"Mijn zoon, gij treedt uit luiheid in het moeielijkste leven dat

bestaat. Ha! gij zegt een nietsdoener te zijn! bereid u liever tot

den arbeid. Hebt ge ooit dit vreeselijk werktuig gezien, dat men een

pletmolen noemt? Men moet er zich wel voor in acht nemen, 't is een

geniepig, wreed ding; zoo het slechts een punt van uw rok vat, gaat

ge er geheel in. Deze machine is de ledigheid. Keer terug, terwijl

het nog tijd is, en red u! 't Is anders te laat! spoedig zult ge door

het raderwerk gevat zijn. Zoo ge eenmaal gegrepen zijt, is er geen

hoop meer. Aan 't werk dus, luiaard, geen rust! De wreede hand van den

onverbiddelijksten arbeid tast naar u. Den kost te verdienen, een taak,

een plicht te vervullen, dit wilt ge niet; te zijn als de anderen,

verveelt u. Nu, ge zult anders zijn. De arbeid is wet; die hem afwijst

uit verveling, zal hem tot straf krijgen. Gij wilt geen arbeider zijn,

gij zult slaaf wezen. De arbeid laat u slechts aan de eene zijde los,

om u aan de andere te grijpen; gij wilt zijn vriend niet zijn, gij zult

zijn neger wezen. Ha! gij hebt de vermoeidheid van den eerlijken man

niet gewild; gij zult het zweet der verdoemden vinden. Waar anderen

zingen, zult gij reutelen. Gij zult in de verte, uit de laagte, de

andere menschen zien arbeiden; gij zult meenen, dat zij rusten. De

landbouwer, de maaier, de zeeman, de smid zullen voor u in 't licht

verschijnen van gelukkigen in 't paradijs. Welke helderheid omgeeft

het aanbeeld! Den ploeg besturen, de garven binden, is vreugde. Welk

een feest! de boot in den wind te doen schommelen! Gij, nietsdoener,

delf, sleep, stuw, wroet! Draag uw halster, gij zijt een lastdier

in het span der hel. Ha! het was uw plan niets te doen. Welnu, geen

week, geen dag, geen uur zal er voor u zijn, zonder dat uw hart

bezwaard is. Ge zult u slechts met angst kunnen bewegen. Iedere

minuut die voorbijgaat zal uw spieren doen kraken. Voor u zal 't

een rots zijn, wat voor anderen een veder is. Het eenvoudigste zal

moeielijk worden. Het leven zal u gedrochtelijk zijn. Gaan, komen,

ademen, dit alles zal u zwaar vallen. Uw longen zullen u als van lood

voorkomen. Of ge aan dezen of genen kant zult gaan, zal een gewichtig

vraagstuk voor u zijn. Ieder ander, die wil uitgaan, opent zijn deur en

hij is buiten. Zoo gij wilt uitgaan, moet gij uw muur doorbreken. Wat

doet ieder, die op de straat wil gaan? Hij gaat de trap af; gij zult

uw beddelakens scheuren, draad voor draad zult ge er een touw van

vlechten; dan zult ge u uit het venster aan dien draad boven een

afgrond hangen, en 't zal des nachts zijn, in storm, in regen, in

onweder; en zoo het touw te kort is, zal er slechts één middel zijn

om beneden te komen, u van een hoogte te laten vallen, in een diepte,

op iets dat onder is, onverschillig wat, op het onbekende. Of gij zult

door een schoorsteen moeten klimmen, op gevaar af van u te branden;

