Deze rij voertuigen, wat ze ook ware, had een treurig aanzien. Morgen,

binnen een uur, kon het stortregenen, en weder en weder stortregenen,

zoodat de havelooze plunje doornat moest worden; en eenmaal nat zijnde,

konden deze lieden zich niet drogen, en ijskoud zich niet verwarmen;

hun door en door natte linnen broeken zouden aan hun huid kleven,

het water hun klompen vullen, de zweepslagen zouden het klappertanden

niet kunnen beletten, de keten zou steeds aan den hals geklemd zijn,

hun voeten zouden steeds hangen. 't Was onmogelijk, niet te sidderen

bij den aanblik dezer aldus geboeide menschen, die bewegingloos aan

de koude herfstvlagen, aan den regen, aan den noordenwind, aan al de

stormen der lucht, even als boomen en steenen, waren blootgesteld.

De stokslagen spaarden zelfs de zieken niet, die met koorden gekneveld,

bewegingloos op het zevende voertuig lagen, en welke men daar als

met ellende gevulde zakken, scheen neergeworpen te hebben.

Eensklaps kwam de zon te voorschijn; de krachtige morgenstraal schoot

uit en 't was, alsof hij al deze woeste hoofden deed gloeien; er brak

een brand van vreeselijk gelach, gevloek en gezang uit. Het breede

horizontale licht doorsneed de rij in tweeën, verlichtte de hoofden en

rompen, en liet de voeten en de wielen in de duisternis. De gedachten

verschenen op de gezichten; 't was een vreeselijk oogenblik: duivels

werden zichtbaar, wier maskers afgevallen waren, woeste zielen geheel

bloot. Hoewel verlicht was deze hoop duister. Sommigen, die op hun

wijze vroolijk waren, hadden in den mond penneschachten, waaruit zij

op de menigte, bij voorkeur op de vrouwen, ongedierte bliezen; het

morgenrood deed deze erbarmelijke gestalten in de donkere schaduwen

scherp uitkomen; geen dier wezens, dat niet door de ellende misvormd

was; 't was zoo afschuwelijk, dat het den glans der zon in bliksemvuur

scheen te veranderen. De mannen op het voertuig, dat den trein opende,

hadden een lied aangeheven en zongen met oorverdoovend geweld en woeste

vroolijkheid een destijds beroemd liedje van Desaugiers la Vestale; de

boomen trilden treurig; op de dwarswegen luisterden de burgers met dom

vermaak naar deze zedenlooze woorden, die door spoken gezongen werden.

Allerlei ellende was in dezen trein als in een chaos gemengd; men

zag er den gezichtshoek van alle dieren, grijsaards en jongelingen,

kale hoofden, grijze baarden, de afschuwelijkste onbeschaamdheid,

tartende onderwerping, wilde opwellingen, bespottelijke houdingen,

hoofden als van meisjes met krullen langs de slapen, kinderlijke

gezichten en daarom te afschuwelijker, gezichten als doodshoofden

waaraan niets dan de dood ontbrak. Op het eerste rijtuig zag men een

neger, die misschien slaaf was geweest en de verschillende ketens

vergelijken kon. De vreeselijke gelijkheid der schande was over

deze hoofden gegaan; in die diepte van uiterste verlaging waren

allen gezonken, en de onwetendheid in wezenloosheid veranderd, was

de gelijke van de schranderheid, tot wanhoop gebracht. Er was geen

keuze mogelijk tusschen deze lieden, die voor den blik verschenen als

het uitgeworpene van het slijk. 't Was blijkbaar, dat de bestuurder

van dezen onreinen troep, ze niet in klassen verdeeld had. Zij waren

geboeid en gekoppeld, waarschijnlijk naar alphabetische volgorde, en

alzoo verward dooreen op deze voertuigen geladen. Maar alle groepen van

afschuwelijkheden vormen een geheel; iedere optelling van ongelukkigen

geeft een totaal; uit iedere keten kwam een gemeenschappelijke ziel te

voorschijn en ieder voertuig had zijn bijzondere physionomie. Naast

het voertuig dat zong, was er een dat brulde; een derde bedelde; men

zag er een dat knarsetandde; een ander dreigde de voorbijgangers;

een ander lasterde God; het laatste zweeg als het graf. Dante zou

gemeend hebben, de zeven kringen der hel in beweging te zien. Het was

de akelige tocht der veroordeelden naar de strafplaats, niet op den

vreeselijken, vlammenden wagen der Apokalypsis, maar, vreeselijker,

op de kar naar het galgenveld.

