niet altijd voort uit de beving der in beroering zijnde massa's;
er is dwaze woede, er zijn gebarsten klokken; alle stormklokken
hebben geen zuiveren klank. De slingering der hartstochten en der
onwetendheid is anders dan de beweging van den vooruitgang. Sta op,
ja, maar om grooter te worden. Wijs mij waarheen ge gaat. Er is geen
andere opstand dan een voorwaartsche. Iedere andere verheffing is
slecht; ieder achterwaartsch geweld is oproer; de achteruitgang is
een daad van 't geweld tegen het menschelijk geslacht. De opstand is
een verwoede vlaag der waarheid; de straatsteenen, welke de opstand
slingert, doen een vonk van recht ontspringen. Deze steenen laten
aan het oproer slechts slijk over. Danton tegen Lodewijk XVI is de
opstand; Hébert tegen Danton is 't oproer.
Vandaar, dat opstand in sommige gevallen, gelijk Lafayette heeft
gezegd, de heiligste plicht kan wezen, en het oproer daarentegen de
noodlottigste van alle aanvallen.
Er is ook eenig onderscheid in de kracht des vuurs; de opstand is
vaak een lavastroom, het oproer een stroobrand.
Soms, zooals wij gezegd hebben, ligt het oproer in het gezag. Polignac
is een oproerling; Camille Desmoulins is een regeerder.
Vaak is opstand een verrijzenis.
Dewijl de beslissing van alles door het algemeen stemrecht een geheel
nieuw feit is, en de geheele geschiedenis vóór dit feit, sinds vier
eeuwen, vol is van verkracht recht en volkslijden, zoo brengt ieder
tijdvak der geschiedenis met zich het protest, waartoe het in staat is.
De despoten zijn niet zonder invloed op de denkers. Een geketend woord
is een verschrikkelijk woord. De schrijver verdubbelt, verdrievoudigt
de kracht van zijn stijl, wanneer een heerscher het volk het
stilzwijgen oplegt. Deze stilte veroorzaakt een geheimzinnige stof,
die in de gedachte zijpelt en er tot metaal stolt.
In de meeste gevallen ontstaat het oproer uit een stoffelijk
feit; de opstand is immer een zedelijk verschijnsel. Het oproer
is Mazaniëllo; de opstand is Spartacus. De opstand gaat van den
geest uit, het oproer van de maag. In gevallen van hongersnood
heeft het oproer een waar, pathetisch en juist uitgangspunt. Het
blijft evenwel oproer. Waarom? Wijl het in den grond recht, maar
in den vorm ongelijk heeft. Wreed, hoewel in zijn recht, geweldig,
hoewel sterk, treft het in het wild; het gaat verpletterend voort
als de blinde olifant, het heeft achter zich lijken van grijsaards,
vrouwen en kinderen; heeft zonder reden het bloed van schuldeloozen
en onnoozelen vergoten. Het volk te voeden is een goed doel; het te
vermoorden is een slecht middel.
Alle gewapende protesten, zelfs de meest wettige, zelfs de 10 Augustus,
zelfs de 14 Juli, beginnen met dezelfde beroering. Alvorens het recht
zich afscheidt, is er rumoer en schuim. Aanvankelijk is de opstand
oproer, evenals de rivier een stortvloed is. Gewoonlijk loopt zij uit
in dezen oceaan: de Revolutie. Evenwel,--van die hooge bergen gekomen,
welke den zedelijken horizont begrenzen, de gerechtigheid, de wijsheid,
de reden, het recht--en van de zuiverste sneeuw van het ideale gevormd,
gaat de opstand, na een langen val van de eene op de andere rots, na
door 't licht des hemels bestraald te zijn en zich in zijn majestueuze
vaart met honderd beken te hebben verbreed, soms eensklaps in een
drassigen bodem verloren, gelijk de Rijn in een moeras.
Dit alles behoort tot het verledene, de toekomst is anders!
Het algemeen stemrecht heeft dit merkwaardige, dat het het oproer in
zijn beginsel oplost, en, den opstand wettigende, hem echter het wapen
ontzegt. De verdwijning der oorlogen, zoowel van den straatoorlog als
van dien der grenzen, is de onvermijdelijke vooruitgang. Hoe ook het
heden zij, de vrede zal dagen.
Overigens kent de eigenlijke burger het juiste verschil tusschen
opstand en oproer bijna niet. Voor hem is alles wederstand, niets
dan muiterij, verzet van den hond tegen den meester, een poging om
te bijten, die met de keten en het hok moet worden gestraft,--geblaf,
gejank, tot eindelijk, de kop van den hond eensklaps groot geworden,
het gelaat van den leeuw vertoont.
