Overigens, zooals men heeft kunnen gissen, was mejuffrouw Gillenormand

in haar pogingen niet geslaagd om haar gunsteling, den officier

der lansiers, in Marius' plaats te dringen. Theodule had als

plaatsvervanger geen geluk gehad. Gillenormand had hem niet willen

aannemen. De ledigheid des harten wordt niet door een plaatsvervanger

gevuld. Theodule, van zijn kant, hoewel hij op een erfenis aasde, kon

zich niet dwingen om den ouden man te behagen. De oude man verveelde

den lansier en de lansier hinderde den ouden man. De luitenant

Theodule was ongetwijfeld vroolijk, maar babbelachtig; lichtzinnig,

maar gemeen; een vermaakzoeker, maar in slecht gezelschap; hij had

minnaressen, 't is waar, en sprak er veel van, dit is ook waar; maar

hij sprak er kwaad van. Al zijn hoedanigheden hadden een gebrek. Het

walgde mijnheer Gillenormand, hem zijn liefdeavonturen te hooren

verhalen, welke hij in den omtrek zijner kazerne in de Babelstraat

had. En daarbij kwam de luitenant Gillenormand soms in uniform

met de driekleurige kokarde. Dit was genoeg om hem ondragelijk te

maken. Eindelijk had vader Gillenormand tot zijn dochter gezegd:

"Ik heb genoeg van Theodule. Ik heb weinig op met krijgslieden in

vredestijd. Laat hem bij u komen, als ge wilt. Ik weet niet of ik

nog niet meer houd van hen, die werkelijk de sabel gebruiken, dan

van hen die er alleen mee sleepen. Het gekletter der zwaarden in den

slag is in allen geval minder nietig, dan het gerammel der scheeden

op de straatsteenen. En dan een houding aan te nemen als een held en

zich te rijgen als een meisje, een corset onder een harnas te dragen,

dat is dubbel bespottelijk. Wanneer men een degelijk man is, onthoudt

men zich evenzeer van pocherij als van verwijfdheid. Noch bramarbas,

noch flauwhartige. Behoud uw Theodule voor u zelve."

Zijn dochter mocht al zeggen: "'t Is toch uw achterneef," 't bleek

echter dat mijnheer Gillenormand, schoon van top tot teen grootvader,

evenwel volstrekt geen oudoom was.

Trouwens, wijl hij zijn verstand gebruikte en vergelijkingen maakte,

had Theodule tot niets anders gediend dan om hem Marius te meer te

doen betreuren.

Op een avond, 't was den 4 Juni, ('t geen evenwel niet belette,

dat vader Gillenormand een goed vuur in den haard brandde), had hij

zijn dochter heengezonden, die in het belendend vertrek naaide. Hij

was alleen in zijn kamer met de herderstafereelen, zijn voeten op

de haardijzers latende rusten, ten halve ingesloten door zijn groot

coromandelsch tochtscherm van negen bladen, met de ellebogen op de

tafel, waarop twee waskaarsen onder een groen lichtscherm brandden,

verzonken in zijn warm bekleeden armstoel en met een boek in de hand,

schoon hij niet las. Hij was, naar zijn gewoonte, als incroyable

gekleed en geleek op een oud portret van Garat. Men zou hem in die

kleeding op de straat met de vingers hebben nagewezen, maar zijn

dochter hulde hem, wanneer hij uitging, in een ruimen gewatteerden

overjas, waaronder zijne overige kleeding verborgen was. Hij droeg

te huis nooit een kamerjapon, behalve wanneer hij opstond of te bed

ging.--Dat geeft een oud voorkomen, zeide hij.

Vader Gillenormand dacht aan Marius met liefde en bitterheid, en,

als gewoonlijk, had de bitterheid de overhand. Zijn gekwetste liefde

eindigde steeds in heftigheid en verontwaardiging. Hij was thans tot

dat punt gekomen, wanneer men een besluit tracht te nemen en alles

aanneemt om het te vernietigen. Hij begon in te zien, dat er nu geen

reden meer was, waarom Marius zou terugkomen; dat zoo hij had willen

terugkeeren, hij dit reeds gedaan zou hebben; dat hij van die hoop

moest afzien. Hij poogde zich met het denkbeeld gemeenzaam te maken,

dat het gedaan was, en hij zou sterven zonder dien "mijnheer" weder

te zien. Maar geheel zijn natuur verzette er zich tegen; zijn oude

bloedverwantschap kon er zich niet in schikken. "Hoe 't zij!" herhaalde

hij steeds in zijn droefheid, "hij zal niet wederkomen!" Zijn kaal

hoofd was op zijn borst gezonken, en hij staarde strak in de asch

van den haard, met een droevigen, vergramden blik.

