voorbij de kazerne der pompiers, voor de koetspoort van het badhuis,
ziet een binnenplein vol bloemen en heesters in bakken, en daarachter
een kleine rotonde met twee vleugels, vervroolijkt door groene
blinden--de landelijke droom van Jean Jacques. Geen tien jaren geleden
verhief zich achter en tegen die rotonde een zwarte, groote, leelijke,
naakte muur. 't Was de muur van den weg, die om de gevangenis van La
Force liep.
Hoe hoog deze muur was, werd hij door een nog zwarter dak overtroffen,
dat men er overheen zag. Dat was het dak van het nieuwe gebouw. Men
merkte er vier met ijzeren tralies voorziene vensters in op; 't waren
de vensters van den zolder Bel-Air. Een schoorsteen rees op uit het
dak; het was de schoorsteen, die door de slaapkamers ging.
Bel-Air, die zolder van het nieuwe gebouw, was een groote,
beschotene ruimte, met drievoudige traliën en met ijzer beslagen
deuren gesloten, die met groote spijkers als bezaaid waren. Zoo men
er aan het noordeinde binnentrad, had men links de vier dakvensters,
en rechts tegenover deze dakvensters vier tamelijk ruime, vierkante
hokken, door nauwe gangen van elkander gescheiden, wier muren tot
manshoogte uit metselwerk, doch daarboven tot aan het dak uit ijzeren
staven bestonden.
Thénardier was sedert den nacht van den 3 Februari in een dier
hokken buiten toegang. Nooit heeft men kunnen ontdekken hoe, en door
welke verstandhouding, het hem gelukt was er zich te verschaffen
en te verbergen een flesch van dien wijn, zoo men zegt door Desrues
uitgevonden, die een verdoovingsmiddel bevat, en welken wijn de bende
der "in-slaap-makers" berucht heeft gemaakt. In vele gevangenissen
zijn verraderlijke beambten, half opzichters, half dieven die bij
ontvluchtingen de behulpzame hand leenen, aan de politie hun ontrouwe
diensten verkoopen en hun mes van weerszijden doen snijden.
In dienzelfden nacht nu, dat Gavroche de beide zwervende kinderen had
opgenomen, stonden Brujon en Gueulemer, wetende dat Babet, dienzelfden
ochtend ontvlucht, hen met Montparnasse op de straat wachtte, stil
op, en boorden met den spijker, dien Brujon had gevonden, in den
schoorsteen, waartegen hun bedden stonden. Het puin viel op het
bed van Brujon, zoodat men er niets van merkte. Ook de windvlagen,
van donder verzeld, deden de deuren op haar hengsels krijschen en
maakten in de gevangenis een vreeselijk en heilzaam geraas. Die
gevangenen, welke wakker werden, hielden zich alsof zij sliepen
en lieten Gueulemer en Brujon hun gang gaan. Brujon was behendig,
Gueulemer was sterk. Voor dat eenig gerucht tot den bewaarder was
gekomen, die uit zijne getraliede cel, in de slaapzaal kon zien, was
de muur doorgebroken, de schoorsteen beklommen, het ijzeren hek, dat
van boven den schoorsteen sloot, verbroken en waren de twee geduchte
bandieten op het dak. De regen en wind namen toe, het dak was glad.
"Welk een goede nacht voor de vlucht," zei Brujon.
Een afgrond van zes voet breed en tachtig voet diep scheidde hen
van den ringmuur. In dien afgrond zagen zij in de duisternis het
geweer van den schildwacht glinsteren. Aan een stuk van de traliën
des schoorsteens, welke zij verbroken hadden, bonden zij het eind van
het touw, dat Brujon in zijn cachot gevlochten had, wierpen het andere
eind over den ringmuur, slingerden zich over de diepte, klemden zich
aan den rand van den muur, klommen er over, lieten zich de een na den
ander, langs het touw, op een dakje van het badhuis glijden, trokken
het touw tot zich, sprongen op de plaats van het badhuis, gingen ze
over, openden het raampje van den portier, waarbij de deurkoord hing,
trokken er aan, openden de koetspoort en bevonden zich op de straat.
