zwart, de schepselen ondoorschijnend. Wanneer men een wezen bemint,
maakt men het doorschijnend.
Sommige gedachten zijn gebeden. Er zijn oogenblikken, dat de ziel
knielt, in welke houding het lichaam ook zij.
De gelieven, die gescheiden zijn, vervullen de afwezigheid door
duizend hersenschimmen, die toch haar werkelijkheid hebben. Men belet
hen elkander te zien, zij kunnen elkander niet schrijven; maar zij
vinden een menigte geheime middelen om met elkander in aanraking te
zijn. Zij zenden elkander den zang der vogelen, den geur der bloemen,
het gelach der kinderen, het licht der zon, de zuchten van den wind,
de stralen der sterren, de geheele schepping. Waarom ook niet? Alle
werken Gods zijn bestemd om de liefde te dienen. De liefde is machtig
genoeg om de gansche natuur met haar boodschappen te belasten.
O lente, ge zijt een brief, dien ik haar schrijf.
De toekomst behoort veel meer aan het hart dan aan den geest. Beminnen
is het eenige, dat de eeuwigheid kan bezig houden en vullen. Het
oneindige behoeft het onuitputtelijke.
De liefde is een gedeelte der ziel zelve. Zij is van dezelfde
natuur. Evenals de ziel, is zij een goddelijke vonk, onverderfelijk,
ondeelbaar, onvergankelijk. Zij is een onsterfelijke, oneindige
vuursprank in ons, die niets kan beperken, niets kan uitdooven. Men
voelt haar tot in 't merg van 't gebeente branden, men ziet haar
diep in den hemel stralen.
O liefde! aanbidding! wellust van twee zielen, die elkander begrijpen,
van twee harten die zich tegen elkander uitwisselen, van twee blikken
die elkander doordringen! Gij zult tot mij komen, geluk! niet
waar? Wandelingen onder vier oogen in de eenzaamheid! zalige,
schitterende dagen! Soms droomde ik, dat nu en dan zich uren van het
leven der engelen losmaakten en nederdaalden in het lot der menschen.
God kan niets voegen bij het geluk dergenen, die elkander beminnen,
dan het eeuwigdurendheid te geven. Na een leven van liefde, is
een eeuwigheid van liefde zekerlijk een vermeerdering; maar 't is,
zelfs voor God, onmogelijk de innige kracht der onuitsprekelijke
zaligheid, welke de liefde reeds in deze wereld aan de ziel geeft,
te verhoogen. God is de volheid des hemels; de liefde is de volheid
van den mensch.
Men aanschouwt een star om twee redenen, wijl zij licht geeft en wijl
zij ondoorgrondelijk is. Men heeft in zijn nabijheid een liefelijker
licht en grooter verborgenheid, de vrouw.
Wij allen, wie wij zijn mogen, hebben onze ademende wezens. Zoo
zij ons ontbreken, ontbreekt ons lucht, en wij stikken. Dan sterft
men. Door gebrek aan liefde te sterven is schrikkelijk. 't Is de
stikking der ziel!
Zoodra de liefde twee wezens in een engelachtige en heilige eenheid
heeft samengesmolten en gemengd, is voor beiden het geheim des levens
gevonden; zij zijn dan slechts de twee eindpunten van hetzelfde lot;
slechts de twee vleugels van denzelfden geest. Leeft en zweeft!
Zoo eenmaal een vrouw, die ons voorbijgaat, licht doet uitstralen,
zijn wij verloren, wij beminnen. Er blijft ons dan alleen dit over: zoo
sterk aan haar te denken, dat zij gedwongen wordt aan ons te denken.
Wat de liefde begint, kan slechts door God voltooid worden.
De ware liefde is troosteloos of verrukt over een verloren handschoen
of een gevonden zakdoek, en zij behoeft de eeuwigheid voor haar trouw
en hoop. Zij bestaat tegelijkertijd uit het oneindige groote en het
oneindige kleine.
Wees zeilsteen, zoo ge steen, kruidje roer-mij-niet, zoo ge bloem,
liefde zoo ge mensch zijt.
