Parijs het onderst boven ligt? Men ziet duidelijk, dat hier eertijds
alles klooster was! Du Breuil en Sauval en de abbé Leboeuf geven er de
lijst van. Overal in den omtrek waren er, het wemelde van geschoeiden
en ongeschoeiden, van geschorenen en gebaarden, van grijzen, zwarten,
witten, van Franciscanen, Minderbroeders, Capucijnen, Karmelieten,
kleine Augustijners, groote Augustijners, oude Augustijners... Het
krioelde."
"Spreken wij niet van monniken," viel Grantaire hem in de rede;
"men voelt lust zich te krabben."--Daarop riep hij uit: "Ha, welk
een leelijke oester; ik word er akelig van. De oesters zijn bedorven,
de dienstmeiden zijn leelijk. Ik haat het menschelijk geslacht. Zoo
aanstonds ging ik in de straat Richelieu voorbij de groote openbare
bibliotheek. De hoop oesterschelpen, welken men een bibliotheek
noemt, maakt mij afkeerig van het denken. Hoeveel papier! hoeveel
inkt! hoeveel gekrabbel! Hoeveel heeft men al geschreven! Welk domoor
heeft toch gezegd, dat de mensch een ongevederd tweevoetig dier is? En
toen ontmoette ik een meisje dat ik kende, schoon als de lente en
waardig Flora te heeten; zij was verrukt, verheugd, gelukkig als in
den hemel, de rampzalige, wijl gisteren een schrikkelijk leelijke,
pokdalige bankier zich verwaardigd heeft haar aan te nemen. Ach, de
vrouw loert evenzeer op den ouden rijkaard als op den jongen pronker;
de katten maken zoowel jacht op de muizen als op de vogels. Geen
twee maanden geleden was dit juffertje nog zeer deugdzaam op haar
vlieringkamertje, zij maakte koperen vetergaten in corsetten; hoe
heet dat ook? Zij naaide, had een matras tot bed, woonde met een
bloempot en was tevreden. Nu is zij bankierster. Deze herschepping
is van nacht volbracht. Ik heb dit slachtoffer dezen morgen ontmoet;
ze was heel vroolijk. 't Is jammer, dat het meisje heden even mooi
was als gisteren. Men kan 't haar niet aanzien, dat zij een bankier
behoort. De rozen hebben dit boven of beneden de vrouwen, dat men op de
rozen de sporen zien kan, welke de rupsen op haar achterlaten. Ach! er
is op aarde geen zedelijkheid: ik neem de myrth, het symbool der
liefde, den laurier, het symbool des oorlogs, den olijftak, dat malle
symbool des vredes, den appelboom, die met zijn pippeling Adam tot
den val bracht, en den vijgeboom, den grootvader der onderrokken,
tot getuigen. En het recht, vraagt ge naar het recht? O! in de wereld
heerscht slechts het geweld. Hoeveel roofdieren, hoeveel arenden zijn
er! Er gaat mij een huivering van door de leden!"