Dan roept de burgerman: Leve het volk!
Na deze verklaring vragen wij, wat voor de geschiedenis de beweging
van Juli 1832 is? Is zij een oproer? is zij een opstand?
't Is een opstand.
't Kan ons gebeuren, dat wij bij deze voorstelling van een geweldige
gebeurtenis soms oproer zeggen; maar dan is het eeniglijk om de
oppervlakkige feiten een naam te geven, doch steeds met inachtneming
van het verschil tusschen den vorm, oproer, en den grond, opstand.
Deze beweging in 1832 heeft in haar snelle uitbarsting en treurige
versmoring, zooveel grootheid, dat zelfs zij, die er slechts een
oproer in zien, er niet zondere eerbied van spreken. Voor dezen is
't als een overschot van 1830. De geschokte gemoederen komen niet
in één dag tot rust, zeggen zij. Een revolutie wordt niet in eens
afgesneden. Zij heeft noodzakelijkerwijs immer eenige golvingen,
alvorens in den staat van rust te komen, evenals een berg, die in
een vlakte afloopt. Er zijn geen Alpen zonder Jura, geen Pyreneeën
zonder Asturiën.
Deze treffende crisis der hedendaagsche geschiedenis, welke het
geheugen der Parijzenaars het "tijdvak der oproeren" noemt, is
ontwijfelbaar een karakteristiek uur onder de onstuimige uren dezer
eeuw. Nog een laatste woord, vóór tot het verhaal over te gaan.
De feiten, welke wij zullen verhalen, behooren tot die dramatische
levendige werkelijkheid, welke de geschiedschrijver wegens tijdgebrek
en plaatsruimte veronachtzaamt. Maar hier, wij drukken er op, hier
ligt juist het leven, de aderslag, de beweging des menschen. De
kleine bijzonderheden, wij meenen het gezegd te hebben, zijn, om
zoo te spreken, het loof der groote gebeurtenissen en verdwijnen in
het verre verschiet der geschiedenis. Het zoogenaamde "tijdvak der
oproeren" vloeit over van dergelijke bijzonderheden. De gerechtelijke
onderzoekingen hebben, om andere redenen dan de geschiedenis, niet
alles geopenbaard, noch misschien alles nagevorscht. Wij zullen dus,
bij de bekende en geopenbaarde bijzonderheden, zaken aan het licht
brengen, welke men niet geweten heeft; feiten, waarover de vergetelheid
van de eenen, de dood van anderen is gegaan. De meeste acteurs dezer
reusachtige tooneelen zijn verdwenen; reeds den volgenden dag zwegen
zij; maar wat wij zullen verhalen, hiervan kunnen wij zeggen, dat
wij het gezien hebben. Wij zullen eenige namen veranderen, want de
geschiedenis verhaalt, en verraadt niet; maar wij zullen ware zaken
schilderen. De aard van het werk, dat wij schrijven, verhindert,
dat wij meer dan één zijde én één episode aan 't licht brengen,
die zeker de minst bekende zijn der dagen van den 5 en 6 Juni 1832;
maar wij zullen trachten, dat de lezer onder den donkeren sluier,
dien wij zullen opheffen, de wezenlijke gestalte onderscheidt van
deze ontzaggelijke openbare gebeurtenis.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN BEGRAFENIS: KANS TOT WEDERGEBOORTE.
In de lente van 1832, hoewel de cholera sedert drie maanden de
gemoederen bekoeld en over de opgewondenheid een sombere kalmte gegoten
had, was Parijs sinds lang tot een beroering voorbereid. Zooals
wij gezegd hebben, gelijkt de groote stad een kanonstuk; wanneer
het geladen is, is een vallende vonk genoegzaam om het te doen
losbranden. In Juni 1832 was deze vonk de dood van generaal Lamarque.
