"O, op zekeren dag had ik in het Luxembourg grooten lust een invalide
den hals te breken."
Maar daarbij liet hij het en sprak er niet verder over. Hij zou dan
Cosette iets van haar kouseband hebben moeten zeggen, en dat was hem
onmogelijk. Hij raakte daarmede iets onbekends aan, het stoffelijke,
waarvoor zijn onuitsprekelijke liefde met een soort van heiligen
eerbied terugweek.
Marius stelde zich het leven met Cosette niet anders voor dan alle
avonden naar de straat Plumet te gaan, de oude ijzeren gewillige staaf
van het hek des presidents uit te lichten, naast elkander op de bank te
zitten, door het geboomte den sterren-helderen nacht te aanschouwen,
met de knieplooien van zijn broek het wijde kleed van Cosette aan te
raken, den nagel van haar duim te streelen, met haar dezelfde bloem
te ruiken, en zoo altijd en in 't oneindige. Middelerwijl dreven de
wolken boven hun hoofden. Iedere ademtocht van den wind voert meer
droomen van den mensch weg dan wolken van den hemel.
Deze kuische, schier schuwe liefde was echter niet geheel zonder
galanterie. Haar, die men bemint, "complimenten te maken," is de eerste
wijze van liefkoozen, een eerste vermetelheid welke men waagt. Een
compliment is iets als een kus door een sluier heen. De wellust,
hoewel zich verbergend, laat er zich zacht in gevoelen. Het hart
deinst terug voor den wellust, om beter te beminnen. De liefkoozingen
van Marius, vervuld van hersenschimmen, waren, om zoo te spreken,
hemelsblauw. De vogels, wanneer zij omhoog nabij de engelen zweven,
moeten dergelijke woorden hooren. Daarbij mengde zich echter leven,
menschelijkheid, al het werkelijke waartoe Marius in staat was. 't Was
een lyrische ontboezeming, de liefelijke hyperbolen van duivengekir,
al de verfijningen der aanbidding tot een ruiker verzameld en een
fijnen hemelschen geur ontwikkelend, een onbeschrijfelijk gefluister
van het eene hart tot het andere.
"O," lispelde Marius, "hoe schoon zijt gij! ik durf u niet
aanzien. Daarom aanschouw ik u. Ge zijt een gratie. Ik weet niet,
hoe 't mij is. De zoom van uw kleed, wanneer de punt van uw schoen er
uit komt, brengt mij in verwarring. En welk een betooverende glans,
wanneer uw gedachte zich voor mij opent. Gij spreekt wonderbaarlijk
verstandig. Soms komt het mij voor, dat ge een droom zijt. Spreek,
ik luister, ik bewonder u. O Cosette, hoe zonderling en bekoorlijk is
het! ik ben waarlijk zinneloos. Gij zijt aanbiddelijk, mejuffrouw. Ik
bestudeer uw voeten met den microscoop en uw ziel met den telescoop."
Cosette antwoordde:
"Ik bemin u reeds meer in den tijd, die sinds van ochtend verstreken
is."
Vragen en antwoorden gingen in die samenspraak heen en weder, en kwamen
als vanzelf steeds op de liefde terecht, evenals de vlierpopjes steeds
op de voeten komen.
De geheele persoon van Cosette was onbevangenheid, natuurlijkheid,
onschuld, doorzichtigheid, blankheid, oprechtheid en licht. Men had
van Cosette kunnen zeggen, dat zij helder was. Op ieder die haar zag
maakte zij den indruk van een Meischen morgenstond. In haar oogen
lag dauw. Cosette was een verlichamelijking van het morgenlicht in
den vorm eener vrouw.
Het was natuurlijk, dat Marius haar beminde, haar aanbad. Inderdaad,
deze kortelings uit het klooster gekomene pensionnaire sprak met
uitnemende scherpzinnigheid en zei bij gelegenheid allerlei ware en
uitgezochte woorden. Haar kout was een wezenlijk onderhoud. Zij bedroog
zich in niets en had een juisten blik. De vrouw gevoelt en spreekt
met het fijne instinct van het hart, dat onfeilbaar is. Niemand weet
tegelijk zachte en ernstige zaken te zeggen zooals een vrouw dat
kan. Zachtheid en diepte is de vrouw; is de hemel.