Niets bevredigt de liefde. Men is gelukkig en men wil het paradijs;
men heeft het paradijs en men wil den hemel.
O, gij die bemint, dit alles ligt in de liefde. Weet het slechts te
vinden. De liefde bezit evenveel zelfgenot als de hemel, en bezit
boven den hemel den wellust.
Komt zij nog in het Luxembourg?--Neen, mijnheer.--Zij komt in deze kerk
de mis hooren, niet waar?--Zij komt er niet meer.--Woont zij nog altijd
hier?--Zij is verhuisd. Waar woont zij nu?--Zij heeft het niet gezegd.
Welk een treurigheid, niet te weten waar zijn ziel te vinden!
De liefde heeft kinderachtigheden, de andere hartstochten hebben
kleinigheden. Schande over de hartstochten, die den mensch klein
maken! Eere die, welke van hem een kind maakt!
't Is zonderling, weet ge wat? Ik ben in de duisternis. Er is een
wezen, dat toen zij heenging, mijn hemel heeft medegenomen.
O! naast elkander hand in hand in hetzelfde graf te liggen, en nu en
dan in de duisternis elkander zacht een vinger te streelen, zou voor
mijn eeuwigheid voldoende zijn.
Gij die lijdt omdat gij bemint, bemin nog meer. Van liefde sterven
is er van leven.
Bemin. Een schitterende hemelvaart is aan deze kruisiging verbonden. In
den doodsstrijd ligt verrukking.
O vreugd der vogelen! Zij zingen, omdat zij een nest hebben.
De liefde is een hemelsche inademing der paradijslucht.
Diepe harten, wijze geesten, neemt het leven zooals God het geschapen
heeft; 't is een lange beproeving, een onbegrijpelijke voorbereiding
tot een onbekende bestemming. Deze bestemming, de ware, begint voor
den mensch bij de eerste trede in het graf. Dan verschijnt hem iets
en hij begint het bepaalde te onderscheiden. Overweeg dit woord:
het bepaalde. De levenden zien het oneindige, het onbepaalde; het
bepaalde vertoont zich slechts aan de dooden. Bemint en lijdt, hoopt
en aanschouwt inmiddels. Wee hem, die slechts lichamen, vormen, den
schijn heeft bemind! De dood zal hem alles ontnemen. Tracht zielen
te beminnen, ge zult ze wedervinden.
Ik heb op de straat een zeer arm jongeling ontmoet, die beminde. Zijn
hoed was oud, zijn rok was versleten en met gaten aan de ellebogen,
het water drong door zijn schoenen en de sterren drongen in zijn ziel.
Hoe groot is het bemind te worden! Maar grooter is het te beminnen. Het
hart wordt door de liefde met heldenmoed vervuld. Het bestaat dan
slechts uit reinheid, het steunt op niets dan op het verhevene en
groote. Een schandelijke gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een
distel in een ijsschol. De hooge en heldere ziel, ontoegankelijk voor
de gemeene hartstochten en driften, en die de wolken en schaduwen
dezer wereld, de dwaasheden, logens, den haat, de ijdelheden en
ellenden beheerscht, bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe
onderaardsche schokken van het lot slechts als de top der bergen de
aardbevingen voelt.
Zoo er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven.
VIJFDE HOOFDSTUK.
COSETTE NA DEN BRIEF.
Terwijl Cosette las, verzonk zij allengs in mijmering. Juist toen zij,
na den laatsten regel van het geschrift gelezen te hebben, haar oogen
opsloeg, ging de schoone officier--het was zijn uur--vol inbeelding
voorbij het hek. Cosette vond hem afschuwelijk.
