Jean Valjean richtte zich haastig op, maar er was niemand meer achter

hem; hij zag rondom zich en bespeurde een wezen iets grooter dan

een kind, kleiner dan een man, in een grijzen kiel en stofkleurige

manchestersche broek, dat zoo hard het kon wegliep, en zich in de

gracht van het Marsveld liet glijden.

Jean Valjean ging onverwijld, in diepe gedachten, naar huis.

TWEEDE HOOFDSTUK.

MARIUS.

Marius had troosteloos den heer Gillenormand verlaten. Hij was met

zeer geringe hoop tot hem gegaan; in een onmetelijke wanhoop keerde

hij terug.

Overigens, en zij die de beginselen van het menschelijk hart hebben

gadegeslagen, zullen het begrijpen, de lansier, de officier,

de modegek, neef Theodule, had volstrekt geen schaduw in zijn

gemoed achtergelaten. Niet de minste. De dramatische dichter zou

schijnbaar eenige verwikkeling kunnen verwachten, ten gevolge van dit

onverhoedsche onderhoud tusschen den grootvader en den kleinzoon. Maar

wat het drama er bij won zou de waarheid verliezen. Marius was in dien

leeftijd, wanneer men aan niets kwaads gelooft; later komt de tijd

dat men alles gelooft. Achterdocht en wantrouwen zijn niet anders dan

rimpels. De jeugd heeft er geen. Wat Othello in beroering brengt,

glijdt af op Candide, Cosette te wantrouwen! Er zijn een aantal

misdaden, waartoe Marius veel eerder zou in staat zijn.

Hij begon door de straten te loopen, 't geen het hulpmiddel der

lijdenden is. Hij dacht aan niets, zoover hij zich herinneren

kon. Te twee uren in den nacht kwam hij bij Courfeyrac te huis en

wierp zich gekleed op zijn matras. 't Was helder licht, toen hij in

slaap viel, in dien vreeselijken zwaren slaap, welke de gedachten

in de hersenen dooreen doet woelen. Toen hij ontwaakte, zag hij in

de kamer Courfeyrac, Enjolras, Feuilly en Combeferre, allen met den

hoed op het hoofd, en zeer druk, gereed staande om uit te gaan.

Courfeyrac vroeg hem:

"Gaat ge mede naar de begrafenis van generaal Lamarque?"

Het scheen hem, alsof Courfeyrac Chineesch sprak.

Hij ging eenigen tijd na hen uit. Hij stak de pistolen in zijn zak,

welke Javert hem bij gelegenheid van het avontuur op den 3den Februari

had toevertrouwd en die in zijn bezit waren gebleven. Deze pistolen

waren nog geladen. 't Is moeilijk te zeggen, welke sombere gedachten

zijn geest vervulden, toen hij ze medenam.

Den geheelen dag zwierf hij rond zonder te weten waar; het regende nu

en dan, zonder dat hij het bespeurde; hij kocht tot zijn middagmaal

een broodje van een sou bij een bakker, stak het in den zak en vergat

het. Het schijnt dat hij een bad in de Seine nam, zonder er zich

bewust van te zijn. Er zijn oogenblikken, dat men een gloeienden oven

in het hoofd heeft. Marius was in een dier oogenblikken. Hij hoopte

niets meer, hij vreesde niets meer; zoover was hij sinds den vorigen

avond gekomen. Met koortsig ongeduld wachtte hij den avond; slechts

één duidelijk denkbeeld had hij, namelijk: dat hij te negen uren

Cosette zou zien. Dit laatste geluk was thans zijn geheele toekomst;

daarachter duisternis. Terwijl hij langs de eenzaamste boulevards

ging, meende hij van tijd tot tijd een zonderling gerucht in Parijs te

hooren. En uit zijn droomerijen ontwakende, vroeg hij bij zich zelven:

"Wordt er gevochten?"

