De verschillende vormen, welke de gedachten in de dieventaal

aannamen, zelfs het gezang, de scherts en de bedreiging, hadden alle

dit onmachtig en bedrukt karakter. Al de gezangen, waarvan sommige

melodieën zijn bewaard, waren tot weenens toe deemoedig en treurig. De

pègre (dief) noemt zich steeds den armen pègre, en is altijd de haas,

die zich verbergt, de muis die vlucht, de vogel die wegvliegt.

Nauwelijks durft hij iets eischen, hij zucht slechts.--Telkens wanneer

de ellendige den tijd heeft te denken, maakt hij zich klein tegenover

de wet en erbarmelijk tegenover de maatschappij; hij werpt zich in

't stof, smeekt, roept het medelijden in; men gevoelt, dat hij zijn

onrecht beseft.

Tegen het einde der vorige eeuw ontstond een verandering. De

gevangenisliederen, het dievengezang werden, om zoo te spreken,

onbeschaamd en vroolijk. In de meeste liederen van het bagno, der

galeien en gevangenissen vindt men deze duivelachtige, raadselachtige

vroolijkheid.

Men zong een schertsend liedje bij het vermoorden van iemand in een

kelder of in een bosch.

't Is een ernstig verschijnsel, dat in de achttiende eeuw de oude

zwaarmoedigheid dier ellendige klassen verminderde. Zij begonnen te

lachen. Zij bespotten God en den koning. Zij noemen Lodewijk XV:

"markies de Pantin." Zij zijn bijna vroolijk. Iets lichtzinnigs

verschijnt bij deze ellendigen, als drukte hun het geweten volstrekt

niet. Deze erbarmelijke klassen hebben niet slechts de wanhopige

vermetelheid der daden, maar ook de onverschillige vermetelheid van den

geest. Het is een bewijs, dat zij het bewustzijn hunner misdadigheid

verloren, en een flauw gevoel hadden van den steun, dien zij bij de

denkers vonden. 't Is een kenteeken, dat de diefstal en roof zelfs

in de leerstellingen en sofismen indrongen, zoodra zij een weinig

van hun leelijkheid verloren, door daarvan veel aan de sofismen en

leerstellingen over te doen. 't Is eindelijk, zoo niet eenigerlei

afleiding komt, het kenteeken van een groote aanstaande ontwikkeling.

Blijven wij hierbij een oogenblik stilstaan. Wie beschuldigen

wij? De achttiende eeuw? Haar wijsbegeerte? Neen gewis niet. Het

werk der achttiende eeuw is goed en gezond. De encyclopedisten,

de physiocraten, de wijsgeeren, de utopisten, met Diderot, Turgot,

Voltaire en Rousseau aan het hoofd, zijn vier gewijde legioenen. De

ontzaggelijke vooruitgang van de menschheid naar het licht is aan

hen te danken. Zij zijn de voorhoede van het menschelijk geslacht,

dat naar de vier hoofdpunten van den vooruitgang gaat, Diderot naar

het schoone, Turgot naar het nuttige, Voltaire naar het ware, Rousseau

naar het rechtvaardige. Maar naast en onder de wijsgeeren waren de

sofisten, giftige gewassen onder de heilzame kruiden, de scheerling in

het maagdelijk woud. Terwijl de beul op de groote trap van het paleis

van justitie de groote, vrijzinnige boeken der eeuw verbrandde, gaven

thans vergeten schrijvers, met koninklijke goedkeuring, zonderling

verwarring brengende geschriften uit, die gretig door de ellendigen

gelezen werden. Deze feiten bleven uiterlijk onopgemerkt, maar vaak is

een feit juist gevaarlijk door zijn onbekendheid. Van al de schrijvers,

die destijds op de verderfelijkste wijze de maatschappij ondermijnden,

is misschien Restif de la Bretonne de gevaarlijkste.

