Zoo verstreken eenige jaren. Thénardier verwachtte er alles goeds

van. Op zekeren dag zeide hij tot Magnon, die hem de zesmaandelijksche

tien francs ter hand stelde: "De "vader" zal hun toch een opvoeding

moeten geven."

Maar deze twee arme kinderen, tot hiertoe, zelfs door hun slecht

lot, vrij goed beschermd, werden plotseling in het leven geworpen en

gedwongen het te beginnen.

Eene inhechtenisneming op groote schaal van booswichten als die

in Jondrettes verblijf, welke noodwendig navorschingen en verdere

gevangennemingen ten gevolge moest hebben, is een wezenlijke ramp

voor deze afschuwelijke geheime maatschappij die onder de openbare

maatschappij woont; zulk een avontuur sleept allerlei instortingen

in die donkere wereld mede. Het ongeluk van Thénardier veroorzaakte

Magnons ongeluk.

Op zekeren dag, korten tijd nadat Magnon aan Eponine het briefje

betreffende de straat Plumet had overhandigd, werd onverhoeds

door de politie in de straat Cloche Perce huiszoeking gedaan;

Magnon werd gevat, insgelijks mamselle Miss, en al de bewoners van

het huis, die verdacht waren, vielen in het net. De twee knaapjes

speelden ondertusschen op een achterplaats en zagen niets van de

overrompeling. Toen zij weder naar binnen wilden gaan, vonden zij

de deur gesloten en het huis ledig. De schoenlapper uit een pothuis

aan de overzijde riep hen en gaf hun een papier dat "hun moeder" voor

hen had achtergelaten. Op dat papier stond het adres: Mijnheer Barge,

rentmeester in de straat du Roi de Sicile, No. 8. De schoenlapper zeide

tot hen: "Ge woont hier niet meer. Gaat daarheen. 't Is dichtbij. De

eerste straat links. Vraag met dit papier naar den weg."

De kinderen gingen, terwijl het oudste het jongste leidde, met het

papier in de hand, dat hun gids moest zijn. 't Was koud, en zijn

verdoofde vingers konden het papier nauwelijks houden. Aan den hoek

der steeg Cloche Perce, ontrukte een windvlaag het hem, en wijl

't donker werd, kon het knaapje het papier niet wedervinden.

Op goed geluk af doolden zij nu door de straten.

TWEEDE HOOFDSTUK.

HOE DE KLEINE GAVROCHE ZICH NAPOLEON DEN GROOTE TEN NUTTE MAAKT.

Te Parijs heerschen in de lente meestal gure, scherpe noordenwinden,

die wel niemand doen bevriezen, maar toch vinnig koud zijn; deze

noordenwinden, die de schoonste dagen onaangenaam maken, doen

volkomen dezelfde uitwerking als de koude tochtwind, die door de

reten van een venster of van een slecht gesloten deur een warme

kamer binnendringt. Het schijnt, alsof de sombere winterdeur op

een reet is gebleven en de wind er door komt. In de lente van 1832,

op het tijdstip toen de eerste groote epidemie dezer eeuw in Europa

uitbrak, waren deze noordenwinden guurder en scherper dan ooit. Een

nog koudere deur dan die van den winter scheen open te zijn. 't Was

die van het graf. Men voelde in die noordenwinden den adem der cholera.

Uit het weerkundig gezichtspunt gezien, hadden deze winden het

eigenaardige, dat zij van een zeer sterke electrische spanning

vergezeld waren. In dien tijd waren stormen met donder en bliksem

veelvuldig.

Op zekeren avond, dat het op deze wijze scherp koud was, zoo zelfs

dat het scheen of Januari was wedergekeerd, en dat de menschen hun

overkleeren weer droegen, stond de kleine Gavroche, steeds vroolijk

onder zijn lompen, bibberend, als in verrukking, voor den winkel van

een kapper en barbier in den omtrek van l'Orme-Saint-Gervais. Hij

was versierd met een wollen sjaal, die hij op de eene of andere wijs

gekregen en als een cachenez omgeslagen had. De kleine Gavroche

scheen met diepe bewondering een dame van was te begluren, die in

een zeer laag uitgesneden kleed en met oranje bloemen gekapt, achter

het glasvenster draaide en tusschen twee lampen den voorbijgangers

haar glimlach toewierp, maar werkelijk beloerde hij den winkel

om te zien, of hij niet van de toonbank een stuk zeep kon kapen,

't welk hij vervolgens voor een sou aan een barbier in de voorstad

zou verkoopen. Het gebeurde hem dikwijls, dat hij op deze wijze aan

een ontbijt kwam. Hij noemde dit werk, voor hetwelk hij een bijzonder

talent had "de barbiers scheren."