Zij beschouwde nogmaals het geschrift. Het was, naar Cosettes
meening, zeer fraai geschreven, door één zelfde hand, maar met
verschillenden inkt, nu zeer zwart, dan bleek, en bijgevolg op
onderscheidene dagen. 't Waren derhalve losse gedachten, invallen,
verzuchtingen, onregelmatig, ordeloos, zonder keus, zonder doel,
toevallig. Nooit had Cosette zoo iets gelezen. Dit geschrift, waarin
zij meer helderheid dan duisternis zag, maakte op haar den indruk van
een geopend heiligdom. Ieder dezer geheimzinnige regels schitterde
voor haar oogen en overstroomde haar hart met een zonderling licht. De
opvoeding, welke zij had ontvangen, had haar altijd van de ziel en
nimmer van de liefde gesproken, als sprak men van een brandend hout en
niet van de vlam. Dit manuscript van vijftien bladzijden openbaarde
haar plotseling en zacht de geheele liefde, de smart, de bestemming,
het leven, de eeuwigheid, het begin, het einde. 't Was als een hand
die haar eensklaps een bundel stralen had toegeworpen. Zij gevoelde
in deze weinige regels een hartstochtelijke, vurige, edelmoedige,
eerlijke natuur, een heiligen wil, een onmetelijke smart en een
onmetelijke hoop, een beklemd hart, een ontloken verrukking. Wat was
dit manuscript? Een brief. Een brief zonder adres, zonder naam, zonder
dagteekening, zonder handteekening, dringend en onbaatzuchtig, een uit
waarheden bestaand raadsel, een liefdeboodschap, geschikt om door een
engel gebracht, door een maagd gelezen te worden; een bovenaardsche
samenkomst, een minnebrief van een schim aan een schaduw. 't Was een
kalme en zwaarmoedige afwezige, die gereed scheen in den dood zijn
toevlucht te zoeken en aan de afwezige het geheim van het lot, den
sleutel des levens, de liefde zond. 't Was geschreven met den voet in
het graf, met den vinger in den hemel. Deze, een voor een op het papier
gevallen regels, waren wat men droppels der ziel zou kunnen noemen.
Van wien konden nu deze bladzijden komen? Wie kon ze geschreven hebben?
Cosette aarzelde geen minuut. Een eenig mensch.
Hij!
Het was weder licht in haar geest geworden: alles was weder te
voorschijn gekomen. Zij gevoelde een ongehoorde blijdschap, een
innigen angst. Hij was het, die haar schreef; hij, die hier was, hij,
die den arm door het hek had gestoken! Terwijl zij hem vergat, had
hij haar wedergevonden! Maar had zij hem vergeten? Neen! nooit! Zij
was als buiten zich zelve, dit slechts een oogenblik geloofd te
hebben. Zij had hem immer bemind, immer aangebeden. Het vuur was wel
bedekt geweest en had eenigen tijd gesmeuld, maar zij zag het wel,
't was verder doorgedrongen en nu brak het opnieuw uit en zette haar
geheel in vlam. Dit geschrift was als een vonk, uit die andere ziel
in de hare gevallen. Zij voelde den brand weder uitbarsten. Ieder
woord van het manuscript drong in haar hart. "Ach ja," zeide zij,
"dat alles herken ik. Ik had dit alles reeds in zijn oogen gelezen."
Toen zij het ten derdemale gelezen had, kwam de luitenant Theodule
terug voor het hek en liet zijn sporen op de straat klinken. Cosette
gevoelde zich gedwongen de oogen op te slaan. Zij vond hem laf,
dwaas, zot, dom, onbehagelijk, onbeschoft en zeer leelijk. De officier
meende tegen haar te moeten glimlachen. Zij keerde zich beschaamd en
verontwaardigd om. Zij had hem gaarne iets naar het hoofd geworpen.
Zij vlood, trad het huis weder binnen en sloot zich in haar kamer om
het manuscript te herlezen, het van buiten te leeren en te denken. Toen
zij het goed gelezen had, kuste zij het en stak het in haar boezem.
't Was zoo, Cosette was weder in de diepte der seraphijnsche liefde
verzonken; het paradijs had zich weder geopend.