In die volkomen zaligheid kwamen hun telkens tranen in de oogen. Een
vertreden insect, een uit een nestje gevallen veder, een gebroken
tak wekte hun medelijden, en hun verrukking, met een zachte
droefgeestigheid gemengd, scheen zich gaarne in tranen lucht te
geven. Het verhevenste verschijnsel der liefde is een verteedering,
die soms schier ondragelijk is.
En bij dat alles--al deze tegenstrijdigheden zijn het bliksemspel der
liefde--schertsten zij gaarne en met bekoorlijke vrijmoedigheid, en zoo
vertrouwelijk, dat het vaak scheen alsof zij twee knapen waren. Maar,
hoewel het van kuischheid dronken hart zich vergeet, de natuur is er
steeds en vergeet zich niet. Zij is er met haar tevens laag en verheven
doel; en hoe groot de onschuld der zielen zijn moge, men gevoelt in het
meest kuische vertrouwelijk bijeenzijn, het wonderbaar en geheimzinnig
onderscheid tusschen een paar gelieven en een paar vrienden.
Zij aanbaden elkander.
Het gestadige en onveranderlijke blijft. Men bemint, glimlacht,
schertst, raakt elkander even met de lippen aan, spreekt gemeenzaam,
en meent dat het eeuwig duren zal. Twee gelieven verbergen zich in
den avond, in de schemering, in het onzichtbare, met de vogels, met
de rozen; zij betooveren elkander in de schaduw met hun harten, welke
zij in hun oogen leggen; zij fluisteren en zuchten, en middelerwijl
wentelen de sterren rustig in het onmetelijke over hen heen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE BEDWELMING VAN HET VOLMAAKTE GELUK.
Zoo leefden zij, zich zelven onbewust, in het geluk. Zij merkten
niets op van de cholera, die juist in deze maand Parijs teisterde. Zij
hadden elkander alles toevertrouwd wat zij konden, doch dit was niet
veel meer geweest dan hun namen. Marius had aan Cosette gezegd, dat
hij een wees was en Marius Pontmercy heette, dat hij advocaat was en
van het schrijven voor de drukpers leefde, dat zijn vader kolonel,
en een held, was geweest, en dat hij, Marius, in onmin leefde met
zijn grootvader, die rijk was. Hij had haar ook terloops te kennen
gegeven, dat hij baron was; maar dit had op Cosette niet den minsten
indruk gemaakt. Marius, een baron? Dat had zij niet begrepen. Zij
wist niet, wat dit woord beteekende. Marius was Marius. Van haar kant
had zij hem medegedeeld, dat zij in het klooster van Klein Picpus was
opgevoed, dat haar moeder overleden was, evenals de zijne, dat haar
vader Fauchelevent heette, dat hij zeer goed was, dat hij veel aan
de armen gaf, hoewel zelf arm zijnde, en hij zich van alles onthield,
ten einde haar niets te onthouden.
't Was zonderling, dat in de soort van symphonie, waarin Marius leefde,
sedert hij Cosette zag, het verledene, zelfs het jongst verledene,
zoo verward en verwijderd voor hem scheen, dat, wat Cosette hem
verhaalde, hem volkomen bevredigde. Hij dacht er zelfs niet aan, haar
van het nachtelijk avontuur in de woning van Thénardier te spreken,
van de branding met het gloeiend ijzer en van de vreemde houding
en zonderlinge vlucht haars vaders. Marius had dit alles voor het
oogenblik vergeten; hij wist zelfs 's avonds niet wat hij 's morgens
gedaan had, noch waar hij ontbeten, noch met wie hij gesproken had,
er klonken tonen in zijn oor, die hem voor alle andere gedachten doof
maakten; hij leefde slechts in de uren dat hij Cosette zag. Wijl
hij dan in den hemel was, vergat hij natuurlijk de aarde. Beide
torsten smachtend den onbeschrijfelijken last van den onstoffelijken
wellust. Zóó leven die slaapwandelaars, welke men verliefden noemt.