Geen drie kwartier uurs was verstreken, sinds zij in de duisternis
uit hun bed waren opgestaan met den spijker in de hand en hun plan
in het hoofd.
Weinige oogenblikken later hadden zij Babet en Montparnasse gevonden,
die in de nabijheid rondslopen.
Bij het naar zich toe trekken van het touw hadden zij het gebroken, en
een stuk ervan was aan den schoorsteen op het dak blijven zitten. Zij
hadden overigens geen andere averij, dan dat zij zich het vel bijna
geheel van de handen hadden geschaafd.
Dien nacht was Thénardier, zonder dat men heeft kunnen ontdekken op
welke wijze, verwittigd, en sliep hij niet.
Tegen één uur des nachts, terwijl het zeer donker was, zag hij op
het dak, in den regen en wind, voorbij het venster tegenover zijn hok
twee schaduwen gaan. De een bleef een oogenblik voor het dakvenster
staan. 't Was Brujon. Thénardier herkende hem en begreep. Dat was
hem voldoende.
Thénardier, die wegens beschuldiging van nachtelijke, gewapende
hinderlaag in de gevangenis was, werd niet uit het oog
verloren. Een schildwacht, die om de twee uren werd afgelost,
wandelde met geladen geweer voor zijn hok. De zolder werd door een
lamp verlicht. De gevangene had aan de voeten een paar ketens van
vijftig pond. Dagelijks, te vier uren 's namiddags, trad een oppasser,
vergezeld van twee doggen--zooals destijds nog geschiedde--zijn hok
binnen, legde bij zijn bed een zwart brood van twee pond, een kruik
water en een bak met een tamelijk magere soep, waarin eenige boonen
dreven, onderzocht zijn ketens en klopte tegen de ijzeren tralies. Deze
man kwam met zijn doggen insgelijks tweemaal 's nachts.
Thénardier had vergunning gekregen, een soort van ijzeren pen te
behouden, waarvan hij zich bediende om zijn brood in een scheur van
den muur te hechten, ten einde, zooals hij zeide, het voor de ratten
te behoeden. Aangezien Thénardier zoo streng bewaakt werd, had men er
geen bezwaar in gezien hem deze pen te laten. Later evenwel herinnerde
men zich, dat een bewaarder had gezegd: "Het ware beter geweest,
hem een houten pen te geven."
Te twee uren loste men den schildwacht, een oud soldaat af, die door
een recruut vervangen werd. Eenige oogenblikken later, bracht de man
met de honden zijn bezoek, en ging weder heen, zonder iets anders te
hebben opgemerkt dan dat de recruut zeer jong en een boer scheen. Twee
uren later, toen men den recruut afloste, vond men hem slapend als
een blok bij het hok van Thénardier liggen. Maar Thénardier was er
niet meer. Zijn gebroken ketens lagen op den grond. In de zoldering
van zijn hok was een opening en daarboven een andere in het dak. Van
zijn brits was een plank afgebroken en ongetwijfeld medegenomen, want
men vond ze niet. Men vond ook in de cel een half ledige flesch, met
den bedwelmenden wijn, waarmede de soldaat in slaap was gemaakt. De
bajonnet van den soldaat was verdwenen.
Toen dit ontdekt werd, waande men Thénardier buiten alle bereik. Hij
was werkelijk niet meer in het nieuwe gebouw, maar bevond zich evenwel
nog in groot gevaar.
Toen Thénardier op het dak van het nieuwe gebouw kwam, had hij wel
het eind touw gevonden, dat aan de tralies boven aan den schoorsteen
hing, maar dat afgebroken eind was te kort, zoodat hij zich daarvan
niet had kunnen bedienen, zooals Brujon en Gueulemer, om over den
ringmuur te vluchten.