of gij zult door een riool kruipen, op gevaar af van te stikken. Ik

spreek niet van de gaten, welke moeten worden verborgen, van de

steenen welke losgebroken en twintigmaal daags weer op hun plaats

gesteld moeten worden, van den kalk die in den stroozak moet worden

verborgen. Daar is een slot; iedereen neemt daarvoor den sleutel,

door een smid gemaakt, dien hij bij zich draagt. Gij, zoo gij het wilt

openen, moet eerst een kunststuk vervaardigen; gij neemt een koperen

sousstuk, dat ge aan twee plaatjes snijdt; met welk werktuig? gij moet

het uitvinden. Dat is uw zaak. Dan holt ge deze twee plaatjes uit,

zorgende het uitwendige niet te beschadigen, en maakt om den rand een

schroefdraad, zoodat beide juist op elkander passen als een doosje

en deksel. Zoo nu het bovenste op het onderste is geschroefd, is er

niets van te ontdekken. Voor de bewakers, want ge zult bewaakt worden,

zal 't een stuiverstuk zijn; voor u zal 't een doosje wezen. Wat zult

ge in dit doosje leggen? Een stukje staal. De veer van een horloge,

welke gij getand hebt en die nu een zaagje zal zijn. Met dit kleine

zaagje, dat in een sousstuk is verborgen, zult gij den schoot van

het slot, den grendel, het hengsel van het hangslot, de tralies

van uw venster, den boei aan uw been moeten doorsnijden. Na dit

meesterstuk, dit wonder te hebben volbracht, na al deze mirakelen

van kunst, vaardigheid, behendigheid, geduld uitgevoerd te hebben,

wat zal uw loon zijn, zoo men komt te weten dat gij de bewerker er van

zijt? het cachot. Ziedaar uw toekomst! Welke afgronden zijn niet de

luiheid en de rust! Niets doen, weet ge wel, dat het een treurige keus

is? Werkeloos in de maatschappij leven, nutteloos zijn, is schadelijk

zijn! Dit voert regelrecht tot de diepste ellende. Wee hem, die een

parasiet wil zijn! hij wordt ongedierte. Ha! gij hebt geen lust om te

werken? Gij hebt slechts ééne gedachte: Goed te drinken, goed te eten,

goed te slapen! Gij zult water drinken, gij zult zwart brood eten,

gij zult op een plank slapen, met een ijzer aan uw leden geklonken,

waarvan gij 's nachts de kilheid op uw vleesch zult voelen! Gij zult

dat ijzer verbreken, ge zult vluchten. Goed. Op uw buik zult ge door

doornheggen kruipen, en als de dieren des wouds gras eten. Maar ge

zult weder gevat worden. Dan zult ge jaren in een onderaardschen

kelder doorbrengen, aan den muur geketend, tasten naar de kruik

om te drinken, in de duisternis op het afschuwelijk brood bijten,

dat geen hond zou willen, en boonen eten, welke voor u reeds door

de wormen zijn doorgeknaagd. Ge zult zijn als een duizendpoot in een

kelder. Heb medelijden met u zelven, rampzalig kind, nog zoo jong, dat

geen twintig jaren geleden nog een zuigeling waart, en waarschijnlijk

nog een moeder hebt. Ik zweer u, hoor mij aan. Gij wilt fijn, zwart

laken, verlakte laarzen dragen, gekapt en geparfumeerd zijn, de vrouwen

behagen, bekoorlijk zijn? Men zal u het hoofd kaal scheren; gij zult

een rood buis en klompen dragen. Gij begeert een ring aan den vinger,

gij zult een ring aan den hals hebben. En zoo ge een vrouw aanziet,

krijgt ge stokslagen. Gij zult op twintigjarigen leeftijd deze wereld

intreden en haar op vijftigjarigen verlaten. Ge zult er jong, blozend,

frisch, met schitterende oogen en al uw witte tanden binnen gaan,

en haar gebroken, gekromd, gerimpeld, tandeloos, afzichtelijk, met

wit haar verlaten. Ach, mijn arme jongen, ge volgt een verkeerden

weg, de lediggang geeft u slechten raad. De zwaarste arbeid is de

diefstal. Geloof mij, wijd u niet aan het moeielijk werk, een luiaard

te zijn. 't Is niet gemakkelijk, een schurk te worden. Veel lichter

is het, een eerlijk man te zijn. Ga nu en denk aan 't geen ik u gezegd

heb. Maar.... wat wildet gij van mij? Mijn beurs? Ziedaar!"

En terwijl de oude man Montparnasse losliet, stelde hij hem zijn beurs

ter hand, welke Montparnasse even woog, waarna hij ze, met dezelfde

werktuiglijke behoedzaamheid, als had hij ze gestolen, zacht in den

achterzak van zijn jas liet glijden.

Na dit gezegd en gedaan te hebben, keerde de oude man om en hervatte

bedaard zijn wandeling.

"Malle vent!" mompelde Montparnasse.

Wie was deze oude man? De lezer heeft het zekerlijk geraden. In

de grootste verbazing zag Montparnasse hem na, terwijl hij in de

avondschemering verdween. Dit nazien was hem noodlottig.