Hij reikte Joly zijn glas, die het vulde; hij dronk, en zonder
zich zelfs door dit glas wijn in zijn rede te laten afbreken, ging
hij voort:
"Brennus, die Rome neemt, is een arend; de bankier, die de grisette
neemt, is een arend. Hier is evenmin schaamte als daar. Wij gelooven
dus aan niets: dit ééne slechts is waar: het drinken. Welke uwe
meening zijn moge, om 't even of gij met het kanton Uri voor den
mageren haan of met het kanton Glaris voor den vetten haan zijt,
drink. Ge spreekt mij van den boulevard, van den lijkstoet, en zoo
voorts. Welzoo, er zal dus weder een revolutie zijn? Deze behoefte
aan hulpmiddelen verwondert mij vanwege den goeden God. Hij moet elk
oogenblik weder het raderwerk der gebeurtenissen smeren. Het haakt,
het loopt niet. Spoedig een revolutie! De goede God heeft immer
zwarte handen van dat vuile wagensmeer. In zijn plaats zou ik de
zaak eenvoudiger behandelen en niet telkens mijn machine opwinden;
ik zou regelrecht het menschdom bestieren, en de mazen doorbreien,
zonder den draad te breken; ik zou geen buitengewone hulpmiddelen
aanwenden. Wat gijlieden den vooruitgang noemt, beweegt zich door twee
drijfveeren, de menschen en de gebeurtenissen. Maar, 't is treurig,
telkens zijn buitengewone tusschenkomsten noodig. Zoowel voor de
gebeurtenissen als voor de menschen is het gewone niet voldoende;
de menschen hebben genieën, de gebeurtenissen revolutiën noodig. De
groote toevalligheden zijn wet; de orde der dingen kan ze niet missen;
en bij de verschijning der kometen, zou men haast gelooven, dat de
hemel zelf buitengewone acteurs noodig heeft. Onverwachts, zonder
dat men het vermoedt, plakt God een luchtverschijnsel aan den zolder
van het firmament; er komt hier of daar een wonderbare ster met een
ontzaggelijken staart te voorschijn, en dan sterft Cesar. Brutus geeft
hem een dolksteek en God een komeetslag. Ha! ziedaar een noorderlicht,
een revolutie, een groot man, 93 in kapitale letters, Napoleon als
schildwacht, de komeet van 1811 boven op het affiche. O, welk een fraai
blauw aankondigingsbiljet vol met plotselinge vonken gesternd! Bom,
bom! Buitengewone voorstelling. Slaat op de oogen, gapers! Alles
loopt in 't wild; de ster zoowel als het drama. Goede God! 't is te
veel en niet genoeg. Deze buitengewone hulpmiddelen schijnen heerlijk
en zijn armzalig. Mijn vrienden, de Voorzienigheid moet reeds tot
hulpmiddelen haar toevlucht nemen. Wat bewijst een revolutie? Dat
God ten einde raad is. Hij doet een staatsgreep, wijl de draad van
het tegenwoordige en toekomstige afgebroken is en wijl hij, God, de
beide einden niet heeft kunnen samenknoopen. Dit trouwens bevestigt
mij in mijn gissingen nopens den toestand van Jehova's vermogen;
ziet men boven en onder zooveel misnoegdheid, zooveel ongerijmdheid,
laagheid, gemeenheid en nood in den hemel en op aarde, van den vogel
af, die geen graankorreltje heeft, tot mij, die geen honderd duizend
francs rente bezit, ziet men het menschelijk lot, dat zeer versleten,
zelfs het koninklijk lot, dat armzalig is, getuige den gehangen
prins van Condé; ziet men den winter, die niets anders is dan een
scheur in het Zenith, door welke de wind blaast, ziet men zoovele
lompen zelfs in het geheel nieuwe ochtendpurper op de heuveltoppen;
ziet men de dauwdroppels, die valsche paarlen; ziet men den rijp,
dat valsche edelgesteente; ziet men de gescheurde menschheid en de
gelapte gebeurtenissen en zooveel vlekken in de zon en zooveel gaten
in de maan, overal zooveel ellende, dan veronderstel ik, dat God niet
rijk is. 't Is waar, hij maakt vertoon, maar ik zie er armoede in. Hij
geeft een revolutie, gelijk een koopman wiens geldkist ledig is een
bal geeft. Men moet de goden niet naar den schijn beoordeelen. Onder
het verguldsel des hemels onderken ik een arm heelal. De schepping
maakt bankroet. Daarom ben ik ontevreden. Zie, 't is heden de 5
Juni en schier nacht; sinds van ochtend wacht ik of het licht wordt;