Dit voor geheel Europa geëigend werk, bracht in Duitschland meer

verwarring teweeg dan ergens elders. Gedurende een zekeren tijd, door

Schiller in zijn vermaard drama de Roovers voorgesteld, verhieven

zich diefstal en roof als protest tegen den eigendom en den arbeid,

verbonden zich met zekere, schijnbaar ware maar werkelijk valsche

en ongerijmde gronddenkbeelden, hulden zich in deze denkbeelden en

verdwenen er eenigermate in, namen een abstracten naam aan en gingen

over tot een soort van theorie; verspreidden zich alzoo onder de

werkzame, lijdende en eerlijke klassen, zonder dat de onvoorzichtige

scheikundigen, die het drankje bereid hadden, er iets van begrepen,

zelfs zonder dat de menigte er iets van begreep, die het innam. Wanneer

een dergelijk feit ontstaat, is het altijd gewichtig. Het lijden

verwekt toorn, en terwijl de gelukkige klassen zich verblinden of

slapen, 't geen hetzelfde is als de oogen te sluiten, ontsteekt de haat

der ongelukkige klassen zijn toorts aan een of anderen verdrietigen

of boozen geest, die in een hoek droomt, en begint de maatschappij

te onderzoeken. Het onderzoek van den haat is iets vreeselijks.

Daardoor, zoo het ongeluk van den tijd het wil, ontstaan die

schrikkelijke schokken, welke men eertijds "Jacqueries" noemde,

waarbij de zuiver politieke beroeringen kinderspel zijn, en die niet

meer de worsteling van den verdrukte tegen den verdrukker, maar de

opstand van de ziekte tegen de gezondheid is. Dan stort alles in.

De Jacqueries zijn volksbevingen.

Aan dit gevaar, 't welk Europa misschien tegen het einde der achttiende

eeuw bedreigde, maakte de Fransche revolutie, deze onmetelijke daad

van gerechtigheid, een einde.

De Fransche revolutie, welke niets anders is dan het gewapende ideaal,

verhief zich, en met dezelfde snelle beweging sloot zij de deur van

het kwade en opende de deur van het goede.

Zij ontwikkelde de quaestie, zij verkondigde luide de waarheid,

verdreef de smetstof, maakte de eeuw gezond, kroonde het volk.

Men kan zeggen, dat zij den mensch ten tweeden male heeft geschapen,

door hem een tweede ziel, het recht, te geven.

De negentiende eeuw erft en trekt voordeel van haar werk, en thans

is de maatschappelijke catastrophe, welke wij zoo aanstonds aanwezen,

eenvoudig, onmogelijk. Hij is blind die haar voorspelt, hij is dwaas

die haar vreest. De revolutie is de koepokstof tegen de Jacquerie.

Door de revolutie zijn de maatschappelijke toestanden veranderd. De

feodale en monarchieke ziekten zitten niet meer in ons bloed. In onze

constitutie is geen middeleeuw meer. Wij zijn niet meer in den tijd,

toen schrikkelijke inwendige beroeringen ontstonden, toen men onder

zijn voeten een dof gerucht hoorde, toen zich op de oppervlakte der

beschaving onbekende molshoopen vormden, toen de grond zich opende,

toen de toppen der holen scheurden en men plotseling uit de aarde

vreeselijke hoofden zag opstijgen.

De revolutionnaire zin is een zedelijke zin. Het ontwikkeld gevoel van

het recht ontwikkelt het gevoel van den plicht. De wet voor allen is

de vrijheid, die eindigt, waar de vrijheid van anderen begint, zooals

Robespierre zoo juist gezegd heeft. Sedert 89 zet zich het geheele

volk in het veredeld individu uit; geen arme of hij heeft zijn recht,

alzoo zijn licht; de nooddruftige gevoelt in zich de eerlijkheid van

Frankrijk, de waardigheid van burger is een inwendige wapenrusting; die

vrij is, is nauwgezet; die stemt, regeert. Vandaar de onmogelijkheid

van omkoopingen en de mislukking van onredelijke begeerten;