Terwijl de grijsaard zich verwijderde, naderde Gavroche.

Gavroche had zich door een schuinschen blik vergewist, dat de oude

Mabeuf, die misschien in slaap was gevallen, nog altijd op de bank

zat. Daarop was de straatjongen uit de heg gekomen en was in de

duisternis achter Montparnasse geslopen, die bewegingloos stond. Dus

naderde hij Montparnasse zonder gezien of gehoord te worden, stak

zacht zijn hand in den achterzak van de fijne zwartlakensche jas,

greep de beurs, trok de hand terug en kroop als een vluchtende adder

weder in de duisternis. Montparnasse, die geen reden had om op zijn

hoede te zijn en voor het eerst zijns levens nadacht, merkte hiervan

niets. Gavroche, ter plaatse teruggekeerd, waar de oude Mabeuf zat,

wierp de beurs over de heg en liep, zoo snel als hij loopen kon, weg.

De beurs viel op den voet van vader Mabeuf. Deze schok wekte hem. Hij

bukte en raapte de beurs op. Hij begreep er niets van, en opende ze. 't

Was een beurs met twee vakken; in het eene vak was eenig klein geld,

in het andere zes gouden Napoleons.

Verbaasd bracht Mabeuf dit aan zijn huishoudster.

"'t Is uit den hemel gevallen," zei moeder Plutarchus.

BOEK V.

WELKS EINDE HET BEGIN NIET GELIJKT.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE EENZAAMHEID EN DE KAZERNE.

De smart van Cosette, vier of vijf maanden geleden zoo grievend en

levendig, begon, zelfs zonder dat zij het wist, te verzachten. De

natuur, de lente, de jeugd, de liefde voor haar vader, de vroolijkheid

der vogels en bloemen, dit alles deed allengs, dag aan dag, druppel

voor druppel, in de zoo maagdelijke, jeugdige ziel iets zijpelen, dat

veel van vergetelheid had. Werd er het vuur geheel in uitgedoofd? bleef

er enkel asch over? Genoeg is het, dat zij schier geen smart of gloed

meer gevoelde.

Op zekeren dag dacht zij eensklaps aan Marius. Zie, zeide zij, ik

denk niet meer aan hem! In dezelfde week zag zij voorbij het tuinhek

een zeer fraaien officier der lansiers gaan, met een wespenlijf,

schitterende uniform, meisjeswangen, een sabel onder den arm,

glimmenden knevel, geverniste chapska. Hij had overigens blond haar,

blauwe, uitkomende oogen, een rond, ijdel, onbeschaamd en mooi gezicht;

in alles het tegendeel van Marius. Hij rookte een sigaar.--Cosette

meende, dat deze officier zekerlijk tot het regiment behoorde, dat

in de kazerne der Babelstraat lag.

Den volgenden dag zag zij hem weder voorbijgaan. Zij merkte het uur op.

Van dien tijd af--was het toeval?--zag zij hem schier iederen dag

voorbijgaan.

De kameraden van den officier bespeurden, dat in dien slecht

onderhouden tuin, achter dat leelijke rococo-hek, een zeer mooi

meisje was, dat er zich schier altijd bevond, wanneer de fraaie

luitenant voorbijging, die den lezer niet onbekend is en Theodule

Gillenormand heette.

"Zie," zeiden zij tot hem. "Dat meisje slaat een oog op u! Kijk toch."

"Heb ik den tijd, op al de meisjes acht te geven, die het oog op mij

slaan?" antwoordde de lansier.

't Was in denzelfden tijd, dat Marius ernstig aan den dood dacht, en

zeide: Zoo ik haar slechts kon wederzien vóór te sterven! Zoo zijn

wensch verwezenlijkt ware geworden, zoo hij gezien had dat Cosette

haar blik op een lansier sloeg, zou hij geen woord hebben kunnen

spreken en van smart gestorven zijn.

Wie droeg de schuld er van? Niemand.

Marius behoorde tot die karakters, welke zich in het verdriet

verdiepen en er in blijven; Cosette behoorde tot degenen, die er zich

in dompelen, maar er uitkomen.