't wordt niet licht en ik wed dat het den geheelen dag niet licht zal
worden. 't Is de achteloosheid van een slecht bezoldigd bediende. Ja,
alles is slecht geregeld, niets past op elkander, deze oude wereld is
geheel uit de naden; ik ga over tot de oppositie. Alles gaat verkeerd;
het heelal is kibbelend. 't Is als met de kinderen; zij die ze willen,
hebben ze niet; zij die ze niet begeeren, krijgen ze. Kortom: ik ben
kwaad. Bovendien verdriet mij het gezicht van den arend van Meaux,
dien kaalkop. De gedachte, dat ik van denzelfden ouderdom ben als
die bloote knie! Overigens critiseer ik, maar beleedig niet. Het
heelal is wat het is. Ik spreek zonder kwade bedoelingen en om mijn
geweten te bevredigen. Ontvang, eeuwige vader, de verzekering mijner
bijzondere hoogachting. O, bij alle heiligen van den Olymp en bij
alle goden van het Paradijs, ik was niet geschapen om Parijzenaar te
zijn, dat wil zeggen, om eeuwig als een bal tusschen twee raketten
van den groep der straatslijpers naar den groep der rumoermakers te
worden geworpen. Ik was geboren om Turk te zijn, om den geheelen
dag oostersche schoonen die weelderige Egyptische dansen te zien
uitvoeren, welke veel van de droomen eens kuischen mans hebben; of
een boer van Beauce, of een Venetiaansch edelman, omgeven van een
aantal edele jonkvrouwen, of een Duitsch vorstje, die de helft van
een infanterist aan den Duitschen bond levert en zijn ledigen tijd
verdrijft met zijn sokken op zijn heg, dat wil zeggen op zijn grenzen,
te laten drogen. Dat was de bestemming waarvoor ik geboren ben. Ja,
ik heb Turk gezegd en ik blijf er bij. Ik begrijp niet, waarom men
gewoonlijk aan het woord Turk een slechten zin geeft; Mahomet heeft
veel goeds; alle achting voor den uitvinder der serails met houri's
en der paradijzen met odalisken! Hoonen wij het Mahomedisme niet,
den eenigen godsdienst, die met een kippenhok prijkt! Ik houd het
overigens met het drinken. De wereld is een groote malligheid. Naar
't schijnt gaan al die ezels vechten, laten zich klappen geven,
midden in den zomer, in de maand Juni, zich doodslaan, terwijl zij
met een meisje aan den arm op het veld de liefelijke geuren van het
gemaaide hooi konden gaan inademen! Waarachtig, men doet al te veel
dwaasheden. Een oude gebroken lantaarn, welke ik zoo even bij een
uitdrager zag, brengt mij op een denkbeeld: Het zou tijd zijn het
menschelijk geslacht te verlichten. Ja, nu word ik weer treurig. Dat
komt ervan, als men zich aan een oester en een revolutie verslikt. Ik
word weder akelig. O! die leelijke oude wereld! Men werkt er zich lam,
men verlaagt er zich, men prostitueert er zich, men doodt er zich,
en men maakt er zich aan gewoon!"
Na deze vlaag van welsprekendheid kreeg Grantaire een welverdiende
vlaag van hoest.
"Van revolutie gesproken," zei Joly, "het schijnt bepaald, dat Marius
verliefd is."
"Weet men op wie?" vroeg Laigle.
"Neen."
"Niet?"
"Neen, zeg ik."
"Marius verliefd!" riep Grantaire. "Ik zie het van hier. Marius is
een nevel en hij zal een damp hebben ontmoet. Marius behoort tot
het dichterlijk geslacht. Wie dichter zegt, zegt dwaas. Thymbraeus
Apollo. 't Moet een raar paartje zijn, Marius met zijn Marie, of zijn
Maria, of zijn Mariëtte, of zijn Marion. Ik kan 't mij verbeelden
wat het is. Een verrukking, waarin men het kussen vergeet. Kuisch
op de aarde, maar verbonden voor de eeuwigheid. 't Zijn zielen met
zintuigen. Zij slapen samen in de sterren."
Grantaire begon zijn tweede flesch en zou misschien een tweede
redevoering hebben begonnen, toen een nieuw wezen uit het vierkante
luik kwam oprijzen. 't Was een kleine havelooze knaap, van ongeveer
tien jaren, met spits gezicht, levendige oogen, ontzaggelijk veel
haar op het hoofd, doornat van den regen en een vergenoegd voorkomen.
De knaap ging zonder aarzeling, hoewel hij geen van de drie kende,
op den Arend van Meaux toe en vroeg:
"Zijt gij mijnheer Bossuet?"
"'t Is mijn bijnaam," antwoordde Laigle. "Wat wilt ge?"