Lamarque was een man van roem en daad. Hij had achtereenvolgens,
onder het Keizerrijk en onder de Restauratie, de beide soorten van
moed gehad, die voor deze twee tijdvakken noodig waren, den moed op
het slagveld en den moed op de tribune. Hij was even welsprekend als
hij dapper was geweest; men voelde een zwaard in zijn woorden. Evenals
Foy, zijn voorganger, hield hij, na het commandement hoog in eere te
hebben gehouden, de vrijheid hoog in eere. Hij zat tusschen de linker-
en de uiterste linkerzijde; het volk beminde hem, wijl hij de kansen
der toekomst aannam, en de menigte beminde hem, wijl hij den Keizer
trouw gediend had. Hij was, met de graven Gérard en Drouet, een der
maarschalken in petto van Napoleon. De tractaten van 1815 griefden
hem als een persoonlijke beleediging. Hij haatte Wellington met een
innigen haat, welken de menigte behaagde; en sinds zeventien jaren,
nauwelijks op de tusschenkomende gebeurtenissen lettende, had hij
met majesteit zijn droefheid over Waterloo behouden. Zieltogend,
in zijn laatste uur, had hij aan zijn borst een degen gedrukt, dien
de officieren der Honderd dagen hem hadden aangeboden. Napoleon had
stervende het woord leger uitgesproken, Lamarque het woord vaderland.
Zijn dood, dien men voorzag, vreesde het volk als een verlies, en de
regeering als een gelegenheid. Deze dood was een rouw. Gelijk alles
wat bitter is, kan de rouw in oproer veranderen. Dit gebeurde.
Den avond voor den 5{den} Juli en des morgens van dien dag, welke
voor de begrafenis van generaal Lamarque was bestemd, nam de voorstad
St. Antoine, waarlangs de lijkstoet zou gaan, een vreeselijk voorkomen
aan. Dit woelig net van straten vulde zich met rumoer. Men wapende er
zich zoogoed men kon. Schrijnwerkers namen de vensterluiken hunner
werkplaatsen "om er de deuren mede open te breken." Van allerlei
werktuigen werden dolken gemaakt. Een man, koortsig van ongeduld om
aan te vallen, sliep sedert drie dagen geheel gekleed. Een timmerman,
Lombier genoemd, ontmoette een kameraad die hem vroeg: "Waar gaat ge
heen?"--"Ik heb geen wapen."--"En dan?"--"Ik ga naar de werkplaats
mijn passer halen."--"Wat wilt ge er mede doen?"--"Ik weet niet,"
zei Lombier. Een zekere Jacqueline sprak al de werklieden, welke
hij ontmoette, aan, onthaalde hen op wijn en vroeg hun of zij werk
hadden. Op hun ontkennend antwoord zond hij ze naar zekeren Filspierre,
tusschen de barrière Montreuil en die van Charonne, waar, zooals hij
zeide, zij werk zouden vinden.--Zij vonden bij Filspierre patronen
en wapens. Sommige bekende aanvoerders, "verrichtten den postdienst,"
dat wil zeggen, dat zij bij dezen en genen gingen om hun lieden bijeen
te brengen. Bij Barthélemy, aan de barrière du Trône, bij Capel,
in den Kleinen Hoed, vroegen de drinkers elkander op ernstigen toon:
"Waar hebt ge uw pistool?"--"Onder mijn kiel. En gij?"--"Onder mijn
hemd." In de straat Traversière, voor de werkplaats van Roland en op
de plaats van het "Verbrande Huis" voor de werkplaats van Bernier,
stonden fluisterende groepen. Als de vurigste onderscheidde zich
zekere Mavot, die nooit langer dan een week in één werkplaats bleef;
de meesters zonden hem weg, "wijl men dagelijks met hem twisten
moest." Mavot werd den volgenden dag op de barricade der straat
Menilmontant gedood. Pretot, die ook in den strijd moest sneuvelen,
antwoordde op de vraag: "Wat is uw doel?"--"De opstand." Werklieden,
om den hoek der straat Bercy samengeschoold, wachtten een zekeren
Lemarin, die een revolutionnair agent voor de voorstad St. Marceau
was. Schier in 't openbaar werden de wachtwoorden gewisseld.