Overigens was Cosette in dat gevaarlijk tijdperk der aan zich zelve

overgelaten vrouwelijke droomerijen, wanneer het hart van een jong

meisje op de ranken van den wijngaard gelijkt, welke zich, naar het

valt aan het kapiteel van een marmeren kolom of aan den deurpost van

een kroeg hechten. 't Is een snel, beslissend oogenblik, gevaarlijk

voor een weeze, zij moge arm of rijk zijn, want rijkdom belet geen

slechte keus; men sluit ongelukkige huwelijken in de hoogste kringen;

de ongelukkigste vereeniging is die van niet voor elkaar geschikte

zielen. Evenals meer dan één onbekend jonkman, zonder naam, zonder

geboorte, zonder fortuin, een marmeren kapiteel kan zijn, dat een

tempel van verhevene gevoelens en grootsche denkbeelden kan schragen,

evenzoo kan een man van de wereld, rijk en met zich zelven tevreden,

die glimmende laarzen en gladde woorden heeft, zoo men hem niet

uitwendig, maar inwendig beschouwt, dat wil zeggen hetgeen voor

de vrouw bestemd is, niets meer dan een gemeene paal kan zijn, een

voorwerp van de dierlijkste, geweldigste hartstochten, de deurpost

van een kroeg.

Wat was in Cosettes ziel? Een tot rust gebrachte of ingeslapen

hartstocht, de liefde in vluchtigen toestand; iets dat helder,

glinsterend is, op zekere diepte troebel, lager somber.

Dit beeld van den fraaien officier spiegelde zich af op

de oppervlakte. Was op den bodem--diep op den bodem--een

herinnering?--Misschien. Cosette wist het niet.

Er had iets zonderlings plaats.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VREES VAN COSETTE.

In de eerste helft van April ging Jean Valjean op reis. Men weet, dat

hij dit van tijd tot tijd, met zeer lange tusschenpoozen, deed. Hij

was dan ten hoogste twee of drie dagen afwezig. Waarheen hij ging wist

niemand, zelfs Cosette niet. Slechts eens had zij hem bij zijn vertrek

in een huurrijtuig tot aan den hoek van een blinde steeg begeleid, op

welken hoek zij gelezen had "Slop Planchette". Daar was hij uitgestegen

en de huurkoets had Cosette naar de Babelstraat teruggevoerd. 't Was

gewoonlijk, wanneer in de huishouding geld ontbrak dat Jean Valjean

deze korte reizen deed.

Jean Valjean was dus afwezig. Hij had gezegd: "Binnen drie dagen zal

ik terug zijn."

Des avonds was Cosette alleen in het salon. Om zich niet te vervelen

had zij zich aan haar piano gezet en met begeleiding hiervan het koor

gezongen van Euryanthe Chasseurs, égarés dans les bois! (Jagers,

in het bosch verdoold!), misschien het schoonste wat in de muziek

bestaat. Toen zij uitscheidde, bleef zij in gedachten verdiept.

Eensklaps meende zij voetstappen in den tuin te hooren.

't Kon haar vader niet zijn, want hij was afwezig; ook niet vrouw

Toussaint; deze was te bed. 't Was tien uren 's avonds.

Zij ging naar het vensterluik, dat gesloten was, en hield er haar

oor tegen.

't Kwam haar voor, dat het de tred van een man was, die zeer zacht

ging.

IJlings ging zij naar boven, naar haar kamer, opende een kijkgaatje

in het vensterluik en zag in den tuin. 't Was volle maan. Men zag

even duidelijk als op den dag.

Er was niemand.

Zij opende het venster. In den tuin was het volkomen stil, en wat

men van de straat kon zien was even eenzaam als altijd.

Cosette meende zich vergist te hebben. Zij had zich verbeeld gerucht

te hooren. 't Was een zinsbegoocheling, veroorzaakt door het somber,

wonderbaar koor van Weber, dat voor den geest duizelingwekkende

diepten ontsluit, dat voor den blik siddert als een huiverend woud,

en waarin men onder den schuwen voetstap der jagers, die men in de

avondschemering ziet, de dorre takken hoort kraken.

Zij dacht er niet meer aan.

Cosette, trouwens, was van aard niet vreesachtig. In haar aderen was

iets van het bloed der heidin en der avonturierster die blootsvoets

gaat. Men herinnere zich, dat zij meer leeuwerik dan duif was. In

den grond was zij moedig en stout.

