Thénardier hernam op dien beslissenden, hem eigenaardigen toon:
"Maak dat ge weg komt, meisje, en laat de lieden hun zaken verrichten."
Eponine liet de hand van Montparnasse los, welke zij weder gevat had,
en zeide:
"Ge wilt dan dit huis binnengaan?"
"Even!" zei de buikspreker met een grijnslach.
Toen plaatste zij zich met den rug tegen het hek, bood het hoofd aan
zes gewapende bandieten, aan wie de nacht wezenlijke duivelsgezichten
gaf, en zeide met vaste, doch zachte stem:
"En ik zal 't niet toestaan."
Zij bleven versteld staan. De buikspreker echter lachte voort. Zij
hernam:
"Luistert, vrienden! Dat is het niet. Nu spreek ik. Vooreerst,
zoo ge den tuin binnengaat, zoo ge dit hek aanraakt, schreeuw ik,
klop aan de deuren, wek de menschen, ik laat u alle zes vatten en
roep de stadssergeanten."
"Zij zou het wezenlijk doen," zei Thénardier zacht tot Brujon en
den buikspreker.
Zij richtte het hoofd op en voegde er bij:
"Met mijn vader te beginnen!"
Thénardier naderde.
"Niet zoo dicht bij mij, goede man!" zeide zij.
Hij trad achteruit, binnensmonds brommende: "Maar hoe heb ik 't met
haar?" en hij liet er op volgen:
"Teef."
Zij lachte op vreeselijke wijze:
"Zeg wat ge wilt, maar ge komt niet binnen. Ik ben geen jong
van een hond, maar van een wolf. Ge zijt met u zessen, 't is mij
onverschillig! Ge zijt mannen; nu, ik ben een vrouw. Ge kunt mij
geen vrees aanjagen, weet ge. Ik zeg u, dat ge dit huis niet zult
binnengaan, omdat ik dit niet verkies. Zoo ge nader komt, blaf
ik. Ik heb 't u gezegd, dat ik de hond ben. Ik lach u uit. Gaat
weg, ge verveelt mij. Gaat waarheen ge wilt, maar komt niet hier,
ik verbied het u. Ge hebt messen, ik heb mijn klomp, 't is mij om
't even; nadert dus, als ge durft!"
Zij trad vreeselijk tartend op de bandieten toe, en hernam lachend:
"Voor den drommel, ik ben niet bang. Des zomers kan ik honger, des
winters kou lijden. Die domme kerels zijn koddig; te gelooven, dat
zij een meisje bang kunnen maken. Waarvoor zou ik bang zijn? Wijl ge
lafhartige minnaressen hebt, die zich onder het bed verbergen, zoodra
ge de stem verheft; is 't zoo niet? Ik ben voor niets bevreesd!" Zij
sloeg een vasten blik op Thénardier en voegde er bij: "Zelfs niet
voor u, vader."
Toen hernam zij, haar bloedige spookachtige oogen over de bandieten
latende gaan:
"Wat geef ik er om, of men mij morgen in de straat Plumet opraapt,
door den dolk van mijn vader vermoord, of dat men mij binnen een
jaar in de netten van Saint Cloud of bij het Zwaneneiland tusschen
oud verrot hout en verdronken honden vindt!"
Zij was gedrongen op te houden, daar zij door een drogen hoest werd
overvallen, die haar adem reutelend uit haar enge, zwakke borst
deed hijgen.
Zij hernam:
"Ik behoef slechts te schreeuwen en men ijlt toe. Gij zijt met uw
zessen; ik ben alleen."
Thénardier wilde haar naderen.
"Nader niet!" riep zij.
Hij stond stil en zeide op zachten toon:
"Nu, ik zal niet naderen; maar spreek zoo luid niet, mijn kind. Ge
wilt ons dus beletten te werken? Wij moeten toch iets verdienen om
van te leven. Ge hebt dus geen vriendschap meer voor uw vader?"
"Ge verveelt mij," zei Eponine.