In het diepst zijner overdenkingen trad zijn oude knecht Basque

binnen, zeggende:

"Mijnheer, daar is mijnheer Marius om u te spreken!"

De grijsaard richtte zich schielijk op, bleek en als een lijk, dat

zich door een galvanischen schok opheft. Al zijn bloed was naar zijn

hart teruggestroomd. Hij stamelde:

"Welke mijnheer Marius?"

"Ik weet niet," antwoordde Basque, verschrikt en in verwarring gebracht

door de houding zijns meesters. "Ik heb hem niet gezien. Nicolette

heeft mij gezegd: Daar is een jong mensch, zeg, dat het mijnheer

Marius is."

Vader Gillenormand stamelde zacht:

"Laat hem binnenkomen."

Hij bleef in dezelfde houding, met waggelend hoofd en op de deur

gerichten blik. De deur werd weder geopend. Een jonge man trad

binnen. 't Was Marius.

Marius bleef aan de deur staan, als wachtte hij, dat men hem zou

zeggen binnen te komen.

Zijn schier armoedige kleeding was niet te zien in de duisternis,

welke het lichtscherm veroorzaakte. Men onderscheidde slechts zijn

rustig, ernstig, maar zonderling treurig gezicht.

Vader Gillenormand, als door verbazing en blijdschap verstomd,

zag eenige oogenblikken niets dan een helderheid als die eener

verschijning. Hij was op 't punt in onmacht te vallen; hij zag Marius

als door een schittering heen. Ja, hij was het, 't was wel degelijk

Marius!

Eindelijk! na vier jaren! Hij greep hem, om zoo te spreken, geheel

en al met een oogopslag. Hij vond hem schoon, edel, voornaam, groot

geworden, een volwassen man, met een goede houding en innemend

voorkomen. Hij had veel lust om zijn armen uit te breiden, hem tot

zich te roepen, hem te omhelzen. Zijn hart smolt van verrukking;

vriendelijke woorden deden het zwellen en overstroomden zijn boezem;

eindelijk gaf zich zijn geheele liefde lucht en bereikte zijn lippen,

maar door de tegenstrijdigheid, die den grond zijner natuur was,

kwam er een ruwheid uit.

Norsch zeide hij:

"Wat komt ge hier doen?"

Marius antwoordde verlegen:

"Mijnheer...."

De heer Gillenormand had gewenscht, dat Marius zich in zijn armen had

geworpen. Hij was ontevreden, zoowel op Marius als op zich zelven. Hij

gevoelde dat hij barsch, en dat Marius koel was. 't Was voor den goeden

man een onverdragelijke, tergende foltering, zich inwendig zoo teeder

en weemoedig te gevoelen en uiterlijk slechts ruw te kunnen zijn. De

bitterheid keerde in hem terug. Op barschen toon viel hij Marius in

de rede:

"Waarom komt ge dan?"

Dit "dan" beteekende: Zoo ge mij niet omhelst. Marius aanschouwde zijn

grootvader, wiens gezicht de bleekheid als van marmer deed schijnen.

"Mijnheer!"...

De grijsaard hernam op strengen toon:

"Komt ge mij vergeving vragen? Hebt ge uw ongelijk erkend?"

Hij meende Marius hiermede op den weg te brengen, en dat "het kind"

zou zwichten. Marius beefde: 't was de verloochening zijns vaders,

welke men hem vroeg; hij sloeg de oogen neder en antwoordde:

"Neen, mijnheer."

"Wat wilt ge dan van mij?" riep de grijsaard, onstuimig, met vlijmende

smart en vol toorn.

Marius vouwde de handen samen, naderde een schrede en zeide met zwakke,

bevende stem:

"Heb medelijden met mij, mijnheer."

Dit woord verteederde den heer Gillenormand, of liever gezegd, zou

hem verteederd hebben; maar het kwam te laat. De grootvader stond op

en steunde met beide handen op zijn stok; zijn lippen waren bleek,

zijn hoofd waggelde, maar zijn hooge gestalte beheerschte den gebogen

Marius.