vandaar de edel neergeslagen oogen voor de verleiding. De revolutie

veredelt zoozeer, dat op een dag van bevrijding, als den 14 Juli,

den 10 Augustus, er geen gepeupel meer is. De eerste kreet van een

verlichte en veredelde menigte is: weg met de dieven! De vooruitgang

is steeds eerlijk; het edele en absolute stelen niet. Door wie werden

in 1848 de wagens geëscorteerd, welke de schatten der Tuilerieën

bevatten? Door de voddenrapers der voorstad St. Antoine. De lompen

bewaakten de schatten. De deugd deed deze haveloozen schitteren. In

deze wagens, in deze kwalijk gesloten, gedeeltelijk half open kisten,

bevond zich, tusschen honderden oogverblindende juweelen, de oude

kroon van Frankrijk geheel van diamanten, met den karbonkel van het

koningschap er op, de "regent", die dertig millioen waard was. Deze

mannen met bloote voeten bewaakten deze kroon.

Er is alzoo geen "Jacquerie" meer; 't doet mij leed om de

behendigen. 't Is een verouderde vrees, die uitgewerkt heeft en

voortaan in de politiek niet meer gebruikt kan worden.

De groote veer van het roode spook is gebroken. Iedereen weet het. Dat

denkbeeld beangstigt niet meer. De vogels worden gemeenzaam met den

vogelverschrikker, zij doen er hun behoefte op, en de menschen lachen

er om.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE TWEE PLICHTEN: WAKEN EN HOPEN.

Is hiermede nu alle maatschappelijk gevaar verdreven? Zeker neen. Geen

Jacquerie. De maatschappij kan te dien aanzien gerust zijn; het bloed

zal haar niet meer naar het hoofd stijgen; maar zij moet er op letten,

hoe zij ademt. Er is geen beroerte meer te vreezen, maar wel tering. De

maatschappelijke tering heet armoede.

Men sterft evenzeer door langzame ondermijning als door een

plotselingen slag.

Laat ons niet moede worden te herhalen, dat de hoogste broederplicht,

de hoogste politieke noodzakelijkheid, is, in de eerste plaats,

aan de menigte behoeftigen te denken, hen te verlichten, hun een

betere lucht, een betere opvoeding te geven, hen te beminnen, hun

horizon te verruimen, hen in allerlei richtingen te beschaven, hun het

voorbeeld van nijverheid, nooit dat van werkeloosheid te geven, den

last van enkelen te verlichten door de kennis van het algemeene doel

te vermeerderen, de armoede te beperken zonder den rijkdom te schaden,

een ruim veld voor de openbare en volksbedrijvigheid te openen; als

Briareus honderd handen te hebben om ze aan alle zijden den bedrukten

en zwakken toe te reiken; de algemeene kracht aan te wenden voor dien

grooten plicht, om werkplaatsen voor alle handen, scholen voor alle

bekwaamheden en geestvermogens te openen; het werkloon te verhoogen,

den arbeid te verlichten, ontvangsten en uitgaven in evenwicht te

houden, namelijk het genot in verhouding tot de inspanning en de

verzadiging in verhouding tot de behoefte te brengen, met één woord,

uit het maatschappelijk samenstel meer licht en welstand te doen

ontwikkelen, ten bate der lijdenden en der onwetenden.

En, zeggen wij het, dit alles is slechts een begin. De wezenlijke

quaestie is deze: de arbeid kan geen wet zijn, zonder een recht

te wezen.

't Is hier de plaats niet, om hierover verder uit te weiden.

Zoo de natuur voorzienigheid wordt geheeten, moet de maatschappij

voorzorg heeten.

De verstandelijke en zedelijke wasdom is niet minder onmisbaar dan de

stoffelijke verbetering. Weten is een teerpenning, denken is de eerste

noodzakelijkheid, de waarheid is voedsel gelijk de tarwe. Een verstand,

dat zich van wetenschap en wijsheid onthoudt, vermagert. Beklagen wij,

zoowel de geesten als de magen, die zich niet voeden. Zoo er iets

treuriger is dan een lichaam dat verkwijnt uit gebrek aan voedsel,

is 't een ziel die ondergaat uit gebrek aan licht.