Den volgenden dag wandelde zij, niet zoo laat, tegen het vallen van

den avond, in den tuin. Bij de verwarde gedachten, die haar bezig

hielden, meende zij nu en dan wel een gerucht te hooren als dat van

den vorigen avond, als van iemand, die in de duisternis, niet ver

van haar, onder het geboomte ging, maar zij zeide bij zich zelve,

dat niets beter gelijkt naar voetstappen in het gras, dan de schuring

van twee takken die zich vanzelf bewegen, en zij lette er niet verder

op. Overigens zag zij niets.

Zij verliet het bosschage, en moest een klein grasperk overgaan om

de stoep te bereiken. De maan, die achter haar was opgestegen, wierp,

toen Cosette uit het boschje kwam, op dat grasperk haar schaduw voor

haar uit.

Cosette stond verschrikt stil.

Naast de hare, teekende de maan duidelijk op het gras een andere

zonderlinge, schrikbarende en vreeselijke schaduw, een schaduw met

een ronden hoed.

't Was als de schaduw van een man, die aan den kant van het bosschage

eenige schreden achter Cosette stond.

Een oogenblik kon zij noch spreken, noch schreeuwen, noch roepen,

noch zich verroeren, noch het hoofd wenden.

Eindelijk verzamelde zij al haar moed en keerde stoutmoedig om.

Er was niemand.

Zij zag naar den grond. De schaduw was verdwenen.

Zij trad weder in het bosschage, doorsnuffelde onversaagd alle hoeken,

ging tot aan het hek en vond niets.

Zij voelde een ijzige huivering. Was 't nogmaals een

zinsbegoocheling? Hoe? twee dagen achtereen. Één zinsbegoocheling,

goed; maar twee zinsbegoochelingen? 't Was meest verontrustend dat

de schaduw zekerlijk geen spook was; spoken dragen gewoonlijk geen

ronde hoeden.

Den volgenden dag kwam Jean Valjean terug. Cosette verhaalde hem wat

zij meende gehoord en gezien te hebben. Zij had verwacht gerustgesteld

te zullen worden, en dat haar vader de schouders zou ophalen en zeggen:

"Ge zijt een kleine zottin!"

Maar Jean Valjean werd bekommerd.

"'t Is misschien niets!" zeide hij.

Onder een voorwendsel verliet hij haar en ging naar den tuin, en zij

merkte toen op, dat hij zeer nauwkeurig het hek onderzocht.

Des nachts werd zij wakker; ditmaal was zij er zeker van; duidelijk

hoorde zij dicht bij de stoep onder haar raam voetstappen. Zij ijlde

naar het raam en opende het luikje in het blind. Er was inderdaad

iemand in den tuin, met een dikken stok in de hand. Juist toen zij

wilde schreeuwen, bescheen de maan het gezicht van den man. 't Was

haar vader.

Zij legde zich weder te bed en zeide: "Hij is dus wel zeer ongerust!"

Jean Valjean bezocht dien nacht en de twee volgende nachten den

tuin. Cosette zag hem door de opening van het luik.

Den derden nacht nam de maan af en ging later op. Het kon één uur na

middernacht zijn geweest, toen zij een luiden lach hoorde en de stem

van haar vader, die haar riep:

"Cosette!"

Zij sprong uit het bed, schoot een kamerjapon aan en opende het

venster.

Haar vader stond beneden op het grasperk.

"Ik wek u om u gerust te stellen," zeide hij. "Ziedaar de schaduw

met den ronden hoed, die ge gezien hebt."

En hij toonde haar op het grasperk een schaduw, door de maan geteekend,

en die tamelijk goed de gestalte geleek van een man met een ronden

hoed. 't Was de slagschaduw van een ijzeren schoorsteenpijp met een

kap, die zich op een naburig dak verhief.

Cosette lachte hartelijk; al haar angstige vermoedens verdwenen,

en toen zij den volgenden dag met haar vader aan het ontbijt zat,

schertste zij over den spookachtigen tuin, die door schaduwen van

kachelpijpen onveilig werd gemaakt.