Bij het vallen van den avond, met klokslag van negen uren was hij,

zooals hij aan Cosette had beloofd, in de straat Plumet. Toen hij het

hek naderde, vergat hij alles. Sinds acht-en-veertig uren had hij

Cosette niet gezien; nu zou hij haar wederzien; voor deze gedachte

verdwenen alle andere, en hij voelde niets dan een onbeschrijfelijke,

innige vreugd. Die minuten, waarin men eeuwen doorleeft, bezitten

steeds dit verhevene en merkwaardige, dat zij, wanneer zij aanwezig

zijn, ons hart geheel vervullen.

Marius nam de tralie uit het hek en spoedde in den tuin. Cosette was

niet op de plaats, waar zij hem gewoonlijk wachtte. Hij ging door het

struikgewas naar den hoek bij de stoep.--Daar wacht zij mij, zeide

hij.--Cosette was er niet. Hij sloeg de oogen omhoog, en zag dat de

blinden van het huis gesloten waren. Toen ging hij den tuin rond,

niemand was er. Daarop keerde hij naar het huis terug, en van liefde

waanzinnig en dronken, ontsteld, buiten zich zelven van smart en

ongerustheid, klopte hij, als iemand die op een onverwacht oogenblik

te huis komt, tegen de vensters. Hij klopte, klopte nogmaals, op het

gevaar af het venster te zien openen en het verstoord gezicht van den

vader te zien verschijnen, hem vragende: Wat wilt ge? Dit beteekende

niets bij hetgeen hij vermoedde. Toen hij geklopt had, verhief hij

de stem en riep Cosette. "Cosette!" riep hij. "Cosette!" herhaalde

hij gebiedend Men antwoordde niet. 't Was gedaan! Er was niemand in

den tuin; niemand in het huis.

Marius vestigde zijn wanhopigen blik op dit treurig huis, dat even

donker, even stil en ledig als een graf was. Hij zag de steenen

bank waarop hij zooveel zalige oogenblikken naast Cosette had

doorgebracht. Toen zette hij zich op de treden van het bordes, het

hart vol teederheid en beradenheid; hij zegende zijn liefde in den

grond zijns harten en zeide bij zich zelven, dat, nu Cosette was

vertrokken, hem niets overbleef dan te sterven.

Eensklaps hoorde hij een stem, die van de straat scheen te komen en

door het geboomte heen klonk:

"Mijnheer Marius!"

Hij richtte zich op.

"Wat is dat?" zei hij.

"Mijnheer Marius, zijt ge hier?"

"Ja."

"Mijnheer Marius," hernam de stem, "uw vrienden wachten u aan de

barricade der straat de la Chanvrerie."

Deze stem was hem niet geheel onbekend. Zij geleek de heesche, schorre

stem van Eponine. Marius ijlde naar het hek, nam de losse tralie weg,

stak zijn hoofd er door, en zag iemand, die hem een jongeling scheen,

in de schemering ijlings wegloopen.

DERDE HOOFDSTUK.

DE HEER MABEUF.

De beurs van Jean Valjean was voor den heer Mabeuf nutteloos. Deze had

in zijn eerbiedwaardige kinderlijke nauwgezetheid het geschenk der

sterren niet aangenomen; hij had niet willen gelooven, dat een ster

tot louisd'or kon gemunt worden. Hij had niet kunnen gissen, dat,

wat uit den hemel viel, van Gavroche kwam. Hij had de beurs aan den

politiecommissaris der wijk gebracht, als een verloren voorwerp, dat

door den vinder ter beschikking des navragers was gesteld. De beurs

was inderdaad verloren. Het spreekt vanzelf, dat niemand ze opvroeg,

en zij den heer Mabeuf niet het minste voordeel gaf.

Overigens zonk de heer Mabeuf steeds dieper.

