"Klimt nu op en gaat binnen."

De beide knaapjes zagen elkander ontsteld aan.

"Zijt ge bang, jongens?" riep Gavroche.

En hij voegde er bij: "Ziet naar mij."

Hij omklemde den ruwen poot van den olifant en in een oogenblik had

hij, zonder zich van de ladder te bedienen, de berst bereikt. Hij

ging er in, als een adder, die door een scheur kruipt: een oogenblik

daarna zagen de beide kinderen onduidelijk zijn bleek gezicht als

een vale gestalte voor de donkere opening verschijnen.

"Nu," riep hij, "klimt op, jongens! ge zult zien hoe goed het hier

is!--Klim op," zeide hij tot den oudste; "ik zal u de hand geven."

De knaapjes stieten elkander met den elleboog aan; de groote

straatjongen boezemde hun vrees, doch tevens gerustheid in, daarbij

regende het hard. De oudste waagde het. De jongste, die zijn broertje

naar boven zag klimmen, terwijl hij alleen tusschen de pooten van het

groote beest bleef staan, had wel willen schreien, maar durfde niet.

Waggelend beklom de oudste de sporten van de ladder. Gavroche

moedigde hem aan, evenals een schermmeester zijn leerlingen of een

muilezeldrijver zijn dieren zou aansporen.

"Wees niet bang."

"Goed zoo!"

"Ga voort."

"Zet dáár den voet."

"Hier met de hand."

"Moedig."

En toen hij in zijn bereik was, greep hij hem schielijk en krachtig

bij den arm en trok hem op, zeggende: "Ingeslokt!"

De knaap was door de scheur.

"Wacht mij nu," hernam Gavroche; "ga intusschen zitten."

En uit de scheur verdwijnende, zooals hij er was binnengekomen,

liet hij zich met de vlugheid van een slingeraap langs den poot van

den olifant neer, kwam met de voeten op het gras terecht, vatte den

kleine van vijf jaar om het lijf, zette hem op 't midden der ladder,

klom achter hem naar boven en riep den oudste toe:

"Ik zal hem duwen, trek gij hem."

In een oogenblik was de kleine opgenomen, omhoog geduwd, getrokken,

geheschen en door de opening gestoken, zonder den tijd te hebben gehad,

er over na te denken. Gavroche, die na hem binnenkwam, schopte met zijn

hiel de ladder om, die op het gras viel, klapte in de handen en riep:

"Wij zijn er, leve generaal Lafayette!"

Na deze uitbarsting zeide hij:

"Kinderen, nu zijt ge in mijn woning."

Gavroche was werkelijk als te huis.

O onverwachte nuttigheid van het nuttelooze! liefdadigheid der

groote dingen! goedheid der reuzen! Dit onverwachte monument,

dat een denkbeeld des keizers had bevat, was nu het nachtverblijf

van een straatjongen geworden. De kolos had den knaap ingenomen en

geherbergd. De burgers, die in hun Zondagsgewaad voorbij den olifant

der Bastille gingen, zeiden vaak, hem verachtelijk met hun groote

oogen metende: "Waartoe dient dit?"--Het diende om een klein wezen

zonder vader en moeder, zonder voedsel, zonder kleederen, zonder

woning tegen de koude, de vorst, den hagel, den regen te beschermen,

hem er voor te bewaren van in dit slijk te moeten slapen, dat koorts

geeft, of in de sneeuw te slapen, dat den dood geeft. Het diende

om den onschuldige op te nemen, dien de maatschappij verstiet. Het

diende om de misdaad van den staat te verminderen. 't Was een geopend

hol voor hem, wien alle deuren gesloten waren. Het scheen, alsof het

oude, wankele gevaarte, door ongedierte overweldigd, in vergetelheid

geraakt, met schimmel en vuil bedekt, als een reusachtige bedelaar

vruchteloos om een welwillenden blik te midden van het plein bedelende,

medelijden had gehad met dien anderen bedelaar, dien armen dwerg,

die barrevoets ging, geen dak boven zijn hoofd had, van koude in zijn

handen blies, gekleed was in lompen en zich voedde met hetgeen werd

weggeworpen. Daartoe diende de olifant der Bastille. Deze gedachte van

Napoleon door de menschen verworpen, was door God weder opgenomen. Wat

slechts beroemd zou zijn geweest, was verheven geworden. Om zijn

gedachte te verwezenlijken had de keizer porphyr, metaal, ijzer, goud,

marmer noodig gehad; voor God was het oude gevaarte van planken,

balken en kalk voldoende. De keizer had een genialen droom gehad;