"Een groote blonde heeft mij op den boulevard gezegd: Kent ge moeder
Hucheloup? Ik antwoordde: ja, in de straat Chanvrerie, de weduwe van
den oude. Toen zeide hij tot mij: Ga er heen. Gij zult er mijnheer
Bossuet vinden en hem van mijnentwege A B C zeggen.--'t Is een grap,
die men u speelt, niet waar? Hij heeft mij tien sous gegeven."
"Joly, leen mij tien sous," zei Laigle, en zich tot Grantaire wendende:
"Leen mij tien sous, Grantaire."
Dit maakte twintig sous, welke Laigle aan den knaap gaf.
"Ik dank u, mijnheer," zei het jongetje.
"Hoe heet ge?" vroeg Laigle.
"Navet, de vriend van Gavroche."
"Blijf bij ons," zei Laigle.
"Ontbijt met ons," zei Grantaire.
De knaap antwoordde:
"Ik kan niet; ik behoor bij den optocht; ik moet schreeuwen: weg
met Polignac!"
En strijkvoetend, 't geen de eerbiedigste groet is, ging hij heen.
Toen de knaap weg was, zeide Grantaire: "Dit is een echte straatjongen
van Parijs!"
Intusschen peinsde Laigle; hij zeide halfluid:
"A B C beteekent: Begrafenis van Lamarque."
"De groote blonde," merkte Grantaire op, "is Enjolras, die u laat
waarschuwen."
"Willen wij gaan?" vroeg Bossuet.
"Het regent," zei Joly. "Ik heb gezworen in 't vuur te gaan, maar
niet in 't water. Ik wil niet verkouden worden."
"Ik blijf hier," zei Grantaire. "Ik houd meer van een ontbijt dan
van een lijkkoets."
"Dus: wij blijven," hernam Laigle. "Nu, dan gedronken. Men kan
overigens aan de begrafenis ontbreken, zonder aan het oproer te
ontbreken."
"O! bij het oproer doe ik mee," riep Joly.
Laigle wreef zich de handen:
"Men zal dan nu de revolutie van 1830 gaan verbeteren. Inderdaad zij
drukt en knelt het volk."
"Uw revolutie is mij schier onverschillig," zei Grantaire. "Ik haat
dit gouvernement niet. 't Is de kroon door de slaapmuts getemperd. 't
Is een schepter, die in een parapluie uitloopt. Inderdaad, thans nu ik
er aan denk, en bij de tegenwoordige weersgesteldheid, zou Lodewijk
Filips zijn koningschap tot tweeërlei einden kunnen gebruiken; het
schepter-eind tegen het volk houden, en het parapluie-eind tegen den
hemel openen."
De kamer was donker, en de zwaar betrokken lucht vermeerderde nog de
donkerheid. Er was niemand in de herberg noch op de straat, iedereen
was "naar de gebeurtenissen gaan kijken."
"Is het middag of middernacht?" riep Bossuet. "Men ziet geen hand
voor de oogen. Licht, Gibelotte!"
Grantaire was treurig en dronk.
"Enjolras veracht mij," bromde hij. "Enjolras heeft gedacht: Joly
is ziek, Grantaire is dronken. Hij heeft Navet dus tot Bossuet
gezonden. Zoo hij mij was komen halen, zou ik hem gevolgd zijn. Nu,
des te erger voor Enjolras; ik zal niet naar zijn begrafenis gaan."
Ten gevolge van dit besluit, verlieten Bossuet, Joly en Grantaire
de herberg niet. Tegen twee uren des namiddags was de tafel, waaraan
zij zaten, vol ledige flesschen. Er brandden twee kaarsen, een op een
geheel groenkoperen blaker, de andere in den hals van een gebarsten
karaf. Grantaire had Joly en Bossuet tot drinken verleid, daarentegen
hadden Joly en Bossuet Grantaire weder tot vroolijkheid gebracht.