De geheele vooruitgang streeft naar de zijde der oplossing. Eenmaal zal

men verstomd zijn. Zoodra het menschelijk geslacht zich verheft, zullen

de diepere lagen geheel natuurlijk uit den kring van den nood komen. De

ellende zal door een eenvoudige verheffing der oppervlakte verdwijnen.

Men zou verkeerd doen aan deze gezegende oplossing te twijfelen.

't Is waar, het verledene is heden nog zeer sterk. Het herleeft. Deze

verlevendiging van een lijk is verwonderlijk. Het treedt voort en

nadert. Het schijnt overwinnaar; deze doode is een veroveraar. Het

komt met zijn legioenen, het bijgeloof, met zijn degen, het despotisme,

met zijn vaandel, de onwetendheid; sedert eenigen tijd heeft het tien

veldslagen gewonnen. Het nadert, het dreigt, het lacht, het staat voor

onze poorten. Maar laat ons niet wanhopen. Verkoopen wij het veld,

waar Hannibal legert.

Wat hebben wij, die gelooven, te vreezen?

De ideeën kunnen evenmin teruggaan als de rivieren.

Dat zij, die deze toekomst niet willen, dit wel overwegen. Door

den vooruitgang af te wijzen, is 't niet de toekomst welke zij

veroordeelen, maar zich zelven. Zij geven zich een akelige ziekte,

zij enten zich het verledene in. Er is slechts één middel om het

morgen af te wijzen. Het is te sterven.

En wat wij willen is geen dood,--dien des lichaams zoo laat mogelijk;

dien der ziel nimmer.

Ja, het raadsel zal zijn woord zeggen, de Sphinx zal spreken,

het probleem zal opgelost worden. Ja, het volk, dat de achttiende

eeuw begonnen heeft te vormen, zal door de negentiende voltooid

worden. Hij is dwaas die er aan twijfelen zou. De toekomstige, de

naderende ontwikkeling van het algemeen welzijn is een onweerhoudbaar,

goddelijk verschijnsel.

Verschillende krachtige beginselen besturen de menschelijke handelingen

en brengen ze allen in een zekeren tijd tot den logischen staat, dat

is in evenwicht, dat is tot rechtvaardigheid. Een uit hemel en aarde

samengestelde kracht ontstaat uit de menschheid en regeert haar;

wonderbare ontknoopingen zijn haar niet vreemder dan buitengewone

gebeurtenissen. Door de wetenschap geholpen, die van den mensch,

en door de gebeurtenis, die van elders komt, deinst zij niet terug

voor de tegenspraak, die in de problemen heerscht en welke voor het

gemeen onmogelijkheden schijnen. Deze kracht is niet minder bekwaam

om uit de samenvoeging der denkbeelden een oplossing te vinden, dan

een leer uit de samenvoeging der feiten, en van die geheimzinnige

macht van den vooruitgang mag men alles verwachten.

Er is geen stilstand, geen weifeling, geen rustpunt in den grootschen

vooruitgang der geesten. De maatschappelijke wijsbegeerte is bij

uitnemendheid de wetenschap des vredes. Zij heeft ten doel, en

moet tot resultaat hebben, de oplossing van allen strijd door het

onderzoek van den tegenstand. Zij onderzoekt, vorscht, ontleedt,

en vervolgens hervormt zij. Zij handelt bij wijze van aftrekking,

en ontneemt aan alles de vijandigheid.

