hun woningen en gingen naar het koffiehuis "Van den vooruitgang" in
de straat St. Hyacinthe, of naar het koffiehuis der "Zeven biljarts"
in de straat des Mathurins. Daar stonden voor de deuren jongelieden
op straatpalen en deelden wapens uit. Men plunderde de werkplaats
in de straat Transnonain, om barricaden te maken. Op een eenig punt,
aan den hoek der straten St. Avoye en Simon le Franc, verzetten zich
de bewoners en vernielden de barricade. Op een eenig punt weken
de opstandelingen; zij verlieten een in de Tempelstraat begonnen
barricade, na op een detachement nationale garde geschoten te hebben,
en vluchtten door de straat de la Corderie. Het detachement nam van
de barricade een rood vaandel, een bundel patronen en driehonderd
pistoolkogels. De nationale garden verscheurden het vaandel en staken
de lappen ervan op hun bajonetten.
Alles wat wij hier langzaam en achtereenvolgens verhalen gebeurde
tegelijkertijd, op alle punten der stad, te midden van een ontzettend
rumoer, gelijk een aantal bliksems uit een enkelen donderslag schieten.
In minder dan een uur verrezen alleen in de wijk des Halles
zeven-en-twintig barricaden. In het midden stond het beruchte huis
No. 50, de vesting van Jeanne en haar honderd en zes gezellen,
dat aan de eene zijde door een barricade, bij St. Merry, en aan de
andere door een barricade bij de straat Maubuée geflankeerd, drie
straten beheerschte. Twee rechthoekige barricaden strekten de eene
van de straat Montorgueuil tot aan de Grande Truanderie, de andere
van de straat Geoffroy-Langevin naar de straat St. Avoye. Zonder
daarbij talrijke barricaden in twintig andere wijken van Parijs te
rekenen, in het Marais, op den berg St. Geneviève; een in de straat
Menilmontant, waar men een koetspoort uit haar hengsels gerukt zag;
een andere barricade bij de kleine brug van het Hotel Dieu, bestaande
uit een omgeworpen rijtuig, op driehonderd schreden afstands van de
prefectuur van politie.
Aan de barricade der straat des Menetriers deelde een goed gekleed
man geld uit aan de werklieden. Aan de barricade der straat Grénetat
verscheen een ruiter en stelde dengeen, die 't hoofd der barricade
scheen, een rol met geld ter hand.--"Ziedaar," zeide hij, "om de
onkosten, den wijn en zoo voorts te betalen." Een blond jongeling,
zonder das, bracht van de eene naar de andere barricade het
wachtwoord. Een ander met bloote sabel en politiemuts op het hoofd,
plaatste de schildwachten. Achter de barricaden waren de herbergen
en de portiersloges in wachthuizen veranderd. Overigens nam het
oproer de schranderste militaire tactiek in acht. De enge, ongelijke,
kronkelige, hoekige en draaiende straten, waren bewonderenswaardig goed
gekozen; bovenal in den omtrek des Halles, die een doolhof van straten
vormt. Men zeide, dat het genootschap der vrienden van het volk de
directie van den opstand in de wijk St. Avoye had genomen. Een in de
straat Ponceau gedood man, dien men doorzocht, had een plattegrond van
Parijs bij zich. 't Scheen een onbekende, in de lucht zwevende vlaag,
die tot oproer aanzette. De opstand had plotseling met de eene hand
de barricaden opgeworpen en met de andere schier tegelijkertijd al
de posten van het garnizoen aangegrepen. In minder dan drie uren,
en als een loopend vuur, hadden de opstandelingen den rechteroever,
het arsenaal, de mairie, het Koningsplein, het geheele Marais,
de wapenfabriek van Popincourt, de Galiote, het Waterkasteel, al
de straten in den omtrek des Halles overrompeld en bezet; en op
den linkeroever de kazerne der veteranen, St. Pelagie, het plein
Maubert, het kruithuis der twee molens, al de barrières. Te vijf uren
's avonds waren zij meester van het bastilleplein, de Lingerie, de
Blanc-Manteaux; hun voorposten raakten het plein des Victoires en
bedreigden de Bank, de kazerne der Petit-Pères, het postkantoor. Het
derde gedeelte van Parijs behoorde aan den opstand.