Den geheelen dag was Cosette in een soort van verbijstering. Zij kon
nauwelijks denken, haar gedachten waren als een verward kluwen in
haar hersens; zij konde niets bepaalds voornemen, bevende hoopte zij;
wat? dit wist zij zelve niet. Zij durfde zich niets beloven, en wilde
zich niets weigeren. Zij verbleekte telkens en een rilling liep door
al haar leden. Bij wijlen was 't haar, alsof zij in de wereld der
hersenschimmen kwam, en zij vroeg zich: is dat alles de wezenlijke
waarheid? dan greep zij naar het geliefde papier onder haar kleed,
zij drukte het tegen haar hart, zij voelde er de kanten van op haar
vleesch, en zoo Jean Valjean haar in dien oogenblik gezien had, zou
hij gebeefd hebben voor deze schitterende, onbekende vreugd, die uit
haar oogen straalde. "Ach ja," dacht zij; "hij is het gewis! dit komt
van hem voor mij!"
En zij zeide tot zich zelve, dat de tusschenkomst van engelen, een
hemelsch toeval, hem aan haar had wedergegeven.
O, herscheppingen der liefde! o droomen! Dit hemelsch toeval, deze
tusschenkomst van engelen, was het broodkogeltje, dat een dief een
anderen dief, van de binnenplaats Charlemagne naar den Leeuwenkuil,
over het dak van de gevangenis la Force had toegeworpen.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE OUDEN ZIJN BESTEMD OM OP DEN GESCHIKTEN TIJD UIT TE GAAN.
Toen het avond was ging Jean Valjean uit; Cosette kleedde zich. Zij
bracht haar kapsel in orde op de wijze, die haar het best stond, en
trok een kleed aan, dat van boven ruim uitgesneden was, waardoor de
hals tamelijk ver uitkwam, min of meer "indécent" zooals jonge meisjes
zouden zeggen. 't Was echter volstrekt niet indécent, maar veeleer
bevalliger dan anders. Zij kleedde zich zoo, zonder te weten waarom.
Wilde zij uitgaan? neen.
Verwachtte zij bezoek? neen.
Bij de avondschemering ging zij naar den tuin. Vrouw Toussaint was
in de keuken bezig, die op de achterplaats uitzag.
Cosette ging onder de takken, die ze nu en dan met de hand ter zijde
boog, wijl sommige zeer laag hingen.
Aldus kwam zij aan de bank.
De steen was er gebleven.
Zij ging zitten en legde haar zachte, witte hand op dien steen,
als wilde zij hem streelen en bedanken.
Eensklaps had zij dien onbeschrijfelijken indruk, welken men gevoelt,
zelfs zonder te zien, wanneer iemand achter ons staat.
Zij wendde het hoofd en richtte zich op.
Hij was het.
Hij was blootshoofds. Hij scheen bleek en mager te zijn geworden. Men
kon nauwelijks zijn zwarte kleeding zien. De schemeravond verbleekte
zijn fraai hoofd en bedekte zijn oogen met duisternis. Hij had,
onder den sluier van onvergelijkbare zachtheid, iets van den dood en
van den nacht. Zijn gezicht was verlicht door het schijnsel van den
stervenden dag en door de gedachte eener ziel, die heengaat.
Hij scheen nog wel geen schim, maar toch ook geen mensch meer te zijn.
Zijn hoed was op eenigen afstand in de struiken geworpen.
Cosette op 't punt van in onmacht te vallen, slaakte geen kreet. Zij
deinsde langzaam achteruit, want zij voelde zich aangetrokken. Hij
bewoog zich niet. Aan iets onbeschrijfelijks en treurigs, dat haar
omhulde, voelde zij den blik zijner oogen, dien zij niet zag.
Achteruit wijkende, ontmoette Cosette een boom, waartegen zij
leunde. Zonder dien boom zou zij gevallen zijn.