Dat een maatschappij ondergaat in den storm, die tegen de menschen

losbreekt, is meermalen gezien, de geschiedenis is vol schipbreuken

van volken en rijken; eenmaal komt de onbekende orkaan, en voert

zeden, wetten, godsdiensten mede. De beschaving van Indië, Chaldea,

Perzië, Assyrië, Egypte is achtereenvolgens verdwenen. Waarom? wij

weten 't niet. Welke zijn de oorzaken dezer rampen? wij weten 't

niet. Waren deze maatschappijen te redden geweest? Droegen zij zelve

de schuld van haar ondergang? Hebben zij in een noodlottige ondeugd

volhard, die haar deed verloren gaan? Hoeveel zelfmoord ligt in den

vreeselijken dood van een natie en van een geslacht? Vragen zonder

antwoorden. Duisternis bedekt de vergane beschaafde maatschappijen. Zij

zijn verdwenen; meer is er niets van te zeggen, en met een gevoel

van ontzetting zien wij in die zee, welke het verleden wordt genoemd,

achter deze kolossale baren, de eeuwen, deze groote schepen: Babel,

Ninive, Tharsus, Thebe, Rome verzinken door den vreeselijken storm,

die uit de monden der duisternis komt. Maar is ginds duisternis, hier

is licht. Wij kennen de ziekten der oude maatschappijen niet, maar wij

kennen de kwalen der onze. Wij hebben het recht haar te verlichten;

wij aanschouwen haar schoonheden en ontdekken haar gebreken. Waar zij

lijdt onderzoeken wij haar; en zoodra haar kwaal bekend is, voert

de studie der oorzaak tot de ontdekking van het heelmiddel. Onze

beschaving, het werk van twintig eeuwen, is er tevens het monster en

het wonder van; zij verdient goed te worden. Zij zal het worden. Haar

stoffelijk te verlichten is veel, haar zedelijk te verlichten nog

meer. Al de werken der hedendaagsche maatschappelijke wijsbegeerte

moeten op dit doel uitloopen. Op den denker van den tegenwoordigen

tijd ligt een groote plicht; namelijk door "auscultatie" de beschaving

te onderzoeken, gelijk de arts de borst van den zieke onderzoekt. Wij

herhalen het, dit onderzoek bemoedigt, en met hierop aan te dringen,

willen wij deze bladzijden eindigen, het ernstig tusschenbedrijf van

een treurig drama. Onder de sterfelijkheid der maatschappij gevoelt

men de onvergankelijkheid van den mensch; om deze wonden, de kraters,

deze gezwellen, de zwavelbronnen, een vulkaan die zijn lava uitwerpt,

sterft de aarde niet. De ziekten van het volk dooden den mensch niet.

Desniettemin schudt hij, die den maatschappelijken ziektetoestand

gadeslaat, somwijlen het hoofd. De sterksten, de teedersten, de

beredeneerdsten hebben hun oogenblikken van zwakheid.

Zal die geschetste toekomst komen? Het schijnt bijna, dat men deze

vraag moet doen, wanneer men zooveel schrikkelijke schaduw ziet. 't

Is een somber gezicht, zelfzuchtigen en ellendigen tegenover elkander

te zien. Bij de zelfzuchtigen: vooroordeelen, de schaduwen eener

weelderige opvoeding, de door dronkenschap vermeerderde begeerlijkheid,

een verdoovende bedwelming door het geluk, de vrees voor lijden,

welke bij sommigen tot afkeer van de lijders gaat, een onbarmhartige

zelftevredenheid, het opgeblazen ik, dat de ziel afsluit. Bij de

ellendigen: de hebzucht, de afgunst, de vijandschap van anderen te zien

genieten, de ruwe handelingen van den diermensch ter bevrediging zijner

lusten, de harten vol nevels, treurigheid, behoefte, rampzaligheid,

de onreine, domme onwetendheid.

Moet men bij voortduring de oogen ten hemel slaan? Is het lichtpunt,

dat men er onderscheidt, een derzulke die uitgaan? 't Is vreeselijk,

het ideaal alzoo in de diepte te zien verzinken, klein, nauwelijks

zichtbaar schitterend, maar omgeven door al die samengepakte, groote,

donkere, monsterachtige bedreigingen. En evenwel is het in geen

grooter gevaar dan een ster tusschen de wolken.

BOEK VIII.

VERRUKKING EN DROEFHEID.

EERSTE HOOFDSTUK.

HELDERHEID.