"Wij moeten toch leven, eten..."
"Krepeer!"
Dit gezegd hebbende, zette zij zich op het voetstuk van het hek
en neuriede:
Mon bras si dodu,
Ma jambe bien faite,
Et le temps perdu.
Zij liet haar elleboog op de knie en haar kin op haar hand rusten,
terwijl zij onachtzaam met haar been schommelde. Door haar gescheurd
kleed kon men haar magere schouderbladen zien. De naaste straatlantaarn
bescheen haar gezicht en gestalte. Men kon niets stoutmoedigers en
zonderlingers aanschouwen.
De zes moordenaars, verwonderd en wrevelig, dat zij door een meisje
werden tegengehouden, traden in de schaduw achter de lantaarn en
raadpleegden, terwijl zij vernederd en verwoed de schouders ophaalden.
Zij beschouwde hen met een kalmen, woesten blik.
"Zij moet een of andere reden hebben," zei Babet. "Zou zij
verliefd zijn op den hond? 't Is toch jammer, dat wij de zaak moeten
opgeven. Twee vrouwen, een oude kerel, die op een achterplaats woont;
er zijn fraaie gordijnen voor de vensters. De oude is gewis een
jood. Ik geloof, dat 't een goede zaak was."
"Nu, gaat dan binnen," riep Montparnasse; "doet de zaak; ik zal hier
bij het meisje blijven, en zoo zij durft..."
Hij liet in het licht der lantaarn zijn mes glinsteren, dat hij open
in zijn mouw had.
Thénardier zeide niets en scheen tot alles bereid.
Brujon, die min of meer voor orakel diende, en, zooals men weet, de
zaak aan de hand had gedaan, had nog niet gesproken. Hij scheen in
gedachten verdiept. Men wist, dat hij voor niets terugdeinsde en eens,
alleen voor de bluf, een politiepost beroofd had. Bovendien maakte
hij verzen en liedjes, 't geen hem een hoog aanzien gaf.
Babet vroeg hem:
"Zegt gij niets, Brujon?"
Brujon zweeg nog een oogenblik, toen schudde hij het hoofd op
verschillende wijzen en besloot eindelijk te spreken.
"Luistert," zeide hij, "ik heb van morgen twee vechtende musschen
ontmoet; van avond ben ik een twistende vrouw tegen gekomen. Dat
alles is kwaad. Laat ons heengaan."
Zij gingen.
Voortgaande mompelde Montparnasse:
"Om 't even; zoo men gewild hadde, zou ik gaarne mijn mes hebben
gebruikt."
Babet antwoordde:
"Ik niet. Ik dood geen vrouw!"
Op den hoek van de straat hielden zij stil en wisselden deze
raadselachtige woorden:
"Waar zullen wij van nacht slapen?"
"Onder Pantin." (Parijs.)
"Hebt gij den sleutel van het hek bij u, Thénardier?"
"Zeker."
Eponine, die hen niet uit het oog verloor, zag hen den weg inslaan,
dien zij gekomen waren. Zij stond op en sloop hen langs de muren en
de huizen na, en volgde hen tot op den boulevard. Daar scheidden zij
en zij zag de zes mannen in de duisternis verdwijnen en er zich als
in oplossen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DES NACHTS.
Toen de bandieten zich verwijderd hadden, keerde in de straat Plumet
alles weder tot nachtelijke stilte terug.