Toen hoorde zij zijn stem, die stem, welke zij nooit recht had gehoord
en die zich nauwelijks boven het bladerengeritsel verhief, lispelen:
"Vergeving, ik ben het. Mijn hart is overkropt; ik kon niet langer
zoo leven, daarom ben ik gekomen. Hebt gij gelezen wat ik daar op
die bank gelegd had? Hebt ge geen flauwe herinnering aan mij? Heb
geen vrees. 't Is reeds lang geleden; herinnert gij u den dag, toen
ge mij gezien hebt? 't Was in den tuin van het Luxembourg, dicht bij
den Gladiator. En den dag toen ge mij voorbijgingt? 't Was de 16e Juni
en de 2e Juli. 't Zal spoedig een jaar zijn. Sinds lang heb ik u niet
weer gezien. Ik heb aan de stoelenzetster naar u gevraagd, maar deze
zeide, dat zij u niet meer zag. Ge woondet in de Westerstraat, op de
derde verdieping aan de straat, in een nieuw huis; ge ziet, dat ik het
weet. Ik volgde u. Wat zou ik doen? En toen zijt gij verdwenen. Eens
meende ik u te zien voorbijgaan, toen ik onder de bogen van het Odéon
de nieuwspapieren las. Ik volgde u. Maar neen. 't Was een dame die een
hoed droeg als de uwe. Des nachts kom ik hier. Vrees niet, niemand ziet
mij. Ik aanschouw van dichtbij uwe vensters. Ik ga zeer zacht, opdat ge
mij niet zoudt hooren, want ge zoudt misschien beangst zijn. Op zekeren
avond was ik achter u, gij keerdet om en ik vluchtte. Eens heb ik u
hooren zingen. Ik was gelukkig. Het hindert u immers niet, dat ik u
door de blinden hoor zingen? Dat kan u niet schelen, niet waar? Zie,
gij zijt mijn engel; vergun mij even hier te komen; ik geloof, dat
ik spoedig zal sterven. Zoo ge wist hoe ik u bemin! Vergeef mij,
ik spreek met u en weet niet wat ik zeg; ik maak u misschien boos;
zijt ge boos op mij?"
"O mijn moeder!" zeide zij.
En zij zonk ineen, alsof zij zou sterven.
Hij vatte haar; zij viel, hij nam haar in zijn armen, omklemde haar
vast, zonder te weten wat hij deed. Zelf wankelend, ondersteunde hij
haar. 't Was hem, alsof zijn hoofd vol damp was, bliksems schoten door
zijn oogen; zijn gedachten verwarden; hij meende iets godsdienstigs
te verrichten en toch een ontheiliging te plegen. Overigens voelde
hij geen de minste onedele begeerte jegens deze bekoorlijke vrouw,
wier vormen hij aan zijn borst voelde. Hij was dronken van liefde.
Zij nam een zijner handen en legde ze aan haar hart. Hij voelde er
het papier en stamelde:
"Gij bemint mij dus?"
Zij antwoordde met zulk een zachte stem, dat ze slechts een adem was,
die men nauwelijks hoorde:
"Zwijg! gij weet het!"
En zij verborg haar gloeiend hoofd aan de borst van den hooghartigen
en verbijsterden jongeling.
Hij zonk op een bank neer, zij naast hem. Zij hadden geen woorden
meer. De starren begonnen te schijnen. Hoe kwam het, dat hun lippen
elkander ontmoetten? Hoe komt het, dat de vogel zingt, dat de sneeuw
smelt, dat de roos zich opent, dat Mei ontluikt, dat de morgenstond
de donkere boomen op den ruischenden top der heuvelen verlicht?
Een kus, dit was alles.
Beiden sidderden, en zij aanschouwden elkander in de schaduw met
vlammende oogen.
Zij voelden noch den koelen nacht, noch den kouden steen, noch de
vochtige aarde, noch het natte gras; zij aanschouwden elkander,
en hun harten waren vol gedachten. Zonder bewustzijn hadden zij
elkanders hand gevat.
Zij vroeg hem niet--zij dacht er zelfs niet aan--hoe hij binnengekomen
en in den tuin gedrongen was. 't Kwam haar zoo natuurlijk voor dat
hij er was.
Nu en dan raakte Marius' knie de knie van Cosette aan, en beiden
beefden.
Bij tusschenpoozen stamelde Cosette een woord. Haar ziel beefde op
haar lippen, als een dauwdrop op een bloem.