De proefnemingen met de indigo waren evenmin in den plantentuin als in

zijn tuin van Austerlitz gelukt. Van het vorige jaar was hij aan zijn

huishoudster nog het loon schuldig; nu, zooals men gezien heeft, was

hij den huiseigenaar huur schuldig. Na verloop van dertien maanden had

de lombard de koperen platen zijner Flora verkocht. Een koperslager had

er braadpannen van gemaakt. Toen deze koperen platen verdwenen waren,

en hij de defecte exemplaren, welke hij van zijn Flora nog bezat,

niet eens kon completeeren, had hij aan een koopman in oude boeken,

platen en tekst voor een bagatel verkocht. Niets was hem meer van het

werk zijns ganschen levens overgebleven. Hij begon het geld zijner

exemplaren te verteren. Toen hij zag, dat dit geringe hulpmiddel ten

einde liep, gaf hij zijn tuin op en liet hem braak liggen. Vooraf, zeer

lang vooraf, had hij reeds afgezien van de twee eieren en het stukje

rundvleesch, dat hij nu en dan at. Zijn middagmaal bestond uit brood

en aardappelen. Hij had zijn laatste huisraad verkocht, vervolgens al

wat hij kon missen van zijn beddegoed, zijn kleederen en dekens; toen

zijn herbarium en platen; maar hij bezat nog zijn kostbaarste boeken,

waarbij hoogst zeldzame, onder andere les Quadrins historiques de la

Bible, editie van 1560, la Concordance des Bibles van Pierre de Besse;

les Marguerites de la Marguerite van Jean de la Haye, opgedragen aan

de koningin van Navarra, het boek getiteld de la Charge et dignité de

l'ambassadeur, door Villiers Hotman; een Florilegium rabbinicum van

1664; een Tibullus van 1567, met deze prachtige inscriptie, Venetiis,

in aedibus Manutianis; eindelijk een Diogenes Laërtius, in 1644 te

Lyon gedrukt, en waarin zich de vermaarde varianten bevonden van

het manuscript 411, dertiende eeuw, van het vatikaan, en die der

twee manuscripten van Venetië, 393 en 394, die met zooveel vrucht

door Henri Estienne geraadpleegd zijn, en al de plaatsen in Dorisch

dialect, welke zich slechts in het vermaarde manuscript der twaalfde

eeuw in de bibliotheek van Napels bevonden. De heer Mabeuf stookte in

't geheel geen vuur meer in zijn kamer en ging als het donker werd

naar bed, om geen licht te branden. Het scheen dat hij geen buren

meer had; men vermeed hem, wanneer hij uitging; hij merkte dit. Een

moeder is gevoelig voor de armoede van haar kind, een meisje voor die

van een jongeling, maar niemand is gevoelig voor de armoede van een

grijsaard. Voor dezen nood is men het koelst van alles. Mabeuf had

echter niet geheel en al zijn kinderlijke opgeruimdheid verloren. Zijn

oog werd eenigszins levendig, wanneer het zich op zijn boeken richtte,

en hij glimlachte bij 't zien van zijn Diogenes Laërtius, dat een

eenig exemplaar was. Zijn glazenkast was het eenig meubelstuk, dat

hij buiten het onmisbare gehouden had.

Op zekeren dag zei moeder Plutarchus tot hem:

"Ik heb geen geld om voor het middageten te zorgen."

Dit middageten bestond uit een broodje en vier of vijf aardappelen.

"Koop op crediet!" zei Mabeuf.

"Ge weet immers dat men mij niet meer borgen wil."

Mijnheer Mabeuf opende zijn bibliotheek, monsterde lang een voor een

al zijn boeken, gelijk een vader, die verplicht is een zijner kinderen

op te offeren, ze zou aanschouwen, alvorens een keus te doen; greep

er toen haastig een, nam het onder den arm en ging uit. Twee uren

later kwam hij te huis zonder iets onder den arm, legde dertig sous

op de tafel en zeide:

"Maak nu het middagmaal klaar."

Van dien oogenblik zag moeder Plutarchus een donkere schaduw over

het anders zoo heldere gelaat des grijsaards, welke schaduw niet

meer verdween.