Terwijl hij de dame bewonderde en het stuk zeep begluurde, bromde

hij binnensmonds: "Dinsdag--'t is immers geen Dinsdag.--Is het

Dinsdag?.. 't Is misschien Dinsdag.--Ja, 't is Dinsdag."

Men is nooit te weten gekomen, waarop deze alleenspraak zinspeelde.

Zoo deze woorden soms den laatsten keer aanduidden, dat hij gegeten

had, dan was dit drie dagen geleden, want het was nu Vrijdag.

De barbier schoor iemand in zijn door een kachel verwarmden winkel,

en sloeg nu en dan een zijdelingschen blik op dien vijand, op dien

bibberenden, onbeschaamden straatjongen, die beide handen in zijn

zakken had, maar zeker iets anders in het oog.

Terwijl nu Gavroche de wassen dame, de uitstalling en de Windsor-zeep

begluurde, draaiden twee knaapjes van ongelijke grootte, tamelijk

goed gekleed en veel kleiner dan hij, het eene schijnbaar zeven,

het andere vijf jaar oud, bedeesd de deurkruk om en traden den winkel

binnen om iets te vragen, misschien een aalmoes, en wel op zulk een

jammerenden toon dat het eer een smeeking dan een verzoek geleek. Zij

spraken beiden tegelijk, en hun woorden waren onverstaanbaar, wijl

het gesnik van den jongsten knaap zijn stem smoorde en de koude de

tanden van den oudsten deed klapperen. De barbier wendde zich om met

verstoord gezicht, en, zonder zijn scheermes neder te leggen, schoof

hij den oudsten met de linkerhand en den jongsten met de knie weder

op de straat en sloot zijn deur, zeggende:

"Zij brengen voor niemendal de koude in huis!"

De knaapjes gingen schreiend verder. Intusschen was een bui opgekomen;

't begon te regenen.

De kleine Gavroche liep hen na en vroeg hen:

"Wat deert u, dreumesen?"

"Wij weten niet, waar wij slapen zullen," antwoordde de oudste.

"Is 't niets anders?" zei Gavroche. "Dat is zoo erg niet. Moet gij

daarom schreien? Ge zijt immers geen kanarievogeltjes?"

Toen hernam hij, een gewichtige houding aannemende, doch op een toon

van teeder gezag en vriendelijke bescherming:

"Komt mede, kleinen!"

"Ja, mijnheer," antwoordde de oudste.

Beide knaapjes volgden hem nu zoo eerbiedig, alsof zij een

aartsbisschop volgden. Zij weenden niet meer.

Gavroche voerde hen door de straat St. Antoine naar den kant der

Bastille.

Onder 't gaan sloeg Gavroche een vergramden blik op den barbierswinkel

terug, en mompelde:

"Hij heeft geen gevoel, die schelvisch. 't Is een Engelschman."

Een meisje, dat hen met hun drieën achter elkaar zag gaan, Gavroche

aan 't hoofd, begon luid te lachen. Dat gelach gaf weinig eerbied

voor de groep te kennen; en Gavroche zeide tot haar:

"Dag, mamsel Omnibus."

Een oogenblik later kwam de barbier hem weder in de gedachte, en hij

voegde er bij:

"Ik vergiste mij in het beest; 't is geen schelvisch, maar een

slang. Kapper, ik zal u een ratel aan uw staart laten maken."

De kapper had hem baldadig gemaakt. Over een goot springende, riep

hij tot een gebaarde portierster, die waardig was geweest Faust op

den Bloksberg te ontmoeten, en een bezem in de hand had:

"Zoo madam, gaat gij op uw paard uit?"