Op alle punten was de strijd met reuzenkracht begonnen;
en de ontwapeningen, de huiszoekingen, de overrompeling der
zwaardvegerswinkels hadden tengevolge, dat de met steenen begonnen
strijd met geweerschoten werd voortgezet.
Tegen zes uren 's avonds werd de passage van den Zalm het tooneel
van den veldslag. Aan de eene zijde stond de opstand, aan de andere
stonden de troepen. Men schoot op elkander van het eene naar het andere
hek. Een toeschouwer, een denker, de schrijver van dit werk, die den
vulkaan van nabij was gaan bezichtigen, bevond zich in dezen doorgang
tusschen twee vuren. Om zich tegen de kogels te beschermen had hij
niets dan de vooruitstekende halve kolommen, die de winkels scheiden;
in dien gevaarlijken toestand bevond hij zich gedurende een half uur.
Ondertusschen werd de generale marsch door de straten geslagen;
de nationale garden kleedden en wapenden zich haastig; de legioenen
trokken uit de mairieën, de regimenten uit de kazernen. Tegenover de
passage van het Anker, ontving een tamboer een dolksteek. Een ander
werd in de Zwanenstraat door omstreeks dertig jongelieden aangevallen,
die zijn trommel vernielden en hem zijn sabel ontnamen. Een ander werd
in de straat Grenier St. Lazare gedood. In de straat Michel-le-Comte
sneuvelden drie officieren na elkander. Verscheidene municipale garden,
in de Lombardstraat gekwetst, trokken achteruit.
Voor de Cour Batave vond een detachement nationale garden een rood
vaandel met dit opschrift: "Republikeinsche revolutie No. 127." Was
het inderdaad een revolutie?
De opstand had van het midden van Parijs een soort van reusachtige,
kronkelige en onuitkoombare citadel gemaakt.
Dáár was het brandpunt, dáár lag duidelijk de quaestie. Al het overige
waren slechts schermutselingen. 't Geen bewees, dat daar alles zou
beslist worden, het was dat men er nog niet vocht.
In eenige regimenten waren de soldaten weifelend, 't geen de
schrikkelijke onzekerheid der crisis vermeerderde. Zij herinnerden
zich het volksgejuich dat in Juli 1831 aan het 53e linie-regiment
was te beurt gevallen, dat zich onzijdig had gehouden.
Twee moedige en in de groote oorlogen beproefde mannen, de
maarschalk Lobau en generaal Bugeaud, voerden 't bevel, Bugeaud
onder Lobau. Ontzaggelijke patrouilles, bestaande uit bataljons
linietroepen, ingesloten tusschen geheele compagnieën nationale
garden en voorafgegaan door een commissaris van politie met zijn
sjerp, gingen de oproerige straten verkennen. Hunnerzijds plaatsten
de opstandelingen schildwachten aan de hoeken der straten en zonden
stoutmoedig patrouilles uit de barricaden. Men hield elkander van
wederzijden in het oog. Het gouvernement, met een leger in de hand,
aarzelde; de nacht begon te dalen en men hoorde de stormklok van
Saint-Merry. De toenmalige minister van oorlog, maarschalk Soult,
die Austerlitz had gezien, zag de zaak met een bedenkelijk oog aan.
Zulke oude zeelieden, die aan geregelde manoeuvres gewoon zijn, en geen
ander middel en gids kennen dan de tactiek, dit kompas der veldslagen,
zijn geheel vervaard en in de war tegenover die ontzettende golving,
welke men den volkstroom noemt. Met den wind der revolutiën is niet
te zeilen.