Wat in die straat gebeurd was, zou in een bosch geen verwondering
hebben gebaard. In bosschen en kreupelhout vormen de ruw ineen
gekronkelde takken een somber gewelf boven het hooge gras; het wilde
gewemel ziet daar de plotselinge verschijningen van het onzichtbare;
wat beneden den mensch is, onderscheidt er door den nevel heen wat
boven den mensch is; en wat ons levend onbekend is, mengt er zich in
den nacht. De woeste wilde natuur schrikt bij de nadering van iets,
waarin zij het bovennatuurlijke meent te voelen. De krachten der
duisternis kennen elkander en hebben onderling een geheimzinnig
evenwicht. Tanden en klauwen vreezen het onvatbare. De van bloed
dronken dierlijkheid, de verslindende vraatzucht loerend op haar
prooi, de met nagels en muilen gewapende neigingen, wier oorsprong
en doel de buik is, begluren en ruiken angstig de ongevoelige
spookgedaante onder het lijkkleed, en meenen dat zij een doodelijk
en vreeselijk leven heeft. Deze woestheden, welke slechts stof zijn,
vreezen onduidelijk in de dichte duisternis met een onbekend wezen in
aanraking te komen. Een zwarte gestalte, die den doortocht verspert,
houdt plotseling het wilde dier tegen. Wat van het kerkhof komt
verbijstert en beangst wat uit het hol komt; het wreede vreest het
akelige; de wolven deinzen achteruit voor een aardmannetje!
ZESDE HOOFDSTUK.
MARIUS KEERT IN ZOOVERRE TOT DE WERKELIJKHEID TERUG, DAT HIJ AAN
COSETTE ZIJN ADRES GEEFT.
Terwijl deze soort van hond met menschelijk gezicht voor het hek
de wacht hield en de zes bandieten voor een meisje terugtrokken,
was Marius bij Cosette.
Nooit was de hemel meer gesternd en schooner geweest, nooit hadden
de boomen zoo geritseld, de planten zoo gegeurd, nooit waren de
vogels met zoeter geruisch in het loof ingeslapen, nooit was de
harmonie der natuur beter met de inwendige muziek der liefde in
overeenstemming geweest; nooit had zich Marius opgetogener, verrukter,
gelukkiger gevoeld. Maar hij had Cosette treurig gevonden. Cosette
had geschreid. Zij had roode oogen.
't Was de eerste wolk van dien bekoorlijken droom.
Het eerste woord van Marius was geweest:
"Wat deert u?"
En zij had geantwoord:
"Luister."
Toen had zij zich op de bank bij de stoep gezet en terwijl hij bevend
aan haar zijde plaats nam, vervolgde zij:
"Mijn vader heeft mij van morgen gezegd, dat ik mij gereed moest
houden, dat hij zaken had en wij misschien zouden vertrekken."
Marius beefde van het hoofd tot de voeten.
Wanneer men aan het einde des levens is, heet sterven vertrekken;
wanneer men aan het begin ervan is, heet vertrekken sterven.
Sedert zes weken nam Marius allengs, trapswijze, iederen dag meer en
meer bezit van Cosette. Een ideaal, maar volkomen bezit. Zooals wij
reeds hebben verklaard, heeft in de eerste liefde de ziel veel meer
deel dan het lichaam; later neemt het lichaam meer deel dan de ziel;
somtijds blijft de ziel geheel vreemd; de Faublas en Prudhommes
zeggen: omdat er geen ziel is; maar gelukkig is deze spotternij
een lastering. Marius dus bezat Cosette, zooals geesten bezitten;
maar hij omhulde haar met zijn geheele ziel en was ijverzuchtig
met ongelooflijke overtuiging. Hij bezat haar glimlach, haar adem,
haar geur, de diepe schittering harer blauwe oogen, de zachtheid van
haar huid, wanneer hij haar hand raakte, het bekoorlijk teeken aan
haar hals, al haar gedachten. Zij hadden beloofd niet te slapen,
zonder aan elkaar te denken; en zij hadden woord gehouden. Hij
bezat dus alle droomen van Cosette. Hij aanschouwde haar steeds
en raakte soms met zijn adem het korte haar, dat zij in den nek