Daarop bespatte hij met slijk de glimmende laarzen van een

voorbijganger.

"Kwâjongen!" riep de voorbijganger toornig.

Gavroche stak zijn neus uit de sjaal en zeide:

"Waarover klaagt mijnheer?"

"Over u," was het antwoord.

"Het bureau is gesloten," zei Gavroche. "Ik ontvang geen klachten

meer."

Ondertusschen ging hij verder de straat op, en zag, onder een

koetspoort, als bevrozen, een dertien- of veertienjarige bedelares,

wier rokje zoo kort was, dat men haar knieën zag. Het meisje werd

er te groot voor. De groei speelt dergelijke streken. Het onderrokje

wordt kort, terwijl de naaktheid onzedelijk wordt.

"Arm meisje," zei Gavroche; "'t heeft niet eens een broek. Hier,

neem dit."

En den warmen wollen doek losmakende, dien hij om den hals had,

wierp hij dien op de magere blauwe schouders der bedelares, zoodat

de cache-nez weder een sjaal werd.

Het meisje zag hem met verbazing aan en ontving zwijgend de

sjaal. Tot een zekeren graad van ellende gekomen, klaagt de arme in

zijn vertwijfeling niet meer over zijn nood, en dankt niet meer voor

het goede.

Hierna liet Gavroche, kouder dan Sint-Marten, die ten minste de helft

van zijn mantel behield, een brrr! hooren.

Na dit brrr! nam de regen toe en viel in stroomen neer. Zoo straft

een slechte hemel de goede daden.

"Nu," riep Gavroche; "wat moet dit beteekenen? Het regent weder. Goede

God, als het zoo voortgaat, zeg ik mijn abonnement op."

En hij ging verder.

"Om 't even," hernam hij, een blik op de bedelares slaande, die zich

in de sjaal wikkelde; "zij heeft nu een goede pels."

En naar de wolken ziende, riep hij:

"Gesnapt!"

De twee kinderen volgden hem op de hielen.

Toen zij voorbij een dier getraliede vensters gingen, die een

bakkerswinkel aanduiden, want men legt het brood evenals het goud

achter ijzeren traliën, keerde Gavroche zich om en vroeg:

"Wel, kabouters, hebt ge gegeten?"

"Mijnheer," antwoordde de oudste, "wij hebben niet gegeten sinds

van morgen."

"Gij hebt dus geen vader of moeder?" hernam Gavroche met majesteit.

"Verschooning, mijnheer, wij hebben een papa en mama, maar weten niet,

waar zij zijn..."

"Dit is vaak beter dan 't wel te weten," zei Gavroche, die een

denker was.

"Wij zijn nu reeds twee uur op straat," hernam de oudste, "wij hebben

aan alle hoeken gezocht, maar niets kunnen vinden."

"Ja, ja," zei Gavroche; "de honden verslinden alles."

Na eenig zwijgen hernam hij:

"Ha, gij hebt uw ouders verloren; gij weet niet waar zij zijn; dat mag

niet, jongens. 't Is dom, bejaarde lieden verloren te laten gaan. Maar

men moet zich overal weten uit te redden."

Hij vroeg hun overigens niets. 't Was voor hem iets zeer eenvoudigs,

geen onderkomen te hebben!

De oudste der twee knapen, die schier de onbezorgdheid der kindsheid

had teruggekregen, riep:

"'t Is toch raar. Mama had ons beloofd, op Palmzondag gewijde palm

met ons te gaan halen."

"Gekheid!" antwoordde Gavroche.

"Mama," hernam de oudste, "is een dame, die met Mamselle Miss woont."

"Falderala," hernam Gavroche.

Intusschen was hij blijven staan en tastte en zocht sinds eenige

oogenblikken in alle zakken en gaten, die zijn plunje kon hebben.

Eindelijk richtte hij het hoofd weder op, met een gebaar, dat slechts

tevredenheid wilde toonen, maar werkelijk triumfeerend was.

"Weest gerust, mijn jongens. Ik heb hier iets, waarvoor wij alle drie

ons avondeten kunnen krijgen."