hij had in dien reusachtigen, gewapenden wonderbaren olifant, die

zijn snuit ophief, zijn toren droeg en naar alle kanten frisch water

klaterend deed opspringen, het volk willen voorstellen; God had er

iets grootschers van gemaakt; hij huisvestte er een kind in.

De opening waardoor Gavroche binnenging, was van buiten nauwelijks

zichtbaar, wijl zij zich, zooals gezegd is, onder den buik van den

olifant bevond, en zoo eng was, dat slechts katten en kinderen er

door konden kruipen.

"Laten wij nu in de eerste plaats aan den portier zeggen, dat wij

niet te huis zijn," sprak Gavroche.

En in de duisternis rondtastende, als iemand die zijn woning volkomen

kent, nam hij een plank en sloot er de opening mede.

Toen tastte hij weder in de duisternis rond, en de kinderen hoorden

het gesis van den zwavelstok die in het phosphorusfleschje was

gestoken. Destijds bestonden de zoogenaamde lucifers nog niet; het

vuurtuig Fumade was toen het hoogste in dit vak.

Een plotseling licht deed hen de oogen dichtknijpen; Gavroche had

een dier eindjes bindtouw, in teer gedoopt, ontstoken, welke men

"kelderrotten" noemt. De kelderrot, die meer rookte dan verlichtte,

maakte het inwendige van den olifant slechts onduidelijk zichtbaar.

De twee logeergasten van Gavroche zagen om zich, en gevoelden iets,

dat iemand zou gevoelen, die in het groote Heidelbergsche vat was

opgesloten, of liever, wat Jonas moet gevoeld hebben in den buik van

den walvisch. Een reusachtig geraamte omgaf hen. Boven vormde een

lange bruine balk, waaruit op zekere afstanden zware, gebogen gebinten

kwamen, de ruggegraat met de ribben; gips-stalactieten hingen er in

als ingewanden, en van de eene naar de andere zijde vormden groote

spinnewebben de met stof vermengde middelriffen. Hier en daar zag

men in de hoeken groote, zwarte vlekken, die schenen te leven en zich

verschrikt en met snelle beweging verplaatsten.

De brokken, die van den rug des olifants in den buik waren gevallen

hadden de holte ervan eenigszins met puin gevuld; zoodat men er als

op een vloer in gaan kon.

De kleinste knaap stiet zijn broertje aan en zeide fluisterend:

"'t Is hier donker."

Dit woord ontlokte Gavroche een uitroep. De angstige houding der twee

kinderen maakte een opwekking noodzakelijk.

"Wat zegt ge?" riep hij. "Zijt ge nog niet tevreden? Zoudt ge liever

in de Tuilerieën willen wezen? Zoudt ge domooren zijn? Spreekt! Ik

verwittig u, dat ik niet al te lankmoedig ben."

Een weinig ruwheid is goed voor de angstigen. Het stelt hen gerust. De

beide kinderen drongen zich weder dichter bij Gavroche.

Gavroche, vaderlijk bewogen door dit vertrouwen, ging nu van het

ernstige tot het teedere over en wendde zich tot den kleinste:

"Domoor," zeide hij, aan deze uitdrukking een vriendelijken toon

gevende, "buiten is het donker. Buiten regent het, hier regent het

niet; buiten is 't koud, hier is geen zier wind; buiten is het druk

van menschen, hier is niemand; buiten is zelfs geen maan, en ik heb

hier mijn kaars; wat zegt ge?"