De lezer zal begrepen hebben, dat Eponine, nadat zij door het hek de

bewoonster van het huis in de straat Plumet had herkend, waarheen zij

door Magnon was gezonden, de bandieten ervan afgehouden en Marius er

heen gevoerd had; dat Marius, na verscheidene dagen in verrukking voor

dat hek te hebben doorgebracht, aangetrokken door de kracht, welke

het ijzer naar den zeilsteen trekt en den minnaar naar de steenen

van het huis der geliefde, eindelijk Cosettes tuin was binnengegaan,

gelijk Romeo den tuin van Juliette. 't Was hem zelfs lichter geweest

dan Romeo; Romeo moest over een muur klimmen; Marius behoefde slechts

een der tralies van het oude hek weg te nemen, die waggelend in haar

verroeste holten stonden, gelijk de tanden van oude lieden. Marius

was tenger en gleed gemakkelijk door de opening.

Wijl er nooit iemand op de straat was, en Marius bovendien alleen

des nachts den tuin binnendrong, liep hij geen gevaar gezien te worden.

Sinds dit gezegend en heilig uur, toen een kus deze beide zielen

verloofde, kwam Marius er alle avonden. Zoo Cosette op dat oogenblik

haars levens een gewetenloos en lichtzinnig man had bemind, zou

zij verloren zijn geweest; want er zijn edelmoedige naturen die

zich geheel overgeven, en Cosette was zulk een natuur. Het behoort

tot de grootmoedigheid der vrouw, dat zij zwicht. Zoodra de liefde

haar hoogsten graad heeft bereikt, wordt haar maagdelijk gevoel

op zonderlinge wijze bedwelmd. Maar aan welke gevaren stelt ge

u bloot, edele zielen! Gij geeft dikwerf het hart, wij nemen het

lichaam. Uw hart blijft u over, en gij aanschouwt het bevend in de

duisternis. De liefde kent geen middelweg; òf zij richt ten verderf,

òf zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Dit

dilemma, verderf of geluk, wordt door geen andere omstandigheden zoo

onverbiddelijk gesteld, als door de liefde. De liefde is het leven,

zoo zij niet de dood is. Een wieg of een doodkist. Hetzelfde gevoel

zegt ja! en neen! in het menschelijk hart. Van alle dingen, die God

heeft geschapen, ontwikkelt het menschelijk hart het meeste licht,

maar, helaas! ook de meeste duisternis.

God wilde dat de liefde, welke Cosette vond, een reddende liefde was.

Zoolang de maand Mei van het jaar 1832 duurde, bevonden zich

alle nachten in dien woesten tuin, in dit dagelijks geuriger en

dichter wordend struikgewas, twee wezens vol kuischheid en onschuld,

overstroomd van hemelsche zaligheid, meer engelen dan menschen, rein,

eerlijk, verrukt, schitterend voor elkander in de duisternis. Het

kwam Cosette voor, als had Marius een kroon, en het scheen Marius

alsof Cosette een stralenkrans had. Zij raakten, aanschouwden

elkaar, klemden zich tegen elkander en drukten elkaars handen,

maar er bleef een afstand, dien zij niet overschreden. Niet wijl zij

dien eerbiedigden; maar wijl zij hem niet kenden. Marius voelde een

hinderpaal: de reinheid van Cosette; en Cosette voelde een steun: de

edelheid van Marius. De eerste kus was ook de laatste geweest. Sedert

was Marius niet verder gegaan dan zacht met zijn lippen de hand,

het halsdoekje of een haarlok van Cosette aan te raken. Cosette was

voor hem een geur, geen vrouw. Hij ademde haar. Zij weigerde niets,

hij vroeg niets. Cosette was gelukkig en Marius was tevreden. Zij

leefden in dien verrukten toestand, welken men de begoocheling van

een ziel door een andere ziel zou kunnen noemen. 't Was de eerste

onbeschrijfelijke omhelzing van twee maagdelijke zielen in het

ideale. Twee zwanen, die elkander op de Jungfrau ontmoetten.