In overijling en wanorde ijlden de nationale garden der voorsteden
toe. Een bataljon van het 12e regiment lichte infanterie kwam met den
stormpas van St. Denis, het 14e linieregiment kwam van Courbevoie; de
batterijen der militaire school hadden bij het Carrousel post gevat;
van Vincennes kwam geschut.
In de Tuilerieën werd het eenzaam. Lodewijk Filips bevond zich volkomen
kalm en gerust.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EIGENAARDIGHEID VAN PARIJS.
Sedert twee jaren had Parijs, zooals gezegd is, meer dan een
opstand beleefd. Buiten de in opstand zijnde wijken, is gewoonlijk
niets zoo zonderling kalm als het aanzien van Parijs gedurende een
oproer. Parijs gewent zich spoedig aan alles,--'t is slechts een
oproer,--en Parijs heeft zoovele zaken, dat het zich door geen
kleinigheid laat storen. Slechts dergelijke reusachtige steden
kunnen zulke schouwspelen opleveren. Slechts zulke ontzaggelijke
ruimten kunnen tevens den burgeroorlog en een onbegrijpelijke rust
bevatten. Gewoonlijk, wanneer de opstand begint, wanneer men de trom,
het appel, den alarmslag hoort, zegt de winkelier eenvoudig:
"Er schijnt rumoer in de straat St. Martin te zijn."
Of:
"In de voorstad Saint-Antoine."
Hij voegt er soms onverschillig bij:
"Of ergens elders."
Later, wanneer men het knetterend en beangstigend geknal der
geweerschoten en het pelotonsvuur hoort, zegt de winkelier:
"Ha! 't neemt toe! Waarlijk, 't neemt toe!"
Een oogenblik later, wanneer het oproer nadert en zich uitbreidt,
sluit hij haastig zijn winkel, en trekt zijn uniform aan, dat wil
zeggen, hij brengt zijn waren in veiligheid en waagt zijn leven.
Men schiet op elkander op een plein, in een straat, in een steeg,
men neemt, verliest en herneemt barricaden; het bloed stroomt, het
schroot vernielt de gevels der huizen, de kogels dooden de menschen
in hun bed, lijken bedekken den grond. Eenige straten verder hoort
men in de koffiehuizen de biljartballen tegen elkander stooten.
De schouwburgen openen hun deuren en spelen vaudevilles; de
nieuwsgierigen praten en schertsen op weinig schreden afstand van
deze in vollen oorlog zijnde straten. De huurrijtuigen rollen; men
gaat ten maaltijd; soms zelfs in de wijk waar gevochten wordt. In
1831 werd het vuren gestaakt, om een bruiloftspartij door te laten.
Bij den opstand van den 12 Mei 1839 reed een kleine, oude, gebrekkige
man met een handkar, waarop een driekleurige lap wapperde, en waarin
flesschen met een of anderen drank waren, in de straat St. Martin van
de barricade naar de troepen en van de troepen naar de barricade, en
bood onpartijdig--nu aan het gouvernement, dan aan de anarchie--zijn
drank.
Niets is zonderlinger; en dit is het eigenaardige der oproeren in
Parijs, 't welk in geen andere hoofdstad gevonden wordt. Daartoe zijn
twee dingen noodig: de grootheid van Parijs en zijn vroolijkheid. Het
moet de stad van Voltaire en van Napoleon zijn.