Sedert den middag was Grantaire reeds over den wijn, een kleine bron
van droomerijen. De wijn brengt bij ernstige drinkers slechts een
gevoel van achting voort. In de dronkenschap ligt de zwarte en de witte
tooverkunst. Grantaire was een wonderbaar droomdrinker. De duisternis
van een geduchte dronkenschap, die zich voor hem opende, trok hem aan,
in plaats van hem tegen te houden. Hij had van de flesschen afgezien
en was tot het slokje overgegaan. Het slokje is de afgrond. Daar
hij noch opium, noch haschich bij de hand had, en zijn hersens met
schemering wilde vullen, had hij zijn toevlucht genomen tot dat
vreeselijk mengsel van brandewijn, stout (Engelsch bier) en bitter,
't welk zulk een vreeselijke slaapzucht veroorzaakt. Van deze drie
dampen, bier, brandewijn en bitter, is het lood der ziel gemaakt. 't
Zijn drie duisternissen, waarin de hemelsche kapel verdrinkt, en er
ontstaan dan, uit een damp, die zich in den vorm van vleermuizenvlerken
samentrekt, drie sprakelooze furiën, de nachtmerrie, de nacht en de
dood, die boven de slapende Psyché fladderen.
Grantaire was nog niet in dien somberen toestand geraakt; verre van
daar. Hij was wonderbaarlijk vroolijk, en Bossuet en Joly bleven hem
niets schuldig. Zij klonken. Grantaire paarde aan de zonderlinge
uitdrukking van woorden en denkbeelden de wonderlijkste gebaren;
vol waardigheid liet hij zijn linkerhand op zijn knie rusten, zijn
arm vormde een rechthoek, zijn das was los, en met een vol glas in
zijn rechterhand schrijlings op een bankje zittende, sprak hij tot
Matelotte, de dikke dienstmeid, deze plechtige woorden:
"Dat men de poorten van het paleis opene! dat iedereen lid der Fransche
academie zij en het recht hebbe madame Hucheloup te kussen! laat
ons drinken."
En zich tot madame Hucheloup wendende, voegde hij er bij:
"Antieke, door het gebruik gewijde vrouw, nader, opdat ik u
aanschouwe!"
Joly riep:
"Matelotte en Gibelotte, geeft Grantaire niet meer te drinken. Hij
verteert schrikkelijk veel geld. Sedert van morgen heeft hij reeds aan
allerlei uitspattingen twee francs vijf-en-negentig centimes verspild."
Grantaire hernam:
"Wie heeft zonder mijn verlof de sterren afgerukt om ze als kaarsen
op de tafel te zetten?"
Bossuet, hoewel zeer dronken, had zijn bedaardheid behouden.
Hij zat op den rand van het open venster, liet zijn rug nat regenen
en zag zijn beide vrienden aan.
Eensklaps hoorde hij achter zich rumoer, haastige voetstappen en
de kreten "te wapen!" Hij wendde het hoofd om en zag in de straat
St. Denis, aan het einde der straat Chanvrerie, Enjolras met een
karabijn, Gavroche met zijn pistool, Feuilly met zijn sabel, Courfeyrac
met zijn degen, Jean Prouvaire met zijn musket, Combeferre met zijn
geweer, Bahorel met zijn snaphaan voorbijgaan, benevens de geheele
gewapende onstuimige hoop die hen volgde.
De straat de la Chanvrerie was niet langer dan een karabijn
droeg. Bossuet bracht zijn beide handen als een spreektrompet voor
den mond en riep:
"Courfeyrac! Courfeyrac! hohee!"
Courfeyrac hoorde dien roep, bespeurde Bossuet, deed eenige schreden in
de straat Chanvrerie, roepende: "wat wilt ge?" dat gekruist werd met:
"waar gaat ge heen?"
"Een barricade maken," antwoordde Courfeyrac.
"Nu! hier is een goede plaats! maak ze hier."
"Inderdaad, Arend," zei Courfeyrac.
En op een teeken van Courfeyrac stormde de troep de straat Chanvrerie
in.
DERDE HOOFDSTUK.
DE NACHT DAALT OP GRANTAIRE.
De plaats was inderdaad uitmuntend voor een barricade geschikt,
aangezien de straat aan den ingang wijd, aan 't einde nauw was, en als
een blinde steeg op Corinthe toeliep. De straat Mondétour was rechts
en links gemakkelijk te versperren, en geen aanval was mogelijk dan
van de straat Saint-Denis; namelijk in het front en ongedekt.
