Eensklaps hoorde hij gerucht achter zich: 't was de portierster Patagon

die hem gevolgd was, en hem in de verte de vuist toestak, schreeuwende:

"Bastaard, die ge zijt!"

"Goed!" zei Gavroche, "ik ben er en dat is genoeg."

Even daarna ging hij voorbij het hôtel Lamoignon. Daar riep hij:

"Voorwaarts! naar 't gevecht!"

Een soort van zwaarmoedigheid overviel hem. Met verwijtenden blik

aanschouwde hij zijn pistool, welk gezicht hem scheen te verteederen:

"Ik ga," zeide hij, "maar gij kunt, helaas, niet overgaan."

Een hond kan de gedachte aan een haan afleiden. Een zeer magere hond

liep voorbij, en Gavroche had medelijden met het dier.

"Arme scherminkel," zeide hij; "gij hebt zeker een ton doorgeslikt,

daar men al de hoepels door uw vel zien kan."

Daarop ging hij naar l'Orme Saint-Gervais.

DERDE HOOFDSTUK.

BILLIJKE VERONTWAARDIGING VAN EEN KAPPER EN BARBIER.

De deftige barbier, die de twee kinderen had weggejaagd, voor

welke Gavroche den vaderlijken buik van den olifant had geopend,

was op dit oogenblik in zijn winkel bezig met een ouden soldaat

met het kruis van het legioen van eer te scheren. Men praatte. De

pruikenmaker had natuurlijk den veteraan over het oproer gesproken,

vervolgens over generaal Lamarque, en van Lamarque was men op den

keizer gekomen. Daardoor ontstond een gesprek tusschen een barbier en

een soldaat, 't welk Prudhomme, ware hij er bij tegenwoordig geweest,

met arabesken versierd en getiteld zou hebben: "Samenspraak tusschen

het scheermes en de sabel."

"Mijnheer," vroeg de barbier, "hoe zat de keizer te paard?"

"Slecht. Hij wist niet van vallen. Daarom viel hij ook nooit."

"Had hij fraaie paarden? hij moet fraaie paarden gehad hebben?"

"Den dag dat hij mij het kruis gaf, heb ik zijn paard opgemerkt. 't

Was een geheel witte merrie. Zij had de ooren wijd van elkander,

den rug ingevallen, een fijnen kop met een zwarte bles, langen hals,

forsch gespierde knieën, uitstekende ribben, breede schoften. Iets

hooger dan vijftien palmen."

"Een fraai paard," zei de barbier.

"'t Was het paard zijner majesteit."

De barbier begreep, dat na dit woord eene pauze behoorde, hij gedroeg

zich hiernaar en hernam vervolgens:

"De keizer is slechts eenmaal gekwetst geweest, niet waar, mijnheer?"

De oude soldaat antwoordde, op den bedaarden en stelligen toon van

iemand, die er bij is geweest:

"Aan den hiel. Te Regensburg. Nooit heb ik hem zoo net gekleed gezien

als dien dag. Hij was als door een ring gehaald."

"En gij, mijnheer de veteraan, ge zijt zeker meermalen gewond?"

"Ik," zei de soldaat, "o, niet erg. Te Marengo ontving ik

twee sabelhouwen in den nek, te Austerlitz een kogel in den

rechterarm, een anderen in de linkerheup te Jena, te Friedland

een bajonnetsteek--hier;--aan de Moskowa zes of zeven lanssteken,

't doet er niet toe, te Lutzen heeft een springende bom mij een

vinger stuk geslagen... Te Waterloo kreeg ik een kartetskogel in

't been. Anders niet."

"'t Is schoon," riep de barbier op Pindarischen toon uit, "op

het slagveld te sneven! Op mijn woord van eer, ik zou liever een

kanonskogel in het lijf krijgen, dan langzaam op een bed te sterven,

door pillen en drankjes, pleisters, klisteeren en ik weet niet wat."

"Gij hebt wel gelijk!" zei de soldaat.

Hij had dit nauwelijks gezegd toen een plotseling gerucht in den

winkel ontstond. Een glasruit van het winkelvenster werd met geweld

stukgeslagen.