Allengs spraken zij met elkander. De ontboezeming volgde op de stilte,
die de opgekroptheid is. De nacht was helder en prachtig boven hun
hoofden. Deze twee wezens, zoo rein als engelen, zeiden elkander alles,
hun droomen, hun zaligheden, hun verrukkingen, hun hersenschimmen,
hun twijfelingen; hoe zij elkander in de verte bemind hadden, hoe
zij elkander gewenscht hadden; hun wanhoop, toen zij elkander niet
meer zagen.
Zij spraken met elkander in de volkomenste vertrouwelijkheid,
welke door niets kon vermeerderd worden, van het verborgenste en het
geheimzinnigste dat in hen was. Met een eerlijk geloof in hun illusiën,
verhaalden zij elkander al wat de liefde, de jeugd en het overschot
van kinderlijkheid, dat zij nog bezaten, hun in de gedachten gaf.
Beider harten stortten zich in elkander uit, zoodat binnen een uur
de jongeling het hart van het meisje, het meisje het hart van den
jongeling bezat. Zij deelden elkander hun gedachten mede, bekoorden,
betooverden elkander.
Toen zij eindigden, toen zij elkander alles hadden gezegd, liet zij
haar hoofd op zijn schouder rusten en vroeg hem:
"Hoe heet gij?"
"Ik heet Marius," zeide hij. "En gij?"
"Ik heet Cosette."
BOEK VI.
DE KLEINE GAVROCHE.
EERSTE HOOFDSTUK.
ONDEUGENDE STREEK VAN DEN WIND.
Terwijl sedert 1823, de kroeg te Montfermeil allengs verzonk, niet in
den afgrond van een bankroet, maar in het moeras van kleine schulden,
hadden de echtelieden Thénardier nog twee kinderen, beiden knaapjes,
gekregen; zoodat zij nu twee dochters en drie jongens hadden. Dit
was veel.
Vrouw Thénardier had zich van de twee laatsten, toen zij nog zeer
jong en klein waren, op gelukkige wijze ontslagen.
Ontslagen is het eigenlijke woord. Deze vrouw had nog slechts een
klein overblijfsel van natuur--een verschijnsel, waarvan trouwens meer
voorbeelden zijn. Evenals de maarschalksvrouw de Lamothe-Houdancourt,
was vrouw Thénardier slechts moeder voor haar dochters. Daar eindigde
haar moederschap. Haar haat tegen het menschelijk geslacht begon bij
haar zoons. Haar boosaardigheid tegen haar zoons had den hoogsten
top bereikt en voor hen had haar hart een ongenaakbare steilte. Men
heeft gezien, dat zij den oudsten haatte; zij verfoeide de beide
anderen. Waarom? Daarom. Het vreeselijkste aller motieven, en het
onwederlegbaarste aller antwoorden is: dáárom.--Ik heb geen troep
kinderen noodig, zei de moeder.
Verklaren wij, hoe het den Thénardiers gelukt was, zich van hun twee
laatste kinderen te ontlasten en er zelfs voordeel van te trekken.
De ongetrouwde Magnon, van wie reeds vroeger gesproken is, was
dezelfde, die van den ouden heer Gillenormand een geldelijke toelage
voor haar twee kinderen had weten te verkrijgen. Zij woonde op de
kade des Célestins, op den hoek der oude straat du Petit-Musc (Kleine
Muskusstraat), welke deed wat zij kon om aan haar slechten naam een
goeden reuk te geven. Men herinnere zich de groote kroep-epidemie,
welke vijf-en-dertig jaren geleden de wijken aan den oever der Seine
te Parijs teisterde, en waarvan de wetenschap gebruik maakte om op
groote schaal de inblazingen met aluin te beproeven, welke thans zoo
doelmatig door uitwendige inwrijving van jodium vervangen worden. In
deze epidemie verloor Magnon haar beide nog zeer jonge knaapjes, het
eene des morgens, het andere des avonds. 't Was een harde slag. Deze
kinderen waren voor hun moeder kostbaar, zij vertegenwoordigden
tachtig francs 's maands. Deze tachtig francs werden prompt uitbetaald
namens den heer Gillenormand, door zijn rentmeester, den heer Barge,
oud-deurwaarder in de straat du Roi de Sicile.