En uit een zijner zakken haalde hij een sou.

Zonder aan de twee kleinen den tijd te gunnen zich te verbazen, duwde

hij ze voor zich uit in den bakkerswinkel, en den sou op de toonbank

leggende, riep hij:

"Hola, voor vijf centimes brood."

De bakker nam een brood en een mes.

"In drie stukken, baas," hernam Gavroche, en voegde er deftig bij:

"wij zijn met ons drieën."

Toen hij nu zag, dat de bakker, na de drie klanten aanschouwd te

hebben, een zwart brood nam, stak hij zijn vinger diep in den neus

en snoof zoo sterk, alsof hij het snuifje van Frederik den Groote op

zijn duim had gehad, en snauwde den bakker met verontwaardiging toe:

"Wat moet dat beduiden?"

De bakker antwoordde:

"Wel 't is brood, zeer goed brood van de tweede kwaliteit."

"Ge wilt zeggen zwart brood," hernam Gavroche met rustige, koele

verachting. "Wit brood, baas! Ik trakteer!"

De bakker glimlachte onwillekeurig, terwijl hij het wit brood sneed,

en zag hen met een medelijdenden blik aan, die Gavroche beleedigde.

"Nu, bakker," zeide hij, "waarom kijkt ge ons zoo aan?"

Op elkander gezet zouden zij nauwelijks een el groot zijn geweest.

Toen het brood gesneden was, nam de bakker den sou en Gavroche zeide

tot de twee kinderen:

"Pruimt nu."

De knaapjes zagen hem verlegen aan.

Gavroche glimlachte, "'t Is waar," zeide hij, "zij zijn nog te klein

om het te begrijpen."

En hij hernam: "Eet."

En hij reikte beiden een stuk brood.

Meenende, dat de oudste eenige bijzondere aanmoediging behoefde

om zonder verlegenheid zijn honger te bevredigen, gaf hij hem het

grootste stuk, zeggende: "Ziedaar, stop dit in de maag."

Van de twee overige stukken hield hij het kleinste voor zich.

De arme kinderen hadden honger, Gavroche niet minder. Terwijl zij

smakelijk in het brood beten, bleven zij in den winkel van den bakker,

die, nu hij betaald was, hen weg wenschte.

"Laat ons op de straat terugkeeren," zei Gavroche.

Zij gingen voort in de richting der Bastille.

Telkens wanneer zij voorbij helder verlichte winkels kwamen, stond

de kleinste stil om op een tinnen horloge, dat aan een touwtje om

zijn hals hing, te zien hoe laat het was.

"Hij is nog heel kinderachtig," dacht Gavroche.

En in gedachte mompelde hij:

"Om 't even; zoo ik kleinen had, zou ik ze beter bewaren."

Toen zij hun brood bijna op hadden, kwamen zij aan den hoek der zoo

treurige straat des Ballets, aan welker einde men de lage sombere

poort der gevangenis la Force ziet.

"He! zijt gij 't, Gavroche?" zei iemand.

"Hé, zijt gij 't, Montparnasse?" hernam Gavroche.

't Was iemand, die den straatjongen naderde, en die iemand was geen

ander dan Montparnasse, die hoewel vermomd, en met een blauwen bril

op, toch door Gavroche herkend werd.

"Verduiveld!" riep Gavroche, "ge ziet er met uw bruine plunje en uw

blauwen bril uit als een dokter. Ge zijt knap, oude jongen."

"Stil," zei Montparnasse, "niet zoo luid!"

En haastig trok hij Gavroche uit het licht der winkels.

De twee knaapjes volgden werktuiglijk, elkander bij de hand houdende.

Toen zij onder den donkeren boog eener koetspoort, uit het gezicht

en den regen stonden, vroeg Montparnasse:

"Weet ge waar ik heen ga?"

"Naar de abdij van Monte à Regret" [1], zei Gavroche.

"Spotvogel!" hernam Montparnasse. "Ik ga Babet opzoeken."

"Zoo!" zei Gavroche, "heet zij Babet!"

Montparnasse hernam zacht:

"'t Is geen zij, maar een hij."