De barbier werd zoo bleek als de dood.

"Mijn God! daar is er een!" riep hij.

"Wat?"

"Een kanonskogel."

"Hier is hij," zei de soldaat.

En hij raapte iets op, dat over den grond rolde. 't Was een keisteen.

De barbier ijlde naar 't gebroken glas en zag Gavroche, die zoo

hard hij kon naar de St. Jansmarkt liep. Toen Gavroche, wien de

beide kinderen nog op 't hart lagen, den barbierswinkel voorbijkwam,

had hij den lust niet kunnen weerstaan hem eens goedendag te zeggen,

en had een steen tegen zijn raam geworpen.

"Ziet ge!" brulde de barbier, die nu van wit blauw was geworden;

"dat is kwaad doen om kwaad te doen. Wat heb ik dien jongen gedaan?"

VIERDE HOOFDSTUK.

DE KNAAP VERWONDERT ZICH OVER DEN GRIJSAARD.

Ondertusschen had Gavroche, op de St. Jansmarkt, waar de wachtpost

reeds ontwapend was, zich aangesloten bij een bende, aangevoerd door

Enjolras, Courfeyrac, Combeferre en Feuilly. Zij waren genoegzaam

gewapend. Bahorel en Jean Prouvaire hadden hen wedergevonden en

vermeerderden de groep. Enjolras had een jachtgeweer met dubbelen

loop. Combeferre het geweer van een nationale garde, waarop het nommer

van het legioen, en in zijn gordel twee pistolen, welke men onder zijn

open jas kon zien, Jean Prouvaire een oud cavaleriemusket, Bahorel

een karabijn; Courfeyrac zwaaide een blooten stokdegen. Feuilly ging

vooraan met een sabel in de hand, en riep: "Leve Polen!"

Zij kwamen van de kade Morland, zonder das, zonder hoed, buiten adem,

doornat van den regen, met bliksemende oogen. Gavroche naderde hen

bedaard.

"Waar gaan wij heen?" vroeg hij.

"Ga maar mede," zei Courfeyrac.

Achter Feuilly ging, of liever, sprong Bahorel, als een visch in het

water des oproers. Hij droeg een rood vest en sprak woorden die alles

vernielden. Zijn vest verschrikte een voorbijganger, die ontsteld riep:

"Daar zijn de rooden!"

"Het roode, de rooden!" hernam Bahorel. "Een grappige vrees, burger. Ik

ben niet bang voor een klaproos, en roodkapje boezemt mij volstrekt

geen vrees in. Geloof mij, burger, laten wij de vrees voor het roode

aan het hoornvee over."

Aan den hoek van een muur viel hem het onschuldigste plakkaat ter

wereld in het oog, een verlof om eieren te mogen eten, een mandement

van den aartsbisschop van Parijs aan zijn "kudde."

Bahorel riep:

"Kudde; een beleefde manier om ossen te zeggen."

Hij scheurde het plakkaat van den muur. Hierdoor won hij het hart

van Gavroche. Van dit oogenblik af begon Gavroche belang in Bahorel

te stellen.

"Bahorel," merkte Enjolras op, "gij hebt ongelijk. Ge hadt dit

mandement stil moeten laten zitten, wij hebben er niets meê te maken,

ge verspilt nutteloos uw toorn. Behoud uw voorraad. Men vuurt niet

buiten de gelederen, evenmin met de ziel als met het geweer."

"Ieder zijn zin, Enjolras," antwoordde Bahorel. "Dit bisschoppelijke

proza stuit mij; ik wil eieren eten zonder dat men 't mij vergunt. Ge

maakt u zoo licht kwaad; ik vermaak er mij mee. Bovendien verlies

ik er niets bij; het zet mij in vuur; en zoo ik dit plakkaat heb

afgescheurd, was het om mijn eetlust op te wekken."

Thans herkende Bahorel aan een venster een jongen man met zwarten

baard, die hem zag voorbij gaan, waarschijnlijk een vriend van 't A

B C. Hij riep hem toe:

"Haastig, patronen! para bellum."

"'t Is waar, een schoon man," zei Gavroche, die nu Latijn verstond.