Wanneer men uit de Balletstraat naar de straat Roi-de-Sicile gaat,
vindt men schier dadelijk rechts een morsige ruimte. In de vorige eeuw
stond er een huis, waarvan nog slechts de achtermuur, die tusschen de
naburige huizen tot de hoogte eener derde verdieping reikt, aanwezig
was. Deze bouwval is herkenbaar aan twee groote, vierkante vensters,
welke men er nog ziet; het middenste en dichtste bij den rechtergevel
is met een paar vermolmde planken afgesloten. Door deze vensters zag
men vroeger een hoogen donkeren muur, een gedeelte van den ringmuur
der gevangenis.
De ruimte, welke het afgebroken huis op de straat heeft gelaten,
is half gevuld door een schutting van vermolmde planken, door vijf
steenen palen geschoord. Binnen deze omheining staat een kleine loods
tegen den overeind gebleven muur. In de schutting is een deur, die
eenige jaren geleden slechts met een klink gesloten was.
't Was even na drie uren in den morgen dat Thénardier op den top van
dien muur was gekomen.
Hoe hij er op was gekomen, heeft men nooit kunnen verklaren of
begrijpen. De bliksemstralen hadden hem tegelijk moeten belemmeren en
helpen. Had hij zich van de ladders en steigers der leidekkers bediend
om van dak tot dak, van schutting tot schutting, van muur tot muur,
de gebouwen van de plaats Charlemagne, vervolgens de gebouwen van de
plaats Saint Louis, den ringmuur en den vervallen muur in de straat
Roi-de-Sicile te bereiken? Maar die weg werd door tusschenruimten
afgebroken, welke het overstijgen onmogelijk maakten. Had hij de plank
van zijn brits als een brug van het dak boven den zolder Bel-Air op
den ringmuur gelegd, en was hij, over den geheelen ringmuur kruipende,
aan het afgebroken huis gekomen? Maar de ringmuur vormde een ongelijke
en getande lijn, hij liep op en neer, aan de kazerne der pompiers
daalde hij en verhief zich bij het badhuis; hij werd door gebouwen
afgebroken, had dezelfde hoogte niet bij het hôtel Lamoignon als in
de straat Pavée; overal had hij scherpe hoeken, bovendien hadden
de schildwachten de donkere gestalte van den vluchteling moeten
zien;--zoodat thans nog de weg van Thénardier schier onverklaarbaar
is. Op deze beide wijzen was ontvluchten onmogelijk. Had Thénardier,
bezield door dien vreeselijken dorst naar vrijheid, welke afgronden
in greppels, ijzeren tralies in teenen horden, een gebrekkige in
een worstelaar, een jichtige in een vogel, domheid in instinct,
het instinct in schranderheid, de schranderheid in genie verandert,
een derde middel ontdekt en ten uitvoer gebracht? Men heeft het
nooit geweten.
Men kan zich de wonderen der ontvluchting niet altijd verklaren. Hij
die ontsnapt, wij herhalen het, is op een bijzondere wijze bezield;
het geheimzinnig licht der vlucht heeft iets van de ster en den
bliksem; een poging naar bevrijding is niet minder wonderbaar dan
de wiekslag naar het verhevene; van een gevluchten dief zegt men:
Hoe heeft hij over dat dak kunnen klimmen? evenals men van Corneille
zegt: Waar heeft hij het qu'il mourût [2] vandaan gehaald?
Hoe het zij, van zweet druipend, doornat van den regen, met gescheurde
kleederen, ontvelde handen, bloedende ellebogen, geschaafde knieën,
was Thénardier op den muur van den bouwval gekomen, en had er zich,
geheel uitgeput, in zijn geheele lengte op neergelegd. Een loodrechte
steilte van drie verdiepingen hoog scheidde hem van de straat.
Het touw, dat hij had, was te kort.