De beide kinderen begonnen het verblijf met minder angst te beschouwen;

maar Gavroche liet hun niet lang den tijd tot overweging.

"Haast u," zeide hij.

En hij stiet hen naar hetgeen wij het achterste der kamer kunnen

noemen.

Dààr was zijn bed.

Gavroches bed was geheel in orde; het bestond namelijk uit een matras,

een deken en een bedstede met gordijnen.

De matras was een stroomat, de deken een vrij groote, grove, grijze,

zeer warme en schier nieuwe wollen lap. De alkove bestond uit het

volgende:

Drie genoegzaam lange stokken in het puin van den bodem, dat wil

zeggen, van den buik des olifants, gestoken; twee voor, één achter,

en aan de punten met een touw aaneen gehecht, vormden een soort van

piramide. Deze piramide was met vlechtwerk van koperdraad omgeven,

zijnde stukken van vogelkooien uit menagerieën. Een rij groote steenen

rondom dit toestel bevestigde het stijf in den bodem, zoodat er van

onder niets door kon. Gavroches bed bevond zich onder dat traliewerk

als in een kooi. Het geheel geleek de tent van den eskimo.

Dit traliewerk verving de gordijnen.

Gavroche schoof de steenen, die de stokken aan de voorzijde

vasthielden, een weinig ter zijde, en de beide einden van het toestel

verwijderden zich.

"Nu op handen en voeten, kleinen!" zei Gavroche.

Behoedzaam liet hij zijn logeergasten in de kooi gaan, toen kroop

hij er na hen in, bracht de steenen weder op hun plaats en sloot

de opening.

Alle drie lagen op de mat.

Geen hunner zou, hoe klein hij ook was, in deze alkove kunnen

staan. Gavroche had zijn kelderrot altijd in de hand.

"Gaat nu recht liggen," sprak hij. "Ik zal het licht uitdoen."

"Mijnheer," vroeg de oudste der twee broertjes aan Gavroche, op het

traliewerk wijzende, "wat is dat toch?"

"Dit," zei Gavroche ernstig, "is voor de ratten. Ga nu recht liggen!"

Hij meende evenwel ter onderrichting der jonge wezens er nog eenige

woorden te moeten bijvoegen en hernam:

"'t Zijn dingen uit den plantentuin. 't Dient daar voor de wilde

dieren. Er is een pakhuis vol van. Men behoeft slechts over een muur

te klimmen, door een venster te klauteren en onder een deur heen te

kruipen. Dan heeft men zooveel men wil."

Dus sprekende wikkelde hij den kleinste in een slip van de deken.

"O dat is goed, dat is warm!" mompelde het kind.

Gavroche sloeg een tevreden blik op de deken.

"Die is ook uit den plantentuin," zeide hij. "Ik heb ze den apen

afgenomen."

En den oudste de mat wijzende, waarop hij lag, en die zeer dik en

fraai bewerkt was, voegde hij er bij:

"Dit behoorde aan de giraffe."

Na een pauze hernam hij:

"De dieren hadden dit alles. Ik heb 't hun ontnomen. Zij namen het

mij niet kwalijk. Ik zeide hun, dat 't voor den olifant was."

Wederom zweeg hij een oogenblik en hernam toen:

"Men klimt over den muur en lacht om de regeering."

De beide kinderen aanschouwden met een schuwen en verbaasden eerbied

dat onversaagd en vernuftig wezen, dat een zwerver, een verlatene,

een zwakke was, evenals zij, maar dat iets bewonderenswaardigs en

almachtigs had, 't geen hun bovennatuurlijk scheen, en welks gezicht

de trekken van een ouden paljas met den hartelijksten, bekoorlijksten

glimlach in zich vereenigde.

"Mijnheer, gij zijt dus niet bang voor de stadssergeanten?" vroeg de

oudste bedeesd.

Gavroche antwoordde slechts:

"Knaap, men zegt niet stadssergeanten, men zegt de politie."