Een woelige troep vergezelde hen: studenten, kunstenaars, jongelieden

die tot het geheim genootschap "de Kalebas" van Aix behoorden,

werklieden, lastdragers, gewapend met knuppels en bajonnetten,

sommigen, als Combeferre, met pistolen in hun broekzakken. Een man,

die reeds zeer oud scheen, ging ook in dien troep. Hij had geen wapen,

en repte zich om niet achter te blijven, hoewel hij een peinzend

voorkomen had. Gavroche zag hem:

"Wie is hij?" vroeg hij aan Courfeyrac.

"Een oud man."

't Was de heer Mabeuf.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE GRIJSAARD.

Verhalen wij wat gebeurd was.

Enjolras en zijn vrienden waren op den boulevard Bourdon bij de

magazijnen, op het oogenblik dat de dragonders een aanval hadden

gedaan. Enjolras, Courfeyrac en Combeferre behoorden tot degenen,

die door de Bassompiere-straat waren gegaan, roepende: Naar de

barricaden! In de straat Lesdiguières hadden zij een ouden man

ontmoet, die voortging. 't Had hun aandacht getrokken dat deze goede

man waggelde, alsof hij dronken was. Bovendien hield hij zijn hoed

in de hand, hoewel 't den geheelen morgen geregend had en 't zelfs

op dit oogenblik nog vrij sterk regende. Courfeyrac had den ouden

Mabeuf herkend. Hij kende hem, doordien hij Marius dikwijls tot

aan zijn woning had vergezeld. Met de vreedzame en hoogst ingetogen

levenswijs van den ouden boekenliefhebber bekend, en verbaasd hem te

midden van het oproer, op twee schreden afstands van de aanvallen der

cavalerie, schier te midden van 't geweervuur te vinden, blootshoofds

in den regen wandelend tusschen de kogels, was hij naar hem toegegaan,

en de vijf-en-twintigjarige oproerling en de tachtigjarige grijsaard

hadden deze samenspraak gehouden:

"Mijnheer Mabeuf, ga naar huis."

"Waarom?"

"Er zal gevochten worden."

"Goed."

"Er zullen sabelhouwen, geweerschoten vallen, mijnheer Mabeuf."

"Goed."

"Kanonschoten."

"Goed. Waar gaat gijlieden heen?"

"Wij gaan het gouvernement omverwerpen."

"Goed."

Toen was hij hen gevolgd, en sinds dien oogenblik had hij geen woord

meer gezegd. Eensklaps was zijn tred vast geworden; werklieden hadden

hem den arm aangeboden, maar met een vriendelijken hoofdknik had hij

bedankt. Hij drong naar voren, schier tot het eerste gelid der colonne,

met de beweging van iemand die gaat en 't gelaat van iemand die slaapt.

"Die oude man is verwoed!" mompelden de studenten.

In den troep liep het gerucht dat hij een oud lid der conventie,

een voormalig koningsmoorder was.

De troep was de straat de la Verrerie ingeslagen.

De kleine Gavroche stapte vooraan en zong luidkeels, zoodat hij een

soort van trompetter voorstelde. Hij zong:

Voici la lune qui paraît,

Quand irons-nous dans la forêt?

Demandait Charlot à Charlotte.

Tou tou tou

Pour Chatou.

Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte.

Pour avoir bu de grand matin

La rosée à même le thym,

Deux moineaux étaient en ribotte.

Zi zi zi

Pour Passy.

Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte.

Et ces deux pauvres petits loups

Comme deux grives étaient soûls;

Un tigre en riait dans sa grotte.

Don don don

Pour Meudon.

Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte.

L'un jurait et l'autre sacrait.

Quand irons-nous dans la forêt?

Demandait Charlot à Charlotte.

Tin tin tin

Pour Pantin.

Je n'ai qu'un Dieu, qu'un roi, qu'un liard et qu'une botte [5].

Zij begaven zich naar Saint-Merry.

ZESDE HOOFDSTUK.

RECRUTEN.