"Medelijden met u, mijnheer? 't Is de jongeling die medelijden vraagt

van den een-en-negentigjarigen grijsaard! Gij treedt het leven in,

ik ga er uit; gij gaat naar den schouwburg, naar het bal, naar het

koffiehuis, naar 't biljart; gij hebt geest, behaagt de vrouwen, ge

zijt een fraai jongeling; en ik hurk midden in den zomer bij het vuur;

gij bezit al de wezenlijke schatten die er zijn; ik heb al de armoede

der grijsheid; gebreken, verlatenheid! Gij hebt al uw twee-en-dertig

tanden, een goede maag, een levendig oog, kracht, eetlust, gezondheid,

vroolijkheid, weelderig zwart haar; ik heb zelfs geen wit haar meer;

ik heb mijn tanden verloren; ik verlies mijn beenen, ik verlies mijn

geheugen; er zijn drie straten, welke ik telkens met elkaar verwar:

de straat Charlot, de straat du Chaume en de straat St. Claude; zoo ver

ben ik gekomen; gij hebt voor u de gansche zonnige toekomst; ik begin

bijna niets meer te zien, zoo diep ben ik den nacht reeds ingegaan;

gij zijt verliefd, dat spreekt vanzelf; ik word door niemand ter wereld

bemind, en gij vraagt mij medelijden. Drommels, dit heeft Molière

nog vergeten. Indien ge zoo in het paleis van justitie schertst,

mijnheeren advocaten, dan maak ik u mijn hartelijk compliment, ge

zijt waarlijk koddig."

En de een-en-negentigjarige hernam met vergramde, ernstige stem:

"Maar, wat wilt ge van mij?"

"Mijnheer," zei Marius, "ik weet, dat mijn tegenwoordigheid u mishaagt,

maar ik kom slechts om u iets te vragen, en dan zal ik dadelijk

weder heengaan."

Dit was de vertaling dezer teedere woorden, welke hij in den grond

van zijn hart had: "Maar vraag mij toch vergeving! Werp u toch aan

mijn hals!" Mijnheer Gillenormand gevoelde, dat Marius hem in weinige

oogenblikken zou verlaten, dat zijn slechte ontvangst hem kwetste,

dat zijn hardheid hem wegjoeg; dit alles zeide hij tot zich zelf en

zijn smart vermeerderde er door, en wijl zijn smart dadelijk tot toorn

overging, vermeerderde ook zijn norschheid. Hij wilde dat Marius hem

begreep, en Marius begreep hem niet, 't geen den ouden man woedend

maakte. Hij hernam:

"Hoe! ge hebt mij beleedigd, mij, uw grootvader, ge hebt mijn huis

verlaten, om, ik weet niet waarheen te gaan; ge hebt uw tante wanhopig

gemaakt, ge zijt als een jongeheer gaan leven, dit is gemakkelijker,

dat spreekt, om den fat te kunnen spelen, naar believen te huis te

komen, u te vermaken ge hebt mij geen teeken van leven gegeven; ge

hebt schulden gemaakt, zonder mij zelfs te verzoeken ze te betalen;

ge gaat glazen inslaan en straatrumoer maken, en na verloop van vier

jaren komt ge bij mij en gij hebt mij verder niets te zeggen."

Deze geweldige wijze om den kleinzoon tot teederheid te bewegen bracht

bij Marius niets dan stilzwijgen voort. Mijnheer Gillenormand kruiste

de armen op de borst, 't geen bij hem een bijzonder gebiedend gebaar

was, en zeide bitter tot Marius:

"Maken wij er een einde aan. Ge zegt, dat ge mij iets komt vragen,

nu, wat? wat is het? spreek."

"Mijnheer," zei Marius met den blik van iemand, die voelt dat hij in

een afgrond zal storten; "ik kom uw toestemming vragen om te trouwen."

Mijnheer Gillenormand schelde. Basque verscheen in de deur.

"Laat mijn dochter hier komen."

Een seconde later werd de deur weder geopend, mejuffrouw Gillenormand

trad niet binnen, maar vertoonde zich; Marius stond sprakeloos,

met hangende armen en het gezicht van een misdadiger; mijnheer

Gillenormand ging heen en weder door de kamer. Hij wendde zich tot

zijn dochter en zeide:

"Niets. 't Is mijnheer Marius. Zeg hem goedendag. Mijnheer wil

trouwen. Dat is 't. Nu kunt ge heengaan."