Helaas! wie heeft niet al deze dingen ondervonden? Waarom komt er
een uur, dat men dezen hemel verlaat; en waarom duurt het leven dan
nog langer?
Beminnen vervangt bijna het denken. De liefde is een vurige
vergetelheid van al het overige. Vraag dus geen logica van den
hartstocht. Er is evenmin een logische samenhang in het menschelijk
hart als er een volkomen geometrische figuur in den bouw van het heelal
bestaat. Voor Cosette en Marius bestond niets anders dan Marius en
Cosette. De wereld om hen was in een kuil verzonken. Zij leefden in
een gouden minuut. Niets was er vóór of achter hen. Nauwelijks dacht
Marius er aan, dat Cosette een vader had. De bedwelming had in zijn
hersens alles uitgewischt. Waarover spraken dan deze gelieven? Men
heeft het gezien, over bloemen, over zwaluwen, over de ondergaande zon,
over de opgaande maan, over dergelijke gewichtige dingen. Zij hadden
elkander alles gezegd, behalve alles. Het alles der minnenden is het
niets. Maar de vader, de wezenlijkheid, dat hol, die bandieten, dat
avontuur, wat zou dat alles? was het wel zeker dat deze nachtmerrie
bestaan had? Zij waren met hun beiden, zij beminden elkander, niets
was er meer noodig. Al het overige bestond niet. 't Is duidelijk,
dat deze verdwijning der hel achter ons, onafscheidelijk is van de
intrede in het paradijs. Heeft men duivelen gezien? zijn er die? heeft
men gebeefd? heeft men geleden? Men weet er niets meer van. Er ligt
een rozige wolk over.
Alzoo leefden deze twee wezens in het zeer verhevene, met al de
onwaarschijnlijkheid, welke in de natuur is; noch in het toppunt, noch
in het voetpunt, tusschen den mensch en den seraf, boven het slijk,
onder den ether, in de wolken; nauwelijks vleesch en been, ziel en
verrukking van het hoofd tot de voeten, reeds te verhemeld om op
aarde te gaan, nog met te veel menschelijks beladen om in het azuur
te verdwijnen, zwevende als stofdeeltjes; schijnbaar buiten bereik,
onbezorgd om het gisteren, het heden en het morgen; in verrukking,
verbleekend, zwevend, soms vluchtig genoeg voor het oneindige; schier
gereed voor de eeuwige vlucht.
Zij sliepen wakend in deze dommeling. O heerlijke sluimering van het
wezenlijke, geheel in het ideale!
Hoe schoon Cosette ook was, sloot Marius soms de oogen voor haar. Met
gesloten oogen aanschouwt men de ziel het best.
Marius en Cosette vroegen zich niet, waarheen dit hen voeren zou. Zij
achtten zich reeds aangekomen. 't Is een zonderlinge begeerte der
menschen, te willen, dat de liefde naar iets voeren zal.
DERDE HOOFDSTUK.
BEGIN DER SCHADUW.
Jean Valjean vermoedde zijnerzijds niets.
Cosette, iets minder mijmerend dan Marius, was vroolijk, en dit was
voor Jean Valjeans geluk voldoende. De gedachten, welke Cosette bezig
hielden, haar liefdebekommeringen, de beeltenis van Marius welke haar
hart vervulde, ontnamen niets aan de onvergelijkbare reinheid van haar
schoon, kuisch en glimlachend voorhoofd. Zij was in die jaren dat de
maagd haar liefde draagt, gelijk de engel zijn lelie. Jean Valjean
was dus gerust. Trouwens, wanneer twee gelieven elkander verstaan,
gaat alles steeds goed, een derde persoon, die hun liefde zou kunnen
storen, wordt in de volkomenste blindheid gehouden door enkele, weinige
voorzorgen, die voor alle gelieven steeds dezelfde zijn. Ook maakte
Cosette Jean Valjean nimmer tegenwerpingen. Wilde hij wandelen? Goed,
vadertje. Wilde hij te huis blijven? Best. Wilde hij den avond bij
Cosette doorbrengen? Het verheugde haar. Wijl hij zich dan immer te
tien uren 's avonds verwijderde, kwam Marius niet dan na dit uur in
den tuin, wanneer hij, op de straat, Cosette de glazendeur hoorde
openen. Het spreekt vanzelf dat men des daags Marius nooit zag. Jean
Valjean dacht er zelfs niet meer aan, dat Marius bestond. Maar eens
op een morgen zeide hij tot Cosette: "Zie, ge zijt geheel wit op den
rug!" Den vorigen avond had Marius in zijn verrukking Cosette tegen
den muur gedrukt.