De troep vermeerderde elk oogenblik. In de straat des Billettes

voegde zich een man er bij, van rijzige gestalte, reeds grijzend,

wiens ruw en stoutmoedig voorkomen Courfeyrac, Enjolras en Combeferre

in 't oog vielen, doch dien geen hunner kende. Gavroche, die onder

't marcheeren druk in de weer was met zingen, fluiten, neuriën en

met den knop van zijn pistool tegen de vensterluiken te kloppen,

sloeg op dezen man geen acht.

In de straat la Verrerie gingen zij voorbij Courfeyracs woning.

"Dat komt goed uit," zei Courfeyrac, "ik heb mijn beurs vergeten en

mijn hoed verloren." Hij verliet den troep en vloog de trap op. Hij

nam een ouden hoed en zijn beurs. Tevens nam hij een vierkanten

koffer ter grootte van een valies, die onder zijn vuil linnen was

verborgen. Toen hij de trap weder afging, riep de portierster:

"Mijnheer de Courfeyrac!"

"Hoe heet ge, portierster?" hernam Courfeyrac.

De portierster antwoordde met verbazing:

"Gij weet immers wel, dat ik vrouw Veuvain heet."

"Nu, zoo ge mij weder mijnheer de Courfeyrac noemt, zal ik u mevrouw

de Veuvain noemen. Spreek nu, wat hebt ge mij te zeggen?"

"Er is iemand om u te spreken."

"Wie?"

"Ik weet niet."

"Waar?"

"In mijn loge."

"Duivels!" zei Courfeyrac.

"Hij wacht reeds langer dan een uur op uw thuiskomst!" hernam de

portierster.

Tezelfder tijd kwam een, naar het scheen, jong werkmaatje, mager,

bleek, klein, 't gezicht vol zomersproeten, met een gescheurden kiel

en gelapte manchestersche broek, en die meer het voorkomen had van

een verkleed meisje dan een jongen te zijn, uit de loge, en zeide tot

Courfeyrac, met een stem die in geenen deele een vrouwenstem geleek:

"Kan ik mijnheer Marius spreken?"

"Hij is niet te huis."

"Komt hij van avond te huis?"

"Ik weet niet."

En Courfeyrac liet er op volgen: "Wat mij betreft, ik kom niet

te huis."

Het jonge mensch zag hem strak aan, en vroeg:

"Waarom niet?"

"Wel, daarom."

"Waar gaat gij dan heen?"

"Wat kan u dat schelen!"

"Zal ik uw koffer dragen?"

"Ik ga naar de barricaden."

"Mag ik met u gaan?"

"Zoo ge wilt!" antwoordde Courfeyrac. "De straat is vrij, de weg is

voor ieder."

Hij ging haastig voort, om zich bij zijn vrienden te voegen. Toen

hij zich weder bij hen bevond, gaf hij aan een hunner den koffer te

dragen. Eerst een kwartieruurs later merkte hij op, dat het jonge

mensch hen inderdaad gevolgd was.

Een volkshoop gaat niet altijd waarheen hij wil. Wij hebben gezegd,

dat een windvlaag hem medevoert. Zij gingen voorbij Saint-Merry en

bevonden zich, zonder eigenlijk te weten hoe, in de straat Saint-Denis.

BOEK XII.

CORINTHE.

EERSTE HOOFDSTUK.

GESCHIEDENIS VAN CORINTHE SINDS ZIJN STICHTING.

De Parijzenaars, die thans, van den kant des Halles de straat

Rambuteau ingaan, zien rechts, tegenover de straat Mondétour, een

mandemakerswinkel, die als uithangbord een mand heeft in den vorm

van Keizer Napoleon den Groote, met dit opschrift:

NAPOLEON GEHEEL VAN TEEN GEMAAKT.

Zij vermoeden niet, welke vreeselijke tooneelen op deze plek,

nauwelijks dertig jaar geleden, zijn voorgevallen.

Hier waren de straat de la Chanvrerie, en de vermaarde herberg

Corinthe.

Men herinnere zich, wat aangaande de te dezer plaatse opgerichte

barricade is gezegd, die trouwens door de barricade van Saint-Merry

in de schaduw werd gesteld. Op deze beruchte barricade der straat

de la Chanvrerie, die thans in diepe duisternis is gedompeld, willen

wij een weinig licht werpen.