"Ha, Babet!"

"Ja, Babet."

"Ik meende, dat hij gestrikt was."

"Hij heeft den strik losgemaakt," antwoordde Montparnasse.

En haastig verhaalde hij den straatjongen, dat Babet, dien zelfden dag

naar de conciergerie overgebracht zijnde, op den weg naar den rechter

van instructie ontvlucht was, door links in plaats van rechts te gaan.

Gavroche bewonderde deze behendigheid.

Montparnasse voegde er eenige bijzonderheden aangaande de vlucht van

Babet bij, en zeide:

"O, dat is nog niet alles."

Gavroche had, onder het luisteren, den wandelstok gevat, dien

Montparnasse in de hand hield; werktuiglijk had hij aan het boveneinde

getrokken, en een dolkkling was te voorschijn gekomen.

"Ha!" zeide hij haastig, den dolk weder inschuivende, "ge hebt uw

gendarm, als een burger verkleed, medegebracht."

Montparnasse knipoogde.

"Drommels!" hernam Gavroche, "ge wilt dus met de politie vechten?"

"Men kan niet weten," antwoordde Montparnasse op onverschilligen

toon. "'t Is altijd goed, een speld bij zich te hebben."

Gavroche vroeg nu dringender:

"Wat wilt ge dan toch van nacht uitvoeren?"

Montparnasse hernam op ernstigen toon en met nadruk:

"Zaken."

Maar plotseling aan het gesprek een andere wending gevende zeide hij:

"Apropos."

"Wat?"

"Iets dat mij dezer dagen gebeurd is. Verbeeld u; ik ontmoette een

burgerman, die mij een preek en een beurs present deed. Ik stak de

beurs in mijn zak; een oogenblik later tast ik in mijn zak; er was

niets meer in."

"Dan de preek," zei Gavroche.

"Maar waar gaat gij nu toch heen?" vroeg Montparnasse.

Gavroche wees hem op de beide knaapjes, die hij in zijn hoede had

genomen, en zeide:

"Ik ga deze kinderen te bed brengen."

"Waar te bed?"

"Bij mij."

"Waar is 't--bij u?"

"Bij mij."

"Ge hebt dus een woning?"

"Ja, ik woon."

"En waar woont ge?"

"In den Olifant," zei Gavroche.

Montparnasse, die uit zijn aard niet licht verwonderd was, riep

echter onwillekeurig:

"In den Olifant!"

"Ja, ja, in den Olifant!" hernam Gavroche. "Wat zou dat?"

Deze diepzinnige opmerking van den straatjongen bracht Montparnasse

weder tot bedaardheid en overleg. Hij scheen nopens Gavroches woning

een betere meening op te vatten.

"Inderdaad," zeide hij, "de Olifant. Is 't er goed?"

"Zeer goed," hernam Gavroche. "Op mijn woord, 't is er prettig. Men

heeft er ten minste geen tochtwinden, zooals onder de bruggen."

"Hoe komt ge er?"

"Ik kruip er in."

"Is er dan een gat in?" vroeg Montparnasse.

"Zekerlijk, maar ge moogt er niets van zeggen. 't Is tusschen de

voorpooten. De politie-verklikkers hebben 't nog niet gezien."

"En ge klautert omhoog? Ha, nu begrijp ik."

"In een oogwenk is 't gedaan; en niemand is er meer."

Na een pauze, voegde Gavroche er bij:

"Voor deze kleinen moet ik een ladder hebben."

Montparnasse lachte, en vroeg:

"Hoe drommel, komt ge aan die kleinen?"

Gavroche antwoordde eenvoudig:

"'t Zijn snaken, welke een kapper mij present heeft gedaan."

Ondertusschen was Montparnasse ernstig geworden.

"Ge hebt mij dus gemakkelijk herkend?" mompelde hij.

Hij nam uit zijn zak twee kleine voorwerpen, die niets anders dan

twee met katoen omwonden penneschachten waren, van welke hij er een

in ieder neusgat stak. Dit gaf hem een geheel anderen neus.

"Dat verandert u," zei Gavroche, "nu zijt ge veel minder leelijk;

zoo moest ge altijd zijn."