De kleinste zette wijde oogen op, maar zeide niets. Wijl hij op den

kant der mat lag en de oudste in het midden, stak Gavroche den rand

van de deken onder hem, zooals een moeder zou hebben gedaan, en legde

vodden onder het hoofdeinde der mat om den kleine tot oorkussen te

dienen. Toen wendde hij zich tot den oudste:

"Nu, is 't hier niet goed?"

"O ja," antwoordde de oudste, Gavroche met het gezicht van een geredden

engel aanziende.

De beide arme kinderen, die doornat waren, begonnen weder warm

te worden.

"Maar," hernam Gavroche, "waarom weendet gij dan?"

En op den kleinste wijzende, voegde hij er bij:

"Een dreumes als hij, daar spreek ik niet van, maar dat een groote

jongen als gij schreit, is dom; 't is als een kalf."

"Ja, maar wij hadden in 't geheel geen woning meer, en wisten niet

waarheen te gaan; en daarbij vreesden wij des nachts zoo geheel alleen

te zijn."

"Luister," hernam Gavroche, "ge moet nooit over iets schreien. Ik

zal voor u zorgen. Ge zult zien hoe wij ons zullen vermaken. Des

zomers gaan wij met Navet, een mijner kameraads, naar la Glacière,

daar baden wij ons en loopen geheel naakt langs de Austerlitzbrug;

dat maakt de waschvrouwen woedend; zij razen en tieren; 't is grappig

om te zien. Dan gaan wij het levend geraamte zien. Hij leeft. In

de Champs Elysées. Hij is mager als een hout, die snaak. Dan zal

ik u ook naar den schouwburg brengen, en u Frederik Lemaitre laten

zien. Ik heb kaartjes, ik ken de acteurs, ik heb zelf eens in een stuk

meêgespeeld. Wij waren klein als gij en liepen onder een laken, dat

moest de zee verbeelden. Ik zal u in mijn schouwburg doen aannemen. Wij

zullen de wilden gaan zien. 't Zijn geen wezenlijke wilden. Men kan de

plooien van hun bruin tricot zien, dat aan de ellebogen met wit garen

gestopt is. Daarna gaan wij naar de opera en treden er met de claqueurs

binnen. De claqueurs in de opera zijn zeer goed ingericht. Met de

claqueurs van de kleine schouwburgen zou ik niet willen gaan. Verbeeld

u, dat men in de opera voor het klappen twintig sous betaalt; maar dat

is dom. Vervolgens gaan wij naar het guillotineeren kijken. Ik zal u

den beul wijzen. Hij woont in de straat des Marais. Mijnheer Samson. Er

is een brievenbus in de deur. O, men vermaakt zich zoo heerlijk!"

Op dit oogenblik viel een droppel teer op den vinger van Gavroche en

herinnerde hem aan de werkelijkheid des levens.

"Drommels!" zeide hij; "de kaars brandt op. Wacht eens, meer dan een

sou in de maand kan ik niet voor mijn verlichting uitgeven. Wanneer

men te bed gaat, moet men slapen. Wij hebben geen tijd om romans van

mijnheer Paul de Kock te lezen. Daarbij kan het licht door de reten

onzer koetspoort dringen en zouden de dienders het kunnen zien."

"En," merkte de oudste der kleinen bedeesd op, die alleen tot Gavroche

durfde spreken en hem antwoorden, "een vonk zou in het stroo kunnen

vallen; wij moeten zorgen, dat we het huis niet in brand steken."

Het onweder werd heviger. Men hoorde, tusschen het rollen des donders,

den plasregen tegen den rug van den kolos kletteren.

"Heerlijk!" zei Gravroche, "zoo hoor ik gaarne het water langs het

huis loopen. De winter is dom, hij verliest zijn waar, hij doet

vergeefsche moeite, hij kan ons niet nat maken, en dat maakt hem,

dien ouden waterman, boos."