De dronken Bossuet had waarlijk den veldheersblik van den nuchteren
Hannibal gehad.
Toen de troep aanstormde, kwam de geheele straat in verschrikking. Geen
voorbijganger, die zich niet uit de voeten had gemaakt. In een
oogwenk waren links en rechts winkels, uitstallingen, deuren, vensters,
zonneschermen, blinden en vensterluiken van allen aard, van beneden tot
aan de daken gesloten. Een bevreesde oude vrouw had voor haar venster
aan twee droogstokken een matras gebonden, om de geweerkogels af te
weren. Alleen de herberg was open gebleven, en wel om de goede reden,
dat de troep er was binnengedrongen.
"Ach, mijn God, mijn God!" zuchtte madame Hucheloup.
Bossuet was naar beneden Courfeyrac tegemoet gegaan.
Joly, die zich aan het venster had geplaatst, riep:
"Courfeyrac, gij hadt een parapluie moeten nemen. Ge zult verkouden
worden."
Middelerwijl waren in weinige minuten twintig ijzeren spijlen
van de tralievensters der herberg gerukt, en tien ellen der straat
opgebroken. Gavroche en Bahorel hadden in 't voorbijgaan de kar van een
kalkbrander, Anceau geheeten, omvergeworpen. Op deze kar lagen drie
tonnen met kalk, welke zij onder hoopen straatkeien hadden begraven;
Enjolras had het kelderluik opgelicht, en al de ledige fusten van
madame Hucheloup waren naast de tonnen met kalk gelegd; Feuilly had
met zijn vingers, gewoon de fijne waaiers te schilderen, de tonnen en
de kar met zware brokken steen vastgezet, die eensklaps, men weet niet
van waar, te voorschijn waren gekomen. Schoorbalken waren van den gevel
van een naburig huis genomen en op de fusten gelegd. Toen Bossuet en
Courfeyrac zich omkeerden, was de helft der straat reeds versperd,
met een wal van meer dan manshoogte. Niets kan beter door de hand
des volks gebouwd worden dan 't geen door afbreken wordt vervaardigd.
Matelotte en Gibelotte hadden zich bij de werklieden gevoegd. Gibelotte
ging beladen met puin en gruis heen en weer. In haar vermoeidheid hielp
zij aan de barricade. Zij bediende de barricade van steen, zooals zij
de drinkers van wijn zou hebben bediend, steeds met slaperig gezicht.
Een omnibus met twee witte paarden reed aan 't einde der straat
voorbij.
Bossuet sprong over de steenen, liep, hield den koetsier staande,
deed de personen uit het rijtuig gaan, gaf de hand aan de "dames,"
zond den koetsier weg, en keerde met het rijtuig terug, de paarden
bij den toom leidende.
"Omnibussen mogen niet voorbij Corinthe," zeide hij. "Non licet
omnibus adire Corynthum."
Een oogenblik later gingen de ontspannen paarden op het toeval af
door de straat Mondétour, en de op zijde liggende omnibus voltooide
de versperring der straat.
Madame Hucheloup was in de grootste ontsteltenis naar de eerste
verdieping gevlucht.
Zij staarde met strakken blik rond, zonder te zien, en schreeuwde
zacht. Haar verschrikte kreten durfden haar keel niet verlaten.
"'t Is het einde der wereld," stamelde zij.
Joly drukte een kus op den dikken, rooden, gerimpelden hals van
madame Hucheloup, en zeide tot Grantaire: "Mijn vriend, ik heb den
hals eener vrouw altijd als iets bij uitnemendheid teers beschouwd."
Intusschen had Grantaire een steeds hoogere gedachtenvlucht
genomen. Matelotte was naar de eerste verdieping teruggekeerd,
Grantaire hield haar middel omvat en lachte luidkeels aan het venster.