Ditmaal echter, bij den opstand van den 5 Juni 1832, voelde de groote
stad iets, dat misschien sterker was dan zij. Zij was angstig. Men zag
overal in de verwijderdste en minst bedreigde wijken op klaarlichten
dag de deuren, vensters en luiken gesloten. De moedigen wapenden,
de bloodaards verscholen zich. De onverschillige, bedrijvige
voorbijganger verdween. Vele straten waren zoo eenzaam als te vier
uren in den morgen. Men verspreidde onrustbarende bijzonderheden en
verschrikkelijke berichten.--Dat zij meester van de Bank waren;--dat
er, alleen in de kerk van het klooster Saint-Merry, zeshonderd man
verschanst waren;--dat men op de linietroepen niet kon rekenen;--dat
Armand Carrel maarschalk Clausel had bezocht en dat de maarschalk tot
hem gezegd had: "Zorg eerst een regiment te hebben;"--dat Lafayette
ziek was; maar hun evenwel had gezegd: "Ik ben de uwe. Ik zal u overal
volgen, waar plaats voor een stoel is;"--dat men op zijn hoede moest
zijn; dat er lieden zouden wezen die des nachts de afgelegen huizen in
de eenzame hoeken van Parijs zouden plunderen; dat in de straat Aubry
le Boucher een batterij stond;--dat Lobau en Bugeaud samen overlegden,
en dat te middernacht of uiterlijk met het aanbreken van den dag
vier colonnes tegelijkertijd tegen het centrum van het oproer zouden
oprukken;--dat de troepen misschien Parijs zouden ontruimen en naar
het Marsveld terugtrekken;--dat men niet wist wat zou gebeuren, maar
dat het ditmaal ernst was.--Men onderhield zich over de aarzeling van
maarschalk Soult.--Waarom viel hij niet dadelijk aan?--'t Is stellig,
dat hij de zaak ernstig inzag. De oude leeuw scheen in deze schaduw
een onbekend monster te erkennen.
De avond kwam; de schouwburgen bleven gesloten; verbitterd doorkruisten
patrouilles de stad; men onderzocht de voorbijgangers; men hield de
verdachten aan. Te negen uren waren meer dan achthonderd personen in
hechtenis genomen; de prefectuur van politie, de conciergerie, la Force
waren propvol. In de conciergerie was de lange onderaardsche gang,
die men de straat van Parijs noemt, met bossen stroo belegd, waar de
gevangenen opgehoopt lagen, welke de man van Lyon, Lagrange, moedig
toesprak. Dat stroo, door al deze mannen bewogen, maakte het geruisch
als van een plasregen. Elders lagen de gevangenen op de binnenplaatsen
onder den blooten hemel, naast en schier op elkander. Alom heerschten
angst en schrik, iets dat aan Parijs niet gewoon was.
Men verschanste zich in de huizen; de vrouwen en moeders waren
ongerust; men hoorde niet anders dan: "Ach, mijn God, hij is
nog niet te huis!" Slechts in de verte hoorde men nu en dan een
rijtuig rollen. Men luisterde aan de deuren naar het rumoer, het
geschreeuw, het geraas; doffe, onduidelijke geruchten, waarvan men
zeide: dat is cavalerie, of: dat is 't gerommel der kruitwagens,
naar het trompetgeschal, het tromgeroffel, de geweerschoten en
vooral naar de sombere stormklok van Saint-Merry. Men wachtte het
eerste kanonschot af. Mannen verschenen om de hoeken der straten en
verdwenen weder, roepende: Gaat naar binnen. En men haastte zich de
deuren te grendelen. Men zeide: Hoe zal het eindigen? Van oogenblik
tot oogenblik en naar gelang de nacht daalde, scheen Parijs zich
akeliger te kleuren met de vreeselijke vlammen van het oproer.
BOEK XI.
HET STOFDEELTJE VERBROEDERT ZICH MET DEN ORKAAN.
EERSTE HOOFDSTUK.
EENIGE OPHELDERINGEN NOPENS DEN OORSPRONG VAN GAVROCHES
POËZIE.--INVLOED VAN EEN LID DER ACADEMIE OP DEZE POËZIE.
Juist toen de opstand, door den samenstoot van het volk en der
troepen voor het Arsenaal, een voor- en achterwaartsche beweging in de
menigte veroorzaakte, welke de lijkstaatsie volgde, en zich over de
geheele lengte van den boulevard aan den stoet mededeelde, ontstond
een vreeselijk gedrang. De dichte massa waggelde, de rijen braken,
allen liepen, ijlden voort, vluchtten, eenigen den aanvalskreet
aanheffende, anderen bleek van schrik. De groote stroom dien de
boulevards overdekte, verdeelde zich in een oogwenk, vloeide rechts
en links en verspreidde zich in stortvloeden over tweehonderd straten,
met het gedruisch eener geopende sluis. Een havelooze knaap, die van de
straat Menilmontant kwam, met een bloeienden tak in de hand, welken hij
op de hoogten van Belleville had gesneden, zag op de uitstalling van
een uitdraagster een oud ruiterspistool. Hij wierp den tak weg en riep:
"Moeder, hoe heet ge, ik neem dat ding van u ter leen."