Met de kinderen zou ook de rente begraven zijn. Maar Magnon zocht een
redmiddel. In deze geheimzinnige vrijmetselarij van het kwaad, waartoe
zij behoorde, weet men alles, bewaart men elkanders geheimen, en helpt
elkander. Magnon had twee kinderen noodig, vrouw Thénardier had er
twee, van hetzelfde geslacht, van denzelfden leeftijd. Voor de eene was
't een goed redmiddel, voor de andere een goede plaatsing. De kleine
Thénardiers werden kleine Magnons. Vrouw Magnon verhuisde van de kade
des Celestins naar de straat Cloche Perce. Te Parijs wordt men, door de
verhuizing van de eene straat naar de andere, een geheel ander mensch.
Aan den burgerlijken stand werd van niets bericht, hij vroeg dus
niets en de vervanging der kinderen ging op de eenvoudigste wijze in
haar werk.
Maar Thénardier eischte voor deze kinderleening tien francs 's maands,
welke Magnon beloofde en ook betaalde. Het spreekt vanzelf, dat de
heer Gillenormand voortging met betalen. Iedere zes maanden ging hij
de kinderen eens zien. Hij merkte de verwisseling niet op, en Magnon
zeide: "Wat gelijken ze sprekend op u, mijnheer!"
Thénardier, voor wien veranderingen gemakkelijk waren, maakte van
deze gelegenheid gebruik om Jondrette te worden. Zijn twee dochters en
Gavroche hadden nauwelijks den tijd gehad op te merken, dat zij twee
broertjes hadden. In een zekeren graad van armoede wordt men voor
alles onverschillig en men ziet wezens voor larven aan. De naaste
verwanten zijn als onduidelijke schaduwgestalten, die nauwelijks in
de nevelen des levens te onderscheiden zijn en zich gereedelijk met
het onzichtbare vermengen.
Den avond van den dag, toen zij aan Magnon de twee kinderen had
afgeleverd, met den bepaalden wil er voor altijd van af te zien, had
vrouw Thénardier gewetensbezwaar gevoeld, of geveinsd te gevoelen. Zij
had tot haar man gezegd: "Maar 't is zijn kinderen te verlaten!" Op een
meesterachtigen en koelen toon brandde Thénardier dit bezwaar uit, door
te zeggen: "Jean Jacques Rousseau heeft niet minder gedaan!" Van het
gewetensbezwaar was de moeder nu tot ongerustheid overgegaan. "Maar
zoo de politie ons kwam lastig vallen? Spreek, Thénardier, is 't
geen wij gedaan hebben geoorloofd?"--Thénardier antwoordde: "Alles
is geoorloofd. Niemand zal er iets van vernemen. Bovendien heeft
er niemand eenig belang bij, nauwkeurig toe te zien bij kinderen,
die niets in de wereld bezitten."
Magnon was eenigerwijs een elegante misdadigster. Zij kleedde zich naar
de mode, en deelde haar woning, die met een kale bluf gemeubeld was,
met een sluwe Engelsche dievegge, die française was geworden. Deze
Engelsche genaturaliseerde Parijsche vrouw, aanbevelenswaard wegens
zeer rijke betrekkingen, innig verbonden met de medailles der
bibliotheek en de diamanten van Mlle Mars, werd later berucht in
verscheidene processen. Men noemde haar mamselle Miss.
De twee aan Magnon toegevallen kinderen hadden zich niet te
beklagen. Uit hoofde der tachtig francs werden zij ontzien, zooals
alles waarvan men voordeel heeft, niet slecht gekleed, niet slecht
gevoed, schier als jongeheeren, en beter door de valsche dan door de
ware moeder behandeld. Magnon speelde de dame en sprak de dieventaal
niet in hunne tegenwoordigheid.