had, en verklaarde dat er geen dier haartjes was, 't welk hem niet
behoorde. Hij aanschouwde en aanbad wat zij droeg, haar strikken, haar
handschoenen, haar manchetten, haar laarsjes, als heilige voorwerpen
waarvan hij de meester was. Hij meende, dat hij de heer was dier fraaie
schildpadden kammen, welke zij in 't haar had, en zelfs zeide hij bij
zich zelven--als een gesmoorde en zachte stameling van den wellust die
zich openbaarde--dat er geen koordje van haar kleed, geen maas harer
kousen, geen plooi van haar corset was, dat hem niet behoorde. Naast
Cosette gevoelde hij zich bij zijn goed, bij zijn eigendom, bij zijn
despoot en bij zijn slaaf. Het scheen hem, dat hun zielen zoodanig
vermengd waren, dat het onmogelijk zou geweest zijn ze nauwkeurig
te scheiden, zoo ieder de zijne had willen terugnemen.--Dit is de
mijne.--Neen, 't is de mijne.--Ik verzeker u dat ge u, bedriegt. Ik
ben 't.--Wat ge als u zelven beschouwt ben ik.--Marius was iets dat
tot Cosette, en Cosette iets dat tot Marius behoorde. Marius voelde
Cosette in zich leven. Cosette te hebben, te bezitten, was voor hem
hetzelfde als te ademen. 't Was te midden van dit geloof, van deze
bedwelming, van dit maagdelijk, ongehoord, volstrekt bezit, van deze
souvereiniteit, dat deze woorden: "Wij gaan misschien vertrekken,"
eensklaps nedervielen, en de ruwe stem der werkelijkheid hem toeriep:
Cosette behoort u niet!
Marius ontwaakte. Sedert zes weken leefde Marius, zooals wij gezegd
hebben, buiten het leven; dit woord: vertrekken! deed er hem ruw
in terugkeeren.
Hij vond geen woorden. Cosette gevoelde slechts, dat zijn hand zeer
koud was. Zij zeide van haar kant tot hem:
"Wat deert u?"
Hij antwoordde zoo zacht, dat Cosette hem nauwelijks hoorde:
"Ik begrijp niet, wat gij gezegd hebt."
Zij hernam:
"Hedenmorgen zeide mij mijn vader, dat ik al mijn goed in orde moest
brengen en mij gereed houden; dat hij mij zijn linnengoed zou geven om
het in een koffer te pakken; dat hij verplicht was een reis te doen;
dat wij zouden vertrekken; dat er een groote koffer voor mij en een
kleine voor hem moest zijn; dat dit alles in een week gereed moest
wezen, en wij misschien naar Engeland zouden gaan."
"Maar dit is verschrikkelijk!" riep Marius.
't Is zeker, dat op dit oogenblik, in de schatting van Marius, geen
misbruik van gezag, geen gewelddadigheid, geen schandelijkheid der
grootste dwingelanden, geen daad van Busiris, van Tiberius of van
Hendrik VIII, in wreedheid en willekeur, gelijk stond met die van
den heer Fauchelevent, welke zijn dochter mede naar Engeland nam,
omdat hij er zaken had.
Met flauwe stem vroeg hij:
"En wanneer zult ge vertrekken?"
"Hij heeft niet gezegd wanneer!"
"En wanneer zult ge terugkomen?"
"Hij heeft niet gezegd wanneer."
Marius stond op en zeide koel:
"Zult ge gaan, Cosette?"
Cosette sloeg haar schoone oogen vol droefheid op hem en antwoordde
als in verwarring:
"Waarheen?"
"Naar Engeland? zult ge gaan?"
"Wat zal ik doen?" zeide zij de handen wringende.
"Ge zult dus gaan?"
"Zoo mijn vader gaat."
"Ge zult dus gaan?"
Cosette nam de hand van Marius en drukte die zonder te antwoorden.
"'t Is goed," zei Marius. "Ik zal dan ergens anders gaan."
Cosette voelde den zin van dit woord, meer nog dan zij het begreep. Zij
verbleekte zoodanig, dat haar gelaat in de duisternis wit werd. Zij
stamelde:
"Wat bedoelt ge?"
Marius staarde haar aan en toen langzaam zijn oogen ten hemel
richtende, antwoordde hij:
"Niets."
Toen hij de oogen weder nedersloeg, zag hij Cosette tot hem
glimlachen. De glimlach van een vrouw, die men bemint, heeft een glans,
welken men des nachts ziet.