En hij liep weg met het pistool.
Twee minuten later ontmoette een troep angstige burgers, die door
de straten Amelot en Basse vluchtten, den knaap, terwijl hij zijn
pistool zwaaide en zong:
La nuit on ne voit rien,
Le jour on voit très bien,
D'un écrit apocryphe
Le bourgeois s' ébouriffe,
Pratiquez la vertu,
Tutu chapeau pointu! [4]
't Was Gavroche, die ten oorlog toog.
Op den boulevard zag hij, dat het pistool zonder haan was.
Van wien was het couplet, waarnaar hij marcheerde; en van wie waren
de liedjes, welke hij, bij gelegenheid, zoo gaarne zong? Wij weten
het niet. Wie weet? Misschien van hem zelven. Gavroche was trouwens
bekend met al wat door het volk gezongen werd, en daarbij mengde
hij zijn eigen gekweel. Hij maakte een potpourri der stemmen van
de natuur en die van Parijs. Hij vermengde den vogelenzang met het
gezang der werklieden. Hij kende kladschilders, een ras dat het
zijne nabij komt. Hij was, zoo 't schijnt, drie maanden als jongen
op een drukkerij geweest. Eens had hij een boodschap voor mijnheer
Baour-Lormian gedaan, een der leden van de academie. Gavroche was
een geletterde straatjongen.
Gavroche vermoedde overigens niet dat hij, in den leelijken
regenachtigen nacht, toen hij twee kinderen in zijn Olifant herbergde,
voor zijn eigen broeders den dienst der Voorzienigheid had verricht. De
avond van dien nacht was voor zijn broeders, de morgen voor zijn vader
geweest. Toen hij bij het aanbreken van den dag de Balletstraat had
verlaten was hij haastig naar den Olifant wedergekeerd, had er met
zorg en moeite de twee kinderen uitgehaald, met hen het hoe dan ook
verkregen ontbijt gedeeld, en was toen heengegaan, hen aan die goede
moeder de straat toevertrouwende, welke hem, om zoo te spreken, had
opgevoed. Toen hij hen verliet, had hij hen voor den avond op dezelfde
plaats bescheiden, en hun tot afscheid deze toespraak gehouden:
"Ik poets de plaat, of anders gezegd, ik verdwijn, of, zooals men
aan 't hof zegt, ik verwijder mij. Nu, kinderen, zoo ge papa en mama
niet wedervindt, komt dan van avond weer hier. Ik zal u voedsel en
nachtkwartier geven." De twee kinderen, die òf door een stadssergeant
aangehouden en opgebracht, òf door een of ander koordedanser gestolen,
òf eenvoudig in den grooten Parijschen doolhof verloren geraakt waren,
kwamen niet terug. Dergelijke verloren wezens zijn niet zeldzaam
in de tegenwoordige maatschappelijke wereld. Kortom, Gavroche had
ze niet wedergezien. Sedert dien nacht waren tien of twaalf weken
verstreken. Vaak had hij zijn hoofd gekrabd en gezegd: Waar drommel
zijn mijn beide kinderen?
Ondertusschen had hij, met zijn pistool in de hand, de Koolbrug
bereikt. Hij merkte op, dat in die straat nog slechts één winkel open
was, en, 't geen merkwaardig was, wel die van een pasteibakker. 't
Was een heerlijke gelegenheid om, vóór in het onbekende te gaan, nog
een appeltaartje te eten. Gavroche bleef staan, betastte zijn zijden,
zocht in zijn zakken, keerde ze om, vond er niets, geen enkelen sou
en riep: Help! help!