Vrouw Toussaint, die gewoon was vroeg ter rust te gaan, dacht, zoodra
haar werk verricht was, aan niets dan om te slapen, en wist evenmin
iets als Jean Valjean.
Nooit zette Marius den voet in het huis. Wanneer hij bij Cosette was,
verscholen beiden zich in een hoek bij de stoep, ten einde van de
straat noch gezien noch gehoord te worden, en daar zetten zij zich
neder. In plaats van te spreken stelden zij zich vaak tevreden met
elkander twintigmalen in de minuut de hand te drukken, terwijl ze naar
de takken der boomen zagen. Indien op zulk een oogenblik de bliksem
dertig voeten van hen gevallen ware, zouden zij het niet opgemerkt
hebben, zoozeer was de eene in de mijmering van den ander verzonken.
Doorschijnende helderheid. Sneeuwwitte uren; schier alle gelijk! Zulk
een liefde is een mengsel van leliebladeren en duivenvederen.
De geheele tuin lag tusschen hen en de straat. Telkens wanneer Marius
in- en uitging, zette hij zorgvuldig de tralie van het hek weder
terecht, zoodat niets merkbaar was.
Gewoonlijk verwijderde hij zich tegen middernacht en keerde tot
Courfeyrac terug. Deze zeide tot Bahorel:
"Kunt ge het gelooven? Marius komt tegenwoordig te een uur 's morgens
te huis."
Bahorel antwoordde:
"Wat zal ik zeggen! men kan de vromen nooit vertrouwen."
Soms sloeg Courfeyrac de armen over de borst en zeide met een ernstig
gebaar tot Marius:
"Gij wordt een losbol, jongmensch!"
Courfeyrac, een practisch mensch, nam dien weerschijn van een
onzichtbaren hemel bij Marius niet in een goeden zin op; hij was
aan dergelijke hartstochten niet gewoon; hij werd er ongeduldig om
en vermaande Marius dikwijls tot het wezenlijke weder te keeren. Op
zekeren morgen hield hij deze toespraak tot hem:
"Mijn waarde, 't schijnt mij alsof ge tegenwoordig in de maan zijt,
in het koninkrijk Droomen, provincie Hersenschimmen, hoofdstad
Zeepbel. Kom, biecht eens eerlijk op; hoe heet zij?"
Maar niets was in staat Marius te "doen spreken." Hij had zich liever
de nagels laten ontscheuren dan een der drie geheiligde lettergrepen,
waaruit deze onuitwischbare naam Cosette bestond. De ware liefde
is lichtend als het morgenrood, en stil als het graf. Courfeyrac
vond Marius slechts hierin veranderd, dat hij een schitterende
stilzwijgendheid bezat.
Gedurende deze liefelijke maand Mei leerden Marius en Cosette de
volgende onmetelijke zaligheden kennen:
Te twisten en elkander mijnheer en mejuffrouw te noemen, alleenlijk
om een oogenblik later met te meer genot weder vertrouwelijk met
elkander te zijn;
Lang en tot in de kleinste bijzonderheden over lieden te spreken,
waarin zij niet het minste belang ter wereld stelden; een bewijs te
meer dat in de bekoorlijke opera, welke men de liefde noemt, de tekst
bijna niets is;
Voor Marius: Cosette over kleedertooi te hooren praten;
Voor Cosette: Marius over politiek te hooren spreken;
Knie tegen knie, de rijtuigen in de Babelstraat te hooren rollen;
Dezelfde planeet in het uitspansel, of denzelfden glimworm in het
gras te aanschouwen;
Samen te zwijgen; een nog grooter genoegen dan te praten;
Enz., enz.