"Hoe dom zijn wij! Marius, daar valt mij iets in."
"Wat?"
"Ga ook op reis, zooals wij op reis gaan! ik zal u zeggen waarheen! Kom
bij mij, waar ik ook wezen mag!"
Nu was Marius als geheel uit den droom ontwaakt. Hij was tot de
werkelijkheid teruggekeerd. Hij zeide tot Cosette:
"Met u reizen! zijt ge dwaas! Daartoe is geld noodig en dit heb
ik niet. Naar Engeland gaan? Maar ik ben, ik weet niet juist, aan
Courfeyrac, een mijner vrienden dien gij niet kent, reeds meer dan
tien louis schuldig. Ik heb een ouden hoed, die geen drie francs
waard is, ik heb een rok waaraan van voren de knoopen ontbreken;
mijn overhemd is versleten, mijn ellebogen steken door de mouwen,
mijn laarzen zijn lek; sedert zes weken denk ik hier niet meer aan,
en ik heb 't u niet gezegd. Ik ben een arme drommel, Cosette. Gij
ziet mij slechts des nachts, en schenkt mij uw liefde; maar zoo ge
mij des daags zaagt, zoudt ge mij een aalmoes geven. Naar Engeland
reizen! Ik bezit zoo veel niet, om een pas te betalen."
Hij wierp zich tegen een boom en stond zoo met beide armen boven zijn
hoofd, met het voorhoofd tegen den stam, terwijl hij noch het hout
voelde dat zijn vel schramde, noch de koorts welke in zijn hersenen
klopte, bewegingloos, op 't punt neêr te zinken, als het beeld der
wanhoop!
In deze houding bleef hij een geruime poos. Eeuwig zou men in zulk
een afgrond kunnen blijven.
Eindelijk keerde hij zich om. Hij hoorde achter zich een zacht,
gesmoord en treurig gerucht.
't Was Cosette, die snikte.
Zij weende langer dan twee uren, nabij Marius die peinsde.
Hij naderde haar, viel op zijn knieën en zich langzaam buigende, nam
hij de punt van haar voet die van onder haar kleed kwam en kuste ze.
Zwijgend liet zij hem begaan. Er zijn oogenblikken, dat de vrouw,
als een sombere en berustende godin, de hulde der liefde aanneemt.
"Ween niet," zeide hij.
Zij lispelde:
"Omdat ik misschien moet vertrekken, en gij mij niet volgen kunt!"
Hij hernam:
"Bemint ge mij?"
Zij antwoordde hem snikkend, dat hemelsche woord, 't welk nooit
bekoorlijker dan in tranen is:
"Ik aanbid u!"
Hij hernam met een stem, die een onuitsprekelijke liefkoozing was:
"Ween niet. Zeg, wilt ge uit liefde voor mij niet meer weenen?"
"Bemint gij mij?" vroeg zij.
Hij nam haar hand:
"Cosette, nooit heb ik mijn woord van eer aan iemand gegeven, wijl
mijn woord van eer mij heilig is. Ik gevoel, dat mijn vader aan mijn
zijde is. Nu, ik geef u mijn heiligst woord van eer, dat, zoo gij
heen gaat, ik sterven zal."
In den klank, waarmede hij deze woorden sprak, lag zulk een plechtige
en kalme weemoed, dat Cosette ervan beefde. Zij gevoelde de kilheid
van een treurige waarheid, die voorbijgaat. Van ontroering hield zij
op met weenen.
"Luister nu," zeide hij, "verwacht mij morgen niet."
"Waarom?"
"Verwacht mij eerst overmorgen."
"O, waarom?"
"Ge zult zien."
"Een dag zonder u te zien, dat is onmogelijk."
"Offeren wij een dag op, om misschien het geheele leven te hebben."
En Marius voegde er halfluid bij, en als tot zich zelven sprekend:
"'t Is iemand, die niets in zijn gewoonten verandert, en die nooit
iemand bij zich laat dan 's avonds."