Een der wachters, die een haak aan zijn stok had, maakte nu en dan een

beweging, alsof hij in dien menschelijken vuilnishoop roerde. Onder

de toeschouwers was eene oude vrouw, die een vijfjarig knaapje met den

vinger deze lieden aanwees en zeide: "Deugniet, neem daar een les aan."

Toen het gezang en gevloek erger werden, klapte degene die de

kapitein van het escorte scheen met zijn zweep, en bij dit sein

viel een vreeselijke hagelbui van doffe, in den blinde toegebrachte

stokslagen op de zeven voertuigen; velen brulden en schuimbekten,

't geen 't gejuich der toegesnelde straatjongens verdubbelde; een

zwerm vliegen op deze wonden.

Het oog van Jean Valjean was schrikbarend geworden. Het was geen oog

meer, het was die glazige diepte, welke bij sommige ongelukkigen den

blik vervangt, die onbewust schijnt van de wezenlijkheid en waarin de

weerkaatsing der ontzetting vlamt. Hij zag geen voorwerp, hij was onder

den druk van een visioen. Hij wilde opstaan, vluchten, ontsnappen; maar

hij kon geen voet verzetten. Soms wordt men aangegrepen en vastgehouden

door de dingen welke men ziet. Hij was als vastgenageld, versteend,

wezenloos, en vroeg zich in een verwarden, onuitsprekelijken angst

af, wat deze spookachtige verschijning beteekende en waaruit deze hel

kwam, die hem vervolgde. Eensklaps sloeg hij de hand aan zijn hoofd,

de gewone beweging van hen in wie plotseling het geheugen wederkeert;

hij herinnerde zich, dat deze weg de gewone weg was, langs welken de

galeiboeven werden vervoerd, en men dezen omweg gewoonlijk maakte

om de ontmoetingen met het hof te vermijden, die op den weg van

Fontainebleau elk oogenblik mogelijk waren, en dat hij vijfendertig

jaren geleden deze zelfde barrière was doorgegaan.

Cosette was, hoewel op andere wijze, niet minder ontsteld. Zij begreep

niet, de adem ontbrak haar; wat zij zag scheen haar onmogelijk,

eindelijk riep zij:

"Vader, wat is er toch op deze wagens?"

Jean Valjean antwoordde:

"Tuchtelingen."

"Waar gaan zij heen?"

"Naar het bagno."

Op dit oogenblik voegden zich juist bij de stokslagen, door honderden

handen ijverig toegedeeld, slagen met het plat der sabels, 't geen een

woedende bui van sabel- en stokslagen veroorzaakte; de tuchtelingen

bogen zich, een afschuwelijke gehoorzaamheid volgde op de straf en

allen zwegen met blikken als van geketende wolven. Cosette beefde

over al haar leden; zij hernam: "Vader, zijn deze wezens werkelijk

nog menschen?"

"Somtijds," zei de ongelukkige.

't Was inderdaad de galeiboeven-keten, die vóór 't aanbreken van den

dag Bicêtre had verlaten en den weg van Mans insloeg, om Fontainebleau

te vermijden, waar zich toen 't hof bevond. Deze omweg verlengde de

schrikkelijke reis met drie of vier dagen, maar om de koninklijke

personen het gezicht van zulke folteringen te besparen, mocht men

haar wel verlengen.

Jean Valjean kwam zeer neerslachtig te huis. Zulke ontmoetingen zijn

schokken; en de herinnering, welke zij achterlaten, heeft gelijkenis

met een aardbeving.