Ondertusschen naderden verscheidene verwikkelingen.
Op een avond begaf Marius zich naar de samenkomst langs den boulevard
des Invalides; als gewoonlijk ging hij met gebogen hoofd. Toen hij om
den hoek der straat Plumet ging, hoorde hij in zijn nabijheid zeggen:
"Goeden avond, mijnheer Marius."
Hij richtte het hoofd op en herkende Eponine.
Dit maakte een zonderlingen indruk op hem. Hij had geen enkelen
keer meer aan dit meisje gedacht sedert den dag dat zij hem naar de
straat Plumet had gevoerd; hij had haar niet weder gezien en zij was
geheel uit zijn gedachte verdwenen. Hij had alle reden om dankbaar
jegens haar te zijn, hij had haar zijn tegenwoordig geluk te danken,
en evenwel hinderde 't hem haar te ontmoeten.
Men dwaalt, wanneer men meent dat de liefde, zoo zij gelukkig en
zuiver is, den mensch tot een staat van volmaaktheid brengt; zij
brengt hem eenvoudig, zooals wij hebben aangetoond, tot een staat
van vergetelheid. In dien toestand vergeet de mensch slecht te zijn,
maar hij vergeet ook goed te zijn. De dankbaarheid, de plicht, de
wezenlijke en onaangename herinneringen verdwijnen. In ieder anderen
tijd zou Marius geheel anders voor Eponine zijn geweest. Geheel van
Cosette vervuld, had hij zich zelfs niet duidelijk rekenschap gegeven,
dat deze Eponine Thénardier heette, en zij een naam droeg, die in
het testament zijns vaders stond geschreven, een naam, voor welken
hij zich, eenige maanden vroeger, met zooveel vuur zou opgeofferd
hebben. Wij schetsen Marius gelijk hij was. Zelfs zijn vader verdween
een weinig uit zijn ziel voor den glans zijner liefde.
Hij antwoordde eenigszins verlegen:
"Ha, zijt gij 't Eponine?"
"Hoe zijt gij zoo deftig jegens mij? Heb ik u iets misdaan?"
"Neen," antwoordde hij.
Hij had werkelijk niets tegen haar: integendeel. Maar hij gevoelde,
dat hij niet anders doen kon; nu hij zoo gemeenzaam met Cosette sprak,
kon hij dit onmogelijk met Eponine doen.
Wijl hij zweeg, riep zij:
"Zeg eens...."
Toen zweeg zij. Het scheen, dat thans de woorden ontbraken aan dit
anders zoo onbeschroomde en stoutmoedige meisje. Zij wilde glimlachen,
maar kon niet. Zij hernam:
"Nu?"
Toen zweeg zij weder en hield haar oogen nedergeslagen.
"Goeden avond, mijnheer Marius," zeide zij plotseling en ging heen.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE HOND.
Het was den volgenden dag de 3 Juni, de 3 Juni 1832, een merkwaardige
datum, uit hoofde der gewichtige gebeurtenissen, welke destijds boven
den horizont van Parijs hingen, in den vorm van met onweer bezwangerde
wolken. Marius ging dien dag tegen het vallen van den avond denzelfden
weg als den vorigen dag en met dezelfde verrukking in het hart, toen
hij tusschen de boomen van den boulevard Eponine zag naderen. Twee
dagen achtereen, dat was te veel. Hij keerde haastig om, verliet den
boulevard, sloeg een anderen weg in, en ging door de straat Monsieur
naar de straat Plumet.
Eponine volgde hem tot aan de straat Plumet, iets dat zij nog niet
gedaan had. Zij had zich tot hiertoe tevreden gesteld met hem te zien,
wanneer hij over den boulevard ging, zonder dat zij trachtte hem te
ontmoeten. Alleen den vorigen dag had zij beproefd hem te spreken.
Eponine volgde hem dus, zonder dat hij het vermoedde. Zij zag
hem de tralie van het hek uitnemen en weder inzetten en den tuin
binnensluipen.