Men vergunne ons, tot juister begrip van 't verhaal, hetzelfde

eenvoudig middel aan te wenden, dat wij ten aanzien van Waterloo

hebben gebezigd.

Wie zich op vrij nauwkeurige wijze het blok huizen wil voorstellen,

't welk in dien tijd bij de punt van St. Eustachius, aan den

noordoostelijken hoek des Halles van Parijs was gelegen, waar

thans de straat Rambuteau uitkomt, behoeft zich slechts een N te

verbeelden, welker top de straat St. Denis en basis des Halles raakt,

en wier rechtstaande beenen de straten de Grande Truanderie en de la

Chanvrerie, en dwarsstreep de straat der Petite-Truanderie zijn. De

oude straat Mondétour doorsneed deze drie beenen in allerlei bochten;

zoodat de doolhof dezer vier straten zeven huizeneilandjes vormde,

die zonderling gebouwd, van verschillende grootte en als bij toeval

daar geplaatst, nauwelijks door enge stegen gescheiden waren.

De huizen waren zoo bouwvallig, dat ze gedeeltelijk gestut waren door

balken, die van het eene naar het andere huis liepen. De straat was

eng en de goot breed; men ging er steeds op vochtige steenen langs

kelderachtige winkels, langs groote vuilnishoopen, en gangen met zware,

eeuwenoude hekken. De straat Rambuteau heeft dit alles weggevaagd.

Kwam men uit de straat St. Denis in de straat de la Chanvrerie,

dan zag men haar allengs enger worden, als ware men in een langen

trechter. Aan het einde der straat zag men den doorgang aan de zijde

des Halles versperd door een rij hooge huizen, en men zou gemeend

hebben in een slop te zijn, zoo men niet rechts en links twee donkere

gleuven gezien had, door welke men verder kon gaan. 't Was de straat

Mondétour, die zich aan de eene zijde met de Predikerstraat, aan de

andere met de Zwanenstraat en de kleine Truanderie vereenigde. Aan het

einde van dit soort van slop, aan den hoek der rechter insnijding,

zag men een minder hoog huis dan de overige, dat een soort van

voorgebergte in de straat vormde.

In dat huis van slechts twee verdiepingen bestond sedert driehonderd

jaren een vermaarde, veel bezochte herberg. In deze herberg heerschte

immer een luidruchtige vroolijkheid en wel op dezelfde plek, welke

de oude Theophilus in deze twee verzen aanduidt:

Là branle le squelette horrible

D'un pauvre amant qui se pendit [6].

De stand was goed; de herberg ging van vader op zoon over.

In de vorige eeuw had de verdienstelijke Natoire, een der phantastische

schilders, die door de tegenwoordige stijve school veracht zijn, zich

in deze herberg vaak bedronken en uit dankbaarheid een tros krenten

(druiven van Corinthe) op 't venster geschilderd. Uit blijdschap had

de herbergier zijn uithangbord veranderd, en boven den druiventros

in vergulde letters doen zetten: "In de druif van Corinthe." Vandaar

de naam Corinthe.

Een benedenvertrek met buffet, een kamer op de eerste verdieping

met een biljart, waarheen een wenteltrap leidde, wijn op de tafels,

berookte muren, kaarslicht op klaarlichten dag, zóó was de herberg. Een

trap met valluik in het benedenvertrek voerde naar den kelder. Op de

tweede verdieping huisde de familie Hucheloup. De trap, waarlangs men

naar deze verdieping ging, was veeleer een ladder dan een trap, die een

blinde deur had in de groote kamer op de eerste verdieping. Onder het

dak waren twee zolderkamertjes voor de dienstmeiden. Het benedenhuis

bevatte de keuken en de gelagkamer.