Op dit uur der liefde, waarin de wellust volkomen zwijgt onder

het alvermogen der verrukking, zou Marius, de reine, engelachtige

Marius, eerder in staat zijn geweest bij een publieke vrouw te gaan

dan Cosettes kleed tot den enkel op te heffen. Eens, bij maanschijn,

bukte Cosette om iets van den grond op te rapen; het lijfje van haar

kleed opende zich daarbij een weinig en liet het onderste van haar

hals zien; toen wendde Marius de oogen af.

Wat gebeurde er tusschen deze beide wezens? Niets. Zij beminden

elkander met heilige liefde.

Wanneer zij des nachts in den tuin waren, scheen deze hun een levend

en heilig oord. Al de bloemen om hen heen openden zich en zonden

hun haar geuren; maar zij openden hun zielen en stortten ze in de

bloemen uit. De krachtige, weelderige plantengroei trilde vol sap en

dronkenschap in de omgeving dezer twee onschuldigen, die liefdewoorden

spraken, welke de boomen deden ritselen.

Welke waren deze woorden? Niets dan ademtochten. Deze ademtochten

waren voldoende om de geheele natuur te treffen en te bewegen. 't Is

de toovermacht, welke moeielijk te begrijpen zou zijn, zoo men in

een boek dezen kout las, die bestemd is, om door den wind als damp

van tusschen de bladeren weggeblazen en verstrooid te worden. Ontneem

aan dit gefluister van twee gelieven deze welluidendheid, die uit de

ziel voortkomt en het als een lier accompagneert, en wat overblijft

is slechts een schaduw, en men zegt: O, is 't anders niet! Gewis,

kinderachtigheden, herhalingen, gelach om niets, nietigheden,

dwaasheden, maar ook al wat in de wereld het verhevenste en innigste

is, de eenige zaken die der moeite waard zijn gezegd en gehoord

te worden!

De man, die zulke dwaasheden, zulke beuzelarijen nooit gehoord of

gesproken heeft, is een ongevoelige en een slecht mensch.

Cosette zeide tot Marius:

"Weet ge?..."

(Niettegenstaande deze hemelsche maagdelijkheid, spraken zij op zeer

gemeenzamen toon met elkander, zonder dat een van beiden had kunnen

zeggen, hoe ze er toe gekomen waren.)

"Weet ge? Ik heet Euphrasie."

"Euphrasie? Neen, ge heet Cosette."

"O, Cosette is een leelijke naam, dien men mij gegeven heeft toen ik

klein was. Maar mijn eigenlijke naam is Euphrasie. Houdt ge niet van

den naam Euphrasie?"

"Ja... Maar Cosette is niet leelijk."

"Vindt ge dien mooier dan Euphrasie?"

"Nu... ja."

"Dan vind ik hem ook mooier. 't Is waar, Cosette is lief. Noem mij

Cosette."

En de glimlach, dien zij aan deze woorden paarde, maakte van deze

samenspraak een idylle, waardig voor een bosch in den hemel.

Een anderen keer zag zij hem strak aan en riep:

"Mijnheer, ge zijt schoon, ge zijt lief, ge hebt verstand, ge hebt

geest, ge zijt veel geleerder dan ik; maar ik durf u tarten wat

betreft dit woord: ik bemin u!"

En Marius meende zich als in den hemel opgenomen en deze woorden door

een ster te hooren zingen.

Of zij gaf hem, wanneer hij hoestte, een tikje en zeide:

"Hoest niet, mijnheer. Ik wil niet, dat men bij mij zonder mijn verlof

hoest. 't Is zeer leelijk te hoesten en mij te verontrusten. Ik

wil dat ge heel gezond zijt, omdat ik in de eerste plaats, zoo gij

ongesteld waart, zeer ongelukkig zou zijn. Wat kan ik er aan doen?"

En dit alles was louter goddelijk.

Eens zeide Marius tot Cosette:

"Denk eens, dat ik eenigen tijd geloofd heb, dat ge Ursula heette."

Daarover lachten zij een ganschen avond.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 14 / 28 段