Jean Valjean werd weder volkomen gerust; wat Cosette betreft, deze

dacht er weinig over na, of de kachelpijp wel juist in de richting

der schaduw was, welke zij gezien had of meende gezien te hebben,

en of de maan toen wel op dezelfde plaats aan den hemel stond. Zij

verwonderde zich niet over het zonderlinge van een kachelpijp, die

vreest op heeter daad betrapt te worden en verdwijnt wanneer men haar

schaduw opmerkt; immers de schaduw was verdwenen, toen Cosette was

omgekeerd, en Cosette had gemeend hier wel zeker van te zijn. Cosette

stelde zich volkomen gerust. De verklaring scheen haar duidelijk,

en dat er iemand kon zijn, die des avonds of des nachts in den tuin

kwam, hieraan dacht zij niet meer.

Eenige dagen later echter deed zich een nieuw geval voor.

DERDE HOOFDSTUK.

OPMERKINGEN VAN VROUW TOUSSAINT.

Dicht bij het hek aan de straat stond in den tuin een steenen bank,

die voor het oog der nieuwsgierigen achter struikgewas verborgen

was, doch welke desnoods de arm van een voorbijganger door het hek

en het struikgewas heen had kunnen bereiken. Op een avond derzelfde

maand April was Jean Valjean uitgegaan; Cosette had zich, toen de

zon was ondergegaan, op deze bank neergezet. De wind ruischte door

het geboomte. Cosette mijmerde; een droefgeestigheid, zonder bepaalde

oorzaak, had haar allengs bevangen, die onverwinbare droefgeestigheid,

welke de avond veroorzaakt, en welke, wie weet? misschien uit de

verborgenheid van het op dat uur geopende graf komt.

Misschien was Fantine in deze schaduw.

Cosette stond op, wandelde langzaam door den tuin, over het met dauw

bevochtigd gras, en zeide in de soort van treurig somnambulisme,

waarin ze gedompeld was:

"Wanneer men op dezen tijd in den tuin wandelt, heeft men waarlijk

wel klompen noodig. Men wordt er verkouden."

Zij keerde naar de bank terug.

Toen zij wilde gaan zitten, zag zij op de plaats, welke zij verlaten

had, een tamelijk grooten steen, die er stellig het oogenblik te

voren niet geweest was.

Cosette beschouwde dien steen en vroeg bij zich zelve, wat hij

beteekenen moest.

Eensklaps rees bij haar de gedachte op, dat deze steen niet vanzelf

op de bank was gekomen, dat iemand er hem had neergelegd, dat een arm

door het hek was gestoken; deze gedachte beangstigde haar. Ditmaal

was het wezenlijke angst; want de steen was er. Twijfel was niet

mogelijk. Zij raakte den steen niet aan, vluchtte zonder om te zien,

vlood het huis in en sloot dadelijk de glazen deur aan de stoep met

luik, grendel en keten. Toen vroeg zij aan vrouw Toussaint:

"Is mijn vader te huis gekomen?"

"Nog niet, mejuffrouw."

(Wij hebben reeds gezegd, dat vrouw Toussaint stotterde. Men veroorlove

ons er niet op terug te komen. Het stuit ons de wanklanken van een

menschelijk spraakgebrek terug te geven).

Jean Valjean, een denker en nachtelijk wandelaar, kwam vaak 's avonds

zeer laat te huis.

"Vrouw Toussaint," hernam Cosette, "gij zorgt er immers wel voor,

des avonds de vensters aan de tuinzijde zorgvuldig te sluiten en er

behoorlijk de grendels en knippen voor te schuiven?"

"O, wees gerust, mejuffrouw!"

Vrouw Toussaint verzuimde dit niet, en Cosette wist het, evenwel kon

zij 't niet laten er bij te voegen:

"Want het is hier in den omtrek zeer eenzaam."

"Inderdaad," zei vrouw Toussaint, "'t is waar. Men zou vermoord zijn,

zonder hulp te hebben kunnen roepen! Daar komt bij, dat mijnheer niet

in het huis slaapt. Maar vrees niet, mejuffrouw, ik sluit de vensters

als een vesting. Vrouwen alleen! ik geloof wel, dat men dan een weinig

angstig mag zijn! Stel u eens voor, 's nachts mannen in uw kamer te

zien komen, die tot u zeggen: "Zwijg," en u den hals afsnijden. 't Is

niet om het sterven, men sterft, en daarmee afgedaan, men weet dat men

sterven moet, maar 't is een gruwel zich door zulke lieden aangeraakt

te voelen. En dan hun messen; ach God! zij moeten wel slecht snijden!"