De oude Hucheloup was misschien voor chemist in de wieg gelegd,

maar zeker is 't, dat hij kok werd; men dronk niet alleen in zijn

herberg, men at er ook. Hucheloup had iets keurigs uitgevonden, 't

geen men slechts bij hem at; 't waren gelardeerde karpers, welke hij

karpers in het vet noemde (carpes au gras). Men at ze bij het licht

van een vetkaars of van een lamp uit den tijd van Lodewijk XVI, op

tafels met gewast linnen bekleed, in plaats van tafellaken. Men kwam

hier van verre en wijd. Op zekeren morgen had Hucheloup bedacht de

voorbijgangers met zijn "specialiteit" bekend te maken, een penseel

in een pot schoensmeer gedoopt en, vermits hij een even eigenaardige

spelling als kookkunst had, op den muur van zijn huis dit merkwaardig

opschrift geschilderd:

CARPES HO GRAS.

Des winters hadden regen- en sneeuwbuien de S aan het einde van

het eerste woord en de G, waarmede het derde begon, uitgewischt,

zoodat overbleef:

CARPE HO RAS.

Alzoo was door tijd en regen een eenvoudige gaarkoks-aankondiging

een diepzinnige raadgeving, en Hucheloup, die het Fransch niet kende,

een latinist geworden [7].

Van dat alles bestaat tegenwoordig niets meer. De doolhof was reeds in

1847 verruimd en is waarschijnlijk op dit oogenblik geheel verdwenen.

Zooals gezegd is, was Corinthe een der vereenigingsplaatsen van

Courfeyrac en zijn vrienden. Grantaire had Corinthe ontdekt. Uit hoofde

van het Carpe Horas was hij er 't eerst binnengegaan, en om de Carpes

au Gras was hij er meermalen teruggekeerd. Men at, dronk en tierde

er; men betaalde er weinig, betaalde slecht, soms in 't geheel niet,

en was er altijd welkom.

Hucheloup was een gaarkok met knevel; een kluchtige

verscheidenheid. Hij zag er altijd stuursch uit; 't was alsof hij zijn

klanten in ontzag wilde houden, hij gromde tegen de lieden die bij hem

kwamen, en scheen eerder geneigd twist met hen te zoeken dan hun soep

op te disschen. Evenwel was men, wij herhalen het, altijd welkom. Deze

grilligheid had hem zelfs vele klanten bezorgd, vooral jongelieden

die zich met zijn knorrigheid vermaakten. Hij was schermmeester

geweest. Soms lachte hij eensklaps luidkeels. Een ruwe stem is vaak

het teeken van een goed hart; inderdaad was hij een komieke kerel met

een somber gezicht. Niets was hem liever dan de lieden schrik aan te

jagen, evenals snuifdoozen in den vorm van een pistool doen.

Moeder Hucheloup, zijn vrouw, was een zeer leelijk, gebaard wezen.

Omstreeks 1830 stierf Hucheloup. Met hem verdween het geheim der

"karpers in het vet". Zijn ontroostbare weduwe zette de herberg

voort. Maar de gaarkeuken ontaarde en werd slecht, de wijn, die altijd

slecht was geweest, werd afschuwelijk. Courfeyrac en zijn vrienden

kwamen echter nog altijd in Corinthe--uit medelijden, zei Bossuet.

De weduwe Hucheloup was kortademig en wanstaltig, zij sprak gaarne

van haar landelijke herinneringen, waaraan haar tongval steeds eenige

bekoorlijkheid verleende.

Het vertrek op de eerste verdieping, waar de "restauratie" werd

gehouden, was ruim en langwerpig, vol banken, krukjes, stoelen,

tafeltjes en een oud waggelend biljart. Men kwam er langs de

wenteltrap, die in den hoek van het vertrek tegen een vierkante

opening als die van een scheepsluik uitkwam.

Deze kamer, die slechts door een enkel smal venster licht kreeg en

waar dus altijd eene lamp brandde, had een gemeen voorkomen. Al de

meubels van vier pooten schenen er slechts drie te hebben. De gewitte

muren hadden geene andere versiering dan dit vierregelig vers ter

eere van vrouw Hucheloup:

Elle étonne à dix pas, elle épouvante à deux.

Une verrue habite en son nez hasardeux;

On tremble à chaque instant qu'elle ne vous la mouche,

Et qu'un beau jour son nez ne tombe dans sa bouche. [8]

Dit was met houtskool op den muur geschreven.