Hier wachtte hij, uitgeput, beroofd van al de hoop welke hij gehad
had, nog door den nacht bedekt, maar wetende dat de dag spoedig zou
aanbreken, sidderend bij 't denkbeeld van binnen weinige oogenblikken
de naburige klok van St. Paulus vier uren te zullen hooren slaan, het
uur dat men den schildwacht aflossen en men dien onder het doorgebroken
dak vinden zou, met ontzetting, bij het licht der lantaarns, in een
vreeselijke diepte, de natte donkere straat ziende, deze zoo gewenschte
en gevreesde straat, die of de dood of de vrijheid was.
Hij vroeg zich af of zijn drie vluchtgenooten geslaagd waren, of
zij hem ter hulp zouden komen. Hij luisterde. Behalve een patrouille
was niemand, sinds hij hier was, over de straat gegaan. Schier al de
groenteboeren van Montreuil, Charonne, Vincennes en Bercy gaan door
de straat St. Antoine naar de markt.
Het sloeg vier uren. Thénardier schrikte. Eenige oogenblikken
later ontstond in de gevangenis dat verwarde, ontstelde rumoer,
't welk op een ontdekte vlucht volgt. Het gerucht der geopend en
gesloten wordende deuren, het krassen der hekken op hun hengsels,
de verwarring in de wacht, heesch geroep van gevangenbewaarders, het
stooten van geweerkolven op de steenen der binnenplaatsen, dat alles
hoorde hij. Lichten gingen heen en weer voorbij de tralievensters der
slaapzalen; een toorts zocht langs den gevel van het nieuwe gebouw;
de pompiers van de naaste kazerne waren geroepen. Hun helmen, welke
de toorts in den regen verlichtte, gingen heen en weder langs de
daken. Terzelfder tijd zag Thénardier naar den kant der Bastille den
gezichteinder allengs door een flauwen schijn verlicht.
Hij lag op den rand van een muur van tien duim breed, onder een
plasregen uitgestrekt, tusschen twee afgronden rechts en links, zich
niet durvende bewegen, ter prooi aan de duizelingwekkende gedachte van
een mogelijken val of de vreeselijkheid eener zekere inhechtenisneming;
en deze gedachte ging als een slinger heen en weder: Dood zoo ik val,
gevangen zoo ik blijf.
In dien angst zag hij eensklaps, terwijl de straat nog geheel donker
was, een man, van den kant der straat Pavée komende, langs den muur
sluipen, die bij de open plaats bleef stil staan, waarboven Thénardier
als in de lucht zweefde. Bij dezen man voegde zich een tweede, die met
dezelfde behoedzaamheid voortging, toen een derde, en eindelijk een
vierde. Toen deze mannen bijeen waren, lichtte een de klink der deur
van de schutting op en alle vier traden op de plaats waar de loods
stond. Zij bevonden zich juist onder Thénardier. Deze mannen hadden
blijkbaar deze omheinde ruimte gekozen, om met elkander te kunnen
spreken, zonder door de voorbijgangers noch door den schildwacht der
poort van la Force, die op eenige schreden van daar stond, gezien
te worden. Het moet worden opgemerkt, dat deze schildwacht door den
regen in zijn schilderhuis werd gehouden. Thénardier kon hun gezichten
niet onderscheiden, maar luisterde naar hun woorden, met de wanhopige
opmerkzaamheid van een ellendige die zich verloren acht.
Thénardier zag iets voor zijn oogen opdagen, dat naar hoop geleek--deze
mannen spraken in de dieventaal.
De eerste zeide zacht, maar duidelijk in die taal:
"Laat ons gaan. Wat doen we hier?"
De tweede antwoordde:
"Het regent als om het helsche vuur uit te dooven. En daarbij zullen
de dienders voorbijkomen. Ginds staat een soldaat op schildwacht. Men
zal ons hier aanhouden."
Deze dieventaal was voor Thénardier een lichtstraal. Aan de uitspraak
van een zeker woord herkende hij Brujon, den barrièreschooier,
aan de uitspraak van een ander, Babet, die onder allerlei beroepen
ook uitdrager in den Temple was geweest. De oude dieventaal van den
Temple verschilt van de verbasterde der boulevards, en Babet was de
eenige die ze zuiver sprak. Zonder het bewuste woord zou Thénardier
hem niet herkend hebben, want hij had zijn stem geheel veranderd.