Den eenen dag na den anderen moest hij zulks herhalen. De heer

Mabeuf ging uit met een boek en kwam te huis met een geldstuk. Wijl

de kooplieden in oude boeken opmerkten, dat hij gedwongen was te

verkoopen, kochten zij van hem voor twintig sous, waarvoor hij soms

aan dezelfde boekverkoopers twintig francs had betaald. Boek voor

boek verdween de geheele bibliotheek. Nu en dan zeide hij. "Ik ben

toch tachtig jaar oud," als had hij een stille hoop van aan het einde

zijner dagen te komen, vóór hij aan het einde zijner boeken kwam. Zijn

treurigheid nam steeds toe. Eenmaal had hij echter een vreugd. Hij

ging met een Robert Estienne uit, dien hij op de kade Malaquais

voor vijf-en-dertig sous verkocht, en kwam met een Aldus te huis,

dien hij in de straat des Grès voor veertig sous had gekocht. "Ik ben

vijf sous schuldig," zeide hij schitterend van blijdschap tot moeder

Plutarchus. Dien dag at hij niet.

Hij was lid der Tuinbouw-maatschappij. Men kende er zijn armoede. De

president dier maatschappij kwam hem eens bezoeken, beloofde met

den minister van landbouw en handel over hem te zullen spreken, en

deed dit.--"Maar, mijn Hemel!" riep de minister. "Een oude geleerde,

een botanicus, een mensch die niemand kwaad doet! Er moet iets voor

hem gedaan worden!" Den volgenden dag ontving mijnheer Mabeuf een

uitnoodiging om bij den minister te dineeren. Hij liet van blijdschap

bevende den brief aan moeder Plutarchus zien! "Wij zijn gered!" zeide

hij. Op den bepaalden dag begaf hij zich tot den minister. Hij merkte

op, dat zijn gekreukte das, zijn ruime ouderwetsche rok en zijn met

eiwit gesmeerde schoenen de deurwachters verwonderden. Niemand sprak

hem toe, zelfs niet de minister. Tegen tien uren 's avonds, terwijl

hij nog altijd een woord verwachtte, hoorde hij de echtgenoot van

den minister, een schoone coquette dame, welke hij niet had durven

naderen, vragen: "Wie is toch die oude heer?" Hij ging te middernacht,

onder een hevigen stortregen naar huis. Hij had een Elzevier verkocht,

om het huurrijtuig te betalen, dat hem naar het diner bracht.

Alle avonden vóór hij naar bed ging was hij gewoon, eenige bladzijden

in zijn Diogenes Laërtius te lezen. Hij verstond genoeg Grieksch om

de bijzondere schoonheden van den tekst te genieten. Hij had thans

geen andere vreugde meer. Er verstreken eenige weken. Onverwacht

werd moeder Plutarchus ziek. Er is iets nog treuriger dan geen geld

te hebben om bij den bakker brood te koopen, en dat is: geen geld te

hebben om bij den apotheker geneesmiddelen te koopen. Zekeren avond

had de dokter een zeer duur drankje voorgeschreven. Bovendien werd

de ziekte erger en er was een waakster noodig. Mijnheer Mabeuf opende

zijn boekenkast, er was niets meer. Het laatste boek was verdwenen. Hem

bleef niets meer over dan Diogenes Laërtius.

Hij nam het hoogst zeldzame exemplaar onder den arm en ging uit;

't was de 4 Juni 1832; hij begaf zich tot den opvolger van Royol hij

de poort St. Jacques, en kwam terug met honderd francs. Hij zette den

stapel vijffrancstukken op het nachttafeltje der oude dienstbode en

ging naar zijn kamer zonder een woord te zeggen.

Den volgenden morgen ging hij reeds zeer vroeg op den steen in

zijn tuin zitten, en over de heg kon men hem den geheelen morgen

bewegingloos, met gebogen hoofd, en met flauwen blik op zijn verwelkte

bloembedden zien staren. Het regende nu en dan; de grijsaard scheen

het niet te merken. Des namiddags ontstond in Parijs een buitengewoon

gerucht. Het schenen geweerschoten en het rumoer van een menigte

menschen.

De oude Mabeuf hief het hoofd op. Hij zag een tuinman, die voorbijging,

en vroeg hem:

"Wat is dat?"

De tuinman antwoordde, met de spade op den schouder en op rustigen

toon:

"Een oproer."

"Wat? een oproer?"

"Ja; men vecht."