"Van wien spreekt gij?" vroeg Cosette.
"Ik? ik heb niets gezegd."
"Wat hoopt ge dan?"
"Wacht tot overmorgen."
"Ge wilt het?"
"Ja, Cosette."
Zij nam zijn hoofd in haar beide handen, hief zich op de teenen om
hem te bereiken, in haar hoop in zijn oogen te lezen.
Marius hernam:
"Gij zult mijn adres moeten weten; er kon iets gebeuren; men weet
niet wat; ik woon bij dien vriend, Courfeyrac geheeten, in de straat
de la Verrerie No. 16."
Hij tastte in zijn zak, nam er een pennemes uit, en schreef daarmede
op de kalk van den muur: 16. straat de la Verrerie.
Intusschen had zich Cosette weder hersteld, door hem in de oogen
te zien.
"Zeg mij, waaraan gij denkt, Marius; gij denkt ergens aan; zeg het
mij. Och, zeg het mij, opdat ik gerust kunne slapen."
"Wat ik denk, luister: dat het onmogelijk is dat God ons zou willen
scheiden. Verwacht mij overmorgen."
"Wat zal ik tot zoolang doen?" zei Cosette. "Gij zijt buiten; ge komt
en gaat waarheen ge wilt. Hoe gelukkig zijn de mannen! Ik zal geheel
alleen zijn. Ach, hoe treurig zal ik wezen! Wat wilt gij morgenavond
doen? zeg het mij."
"Ik zal iets beproeven."
"Dan zal ik bidden en intusschen aan u denken, opdat ge moogt
slagen. Ik vraag u nu niets meer; omdat ge 't niet wilt. Ge zijt
mijn meester. Ik zal morgen den avond doorbrengen met de Euryanthe te
zingen, die gij zoo mooi vindt en waarnaar ge eens op een avond onder
mijn vensters geluisterd hebt. Maar overmorgen komt ge vroeg. Ik zal
u 's avonds precies te negen uren wachten; dat zeg ik u. Mijn Hemel,
hoe treurig, dat de dagen zoo lang zijn. Gij hoort het, met klokslag
van negen zal ik in den tuin zijn."
"Ik ook."
Zonder elkander iets te zeggen, door dezelfde gedachten bezield,
medegesleept door die electrieke stroomingen, welke twee gelieven
in gestadige gemeenschap houden, beiden, zelfs in hun smart, door
zaligheid bedwelmd, zonken zij in elkanders armen, zonder op te merken
dat hun lippen zich vereenigd hadden, terwijl hun opgeheven oogen,
in tranen van verrukking zwemmend, de sterren aanschouwden.
Toen Marius heenging was de straat eenzaam. 't Was op het oogenblik
dat Eponine de bandieten tot op den boulevard volgde.
Terwijl Marius peinzend met het hoofd tegen den boom leunde, was een
gedachte in zijn geest ontstaan; een gedachte, helaas, welke hij zelf
dwaas en onmogelijk achtte. Hij had een besluit genomen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
HET JONGE EN HET OUDE HART TEGENOVER ELKANDER.
De heer Gillenormand was te dezen tijde ruim een-en-negentig jaar
oud. Hij woonde nog altijd met mejuffrouw Gillenormand in de straat des
Filles du Calvaire No. 6, in het oude huis, dat hem toebehoorde. Hij
was, zooals men zich herinnert, een dier ouden uit den voortijd,
die den dood staande verwachten, dien de ouderdom wel drukt, maar
niet kromt, en welken zelfs het verdriet niet buigt.