Intusschen was de derde persoon tusschenbeide gekomen en zeide:
"Niets dringt ons nog; wachten wij hier even. Wie zegt dat hij ons
niet noodig heeft?"
Aan deze woorden, in zuiver Fransch gesproken, herkende Thénardier
Montparnasse, die er zijn eer in stelde allerlei soort van dieventaal
te verstaan, maar ze niet te spreken.
De vierde zweeg, maar zijn breede schouders verrieden hem. Thénardier
behoefde niet te twijfelen. 't Was Gueulemer.
Brujon antwoordde schier driftig, doch altijd zacht:
"Wat zegt ge? De herbergier zal niet hebben kunnen vluchten! Hij kent
het beroep niet! Men moet er verstand van hebben, om zijn hemd te
scheuren en zijn beddelaken aan reepen te snijden, ten einde er een
touw van te vlechten, gaten in de deuren te maken, valsche papieren,
valsche sleutels te fabriceeren, zijn ketens door te vijlen, het touw
uit te hangen, zich te verbergen en te vermommen. De oude zal er niet
toe in staat zijn geweest; hij kan niet werken."
Babet voegde er bij, in de classieke dieventaal, welke Poulaillier
en Cartouche spraken, en die bij de nieuwere dieventaal van Brujon
is als de taal van Racine bij die van André Chenier vergeleken:
"De herbergier zal op heeter daad betrapt zijn. Men moet slim
wezen. Hij is een leerling. Hij zal zich door een verklikker hebben
laten bedotten; misschien door een onnoozele, die voorgaf een
kameraad te zijn. Luistert! Hoort ge dat gerucht in de gevangenis,
Montparnasse? Ziet ge al die lichten? Hij is weder gevat. Nu, hij zal
er met twintig jaren af zijn. Ik ben niet bang, ik ben geen bloodaard,
't is bekend, maar er is niets meer te doen, of anders zou men ons
wel eens kunnen pakken. Kom, maak u niet kwaad, ga met ons, laat ons
een flesch ouden wijn gaan drinken."
"Men mag zijn vrienden niet in de verlegenheid laten," bromde
Montparnasse.
"Ik zeg u, dat hij op dit oogenblik gevat is," hernam Brujon,
"de herbergier is geen oortje meer waard. Wij kunnen er niets tegen
doen. Laat ons gaan. Ik meen ieder oogenblik dat een diender mij bij
den kraag pakt."
Montparnasse verzette zich nog slechts flauw. De vier mannen
hadden werkelijk met die trouw der bandieten, waarmede zij elkander
steeds bijstaan, den ganschen nacht om de gevangenis gezworven, hoe
gevaarlijk dit ook voor hen zijn mocht, in de hoop van Thénardier
op een of anderen muur te zien verschijnen. Maar de inderdaad zeer
gunstige nacht--een plasregen, die alle straten eenzaam maakte--de
koude welke zij leden, hun doornatte kleederen, hun met water gevulde
schoenen, het onrustbarend gerucht in de gevangenis, de verloopen
uren, de te ontmoeten patrouilles, de hoop die vervloog, de vrees die
terugkwam, dit alles drong hen tot den aftocht. Montparnasse zelf,
die misschien min of meer Thénardiers schoonzoon was, zwichtte. Nog
een oogenblik en zij waren vertrokken. Thénardier hijgde op zijn muur,
als de schipbreukeling op zijn vlot, die het bespeurde schip aan den
horizon ziet verdwijnen.
Hij durfde hen niet roepen, want een kreet kon alles verraden; maar
hij had een denkbeeld, een laatste, een lichtstraal; hij haalde uit
zijn zak het eind touw van Brujon, dat hij van den schoorsteen van
het nieuwe gebouw had getrokken en wierp het in de omheinde ruimte.
Dat touw viel aan hun voeten.
"Een touw!" zei Babet.