"Waarom vecht men?"

"Ja, dat weet ik niet," zei de tuinman.

"Naar welken kant?" vroeg Mabeuf.

"Naar den kant van het Arsenaal."

Mabeuf ging in huis, nam zijn hoed, zocht werktuiglijk een boek om

het onder den arm te nemen, vond er geen en zeide:

"O, 't is waar!" en ging verstrooid uit.

BOEK X.

DE VIJFDE JUNI 1832.

EERSTE HOOFDSTUK.

HET OPPERVLAKKIGE DER QUAESTIE.

Waaruit bestaat een oproer? Uit niets en uit alles. Uit een allengs

ontwikkelde electriciteit, uit een plotseling uitslaande vlam,

uit een zwevende kracht, uit een voorbijgaanden adem. Deze adem

ontmoet hoofden die spreken, hersens die peinzen, zielen die lijden,

hartstochten die branden, ellendigen die brullen, en hij voert ze mede.

Waarheen?

Naar het toeval. Door den Staat, door de wetten, door den voorspoed

en de onbeschaamdheid van anderen heen.

De elementen van den opstand zijn een getergde overtuiging,

een verbitterde geestdrift, een opgewekte verontwaardiging, een

onderdrukte krijgszucht, geprikkelde jeugdige heldenmoed, edelmoedige

verblindheid, nieuwsgierigheid, lust naar verandering, zucht naar het

onverwachte, het gevoel waarmede men het aankondigingsbiljet van een

nieuw tooneelstuk leest en men op het tooneel het gefluit van den

machinist hoort; een onbepaalde haat, wraakzucht, teleurstelling,

iedere ijdelheid welke gelooft, dat het lot haar te kort doet; de

nood, de utopieën, de met steilten omgeven eerzucht, ieder die van

een instorting een uitkomst verwacht; eindelijk, in de diepste laagte,

het turfmoeras, dat vuur vat. Kortom het grootste en het kleinste; die

wezens, welke buiten alles omzwerven en steeds een gelegenheid wachten;

landloopers, vagebonden, lieden die den nacht, zonder ander dak dan de

koude wolken des hemels, in een huizenwoestijn doorbrengen, zij die

dagelijks hun brood aan het toeval en niet aan den arbeid vragen,

de onbekenden der ellende en van het niet, die lieden met bloote

armen en voeten, deze allen zijn de bestanddeelen van het oproer.

Wie in de ziel een heimelijken wrok wegens een of ander feit van den

staat, van het leven of van het lot draagt, is rijp voor het oproer

en voelt zich, zoodra het verschijnt, huiveren en door de werveling

opgenomen.

Het oproer is een soort van wervelwind in den maatschappelijken

dampkring, die plotseling bij een zekere weersgesteldheid ontstaat

en in zijn draaiingen stijgt, vliegt, dondert, wegrukt, vernietigt,

verplettert, omverwerpt, ontwortelt, en zoowel het groote als het

kleine, den krachtigen als den zwakken mensch, den boomstam als de

stroohalm medevoert.

Wee, zoowel hem, dien het medevoert, als dien het treft! Het

verbrijzelt den een tegen den ander.

Aan hen, welke het grijpt deelt het een onbekende, buitengewone

macht mede. Het vervult den eerste den beste met de kracht der

gebeurtenissen; het maakt van alles zijn wapenen. Het maakt van een

straatsteen een kogel, en van een lastdrager een generaal.

Volgens sommige orakels der sluwe politiek, is, uit het oogpunt van

het gezag, een weinig oproer wenschelijk. 't Is het stelsel, dat het

oproer de gouvernementen bevestigt, welke het niet omverwerpt. Het

beproeft het leger; het vereenigt de burgerij; het sterkt de spieren

der politie; het toont de kracht van het maatschappelijk gebouw aan. 't

Is een soort van gymnastiek, schier een gezondheidsmiddel. Het gezag

is gezonder na een oproer, evenals de mensch na een aderlating.

Dertig jaren geleden werd het oproer uit nog andere gezichtspunten

beschouwd.