't Valt hard zulk gebak te moeten missen.
Desniettemin zette Gavroche zijn weg voort.
Twee minuten later was hij in de straat St. Louis. Toen hij de straat
van het koninklijk park doorging, voelde hij behoefte zich voor het
onbereikbare appelgebak schadeloos te stellen, en gaf zich aan het
onbeschrijfelijk genot over, op klaarlichten dag de schouwburgbiljetten
af te scheuren.
Iets verder, toen hij een groep welgedane personen zag voorbijgaan,
die hem als huiseigenaars voorkwamen, haalde hij de schouders op en
spuwde hun dezen mondvol philosophische gal toe:
"Hoe vet zijn die renteniers! Zij mesten zich vet en zwelgen en
brassen. Vraag eens wat zij met hun geld doen. Zij weten het niet. Zij
eten, zooveel hun buik verdragen kan."
TWEEDE HOOFDSTUK.
GAVROCHE OP MARSCH.
Het zwaaien met een pistool zonder haan midden op de straat is zulk
een openbare zaak, dat Gavroche bij iederen stap zijn vurigen moed
vermeerderd voelde. Hij riep, tusschen de brokken der Marseillaise,
welke hij zong:
"Alles gaat goed. Ik heb pijn aan mijn linkervoet, ik heb het
pootje, maar ik ben tevreden, burgers. De burgers moeten zich
maar goed houden, ik zal hun verboden liedjes voorneuriën. Wat zijn
stille verklikkers? 't Zijn honden! Voor den drommel! Eerbied voor de
honden! Maar ik zou liever een haan aan mijn pistool hebben. Ik kom van
den boulevard, vrienden, daar wordt het warm, het kookt en ziedt er. 't
Is tijd om den pot te schuimen, er komen blaasjes op. Voorwaarts,
mannen, dat het onreine bloed over de straten stroome! Ik geef mijn
leven voor het vaderland; ik zal mijn geliefde niet wederzien, neen,
nooit, 't is gedaan! Maar om 't even: leve de vreugd! Vechten wij,
voor den drommel! ik ben het despotisme moede."
Juist stortte het paard van een nationalen gardist; Gavroche legde
terstond zijn pistool op de straat, hielp den man en vervolgens ook
het paard weer op de been. Daarna nam hij zijn pistool weder en zette
zijn weg voort.
In de straat Thorigny was alles stil en rustig. Deze kalmte van het
Marais, maakte eene zonderlinge tegenstelling met het geweldig rumoer
in den omtrek. Vier oude vrouwen praatten met elkander op de stoep van
een huis. Schotland heeft tooverkollen, maar Parijs heeft nog meer
babbelaarsters; en het "gij zult koning zijn," zou even vreeselijk
klinken, als het Bonaparte op het plein Baudoyer wierd toegeroepen,
als het Macbeth klonk op de heide van Armuyr. 't Zou bijna hetzelfde
gekras zijn.
De oude vrouwen in de straat Thorigny spraken slechts over haar
zaken. 't Waren drie portiersters en een voddenraapster met haar
draagkorf en haak.
Zij schenen de vier hoeken van den ouderdom te vormen, namelijk:
het verval, de gebrekkigheid, de afgeleefdheid en de treurigheid.
De voddenraapster was deemoedig. In deze nijvere wereld groet de
voddenraapster, de portierster beschermt. 't Hangt van haar af, of
de hoop drek, dien zij aan den paal gooit, vet of mager is. In den
bezem kan goedheid zijn.
Deze voddenraapster was dankbaar; zij glimlachte--welk een
glimlach!--tot de drie portiersters. Zij spraken onder elkander
het volgende:
"Zeg! is uw kat nog altijd even ondeugend?"
"Mijn Hemel! gij weet immers, dat de katten de natuurlijke vijandinnen
der honden zijn. 't Zijn de honden, die klagen."
"Ook de menschen."