Sedert eenigen tijd zeide evenwel zijn dochter: mijn vader neemt
af. Hij gaf zijn dienstmeiden geen oorvegen meer; sloeg niet meer
met zijn stok zoo forsch tegen de leuning van de trap, wanneer
Basque draalde de deur voor hem te openen. De Juli-omwenteling
had hem nauwelijks vertoornd gedurende zes maanden. Schier met
kalmte had hij in den Moniteur deze woorden gelezen Humblot-Conté,
pair van Frankrijk. Werkelijk was de grijsaard door droefheid
verslagen. Hij zwichtte niet, gaf zich niet over; dit lag evenmin in
zijn lichamelijken als in zijn zedelijken aard; maar inwendig voelde
hij zich verzwakken. Sedert vier jaren wachtte hij met vasten voet
Marius, stellig overtuigd dat deze kleine deugniet den een of anderen
dag weder bij hem zou aanschellen. Nu was hij in treurige oogenblikken
soms zoover gekomen van tot zichzelven te zeggen: "Zoo Marius zich nog
lang laat wachten, dan...." 't Was niet de gedachte aan den dood, die
hem ondragelijk was, maar wel die, dat hij Marius misschien niet zou
wederzien. Marius niet weder te zien, dit was tot hiertoe volstrekt
niet in zijn gedachte gekomen; maar nu begon dit denkbeeld allengs
in zijn geest op te rijzen en deed hem verstijven. De afwezigheid,
zooals altijd bij natuurlijke en ware gevoelens het geval is, had
zijn liefde als grootvader voor het ondankbaar kind, dat zich van
hem verwijderd had, slechts doen toenemen. In Decembernachten, bij
tien graden koude, denkt men het meest aan de zon. 't Was Gillenormand
volstrektelijk onmogelijk, of hij achtte zulks althans, als grootvader
zijn kleinzoon één stap te gemoet te gaan;--"Ik zou liever sterven,"
zeide hij. Hij had zich niets te beschuldigen, meende hij; hij dacht
echter aan Marius met innige teederheid en met de stille wanhoop van
een eenvoudig oud man, die den dood nadert.
Hij begon zijn tanden te verliezen, 't geen zijn droefheid
vermeerderde. Gillenormand had, zonder het zichzelven nochtans te
bekennen, want hij zou er woedend en beschaamd over zijn geweest,
nooit van eene minnares zooveel gehouden als hij van Marius hield. Hij
had in zijn kamer, naast zijn bed, als iets dat hij het eerst wenschte
te zien wanneer hij ontwaakte, een oud portret zijner andere dochter,
de overledene mevrouw Pontmercy, doen plaatsen, een portret, dat haar
op achttienjarigen leeftijd voorstelde. Zijn oog was hier bestendig
op gericht. Eens zeide hij, terwijl hij het aanschouwde:
"Ik vind er veel gelijkenis in."
"Met mijn zuster?" hernam juffrouw Gillenormand. "O, gewis!"
De grijsaard voegde er bij:
"En met hem ook."
Eenmaal, toen hij met de knieën over elkander en schier met gesloten
oogen in een zwaarmoedige houding zat, waagde zijn dochter te zeggen:
"Vader, zijt ge nog altijd op hem verstoord?...."
Zij zweeg, daar ze niet verder durfde gaan.
"Op wien?" vroeg hij.
"Op den armen Marius?"
Hij hief zijn oud hoofd op, legde zijn magere, gerimpelde hand op de
tafel en riep op zijn verbitterdsten, scherpsten toon:
"Den armen Marius, zegt gij! Hij is een schoft, een deugniet, een
ijdele, ondankbare knaap, zonder hart, zonder ziel, een hoogmoedig,
slecht mensch!"
En hij wendde het hoofd om, opdat zijn dochter den traan niet in zijn
oog zou zien.
Drie dagen later verbrak hij een stilzwijgen, 't welk reeds vier uren
geduurd had, om tot zijn dochter kortaf te zeggen:
"Ik had mejuffrouw Gillenormand verzocht, mij nooit van hem te
spreken."
Tante Gillenormand zag van verdere pogingen af en maakte deze
schrandere opmerking: "Vader heeft nooit veel van mijn zuster gehouden
sedert haar dommen streek. Het is duidelijk, dat hij Marius haat."
"Sedert haar dommen streek" beteekende: sedert zij met den kolonel
was gehuwd.