"Matelotte is leelijk!" riep hij, "Matelotte is het leelijkste wat
men droomen kan. Matelotte is een fabelachtig gedrocht. Ik zal u het
geheim harer geboorte zeggen: Een gothische Pygmalion, die figuren
voor dakgoten van cathedralen maakte, werd op een ochtend op een
der leelijkste ervan verliefd. Hij bad de liefde haar te bezielen,
en zoo ontstond Matelotte. Kijkt, burgers, zij heeft bloedrood haar,
als de minnares van Titiaan, en ze is een goede meid. Ik verzeker
u, dat zij goed zal vechten. In ieder goed meisje zit een held. En
moeder Hucheloup, o die is een oude dappere. Ziet, welk een baard
zij heeft; zij heeft hem van haar man geërfd. Ja, zij is een huzaar
en zal ook vechten. Twee zooals zij jagen de geheele voorstad op
de vlucht. Kameraden, wij zullen het gouvernement omverwerpen,
zoo waar als er vijftien middelzuren zijn tusschen het margarische
en mierenzuur; overigens is het mij volkomen onverschillig. Mijne
heeren, mijn vader heeft mij immer gehaat, wijl ik de wiskunde niet
kon leeren. Ik begrijp niets dan de liefde en de vrijheid. Ik ben
Grantaire, de goede jongen. Wijl ik nooit geld heb gehad, heb ik er
mij niet aan gewoon gemaakt; zoodat het mij bijgevolg nooit ontbroken
heeft. Zoo ik rijk ware geweest, zouden er geen armen meer zijn! Men
zou 't gezien hebben! O, zoo goede harten volle beurzen hadden,
hoe goed zou alles gaan. Verbeeld u Jezus Christus zoo rijk als
Rothschild! Hoeveel goed zou hij doen! Kus mij, Matelotte! Ge zijt
liefderijk en bedeesd; ge hebt koontjes die den zusterkus wachten en
lippen die den liefdekus willen."
"Zwijg, vat!" riep Courfeyrac.
Grantaire antwoordde:
"Ik ben meester in de minnekunst."
Enjolras, die op de barricade stond met het geweer in de hand, richtte
zijn schoon, ernstig gezicht op. Enjolras had, zooals men weet,
iets van den Spartaan en den Puritein. Hij zou met Leonidas in de
Thermopylen gesneuveld zijn, en met Cromwell Drogheda verbrand hebben.
"Grantaire!" riep hij, "ga uw roes ergens elders uitslapen. 't Is
hier de plaats der geestvervoering, niet der dronkenschap. Onteer de
barricade niet."
Dit toornig woord maakte op Grantaire een zonderlingen indruk.
't Was alsof hem een glas koud water in 't gezicht was geworpen. Hij
scheen plotseling nuchter te zijn geworden. Hij zette zich met de
ellebogen op een tafeltje, bij het venster, aanschouwde Enjolras met
onuitsprekelijke zachtheid en zeide:
"Laat mij hier slapen."
"Slaap elders!" riep Enjolras.
Maar Grantaire steeds zijn doffe, teedere oogen op hem gericht
houdende, antwoordde:
"Laat mij hier slapen--tot ik sterve."
Enjolras beschouwde hem met verachtenden blik:
"Grantaire, ge zijt onbekwaam te gelooven, te denken, te willen,
te leven en te sterven."
Grantaire antwoordde met ernstige stem:
"Ge zult zien."
Hij stamelde nog eenige onverstaanbare woorden, toen zonk zijn hoofd
zwaar op de tafel, en, zooals gewoonlijk het gevolg is in het tweede
tijdperk der dronkenschap, waarin Enjolras hem ruw en plotseling
gestort had, sliep hij een oogenblik later in.
VIERDE HOOFDSTUK.
POGINGEN VAN TROOST OP DE WEDUWE HUCHELOUP.
Bahorel, wegens de barricade in verrukking, riep:
"Nu ligt de straat bloot, dat staat haar goed!"
Terwijl Courfeyrac bezig was met een weinig de herberg af te breken,
poogde hij de weduwe herbergierster te troosten.
"Beklaagdet ge u niet onlangs, moeder Hucheloup, toen men procesverbaal
tegen u opmaakte, wijl Gibelotte uit het venster een bedkleedje
had uitgeschud?"