Voor alle zaken is een theorie, die zich zelve "gezond verstand"

noemt; 't is Philintus tegen Alcestus; een bemiddeling tusschen het

ware en het valsche; een verklaring, vermaning, een eenigszins op

hoogen toon verleende verzachting, die, wijl zij met berisping en

verontschuldiging is vermengd, wijsheid meent te zijn, en niets

dan pedanterie is. Daaruit is een geheele politieke school, het

juiste-midden (juste-milieu) genoemd, ontstaan. Tusschen het koude

en het heete water is het de partij van het lauwe water. Deze school

veroordeelt, met haar geheel oppervlakkige, valsche diepte, zonder

dat zij tot de oorzaken opklimt, van de hoogte eener halve wetenschap,

de straatberoeringen.

Volgens deze school, "ontnamen de oproeren, die met het feit van

1830 gepaard gingen, aan deze groote gebeurtenis een gedeelte harer

zuiverheid. De Juli-revolutie was een volks-rukwind geweest, waarop

eensklaps een blauwe hemel was gevolgd. De oproeren veroorzaakten

weder een bewolkten hemel. Zij deden deze aanvankelijk zoo eensgezinde

revolutie in twist ontaarden. Zoowel in de Juli-omwenteling, als

bij elken vooruitgang door schokken teweeggebracht, waren verborgen

breuken; het oproer maakte ze merkbaar. Men kon zeggen: O, dit is

gebroken. Na de Juli-revolutie gevoelde men niets dan de bevrijding;

na de oproeren gevoelde men de rampen der gebeurtenis.

"Ieder oproer sluit de winkels, drukt de fondsen, beangstigt de Beurs,

schorst den handel, belemmert de zaken, veroorzaakt bankroeten; er is

gebrek aan geld, de welgestelden zijn ongerust, het openbaar crediet

is geschokt, de nijverheid ontsteld, de kapitalen verwijderen zich,

het werk vermindert, overal heerscht vrees; in alle steden voelt men

den invloed. Hieruit ontstaan instortingen en afgronden. Men heeft

berekend, dat de eerste dag van een oproer Frankrijk twintig millioen,

de tweede veertig, de derde zestig millioen francs kost. Een oproer

van drie dagen kost honderd twintig millioen, dat wil zeggen, alleen

de geldelijke uitkomst in 't oog houdende, staat gelijk met een ramp,

een schipbreuk of een verloren zeeslag, welke een vloot van zestig

linieschepen zou vernietigen.

"Uit een geschiedkundig oogpunt hadden de oproeren gewis hun schoone

zijde; de straatoorlog is niet minder grootsch en pathetisch

dan de oorlog in de bosschen; deze heeft de ziel der wouden,

gene het hart der steden, de eene heeft Jean Chouan, de andere

Jeanne. De oproeren doen in rooden, maar prachtigen glans al de

zonderlingste eigenaardigheden van het Parijsche karakter uitkomen;

de edelmoedigheid, de opoffering, de woeste vreugd; de studenten, die

de vereeniging van moed en verstand toonen; de onwrikbare nationale

garde; de bivakken van winkeliers, de forten van straatjongens, de

verachting van den dood der voorbijgangers. Scholen en legioenen,

die tegen elkander stieten. Tusschen de strijders was overigens

geen ander verschil dan dat des ouderdoms; 't is hetzelfde ras,

't zijn dezelfde stoïcijnsche mannen, die op twintigjarigen leeftijd

voor hun ideeën, op veertigjarigen voor hun gezinnen sterven. Het

leger, dat in burgeroorlogen altijd een treurige rol speelt, stelde

de voorzichtigheid tegenover de vermetelheid. De oproeren, die de

onversaagdheid van het volk bewezen, oefenden tevens den moed der

burgers.