Den 5 Juni alzoo, op een dag afgewisseld door regen en zonneschijn,
bewoog zich de lijkstoet van generaal Lamarque door Parijs met
officiëelen militairen praal, die door voorzorgsmaatregelen eenigszins
versterkt was. Twee bataljons, met zwart bekleede trommels, bedekte
geweren, tienduizend nationale garden, met de sabel op zijde, de
batterijen der nationale garde begeleidden de doodkist. De lijkkoets
werd door jongelieden getrokken. Onmiddellijk daarop volgden de
officieren der invaliden, met lauriertakken in de hand. Achter hen
kwam een ontelbare woelige, zonderlinge menigte: de leden van het
genootschap "De vrienden des volks", de rechtsgeleerde school, de
geneeskundige school, de uitgewekenen van alle natiën, Spaansche,
Italiaansche, Duitsche, Poolsche vlaggen, horizontale driekleurige
vlaggen, alle mogelijke banieren, kinderen met groene takken,
steenhouwers en timmerlieden, die op dit oogenblik hun werk gestaakt
hadden; boekdrukkers, kenbaar aan hun papieren mutsen, twee aan twee,
drie aan drie gaande, kreten aanheffende, schier allen met stokken
zwaaiende, sommigen met sabels, zonder orde, en echter als met één
ziel, vormden zij hier een hoop, ginds een colonne. Pelotons kozen
zich aanvoerders; een man gewapend met een paar pistolen, die volkomen
zichtbaar waren, scheen over anderen de revue te houden, wier gelederen
voor hem achteruittraden. Op de zijpaden der boulevards, op de takken
der boomen, op de balkons, aan de vensters, op de daken wemelde het van
hoofden van mannen, vrouwen, kinderen, wier oogen vol angst waren. Een
gewapende menigte ging voorbij; een verschrikte menigte zag toe.
Zijnerzijds hield het gouvernement een wakend oog. Het zag toe, met de
hand aan den degen. Men kon op het plein van Lodewijk XV vier escadrons
karabiniers zien, die, met volle patroontasschen, met geladen geweer
en karabijn, te paard en met trompetters aan 't hoofd, gereed stonden
om op te rukken; in de latijnsche wijk en bij den plantentuin stond
de stedelijke garde van de eene straat naar de andere geschaard; aan
de wijnmarkt een escadron dragonders, aan la Grève de helft van het
12e regiment lichte infanterie, de andere helft op het bastilleplein,
het 6e regiment dragonders bij de Célestijnen, de binnenplaats van
het Louvre vol artillerie. De overige troepen waren in de kazernen
geconsigneerd, ongerekend de regimenten in den omtrek van Parijs. Het
bevreesd gouvernement hield over de dreigende menigte tachtig duizend
soldaten in de stad en dertig duizend in haar omgeving.
Verschillende geruchten liepen in den lijkstoet. Men sprak van
legitimistische woelingen; van den hertog van Reichstad, op wien
God het stempel des doods drukte op hetzelfde uur, dat de menigte
hem als keizer aanwees. Een onbekend gebleven persoon verkondigde,
dat op een bepaald oogenblik twee omgekochte meesterknechts de
deuren van een wapenfabriek voor het volk zouden openen. Wat men
op de ontbloote voorhoofden der meeste aanwezenden zag, was een met
droefheid gemengde geestdrift. Ook zag men hier en daar tusschen deze,
door zoovele geweldige, maar edele aandoeningen bewogen menigte,
wezenlijke galgengezichten en eerloos geboefte, dat zeide: "laat ons
plunderen!" Sommige bewegingen beroeren den bodem der moerassen en
doen in het water het slijk opborrelen. Een verschijnsel, dat aan een
"goed ingerichte politie" niet vreemd is.
De lijkkoets bewoog zich met koortsachtige langzaamheid van het
sterfhuis langs de boulevards naar het bastilleplein. Nu en dan
regende het, maar de regen hinderde de menigte niet. Verscheiden
tusschentooneelen kenmerkten den weg, dien de lijkkoets volgde: de
doodkist werd om de Vendômezuil gevoerd; de hertog Fitz James, dien
men met den hoed op het hoofd op een balkon zag, werd met steenen
geworpen; de Gallische haan werd van een volksvaandel gerukt en in
het slijk geworpen; een stadssergeant werd aan de poort St. Martin
door een degen gekwetst; een officier van het 12e regiment lichte
infanterie zeide luid: Ik ben republikein! toen de polytechnische
school, trots het verbod, verscheen, werd zij met den kreet van:
leve de polytechnische school! leve de republiek! ontvangen. Op
het bastilleplein vereenigden zich de lange rijen vreeselijke
nieuwsgierigen, die uit de voorstad St. Antoine kwamen, met den stoet,
en een soort van vreeselijke levendigheid begon de menigte te bewegen.
Men hoorde een man tot een anderen zeggen: "Ziet ge hem wel met zijn
roode muts? hij zal zeggen, wanneer geschoten moet worden." Het
schijnt, dat deze man met de roode muts later dezelfde rol in een
ander oproer, dat van Quénisset, vervulde.