De korte, ruwe toon van den grijsaard verried een buitengewone

opkropping van toorn. De tante aanschouwde Marius met verschrikten

blik, scheen hem nauwelijks te herkennen, liet geen gebaar noch woord

ontsnappen, en verdween na de woorden van haar vader sneller dan een

stroohalm voor den wind.

Ondertusschen was vader Gillenormand weder tegen den schoorsteen

gaan leunen.

"Trouwen! op een-en-twintigjarigen leeftijd! Hebt ge dit in orde

gebracht? Ge behoeft nog slechts mijn toestemming! een formaliteit! Zet

u, mijnheer. Nu, ge hebt een revolutie ondergaan sedert ik de eer

heb gehad u te zien. De Jakobijnen zegevierden. Gij hebt tevreden

moeten zijn. Zijt ge geen republikein sedert gij baron zijt? Ge kunt

dit met elkaar vereenigen. De republiek geeft een bijsmaak aan 't

baronschap. Zijt ge een gedecoreerde van Juli? hebt ge ook een handje

aan de inneming van het Louvre geholpen, mijnheer? Hier dichtbij,

in de straat Saint Antoine, tegenover de straat des Nonaindières,

is een kogel in den muur der derde verdieping van een huis gemetseld

met dit opschrift: 28 Juli 1830. Ga dat zien. Het staat goed. O,

uw vrienden doen fraaie dingen! Apropos, maken zij geen fontein op

de plaats van het monument van den hertog van Berry? Gij wilt dus

trouwen? met wie? mag men zonder onbescheidenheid vragen met wie?"

Hij zweeg, maar voor dat Marius den tijd had te antwoorden, voegde

hij er heftig bij:

"Ha, zoo! gij hebt dus een bestaan? gij hebt fortuin gemaakt? hoeveel

verdient ge met uw advocaatschap?"

"Niets," zei Marius met eene soort van vastheid en schier ruwe

beradenheid.

"Niets? hebt ge dan, om te leven, niets meer dan de twaalfhonderd

francs, welke ik u geef?"

Marius antwoordde niet. Mijnheer Gillenormand hernam:

"Dan begrijp ik; het meisje is rijk?"

"Evenals ik."

"Hoe! geen vermogen?"

"Neen."

"Uitzichten?"

"Ik geloof niet."

"Alzoo naakt en bloot! en wie is de vader?"

"Ik weet niet."

"Hoe heet zij?"

"Mejuffrouw Fauchelevent."

"Fauche-wat?"

"Fauchelevent."

"Pstt," deed de grijsaard.

"Mijnheer!" riep Marius.

Mijnheer Gillenormand viel hem in de rede, op een toon als iemand,

die bij zich zelven spreekt:

"Fraai! een-en-twintig jaar, geen bestaan, twaalfhonderd francs 's

jaars, mevrouw de barones Pontmercy zal voor twee sous peterselie

bij de groenvrouw gaan koopen."

"Mijnheer," hernam Marius in de vervoering der laatste hoop die

vervloog, "ik bid u, ik bezweer u, om 's hemels wil, met gevouwen

handen, mijnheer, ik kniel voor u, veroorloof mij met haar te trouwen!"

De grijsaard barstte in een scherp, akelig gelach uit, terwijl hij

tevens kuchte en sprak:

"Ha! ha! ha! ge hebt gedacht: kom, ik ga dien ouden pruik, dien mallen

vent eens opzoeken. 't Is jammer, dat ik geen vijf-en-twintig jaar oud

ben! ik zou hem een duchtige acte van eerbied voorleggen! Ik kon hem

missen! Om 't even, ik zal hem zeggen: Oude suffer, gij zijt verrukt

van blijdschap mij te zien; ik heb lust om te trouwen, ik heb lust

met mejuffrouw onbekend te trouwen, dochter van mijnheer onbekend;

ik heb geen schoenen aan de voeten, zij heeft geen hemd aan 't lijf;

dat past goed bij elkaâr; ik heb plan mijn loopbaan, mijn toekomst,

mijn jeugd, mijn leven in 't water te werpen; ik heb lust mij hals

over kop in de armoede te storten; dat is zoo mijn idee, gij moet

er in bewilligen; en de oude zal bewilligen. Goed, mijn jongen, ga

uw gang, hang u een steen om den hals, trouw met uw Pousselevent,

met uw Coupelevent... Nooit, mijnheer, nooit!"