"Mijn touw!" zei Brujon.
"De herbergier is daar," zei Montparnasse.
Zij sloegen de oogen op. Thénardier stak het hoofd een weinig vooruit.
"Schielijk!" zei Montparnasse, "hebt ge 't andere eind van het touw,
Brujon?"
"Ja."
"Knoop de beide einden aaneen, wij zullen hem het touw toewerpen;
hij zal het aan den muur vastmaken, en 't zal lang genoeg zijn om er
langs neer te dalen."
Thénardier waagde het, zich te doen hooren en riep:
"Ik ben verstijfd."
"Wij zullen u verwarmen."
"Ik kan mij niet verroeren."
"Ge moet u laten afglijden; wij zullen u opvangen."
"Mijn handen zijn verdoofd."
"Maak het touw maar aan den muur vast."
"Ik kan niet."
"Een onzer moet naar boven klimmen," zei Montparnasse.
"Drie verdiepingen," riep Brujon.
Een oude schoorsteenpijp, die voor een kachel had gediend, welke
vroeger in de loods werd gestookt, liep langs den muur, schier tot de
plaats, waar men Thénardier zag. Deze, destijds zeer beschadigde en
gebersten pijp is sinds weggemaakt; men ziet er echter nog de sporen
van. Zij was tamelijk nauw.
"Men kan daar doorklimmen," zei Montparnasse.
"Door die pijp?" riep Babet. "Een man! niet mogelijk! wel een jongen."
"Wij zouden een jongen moeten hebben," hernam Brujon.
"Waar een kleinen jongen te vinden?" zei Gueulemer.
"Wacht," zei Montparnasse. "Ik weet er een!"
Hij opende zacht de deur der schutting, overtuigde zich dat niemand
op de straat was, ging voorzichtig naar buiten, sloot de deur achter
zich, en liep haastig naar den kant der Bastille.
Er verstreken zeven of acht minuten, acht duizend eeuwen voor
Thénardier. Babet, Brujon en Gueulemer openden den mond niet; eindelijk
werd de deur weder geopend en Montparnasse verscheen buiten adem,
met Gavroche. De regen maakte dat de straat nog steeds geheel zonder
menschen was.
De kleine Gavroche trad binnen de schutting en aanschouwde met rustigen
blik deze roovergestalten. Het water droop van zijn haar. Gueulemer
sprak tot hem:
"Zijt ge een man, jongen?"
Gavroche haalde de schouders op en antwoordde in de dieventaal:
"Een jongen als ik is een man, en mannen als gij zijn jongens."
"Wat heeft die jongen een grooten mond," riep Babet.
"De Parijsche jongen is geen bloodaard," zei Brujon.
"Wat wilt ge?" vroeg Gavroche.
Montparnasse antwoordde:
"In die pijp omhoog klauteren."
"Met dit touw," zei Babet.
"En het touw vastmaken," liet Brujon er op volgen.
"Boven aan den muur," hernam Babet.
"Aan den middenstijl van het venster," voegde Brujon er bij.
"En dan?" zei Gavroche.
"Dat is alles!" zei Gueulemer.
De straatjongen bezag het touw, de pijp, den muur, de vensters,
en maakte met de lippen dat minachtend, onbeschrijfelijk geluid
't welk beteekent:
"Anders niet?"
"Hierboven is een man, dien ge redden kunt," hernam Montparnasse.
"Wilt ge?" hernam Brujon.
De knaap maakte een gebaar alsof deze vraag hem ongehoord voorkwam,
en hij trok zijn schoenen uit.
Gueulemer nam Gavroche bij den arm, zette hem op het dak der loods,
welks vermolmde planken onder het gewicht van den knaap bogen, en gaf
hem het touw, dat Brujon in de afwezigheid van Montparnasse aaneen
had geknoopt. De straatjongen naderde de pijp, waarin hij gemakkelijk
door een breede scheur dicht bij het dak komen kon. Juist toen hij
wilde opklauteren boog Thénardier, die redding en leven zag naderen,
zich over den muur. De eerste stralen van het daglicht beschenen
zijn met zweet bedekt gezicht, zijn bleeke kaken, zijn spitsen neus,
zijn grijzen, stekeligen baard, en Gavroche herkende hem:
"Kijk!" zeide hij, "'t is vader... Nu, dat hindert niet."