"Zie," zeide zij, "hij gaat het huis binnen!"
Zij naderde het hek, bevoelde de tralies de een na de andere, en vond
spoedig die, welke Marius den toegang bezorgd had.
Halfluid en met treurige stem prevelde zij:
"Dat niet, Lizette!"
Zij zette zich op het voetstuk van het hek, bezijden de tralie, als om
ze te bewaken. 't Was ter plaatse waar het hek tegen den naastgelegen
muur uitkwam, een donkere hoek waar Eponine geheel onzichtbaar was. Zij
bleef er langer dan een uur zonder zich te verroeren of gerucht te
maken, geheel in haar gedachten verdiept.
Tegen tien uren 's avonds hoorde een der twee of drie personen, die
door de straat Plumet gingen, oude burgerluidjes, die zich verlaat
hadden en nu haastig door deze eenzame en slecht befaamde wijk naar
huis keerden, toen hij voorbij het hek ging en aan den hoek was
gekomen, door het hek en den muur gevormd, een doffe en dreigende
stem zeggen:
"'t Zou mij niet verwonderen, zoo hij alle avonden komt!"
De voorbijganger sloeg een blik om zich, zag niemand, waagde het
niet in den donkeren hoek te zien en was zeer ontrust. Hij verhaastte
zijn schreden.
De man had gelijk zich te haasten, want weinige oogenblikken daarna,
slopen zes mannen, op eenigen afstand van elkander gaande, en welke
men voor een patrouille had kunnen houden, dicht langs de huizen,
in de straat Plumet.
De eerste die aan het tuinhek kwam bleef staan en wachtte de anderen;
een oogenblik later waren alle zes vereenigd.
Deze mannen begonnen zacht in de dieventaal te spreken.
"'t Is hier," zei een hunner.
"Is er een hond in den tuin?" vroeg een andere.
"Ik weet niet. In alle gevalle heb ik een vleeschballetje bij mij,
dat wij hem zullen toewerpen."
"Hebt ge mastik bij u om de vensterruiten stuk te breken." [3]
"Ja."
"Het hek is oud," zei een vijfde, die de stem van een buikspreker had.
"Des te beter," hernam de tweede, die gesproken had; "het zal dan
niet onder de zaag krassen en niet moeilijk zijn door te snijden."
De zesde, die nog niets gezegd had, onderzocht het hek, evenals Eponine
een uur vroeger had gedaan, betastte de eene tralie na de andere en
beproefde ze voorzichtig. Eindelijk kwam hij aan de tralie, welke
Marius losgewrongen had. Toen hij deze tralie greep, kwam eensklaps
een hand uit de schaduw en viel op zijn arm. Terzelfder tijd voelde
hij zich hevig tegen de borst geduwd en een schorre stem zeide hem,
zonder te schreeuwen:
"Er is een hond."
En hij zag een bleek meisje voor zich staan.
De man gevoelde dien schrik, welken het onverwachte steeds
veroorzaakt. Hij richtte zich verwilderd op; niets is zoo afschuwelijk
als het gezicht van een wild dier, dat schrikt. Hij deinsde achteruit
en stamelde:
"Wie is die deern?"
"Uw dochter."
't Was inderdaad Eponine, die tot Thénardier sprak.
Bij de verschijning van Eponine waren de vijf anderen, namelijk
Claquesous, Gueulemer, Babet, Montparnasse en Brujon zachtkens
genaderd, zonder overijling, zonder een woord te spreken, met de
heillooze behoedzaamheid, die dezen mannen van den nacht eigen is.
Men kon in hun handen afschuwelijke werktuigen onderscheiden. Gueulemer
had een soort van kromme tang in de hand.
"Wat doet ge hier? Wat wilt ge? Zijt ge dol?" riep Thénardier, zoo
luid als men, zacht sprekende, zeggen kan. "Waarom wilt ge ons in
ons werk hinderen?"