"Grootvader!"

"Nooit!"

De toon, waarop dat "nooit" werd uitgesproken, ontnam Marius alle

hoop. Met langzame schreden, met gebogen hoofd, wankelend, meer

iemand gelijkende die sterft dan die heengaat, ging hij door de

kamer. Mijnheer Gillenormand volgde hem met de oogen, en toen de

deur geopend werd en Marius wilde heengaan, deed hij vier schreden

met de verjaarde levendigheid van driftige en verwende grijsaards,

greep Marius bij den kraag, voerde hem met kracht weder in de kamer,

wierp hem op een stoel en zeide:

"Verhaal mij!"

't Was het enkele woord "grootvader", aan Marius ontsnapt, dat deze

omkeering voortbracht.

Marius zag hem met verbazing aan. Het bewegelijk gezicht van den heer

Gillenormand drukte alleen nog een ruwe en onuitsprekelijke goedheid

uit; de oude man was door den grootvader vervangen.

"Komaan, spreek, verhaal mij uw liefdehistorie, zeg mij

alles. Drommels, hoe dom zijn toch de jongelieden!"

"Grootvader...," hernam Marius.

Het geheele gelaat des grijsaards straalde van een onbeschrijfelijken

glans.

"Ja, zoo is 't goed, noem mij grootvader en gij zult zien."

In deze ruwheid lag nu iets goedhartigs, zoo zachts, zoo openhartigs,

zoo vaderlijks, dat Marius in dezen plotselingen overgang van

moedeloosheid tot hoop, er als door bedwelmd en verward werd. Hij

zat aan de tafel, het licht der waskaarsen toonde den slechten staat

zijner kleeding, welke de heer Gillenormand met verbazing beschouwde.

"Nu, lieve grootvader...," zei Marius.

"Ge hebt dan waarlijk geen geld?" viel mijnheer Gillenormand hem in

de rede. "Ge zijt gekleed als een dief."

Hij schommelde in een lade en nam er een beurs uit, welke hij op de

tafel legde.

"Ziedaar honderd louisd'ors, koop u een hoed."

"Grootvader," hernam Marius, "lieve grootvader, zoo ge wist hoe ik

haar bemin! Ge kunt het u niet verbeelden; 't was in het Luxembourg

dat ik haar den eersten keer zag; zij kwam er; in den beginne lette ik

niet veel op haar; maar toen, ik weet zelf niet hoe het kwam, werd ik

verliefd op haar. O! hoe ongelukkig heeft mij dat gemaakt! Eindelijk

spreek ik haar alle dagen in haar tuin; haar vader weet het niet;

verbeeld u; zij gaan vertrekken; 't is in den tuin dat wij elkander

spreken, des avonds; haar vader wil haar naar Engeland medenemen;

toen zeide ik bij mij zelven: ik ga mijn grootvader bezoeken en hem

de zaak verhalen. Ik zou krankzinnig worden, sterven, ziek worden,

in 't water springen. Ik moet haar volstrekt trouwen, want ik zou

krankzinnig worden. Ziedaar de geheele waarheid. Ik geloof niet,

dat ik iets vergeten heb. Zij woont in een tuin met een hek, in de

straat Plumet. 't Is aan de zijde der Invaliden."

Met een glans op het gelaat had vader Gillenormand zich naast Marius

gezet. Terwijl hij luisterde en den klank zijner stem hem verrukte, nam

hij tevens een lang snuifje. Bij het woord "straat Plumet" hield hij

op met snuiven en liet het overige van de snuif op de knieën vallen.

"Straat Plumet! ge zegt straat Plumet? Wacht even! Is er niet een

kazerne in de nabijheid?--Ja, ja, zoo is het. Uw neef Theodule heeft

er mij van gesproken. De lansier, de officier.--Een meisje, mijn goede

vriend, een meisje. Inderdaad, straat Plumet. Voorheen noemde men ze de

straat Blomet... Nu herinner ik mij. Ik heb van het meisje van het hek

in de straat Plumet hooren spreken. In een tuin. Een Pamela. Ge hebt

geen slechten smaak. Men zegt, dat zij zeer lief is. Onder ons gezegd,

geloof ik dat deze zotskap van een lansier haar een weinig het hof

heeft gemaakt. Ik weet niet hoe ver 't gegaan is. Nu, dat doet er niet

toe. Men moet hem niet gelooven. Hij is een bluffer. Ik vind het zeer

goed, Marius, dat een jongeling als gij verliefd is. Het behoort tot

uw leeftijd. Ik heb liever dat ge verliefd dan een Jakobijn zijt. Ik

heb liever, dat ge op een meisje, op twintig meisjes verliefd zijt,

dan op mijnheer de Robespierre. Ik, wat mij betreft, ik laat mij de

gerechtigheid wedervaren, dat ik van alle sansculottes (zonderbroeken)