De lijkstoet ging over het bastilleplein langs het kanaal,
vervolgens over de kleine brug en bereikte de esplanade der brug van
Austerlitz. Daar hield hij stil. Op dit oogenblik zou deze menigte,
uit de lucht gezien, het aanzien van een staartster hebben vertoond,
wier hoofd op de esplanade was, terwijl haar staart zich over de kade
Bourdon uitspreidde, het bastilleplein bedekte en over den boulevard
tot aan de poort St. Martin liep. Er vormde zich een kring om de
lijkkoets. De ontzaggelijke menigte zweeg. Lafayette sprak en zeide
Lamarque vaarwel. 't Was een treffend, verheven oogenblik; aller
hoofden ontblootten zich, aller harten klopten. Eensklaps verscheen
een in 't zwart gekleed man te paard in 't midden van de groep,
met een rood vaandel, anderen zeggen met een piek waarop een roode
muts. Lafayette wendde het hoofd om. Excelmans verliet den stoet.
Dit roode vaandel deed een storm ontstaan en verdween er in. Van
den boulevard Bourdon tot aan de brug van Austerlitz verhief zich
een geschreeuw, dat als een deining de menigte deed golven. Twee
ontzettende kreten gingen op: "Lamarque naar het Pantheon!"--"Lafayette
naar het stadhuis!" Onder de toejuichingen der menigte, trokken
jongelieden de lijkkoets met Lamarque over de brug van Austerlitz,
en de huurkoets waarin zich Lafayette bevond over de kade Morland.
In de menigte, die Lafayette toejuichte en omgaf, merkte men op en wees
men elkander aan een Duitscher, Ludwig Snyder genoemd, die, sedert
als honderdjarige gestorven, ook den oorlog van 1776 had medegemaakt
en te Trenton onder Washington en aan de Brandywine onder Lafayette
gestreden had.
Inmiddels zette zich op den linkeroever de stedelijke cavalerie in
beweging en versperde de brug: op den rechteroever kwamen de dragonders
van de Celestijnen en posteerden zich langs de kade Morland. Het volk
dat Lafayette voorttrok bespeurde hen plotseling aan den hoek der kade
en riep: "de dragonders!" De dragonders naderden stapvoets, stil, met
de pistolen in de holsters, de sabels in de scheeden, de karabijnen
in de draagriemen, met een uitdrukking van sombere verwachting.
Op tweehonderd schreden van de kleine brug hielden zij stil.
Het rijtuig, waarin Lafayette zat, reed tot hen; zij openden de
gelederen, lieten het doorgaan en sloten er zich weder achter. In
hetzelfde oogenblik ontmoetten de dragonders en de menigte elkander.
Verschrikt vluchtten de vrouwen.
Wat gebeurde in deze noodlottige minuut? niemand zou het kunnen
zeggen. 't Is het duister oogenblik, op 't welk zich twee wolken
vermengen. Eenigen verhalen, dat van den kant van het arsenaal het
sein tot den aanval werd gehoord, anderen dat aan een dragonder door
een knaap een dolksteek werd toegebracht. Waar is het, dat plotseling
drie geweerschoten knalden; het eerste doodde den escadrons-kommandant
Cholet, het tweede een doove oude vrouw, die in de straat Contrescarpe
haar venster sloot; het derde trof de epaulet van een officier;
een vrouw riep: "Men begint te vroeg!" en plotseling zag men aan de
overzijde der kade Morland een escadron dragonders, dat in de kazerne
was gebleven, in galop, met bloote sabels in de straat Bassompierre
en op den boulevard Bourdon verschijnen en alles voor zich wegvegen.
Nu was het beslist, de storm breekt los, het regent steenen, het
geweervuur knalt, velen springen van den waterkant en gaan over den
kleinen arm der Seine, die thans gedempt is; de werven van het eiland
Louvriers, die uitgestrekte citadel, zijn vol strijders; men rukt palen
uit den grond, men lost pistoolschoten, een barricade verheft zich,
de achteruit gedrongen jongelingen gaan in stormpas met de lijkkoets
over de brug van Austerlitz en werpen zich op de municipale garde;
de karabiniers ijlen toe; de dragonders sabelen alles neder; in alle
richtingen verspreidt zich de menigte: een oorlogskreet vliegt naar
de vier hoeken van Parijs; men roept: "Te wapen!" men loopt, stormt,
vlucht, biedt wederstand. De toorn sleept den opstand mede, gelijk
de wind het vuur.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE GISTINGEN VAN EERTIJDS.