Madame Hucheloup ging van 's morgens tot 's avonds in de volmaaktste

kalmte voorbij dit vierregelig vers. Twee dienstmaagden, Matelotte

en Gibelotte genoemd, die nooit andere namen schenen gehad te hebben,

hielpen madame Hucheloup op de tafeltjes de kruiken met blauwen wijn en

de spijzen te plaatsen, welke den hongerigen in grof aardewerk werden

voorgezet. Matelotte was dik, rond, ros en had een gillende stem,

zij was de sultane favorite van wijlen Hucheloup geweest en leelijker

dan een mythologisch monster; evenwel, dewijl de dienstmaagd altijd

achter de meesteres moet blijven, was zij minder leelijk dan madame

Hucheloup. Gibelotte was lang, tenger, smachtend, bleek, met blauwe

kringen om de oogen, en half neergeslagen oogleden, immer bedrukt en

afgemat, iets als een chronische vermoeidheid; zij was het eerste

bij de hand, de laatste te bed, bediende iedereen, zelfs de andere

dienstmaagd, stil en zacht, glimlachende onder haar vermoeidheid met

een dommelig lachje.

Er was een spiegel boven de toonbank.

Voor dat men de "zaal" der restauratie binnentrad, las men dit vers,

hetwelk Courfeyrac met krijt op de deur geschreven had:

Régale si tu peux et mange si tu l'oses! [9]

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORLOOPIGE VROOLIJKHEID.

Men weet dat Laigle de Meaux veeleer bij Joly dan elders te huis

was. Hij had een woning, zooals de vogel een tak heeft. De twee

vrienden woonden, aten, sliepen samen. Alles hadden zij in gemeenschap,

zelfs een weinig Musichetta. Den 5 Juni gingen zij 's morgens naar

Corinthe ontbijten. Joly had een zware verkoudheid, welke Laigle

met hem begon te deelen. De rok van Laigle was kaal, maar Joly was

goed gekleed.

't Was omstreeks negen uren 's morgens, toen zij de deur van Corinthe

openden.

Zij gingen naar de eerste verdieping.

Matelotte en Gibelotte ontvingen hen.

"Oesters, kaas en ham," zei Laigle.

Zij gingen aan een tafeltje zitten.

De herberg was ledig, er was niemand dan zij.

Gibelotte, die Joly en Laigle kende, zette een flesch wijn op de tafel.

Terwijl zij met de eerste oesters bezig waren, verscheen een hoofd

boven het trapluik, en een stem zeide:

"Ik kwam voorbij en rook op de straat een heerlijken geur van Briekaas,

en daarom kom ik."

't Was Grantaire.

Grantaire nam een tabouret en zette zich.

Toen Gibelotte Grantaire zag, zette zij nog twee flesschen wijn op

de tafel.

Dit maakte te zamen drie.

"Wilt gij dan twee flesschen ledigen?" vroeg Laigle aan Grantaire.

Grantaire antwoordde: "Allen zijn schrander, gij alleen zijt

onnoozel. Nooit hebben twee flesschen een man verschrikt."

De anderen waren begonnen met eten. Grantaire begon met

drinken. Spoedig was een halve flesch geledigd.

"Hebt ge een gat in de maag?" vroeg Laigle.

"Gij hebt er ten minste een aan den elleboog," zei Grantaire.

En na zijn glas geledigd te hebben, voegde hij er bij:

"Nu, arend der lijkredenen, uw rok wordt oud."

"Het doet mij genoegen," hernam Laigle. "Daarvan komt het, dat mijn rok

en ik zoo goed voor elkaar passen. Hij heeft al mijn kanten en vormen

aangenomen, hij hindert mij nergens en heeft zich zelfs naar mijn

wanstaltigheden gevoegd; hij is zeer beleefd voor al mijn bewegingen;

ik voel niet anders van hem dan dat hij mij warm houdt. Oude kleederen

zijn hetzelfde als oude vrienden.--Apropos, Grantaire, komt ge van

den boulevard?"

"Neen."

"Wij, Joly en ik, hebben het hoofd van den lijkstoet gezien."

"'t Was een heerlijk schouwspel," zei Joly.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 21 / 28 段