slechts de vrouwen heb bemind. Verduiveld, mooie meisjes zijn mooie

meisjes, daartegen is niets te zeggen. En het meisje! zij ontvangt

u heimelijk zonder dat papa er iets van weet.--'t Is volkomen in den

regel. Ook ik heb zulke geschiedenissen gehoord; meer dan eene. Weet

ge wat men doet; men neemt de zaak zoo nauw niet; men werpt zich niet

met geweld in het treurspel; men gaat niet zoo spoedig een huwelijk

voor mijnheer den maire met zijn sjerp sluiten. Men moet doodeenvoudig

schrander zijn. Gezond verstand hebben. Doet wat ge wilt, stervelingen,

maar trouwt niet. Men zoekt den grootvader op, die in den grond een

goed man is, en altijd wel een rol louisd'or in een oude latafel heeft,

men zegt: grootvader, hier ben ik, en de grootvader zegt: dat is zeer

natuurlijk. De jeugd moet uitrazen en de ouderdom afschuiven. Ik

ben jong geweest, gij zult oud worden. Luister, mijn jongen, gij

zult hetzelfde aan uw kleinzoon zeggen. Ziedaar hebt ge tweehonderd

pistolen. Vermaak u! 't Is het beste wat men doen kan! Zoo moet de zaak

behandeld worden. Men trouwt niet; dat belet echter niets. Begrepen?"

Marius, die als versteend en niet in staat was een woord uit te

brengen, schudde het hoofd ontkennend.

De oude man lachte luid, knipoogde, klopte hem op de knie, lonkte

hem op geheimzinnige wijze toe en zeide hem, teederlijk de schouders

ophalende:

"Domoor, neem ze tot uw matres."

Marius verbleekte. Hij had niets begrepen van al 't geen zijn

grootvader gezegd had. Het geteut over de straat Blomet, Pamela,

kazerne, lansier, was als beelden uit een tooverlantaarn voorbij

Marius heengegaan. Dat alles kon geen betrekking hebben op Cosette,

die een lelie was. De oude man raaskalde. Maar dat geraaskal was

uitgeloopen op een woord, 't welk Marius begrepen had, 't welk een

doodelijke beleediging voor Cosette was. Het woord "neem ze tot uw

matres" drong in het hart des jongelings als een degenkling.

Hij stond op, nam zijn hoed, die op den grond lag, en ging met vasten,

beraden tred naar de deur. Daar keerde hij zich om, boog diep voor

zijn grootvader, richtte het hoofd weder op en zeide:

"Vijf jaren geleden hoondet gij mijn vader; heden beleedigt gij mijn

vrouw. Ik vraag u niets meer, mijnheer, vaarwel!"

Vader Gillenormand opende onthutst den mond, stak de armen uit,

poogde zich op te richten, maar eer hij een woord had kunnen spreken,

was de deur weder gesloten en Marius verdwenen.

De grijsaard was eenige oogenblikken bewegingloos en als verpletterd,

zonder te kunnen spreken noch ademen, alsof een gesloten vuist hem

de keel dichtkneep. Eindelijk stond hij met geweld van zijn stoel op,

ijlde naar de deur, zoo snel zijn een-en-negentig jaren hem vergunden,

opende ze en riep:

"Help! help!"

Zijn dochter kwam te voorschijn, vervolgens ook de dienstboden. Met

erbarmelijk gereutel hernam hij:

"Loopt hem na! Vat hem! Wat heb ik hem gedaan? hij is zinneloos! hij

gaat heen! Ach, mijn God, mijn God! ditmaal zal hij niet wederkeeren."

Hij ging naar het raam, dat op de straat uitkwam, opende het met zijn

bevende handen, boog zich ten halven lijve er uit, terwijl Basque en

Nicolette hem van achter vasthielden, en riep:

"Marius! Marius! Marius! Marius!"