Deze toespeling op den donder, van welken Gavroche als philosoof der

negentiende eeuw al de gevolgen op zich nam, werd door een geweldigen

bliksemstraal gevolgd, die zoo schitterend was, dat ze den buik van

den olifant verlichtte. Bijna tegelijkertijd ratelde de donder en wel

op vreeselijke wijze. De twee kleinen slaakten een gil, en richtten

zich zoo schielijk op, dat het traliewerk bijna verschoven werd; maar

Gavroche zag hen onverschrokken aan, en maakte van den donderslag

gebruik om in een schaterend gelach uit te barsten.

"Weest rustig, kinderen! Schudt het huis niet. 't Was een heerlijke

donderslag, zoo is 't goed. Die bliksem was geen voetzoeker. Bravo,

goede God! 't was bijna even mooi als op het tooneel."

Daarop bracht hij het traliewerk weder in orde, legde de kinderen

zacht op de mat, drukte op hun knieën, om hen rechtuit te doen liggen,

en riep:

"Nu de goede God zijn kaars ontsteekt, kan ik de mijne uitblazen. Nu

moet ge slapen, kindertjes. 't Is ongezond niet te slapen. Wikkelt

u goed in de deken. Nu blaas ik 't licht uit. Zijt ge klaar?"

"Ja," fluisterde de oudste, "ik lig goed. 't Is mij of ik veêren

onder mijn hoofd heb."

De beide kinderen drukten zich tegen elkander. Gavroche legde hen

verder op de mat terecht, trok de deken op tot hun ooren, en herhaalde:

"Nu slapen!"

Toen blies hij het eindje brandend touw uit.

Nauwelijks was het licht uit, toen een zonderlinge beving het

traliewerk schudde, waaronder de drie knapen lagen. 't Was een

wrijving, welke een metaalklank veroorzaakte, alsof nagels en tanden

tegen het koperdraad krasten. Dit ging gepaard met een scherp gepiep.

Het vijfjarig knaapje hoorde dat geraas boven zijn hoofd, en, van

angst verstijfd, stiet hij zijn oudste broertje met den elleboog,

maar deze sliep reeds, zooals Gavroche hem bevolen had. Toen waagde

het de kleine, die het van angst niet langer kon uitstaan, Gavroche

te roepen, maar zacht en met ingehouden adem:

"Mijnheer?"

"Nu?" vroeg Gavroche, die even de oogen gesloten had.

"Wat is dat toch?"

"'t Zijn ratten," antwoordde Gavroche.

En hij legde zijn hoofd weder op de mat.

De ratten, die bij duizenden in den romp van den olifant krioelden en

de levende zwarte vlekken waren, waarvan wij gesproken hebben, waren,

zoolang het licht brandde, op een eerbiedigen afstand gebleven, maar

zoodra het hol, 't welk als 't ware haar stad was, weder in duisternis

was gehuld, roken zij, 't geen in de sprookjes van Moeder de Gans

"versch vleesch" wordt genoemd, kwamen in drommen tegen Gavroches

tent stormen en knabbelden op het traliewerk, als wilden zij dit

nieuwe soort van muskietennest doorboren.

De kleine kon ondertusschen niet slapen, en herhaalde:

"Mijnheer!"

"Nu?" zei Gavroche.

"Wat zijn toch ratten?"

"'t Zijn muizen."

Deze verklaring stelde het kind een weinig gerust. Hij had wel eens

witte muizen gezien en was er niet bang voor geweest. Evenwel verhief

hij de stem weder en zeide:

"Mijnheer!"

"Nu?" hernam Gavroche.

"Waarom hebt ge geen kat?''

"Ik heb er een gehad," antwoordde Gavroche, "ik heb er een meêgebracht,

maar zij hebben ze opgegeten."

Deze tweede verklaring vernietigde de geruststelling der eerste,

en opnieuw begon de kleine te beven. De samenspraak tusschen hem en

Gavroche werd ten vierden male hervat:

"Mijnheer!"

"Nu?"

"Wie is opgegeten?"

"De kat."

"Wie heeft de kat opgegeten?"

"De ratten."

"De muizen?"

"Ja, de ratten."