"Het zij zoo. Maar is dat alles het vergoten bloed waard? En reken

bij het vergoten bloed ook de verduisterde toekomst, den bedreigden

vooruitgang, de ongerustheid der besten, de wanhoop der eerlijke

liberalen, het vreemde absolutisme, verheugd over deze door de

revolutie zich zelve toegebrachte wonden, de verwonnelingen van

1830, die prachend zeggen: Wij hadden het wel gezegd! Voeg hierbij:

Parijs misschien vergroot, maar Frankrijk stellig verkleind. Voeg

hierbij, want wij moeten alles zeggen, de moorden, welke te dikwerf de

overwinning der orde, wreed geworden, op de tot waanzin overgeslagen

vrijheid onteerden. Kortom, de oproeren zijn verderfelijk geweest."

Zoo spreekt de halve wijsheid, waarmede de burgerij, dit halve volk,

zich zoo gaarne tevreden stelt.

Wij, onzerzijds, verwerpen dit te ruim, en bijgevolg te gemakkelijk,

woord: oproeren. Wij maken onderscheid tusschen volksbeweging en

volksbeweging. Wij vragen niet, of een oproer evenveel kost als

een veldslag. Vooreerst, waartoe een veldslag? Hier werpt zich de

oorlogsquaestie op. Is de oorlog een mindere geesel dan het oproer

een ramp is? En zijn alle oproeren rampen? Mocht nu de 14 Juli honderd

twintig millioen kosten; de bevestiging van Filips V in Spanje kostte

Frankrijk twee milliards. Zelfs voor denzelfden prijs, zouden wij

den 14 Juli verkiezen. Wij stellen overigens deze cijfers ter zijde,

die redenen schijnen en slechts woorden zijn. Wij beschouwen een

oproer, wanneer het er is, op zich zelf. In alles wat de doctrinaire

tegenwerping hierboven zegt, wordt slechts van het gevolg gesproken;

wij zoeken de oorzaak.

Wij verklaren ons nader.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE GROND DER QUAESTIE.

Er is oproer en opstand; beide zijn toorn; het een heeft ongelijk,

de andere heeft gelijk. In democratische staten, de eenige die op

recht zijn gegrond, gebeurt het soms dat de fractie overheerscht;

dan verheft zich het geheel, en de noodzakelijke terugvorderingen

zijner rechten kan zoover gaan, dat het de wapens grijpt. In alle

quaestiën, die op de souvereiniteit van allen betrekking hebben,

is de oorlog van allen tegen de fractiën opstand, de aanval der

fractie tegen het geheel is oproer; al naar gelang de Tuilerieën den

koning of de conventie bevatten, worden zij terecht of ten onrechte

aangevallen. Hetzelfde kanon, dat tegen het volk wordt gericht, heeft

den 10 Augustus ongelijk en den 14 Vendemiaire gelijk. De schijn

is gelijk, maar de grond verschillend; de Zwitsers verdedigden het

valsche, Bonaparte verdedigde het ware. Wat het algemeen stemrecht

voor de ware vrijheid en souvereiniteit heeft gedaan, kan niet door

de staat weer vernietigd worden. Het is hetzelfde in de zaken van

zuivere beschaving; het instinct der massa's, gisteren helderziend,

kan morgen duister zijn. Dezelfde woede is wettig tegen Terray en

bespottelijk tegen Turgot. De vernietiging der machines, de plundering

der pakhuizen, de vernieling der spoorwegen, de verwoesting der dokken,

de verkeerdheden der menigte, de onbillijke wederstand van het volk

tegen den vooruitgang, Ramus door de studenten vermoord, Rousseau met

steenen uit Zwitserland verdreven, dat is oproer. Israël tegen Mozes,

Athene tegen Phocion, Rome tegen Scipio, is oproer; Parijs tegen de

Bastille is opstand. De soldaten tegen Alexander, de matrozen tegen

Christoforus Columbus is insgelijks oproer; een verachtelijk oproer;

waarom? Omdat Alexander voor Azië met den degen deed, wat Columbus voor

Amerika met het kompas deed; beiden, Alexander en Columbus, vonden een

wereld. Deze geschenken eener wereld aan de beschaving zijn zulk een

vermeerdering van licht, dat elke weerstand een misdaad is. Soms is

het volk zich zelf ontrouw. De menigte is jegens het volk verraderlijk.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 18 / 28 段