Maar Marius kon hem niet meer hooren, en ging juist den hoek der

straat St. Louis om.

De een-en-negentigjarige sloeg twee of drie keeren met een angstige

uitdrukking de handen aan zijn hoofd, trad waggelend terug en zonk op

een stoel, zonder polsslag, zonder stem, zonder tranen, als wezenloos

het hoofd schuddende en de lippen bewegende, terwijl in zijn oogen en

in zijn hart slechts iets dieps en treurigs was, dat den nacht geleek.

BOEK IX.

WAARHEEN GAAN ZIJ?

EERSTE HOOFDSTUK.

JEAN VALJEAN.

Dienzelfden dag, tegen vier uren des namiddags, zat Jean Valjean alleen

op den kant van een der eenzaamste hoogten van het Marsveld. Hetzij

voorzichtigheid, hetzij de wensch om zich aan zijn gedachten over te

geven, of eenvoudig ten gevolge van een dier onmerkbare veranderingen,

welke allengs in de gewoonten van iedereen ontstaan, ging hij thans

zeer zelden met Cosette uit. Hij droeg een arbeidersbuis, en een

grove linnen broek; terwijl een pet met breeden klep zijn gezicht

bedekte. Hij was nu gerust en gelukkig ten aanzien van Cosette, en

't geen hem eenigen tijd beangstigd en verontrust had, was verdwenen;

maar sedert een paar weken waren bekommeringen van een anderen aard

bij hem ontstaan. Op zekeren dag, dat hij langs den boulevard wandelde,

had hij Thénardier gezien. In zijn verkleeding, had Thénardier hem niet

herkend; maar sedert had Jean Valjean hem herhaaldelijk wedergezien,

en hij had thans de zekerheid, dat Thénardier in de wijk rondsloop. Dit

was voldoende geweest om hem een groot besluit te doen nemen. Met

Thénardier waren alle gevaren voor hem aanwezig. Parijs was buitendien

niet rustig; de politieke beroeringen waren voor ieder een bezwaar,

die iets van zijn leven te verbergen had, wijl de politie zeer wakker

en nauwlettend was geworden, en zij, bij 't opsporen van een Pépin

of Morey, zeer licht iemand als Jean Valjean kon ontdekken. Jean

Valjean had besloten Parijs, ja zelfs Frankrijk, te verlaten en naar

Engeland over te steken. Cosette had hij ervan verwittigd. Binnen acht

dagen wilde hij vertrekken. Hij zat op eene hoogte van het Marsveld,

terwijl allerlei gedachten bij hem opkwamen, Thénardier, de politie,

de reis, en de moeielijkheid zich een pas te bezorgen.

Ten aanzien van al deze punten was hij zeer bekommerd.

Eindelijk had een onverklaarbaar feit, dat hem had getroffen en hem nog

geheel vervulde, zijn waakzaamheid vermeerderd. Toen hij des morgens

van dien dag alleen in het huis op was en in den tuin wandelde, vóór

dat de blinden van Cosettes kamer geopend waren, had hij plotseling

op den muur deze woorden gevonden, die zoo 't scheen met een spijker

gekrabd waren:

16. Straat de la Verrerie.

't Was nog geheel versch, de insnijding op de oude, zwarte kalk

was zuiver wit, en een struik brandnetels aan den voet des muurs

was met witte kalkstof bepoederd. 't Was waarschijnlijk des nachts

geschreven. Wat beteekende het? een adres? een teeken voor anderen? een

waarschuwing voor hem? In allen geval was het duidelijk, dat de tuin

betreden was en vreemden er binnengedrongen waren. Hij herinnerde zich

de zonderlinge omstandigheden, welke het huis reeds vroeger verontrust

hadden. Zijn geest hield zich met dit alles bezig en bouwde er allerlei

gissingen op. Hij hoedde zich Cosette van het geschrevene op den muur

te spreken, uit vrees van haar te beangstigen.

Terwijl hij zich aan zijn gedachten overgaf, zag hij aan een schaduw,

welke de zon wierp, dat iemand op den top der hoogte, waarop hij zat,

dicht achter hem stond. Hij wilde het hoofd omwenden, toen een in

vieren gevouwen papier op zijn knieën viel, als had een hand boven

zijn hoofd het laten vallen. Hij nam het papier, opende het en las

er dit, met potlood en met groote letters geschreven woord op:

"VERHUIS."

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 17 / 28 段