Niets is verwonderlijker dan het eerste gewemel van een oproer. Alles
barst overal tegelijkertijd los. Was het voorzien? Ja. Was het
voorbereid? Neen. Van waar komt het? Uit de straatsteenen. Waaruit
valt het? Uit de wolken. Hier heeft de opstand het karakter van een
komplot; daar schijnt hij plotseling te ontstaan. De eerste de beste
bemachtigt zich van een stroom der menigte en voert haar waar hij
wil. Een schrikbarend begin, waaronder zich een soort van vreeselijke
vroolijkheid mengt. 't Is vooreerst geschreeuw; men sluit de winkels,
de uitstallingen der kooplieden verdwijnen; dan vallen enkele schoten;
de menschen vluchten; geweerkolven donderen tegen de deuren; men
hoort de dienstmeiden op de plaatsen der huizen meesmuilend zeggen:
"er is wat gaande."
Er was geen kwartieruurs verstreken toen op twintig verschillende
punten van Parijs, schier tegelijkertijd, het volgende gebeurde:
In de straat St. Croix de la Bretonnerie gingen omstreeks twintig
jongelieden met baarden en lang haar in een estaminet en verlieten
het een oogenblik later met een horizontale driekleurige vlag met
floers bedekt. Aan hun spits gingen drie gewapende mannen, de eene
met een sabel, de andere met een geweer, de derde met een piek.
In de straat des Nonaindières bood een goed gekleed zwaarlijvig burger,
met heldere stem, kaal hoofd, hoog voorhoofd, zwarten baard en een
stijven knevel, openlijk den voorbijgangers patronen aan.
In de straat St. Pierre Montmartre droegen mannen met bloote armen een
zwart vaandel, waarop deze woorden in witte letters te lezen stonden:
"De republiek of de dood." In de straat des Jeuneurs, in de straat
du Cadran, in de straat Montorgueil, in de straat Mandor verschenen
groepen die vaandels zwaaiden, waarop men in gouden letters het woord
"sectie" met een nummer zag. Een dier vaandels was rood en blauw met
een nauwelijks zichtbare witte streep er tusschen.
Men plunderde op den boulevard St. Martin een wapenfabriek en drie
geweerwinkels; een in de straat Beaubourg, een andere in de straat
Michel-le-Comté, en de derde in de Tempelstraat. In weinige minuten
grepen de dreigende handen der menigte tweehonderd dertig geweren,
schier alle met twee loopen, vier-en-zestig sabels, drie-en-tachtig
pistolen. Ten einde zooveel lieden mogelijk te wapenen nam de een
het geweer, de ander de bajonnet.
Tegenover de Grèvekade gingen met geweren gewapende jongelieden
de huizen binnen om te schieten. Een hunner had een oud musket
met raderslot. Zij schelden, traden binnen en begonnen patronen
te maken. Een der vrouwen, die deze huizen bewoonden, verhaalde:
"ik wist niet wat patronen waren; mijn man heeft het mij gezegd."
Een samenscholing brak in de straat des Vieilles-Haudriettes een
curiositeiten-winkel binnen en nam er yatagans en Turksche wapens weg.
Het lijk van een doodgeschoten metselaar lag in de Paarlstraat. Op
den rechter- en den linkeroever, op de kaden, op de boulevards, in
de latijnsche wijk, in de wijk des Halles lazen hijgende menschen,
werklieden, studenten, sectiemannen proclamatiën en riepen: "Te
wapen!" Zij verbrijzelden de straatlantaarns, spanden de paarden van
de rijtuigen, namen de steenen uit de straat, braken de deuren der
huizen open, rukten de boomen uit, doorzochten de kelders, rolden
tonnen, stapelden keien, steenen, huisraad, planken opeen en maakten
barricaden.
Men dwong de burgers, daarbij behulpzaam te zijn. Men trad bij de
vrouwen binnen, deed hen de sabel en het geweer van de afwezige
echtgenooten geven en schreef met krijt op de deur: "de wapens zijn
afgegeven." Sommigen onderteekenden met hun namen het bewijs der
ontvangst van sabel en geweer en zeiden: "laat ze morgen aan de mairie
halen." Men ontwapende op de straten de afzonderlijke schildwachten en
de nationale garden, die zich naar hun posten begaven. Men ontrukte
den officieren hun epauletten. In de straat St. Nikolaas vluchtte
met veel moeite een officier der nationale garde, die door een met
stokken en fleuretten gewapenden troep vervolgd werd, in een huis,
't welk hij niet dan 's nachts en vermomd kon verlaten.