of bijgenaamd, overigens geheel onbekend aan hen

die beweerden hem te kennen, zeer dronken of veinzende het te zijn,

had zich met anderen aan een tafel geplaatst, welke zij buiten de

herberg hadden gehaald. Terwijl deze Cabuc de bij hem zittenden tot

drinken aanspoorde, scheen hij nauwkeurig het groote huis achter de

barricade te beschouwen, welks vijf verdiepingen de geheele straat

tegenover de straat Saint Denis bestreken. Eensklaps riep hij:

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 23 / 28 段