De kleine, ontzet voor muizen die katten opeten, hernam: "Mijnheer,

zouden deze muizen ons ook opeten?"

"Zeker!" riep Gavroche.

Nu was de angst van den kleine grenzenloos. Maar Gavroche voegde

er bij:

"Wees niet bang! Zij kunnen niet bij ons komen. En daarbij ben ik er

immers. Ziedaar, neem mijn hand. Zwijg en slaap."

Gavroche nam tegelijkertijd de hand van den kleine over diens

broertje heen. Het knaapje drukte die hand tegen zich en

voelde zich gerust. Moed en kracht bezitten een geheimzinnig

mededeelingsvermogen. Het was rondom hen weder stil geworden, het

gerucht der stemmen had de ratten verschrikt en verwijderd; zij

mochten na eenige minuten wederkomen en zich roeren, de drie knapen,

die gerust sliepen, hoorden niets meer.

De uren van den nacht verstreken. Duisternis overdekte het groote

Bastilleplein; een koude wind, die zich aan den regen paarde, woei met

heftige vlagen; de patrouilles doorsnuffelden de deuren, de gangen,

de schuttingen, de donkere hoeken, om nachtelijke zwervers te zoeken,

maar gingen stil voorbij den olifant. Het monster stond bewegingloos,

met open oogen in de duisternis, en scheen tevreden over zijn goede

daad, die de drie arme slapende kinderen tegen het weer en de menschen

beschermde.

Om te begrijpen wat volgt, herinnere men zich, dat in dien tijd het

wachthuis der Bastille aan het andere einde van het plein gelegen was,

en dat, hetgeen bij den olifant gebeurde, door de schildwacht noch

gehoord noch gezien kon worden.

Een uur voor het aanbreken van den dag kwam een man uit de straat

St. Antoine loopen: ging over het plein langs de schutting der

Juli-kolom en kroop door het staketsel tot onder den buik van den

olifant. Zoo eenig licht dien man beschenen had, zou men gezien hebben,

dat hij den nacht in den regen had doorgebracht, dewijl hij door en

door nat was.

Onder den olifant gekomen liet hij een zonderlingen kreet hooren,

die tot geen menschelijke taal behoort en die alleen een papegaai zou

kunnen voortbrengen. Hij herhaalde tweemalen dezen kreet, waarvan de

volgende spelling een flauw denkbeeld kan geven:

"Kirikikioe!"

Bij den tweeden kreet antwoordde, uit den buik van den olifant,

een heldere, vroolijke en jeugdige stem:

"Ja!"

Schier onmiddellijk verschoof de plank, welke de opening sloot en

liet een knaap door, die zich langs den poot van den olifant naar

beneden liet glijden en behendig naast den man terecht kwam. 't Was

Gavroche. De man was Montparnasse.

De kreet Kirikikioe was zekerlijk, wat de knaap had bedoeld, toen

hij zei: "Vraag naar mijnheer Gavroche."

Op 't hooren van dien kreet, was hij plotseling ontwaakt, uit zijn

"bedstede" gekropen, door het traliewerk een weinig weg te schuiven,

dat hij daarna weder zorgvuldig gesloten had; vervolgens had hij het

luik geopend en was naar beneden gegleden.

De man en de knaap herkenden elkander zwijgend in den nacht;

Montparnasse zeide niets anders dan:

"Wij hebben u noodig. Kom ons een handje helpen."

De straatjongen vroeg geen nadere verklaring en zeide:

"Hier ben ik!"

Beiden begaven zich toen naar de straat St. Antoine, waaruit

Montparnasse was gekomen, zich haastig door de lange rij groentewagens

slingerende, die op dat uur naar de markt reden.

De warmoeziers, die uithoofde van den plasregen tusschen salade

en groenten gehurkt, en half slapend tot aan de oogen in hun

voermansmantels gewikkeld waren, sloegen zelfs geen oog op deze

zonderlinge voorbijgangers.

DERDE HOOFDSTUK.

DE ONTVLUCHTING.