Eponine lachte en viel hem om den hals:
"Ik ben hier, vadertje, wijl ik er ben. Is het tegenwoordig niet
geoorloofd op de steenen te gaan zitten? Gij moest eigenlijk niet
hier zijn. Wat doet ge hier, wijl het een beschuit is? Ik had aan
Magnon gezegd, dat er niets te maken is. Maar geef mij nu een kus,
goed, lief vadertje. Hoe lang is 't wel geleden, dat ik u niet gezien
heb! Ge zijt er dus uit?"
Thénardier poogde zich uit de armen van Eponine los te maken,
en bromde:
"Goed, goed. Ge hebt mij gekust. Ja, ik ben er uit. Ik ben er niet
in. Maar ga nu."
Eponine liet hem echter niet los en verdubbelde haar liefkoozingen.
"Hoe hebt ge het toch aangelegd, vadertje? Ge moet wel heel slim
zijn geweest om er uit te komen. Vertel het mij. En moeder? Waar is
moeder? Geef mij toch eenig bericht van moeder."
Thénardier antwoordde:
"Zij is wel; ik weet niet; laat mij met rust; ik zeg u dat ge moet
heengaan."
"Nu wil ik niet gaan," zei Eponine met het gebaar van een bedorven
kind; "ge zendt mij weg, hoewel 't vier maanden geleden is dat ik u
niet gezien heb en ik nauwelijks den tijd heb gehad u te kussen."
"O, 't is waarachtig dom," zei Babet.
"Haast u," zei Gueulemer, "de patrouille kan voorbij komen."
De buikspreker neuriede:
"Wij hebben nu geen nieuwe jaar,
Om pa en ma te kussen."
Eponine wendde zich tot de vijf bandieten.
"Zie, 't is mijnheer Brujon.--Goeden avond, mijnheer Babet.--Dag,
mijnheer Claquesous.--Herkent ge mij niet, mijnheer Gueulemer?--Hoe
gaat het, Montparnasse?"
"Of men u herkent!" zei Thénardier. "Maar maak voort met uw goedendag,
goedenavond! laat ons met rust."
"'t Is nu het uur der vossen en niet der kippen," zei Montparnasse.
"Ge ziet wel, dat wij hier werken moeten," voegde Babet er bij.
Eponine nam de hand van Montparnasse.
Deze zeide: "Wees voorzichtig, ge zult u snijden, ik heb een open mes."
"Mijn lieve Montparnasse," antwoordde Eponine heel zacht, "men moet
de menschen vertrouwen. Ik ben misschien toch wel de dochter van mijn
vader. Mijnheer Babet, mijnheer Gueulemer, men heeft mij gelast de
zaak te onderzoeken."
't Verdient opmerking, dat Eponine geen dieventaal sprak. Sinds zij
Marius kende, was haar deze leelijke taal onmogelijk geworden.
Zij drukte in haar knokige, zwakke hand, als van een geraamte, de
grove ruwe vingers van Gueulemer en hernam:
"Ge weet dat ik niet dwaas ben. Men gelooft mij gewoonlijk. Bij
gelegenheid heb ik u een dienst bewezen. Nu, ik heb onderzoek gedaan
en ge zoudt u nutteloos aan gevaar blootstellen, weet ge. Ik zweer u,
dat er in dit huis niets te maken is."
"Er zijn alleen vrouwen in," zei Gueulemer.
"Neen. De lieden zijn verhuisd."
"De kaarsen ten minste niet!" zei Babet.
En hij wees Eponine door de toppen der boomen heen een licht, dat zich
voor het zoldervenster van het huis bewoog. 't Was vrouw Toussaint,
die op was gebleven om linnen te drogen te hangen.
Eponine deed een laatste poging.
"Nu," zeide zij, "'t zijn zeer arme lieden en 't is een krot, waarin
geen cent te vinden is."
"Loop naar den duivel!" riep Thénardier. "Zoodra wij het huis van
den kelder tot den zolder doorzocht hebben, zullen wij u zeggen wat
er in is, en of het francs, sous of centimes zijn."
En hij duwde haar weg, om voort te gaan.
"Mijn goede, lieve vriend Montparnasse," zei Eponine, "gij, die een
goede jongen zijt, ik bid u, ga niet binnen."