En het touw tusschen zijn tanden nemende, begon hij moedig op te
stijgen.
Hij kwam boven, ging schrijlings op den muur zitten en bond stevig
het touw aan het bovenste dwarshout van het venster.
Een oogenblik later was Thénardier op de straat.
Zoodra hij de straatsteenen had bereikt en zich buiten gevaar gevoelde,
was hij niet meer vermoeid, koud noch bevend; het vreeselijke, waaraan
hij ontkomen was, verdween als rook; zijn geheele zeldzame, woeste
schranderheid ontwaakte weder, en vrij en onbelemmerd was hij opnieuw
gereed er gebruik van te maken. Het eerste wat deze man zeide was:
"Wien zullen wij nu gaan eten?"
't Is onnoodig den zin van dit vreeselijk doorschijnend woord te
verklaren; 't welk tegelijkertijd moorden, doodslaan en rooven
beteekent. Eten beteekent hier eigenlijk verslinden.
"Laten wij elkander goed verstaan," zei Brujon. "Nog een paar woorden
en dan scheiden wij. In de straat Plumet was een zaak te doen, die
goed scheen; een eenzame straat, een afgescheiden huis, een oud,
vergaan tuinhek, en vrouwen alleen."
"Nu! waarom niet?" vroeg Thénardier.
"Uw dochter Eponine heeft de zaak onderzocht," antwoordde Babet.
"En zij heeft Magnon een beschuit gebracht," voegde Gueulemer er
bij. "Daar is niets te maken."
"Het meisje is niet dom," zei Thénardier. "Wij moeten toch eens zien."
"Ja, ja," zei Brujon, "wij moeten eens zien."
Geen der mannen lette ondertusschen meer op Gavroche, die gedurende
dit gesprek zich op een der straatpalen tegen de schutting had gezet;
hij wachtte eenige oogenblikken, of zijn vader misschien bij hem zou
komen, daarop trok hij zijn schoenen weder aan en zeide:
"'t Is gedaan? Hebt gij mij niet meer noodig, mannen? Nu zijt ge
geholpen. Ik ga, mijn kinderen moeten gewekt worden."
En hij ging heen.
Een voor een gingen de vijf mannen door de schutting naar buiten.
Toen Gavroche om den hoek der straat des Ballets was, nam Babet
Thénardier ter zijde en vroeg:
"Hebt ge den kleine gezien?"
"Welken kleine?"
"Den kleine, die op den muur is geklauterd en u het touw heeft
gebracht?"
"Niet nauwkeurig."
"Nu, ik weet niet zeker, maar ik geloof dat het uw zoon is."
"Zoo!" zei Thénardier, "meent ge?"
BOEK VII.
DE DIEVENTAAL.
[Het 1e en 2e hoofdstuk van dit boek bevatten
wijsgeerig-philologische onderzoekingen en verklaringen over
den oorsprong en de wortels der Fransche zoogenaamde dieventaal
(argot), die, hoe belangrijk misschien ook voor de Fransche
taal- en zedenkunde, voor den Hollandschen lezer echter weinig
bekoorlijks zullen hebben, en die wij dus gerustelijk achterwege
meenen te mogen laten. Wie lust heeft hiervan eene studie te maken,
zal den Franschen tekst zelven moeten gebruiken.]
DERDE HOOFDSTUK.
DE WEENENDE EN LACHENDE DIEVENTAAL.
Men heeft uit de beide voorafgaande hoofdstukken kunnen zien dat de
dieventaal, zoowel die van voor vierhonderd jaar als die van heden,
doordrongen is van een symbolischen geest, die aan alle woorden hetzij
een klagende of een dreigende uitdrukking geeft.