Montparnasse was een mooie, knappe jongen, maar Gavroche was een

spotvogel.

"Zonder gekscheren," vroeg Montparnasse, "hoe vindt ge mij?"

Ook zijn stem was veranderd. In een oogenblik was Montparnasse

onkenbaar geworden.

"O! nu kunt ge voor Polichinel spelen!" riep Gavroche.

De beide knaapjes, die tot hiertoe niet geluisterd hadden, wijl zij

zelf bezig waren hun vingers in den neus te steken, traden op 't hooren

van dien naam dichter bij, en zagen Montparnasse met blijdschap en

verwondering aan.

Ongelukkig was Montparnasse ongerust.

Hij legde de hand op Gavroches schouder en zeide, op ieder woord

drukkende:

"Luister, jongen, naar 't geen ik u zeg: zoo ik op de plaats was met

mijn dog, mijn dolk en mijn mes, en men gaf mij drie sousstukken, zou

ik niet weigeren er mede te werken, maar 't is heden geen vastenavond."

Deze zonderlinge woorden brachten een zonderlinge uitwerking op

den straatjongen teweeg. Hij keerde zich haastig om, sloeg met

groote opmerkzaamheid zijn blik om zich en zag op korten afstand een

stadssergeant, met den rug naar hen gekeerd. Gavroche liet een kreet

ontsnappen, dien hij echter dadelijk onderdrukte, en Montparnasse de

hand schuddende, zeide hij:

"Nu, ik ga met mijn kleinen naar den Olifant. Zoo ge mij des nachts

noodig mocht hebben, kunt ge mij er vinden. Ik logeer op de eerste

verdieping. Er is geen portier. Vraag maar naar mijnheer Gavroche."

"Goed," zei Montparnasse.

Zij scheidden, Montparnasse ging naar den kant van la Grève, Gavroche

naar dien der Bastille.

De vijfjarige kleine, door zijn broertje voortgesleept, dat door

Gavroche werd getrokken, keerde herhaaldelijk het hoofd om, ten einde

Polichinel na te zien.

De zonderlinge woorden, welke Montparnasse bij 't gezicht van den

stadssergeant tot Gavroche gezegd had, gaven in de dieventaal te

kennen: Pas op, wij kunnen niet vrij spreken.

Vóór twintig jaar zag men nog in den zuidoostelijken hoek van

het Bastilleplein, nabij de vroegere gracht der staatsgevangenis,

een wonderlijk monument, 't welk bijna reeds uit het geheugen der

Parijzenaars is gewischt, en echter verdiende er eenig spoor achter

te laten, want het was eene gedachte van "het lid van het Instituut,

opperbevelhebber van het Egyptische leger."

Wij noemen het "monument", hoewel het slechts een ruw ontwerp

was. Maar deze wonderbare schets, dit grootsche lijk van een gedachte

van Napoleon, 't welk twee of drie windvlagen achtereen opgenomen en

telkens verder van ons geworpen hadden, was historisch geworden en had

iets bepaalds aangenomen, 't geen met zijn voorkomen van voorloopigheid

in tegenstelling was. 't Was namelijk een veertig voet hooge olifant,

van hout en steen opgericht, op zijn rug een toren dragende, die

veel had van een huis, dat vroeger groen geschilderd, doch nu door

de lucht, den regen en den tijd zwart geworden was. In dien eenzamen

open hoek van het plein, vormden het breede hoofd van den kolos,

zijn groote rug, zijn snuit, zijn slagtanden, zijn toren, zijn vier

kolomachtige pooten des nachts een wonderbaar en vreeselijk beeld

tegen den gesternden hemel. Men wist niet, wat het beteekende. 't

Was een soort van zinnebeeld der volkskracht. 't Was iets sombers,

raadselachtigs en grootsch. Iets als een machtige zichtbare schim,

naast het onzichtbare spookbeeld der Bastille.