Denzelfden nacht had in de gevangenis La Force het volgende plaats:

Er was tusschen Babet, Brujon, Gueulemer en Thénardier een plan ter

ontvluchting beraamd, hoewel Thénardier buiten allen toegang opgesloten

was. Babet had dienzelfden dag de zaak voor zijn rekening genomen,

zooals men uit het verhaal van Montparnasse aan Gavroche gezien heeft.

Brujon, die een maand in een strafkamer had doorgebracht, had den tijd

gehad, ten eerste, er een touw te vlechten; ten tweede, er een plan

te ontwerpen. Eertijds bestonden deze treurige verblijven, waarin de

gevangenistucht den veroordeelde aan zich zelven overlaat, uit vier

steenen muren, een steenen gewelf, een steenen vloer, een brits,

een getralied lichtgat, een met ijzer beslagen deur; zij heetten

"cachotten"; maar het cachot werd te vreeselijk geacht; thans bestaat

het uit een ijzeren deur, een getralied lichtgat, een brits, een

steenen vloer, een steenen gewelf, vier steenen muren, en heet een

"strafkamer". Tegen den middag wordt het er een weinig licht. Het

verkeerde dezer kamers, die, gelijk men ziet, geen cachotten zijn,

is, dat men er wezens laat denken, die men moet laten werken.

Brujon had dan ook gedacht, en was met een touw uit de strafkamer

gekomen. Wijl hij als zeer gevaarlijk op de plaats Charlemagne werd

geacht, plaatste men hem in het nieuwe gebouw. Het eerste dat hij

in het nieuwe gebouw vond was Gueulemer, het tweede een spijker;

Gueulemer--dat wil zeggen de misdaad; een spijker--dat wil zeggen

de vrijheid.

Brujon, nopens wien men zich thans een nauwkeurig denkbeeld moet

vormen, was, onder een uiterlijk voorkomen van zwakheid en geveinsde

onverschilligheid, een geslepene, schrandere dief, met een vleienden

blik en wreeden glimlach. Zijn blik ontstond uit zijn wil, zijn

glimlach uit zijn aard. De eerste studiën zijner kunst hadden zich

naar de daken gericht, hij had groote vorderingen in de industrie

der looddieven gemaakt, die op behendige wijze de daken bestelen en

de goten ontkleeden.

Wat het oogenblik voor een poging ter ontvluchting gunstig maakte,

was dat de leidekkers juist bezig waren met een gedeelte van het dak

te herstellen en van nieuwe leien te voorzien. De plaats Saint Bernard

was niet volkomen meer afgescheiden van de plaatsen Charlemagne en

Saint Louis. Er waren steigers en ladders boven; met andere woorden,

bruggen en trappen, die naar de vrijheid konden voeren.

Het nieuwe gebouw, overal gescheurd en zeer vervallen, was het

zwakste gedeelte der gevangenis. De muren waren er zoodanig door het

salpeter ingevreten, dat men verplicht was geweest de zoldergewelven

der slaapzalen met hout te bekleeden, wijl er steenen uitvielen

op de gevangenen in hun bedden. Ondanks dezen vervallen toestand,

beging men den misslag de gevaarlijkste beschuldigden, of zooals men

in de gevangenistaal zegt, de "zwaarste zaken" in het nieuwe gebouw

op te sluiten.

Het bevatte vier boven elkander liggende slaapzalen en een zolder,

dien men het Bel-Air noemde. Een breede schoorsteen, waarschijnlijk

afkomstig van de voormalige keuken der hertogen van la Force, liep

van beneden door de vier verdiepingen, scheidde de slaapkamers, waarin

hij als een platte pilaar stond, in tweeën en kwam op het dak uit.

Gueulemer en Brujon waren in dezelfde slaapzaal. Men had ze uit

voorzichtigheid in de benedenverdieping geplaatst. Het hoofdeinde

hunner bedden raakte tegen den schoorsteen.

Thénardier bevond zich juist boven hun hoofden, op den zolder, die

Bel-Air heette.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 12 / 28 段