"Zwijg," zei Cosette. "Sluit alles goed."

Cosette, verschrikt door het tooneel, 't welk vrouw Toussaint haar

voorstelde en misschien ook door de herinnering aan de verschijningen

der vorige week, durfde zelfs niet zeggen: "Ga den steen eens zien,

dien men op de bank heeft gelegd," uit vrees van de tuindeur te openen,

en de mannen te zien binnenkomen. Zij liet overal zorgvuldig de

deuren en vensters sluiten, het huis, van den kelder tot den zolder,

door vrouw Toussaint onderzoeken, sloot zich op in haar kamer,

grendelde haar deur, keek onder het bed, legde zich ter rust, maar

sliep slecht. Den ganschen nacht zag zij den steen, zoo groot als

een berg en vol akelige holen.

Bij zonsopgang--het eigenaardige der opkomende zon is, dat zij ons

over al onze angsten van den nacht doet lachen, en dit lachen is

steeds in evenredigheid van de vrees, welke men gehad heeft--bij

zonsopgang dus beschouwde Cosette, toen zij ontwaakte, haar angst

als een benauwden droom, en zeide bij zich zelve: "Hoe kon ik toch

zoo beangst zijn? 't Is eveneens als met de voetstappen, welke ik

verleden week des nachts in den tuin meende te hooren! eveneens als

met de schaduw van de kachelpijp! Zou ik nu lafhartig worden?" De zon,

die door de reten der vensterluiken haar stralen schoot en de gordijnen

rosé kleurde, stelde haar zoozeer gerust, dat alles, zelfs de steen,

uit haar gedachte verdween.

"Er was zeker evenmin een steen op de bank, als een man met een

ronden hoed in den tuin; ik heb van den steen gedroomd, zoowel als

van het overige."

Zij kleedde zich, ging naar den tuin, liep naar de bank, en voelde

het klamme zweet. De steen lag er.

Maar 't was slechts voor een oogenblik. Wat des nachts vrees is,

is des daags nieuwsgierigheid.

"Welaan," zeide zij, "laat ons zien."

Zij nam den tamelijk grooten steen op. Daar onder lag iets dat een

brief geleek.

't Was een omslag van wit papier. Cosette nam hem; er was geen adres

aan de eene, noch cachet aan de andere zijde. De omslag, hoewel open,

was echter niet ledig. Men zag er papieren in.

Cosette tastte er in. 't Was nu geen vrees, geen nieuwsgierigheid meer,

maar een begin van angst.

Cosette nam uit den omslag, wat er in lag, een klein katern papier,

waarvan iedere bladzijde genommerd was, en beschreven met eenige

regels fraai--zoo vond Cosette--fijn schrift.

Cosette zocht een naam,--zij vond er geen; een handteekening, ook

deze niet. Aan wie was dit gericht? Waarschijnlijk aan haar, wijl

een hand het pakje op haar bank had gelegd. Van wien kwam het? Een

onweerstaanbare begoocheling overweldigde haar. Zij poogde haar oogen

van deze bladen, die in haar hand beefden af te wenden, zij zag naar

den hemel, naar de straat, naar de door de zon verlichte acacia's,

naar de boven een naburig dak vliegende duiven; maar haar blik viel

telkens weder op het geschrift, en zij zeide bij zich zelve, dat zij

moest weten, wat het bevatte.

Zij las het volgende:

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN HART ONDER EEN STEEN.

De liefde is de samentrekking der wereld in een eenig wezen; de

uitzetting van een eenig wezen tot God.

De liefde is de engelengroet aan de starren.

Hoe treurig is de ziel als zij treurig door de liefde is!

Welk een ledigheid is de afwezigheid van het wezen, dat alleen

de wereld vervult. O, hoe waar is het, dat het beminde wezen God

wordt. Men zou kunnen meenen, dat God ijverzuchtig op haar zou zijn,

zoo de Vader van alles niet blijkbaar de schepping voor de ziel,

en de ziel voor de liefde had bestemd.

Een glimlach, die men in de verte onder een wit krippen hoed met

lilabanden heeft gezien, is voldoende om de ziel het paleis der

droomen binnen te voeren.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 9 / 28 段