"De kattenvlooien gaan toch niet op de menschen over."
"Dat zegt niets; maar de honden, deze zijn gevaarlijk. Ik herinner
mij een jaar, toen er zooveel honden waren, dat men verplicht was,
't in de krant te zetten. 't Was in den tijd toen in de Tuilerieën
groote schapen waren, die het rijtuigje van den koning van Rome
trokken. Herinnert ge u den koning van Rome?"
"Ik, ik hield meer van den hertog van Bordeaux."
"Ik, ik heb Lodewijk XVII gekend. Ik houd meer van Lodewijk XVII."
"Was het vleesch maar niet zoo duur, vrouw Patagon."
"Och, spreek er mij niet van; 't is afschuwelijk met de
vleeschhouwers. Afschuwelijk! afschuwelijk! Men krijgt verdriet in
zijn leven."
"Ja," viel de voddenraapster hier in; "de handel gaat niet meer. De
vuilnishoopen zijn ellendig. Men werpt niets meer weg. Men gebruikt
alles."
"Er zijn menschen, die armer zijn dan gij, vrouw Vargoulème."
"Ja, dat is zeker," antwoordde de voddenraapster ootmoedig; "ik heb
ten minste een beroep."
Er ontstond een pauze, en de voddenraapster, aan de zucht tot
uitstallen voldoende, welke de grondneiging van den mensch is, voegde
er bij:
"Des ochtends te huis komende, pak ik mijn korf uit, en sorteer, dan
komen hoopen in mijn kamer. Ik leg de lappen in een mand, de spaanders
in een bak, het lijnwaad in een kast, de wol in mijn ladetafel, het
oud papier in een hoek bij het venster, de eetbare dingen in mijn
pot, de glasscherven op den schoorsteen, de sloffen achter de deur,
en de beenderen onder mijn bed."
Gavroche stond achter haar, en luisterde.
"Wat hebt gij over politiek te spreken oudjes?" zei hij.
Een hagelbui van scheldwoorden was het antwoord.
"Ziedaar weder een dier schurken."
"Wat heeft hij toch in zijn vuist? Een pistool?"
"Zie eens aan, dien kwâjongen!"
"'t Heeft geen rust, vóór het 't gouvernement heeft omvergeworpen."
Gavroche, zich niet verwaardigende te antwoorden, wipte met den duim
zijn neus op en opende wijd de hand.
De voddenraapster schreeuwde:
"Gemeene barrevoeter!"
Vrouw Patagon sloeg jammerend de handen samen.
"'t Is stellig, dat er ongelukken gebeuren. De jongen, hiernaast,
met zijn bakkebaard, dien ik alle morgen met een meisje aan den arm
zag uitgaan, zag ik heden met een geweer onder den arm uitgaan. Madame
Bacheux zegt, dat er verleden week een revolutie te... te... te... waar
de kalven zijn... te Pontoise is geweest. En ziet ge dien leelijken
straatjongen met zijn pistool! Het schijnt, dat de Celestijnen vol
kanonnen zijn. Wat zal het gouvernement met zulke deugnieten uitvoeren,
die niet weten wat te verzinnen om de wereld in oproer te brengen,
wanneer men, na al de ongelukken, die men beleefd heeft, een weinig
tot rust kwam; goede God, die arme koningin, welke ik op een kar
heb zien voorbijrijden. En dat alles zal de snuif nog weer duurder
maken. 't Is een schandelijkheid! Maar zekerlijk zal ik gaan om u te
zien guillotineeren, booswicht!"
"Oudje," zei Gavroche, "gij spreekt door den neus. Snuit uw
voorgebergte."
En hij ging verder.
Toen hij in de straat Pavée was, kwam de voddenraapster hem weer in
de gedachte en hij hield deze alleenspraak:
"Gij hebt ongelijk de revolutionnairen te beschimpen, moeder
mesthoopwroetster. Dit pistool is in uw belang. Het dient om u beter
dingen in uw korf te bezorgen."