Weinig vreemdelingen bezochten dit monument; geen voorbijganger sloeg

er een blik op. De olifant viel in puin; ieder seizoen nam kalk van

zijn zijden mede, 't geen leelijke wonden vormde. De stedelijke raad

had hem sedert 1814 vergeten. Hij stond daar in zijn hoek, treurig,

ziek, wankelend, omgeven door een verweerde afpaling, die telkens

door dronken koetsiers beschadigd werd; zijn buik was door bersten

gescheurd; een balk kwam uit zijn staart, hoog gras schoot tusschen

zijn pooten op; en daar de vlakte rondom hem sinds dertig jaren

hooger was geworden door die langzame en gestadige werking welke

ongevoelig den grond der groote steden doet rijzen, stond hij in een

kuil en scheen de aarde onder hem te zinken. Hij was vuil, veracht,

afzichtelijk en trotsch, leelijk voor het oog van den burger, treurig

voor het oog van den denker. Hij had iets van vuilnis, 't welk men

wil wegruimen; iets van een majesteit, welke men gaat onthoofden.

Maar des nachts, zooals wij gezegd hebben, veranderde het gezicht. De

nacht is de geschiktste tijd om schaduwen te zien. Terstond bij de

avondschemering onderging de oude olifant een gedaanteverandering. In

de grootsche stilte der duisternis nam hij een rustige en vreeselijke

gestalte aan. Tot het verledene behoorende, behoorde hij tot den

nacht, en deze duisternis paste bij zijn grootheid. Dit ruwe, plompe,

zware, statige, schier wanstaltige, maar gewis ernstige en majestueuze,

monument is verdwenen, om in vrede de soort van reusachtige kachel met

haar pijp te laten heerschen, die de sombere vesting met negen torens

heeft vervangen, schier evenals de burgerstand de leenheerlijkheid

vervangt. 't Is zeer natuurlijk, dat een kachel het zinnebeeld van een

tijdvak zij, welks macht een ketel bevat. Dit tijdvak zal voorbijgaan,

het gaat reeds voorbij; men begint te begrijpen, dat, zoo in een ketel

kracht kan zijn, slechts in een brein macht kan wezen; met andere

woorden, wat de wereld drijft en voorttrekt zijn geen locomotieven,

't zijn ideeën. Men spanne de locomotieven voor de denkbeelden,

't zij zoo; maar men houde het paard niet voor den ruiter.

Hoe het zij en om tot het plein der Bastille weder te keeren,

de bouwmeester van den olifant had van kalk iets groots gemaakt;

de bouwmeester van de kachelpijp is er in geslaagd, van brons iets

kleins te maken.

Deze kachelpijp, welke men een fraaien naam gegeven en die men de

Juli-kolom heeft genoemd, dit mislukte monument van een mislukte

revolutie, was in 1832 nog in een groot houten hemd gehuld, en door

een planken schutting omgeven, die den olifant volkomen afsloot.

't Was naar dien hoek van het plein, die nauwelijks door 't licht van

een verwijderde lantaarn beschenen werd, dat de straatjongen de twee

"kleinen" voerde.

Men veroorlove ons hier op te merken, dat wij zuivere waarheid

verhalen, en dat twintig jaren geleden, voor de correctioneele

rechtbank een knaap terechtstond, beschuldigd van vagebondage en het

inbreken in een openbaar monument, die slapende in den olifant der

Bastille was gevonden.

Toen Gavroche nu den kolos was genaderd, begreep hij den indruk,

dien het oneindig groote op het oneindig kleine kon maken, en zeide:

"Jongens, weest niet bang!"

Toen sloop hij door een holligheid in de schutting van den olifant

en hielp de kinderen er door. De beide kinderen volgden, een weinig

angstig, doch zwijgend, Gavroche en vertrouwden zich aan deze kleine

voorzienigheid in lompen, die hun brood gegeven en een slaapplaats

beloofd had. Tegen de schutting lag een ladder, welke des daags door

de werklieden van de naaste werkplaats gebruikt werd. Gavroche lichtte

ze, met buitengewone krachtsinspanning op en zette ze tegen een der

voorpooten van den olifant. Bij de plek, waartegen het boveneinde der

ladder rustte, zag men in den buik van den kolos een donkere opening.

Gavroche wees de ladder en de opening aan zijne kleine gasten,

en zeide:

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 11 / 28 段