Toen Jean Valjean met Cosette naar de Babelstraat wederkeerde,

merkte hij overigens niet op, dat zij hem meerdere vragen deed

aangaande hetgeen zij gezien hadden; misschien was hij te diep in

zijn verslagenheid verzonken om haar woorden te hooren en haar te

antwoorden. Maar des avonds, toen Cosette hem verliet om naar bed

te gaan, hoorde hij haar halfluid en als bij zich zelve zeggen:

"Mijn Hemel! mij dunkt, dat, zoo ik een dier menschen ontmoette,

ik zou sterven, enkel door hem van nabij te zien!"

Gelukkig waren er toevallig, den dag na dit treurig voorval, bij

gelegenheid van ik weet niet welke officiëele plechtigheid, feesten

te Parijs, een revue op het Marsveld, wedstrijd op de Seine, spelen

in de Champs Elysées, vuurwerk aan den boog der Etoile, algemeene

illuminatie. Jean Valjean deed zich geweld aan, en geleidde haar

naar deze vermakelijkheden, om haar de herinnering aan den vorigen

dag te doen vergeten, en onder het vroolijk gewoel van geheel Parijs

het afschuwelijke uit te wisschen, dat haar was voorbijgegaan. De

revue, welke het feest kruidde, deed natuurlijk al de uniformen voor

den dag komen; Jean Valjean trok ook zijn uniform van nationale

garde aan, schier met het heimelijk gevoel van iemand, die zich

verbergt. Overigens scheen het doel dier wandeling bereikt: Cosette,

die het zich ten wet stelde steeds den zin haars vaders te doen en

voor wie overigens alle vertooningen nieuw waren, nam deze uitspanning

aan, met de ongedwongen en luchthartige vriendelijkheid der jeugd,

en betoonde zich in haar oordeel niet al te streng omtrent de vreugde

van hetgeen men een openbaar feest noemt; zoodat Jean Valjean mocht

gelooven, dat hij in zijn oogmerk geslaagd was en geen spoor meer

van de afschuwelijke verschijning bij haar achterbleef.

Eenige dagen later, op een ochtend, dat de zon heerlijk scheen, en

beiden op de stoep van den tuin stonden--wederom een inbreuk op de

regels, welke Jean Valjean zich scheen opgelegd te hebben, en tegen de

gewoonte van Cosette, die de droefgeestigheid haar had doen aannemen,

die nl. van in haar kamer te blijven--Cosette, in ochtendgewaad,

in dat negligé van het vroege morgenuur, 't welk de jonge meisjes

zoo liefelijk omhult en een wolkje om een ster schijnt, nog blozend

van den gerusten slaap, vriendelijk aanschouwd door den verteederden

grijsaard, ontbladerde een madeliefje. Cosette kende het lieve spreukje

niet: "ik bemin u, een weinig, hartstochtelijk" enz.; wie zou 't haar

geleerd hebben? Zij speelde met het bloempje werktuiglijk, onschuldig,

zonder te beseffen, dat zij door een madeliefje te ontbladeren een

hart verscheurde. Zoo er een vierde gratie ware, de droefgeestigheid

genoemd, en deze glimlachte, zou zij 't beeld dezer gratie vertoond

hebben. Jean Valjean was verrukt, toen hij haar kleine vingers met

het bloempje zag spelen en vergat alles in den glans dien het meisje

omgaf. Een roodborstje tjilpte in het naaste bosschage. Witte wolkjes

dreven zoo vroolijk in de lucht, dat het scheen als waren zij zoo

even in vrijheid gesteld. Cosette ontbladerde steeds ijverig haar

bloempje; zij scheen aan iets te denken! 't moest iets aangenaams

zijn; eensklaps draaide zij langzaam het hoofd op de schouders om,

met de sierlijke bedaardheid van de zwaan en zeide tot Jean Valjean:

"Vader, wat is toch het bagno?"

BOEK IV.

HULP VAN BENEDEN KAN SOMS HULP VAN BOVEN ZIJN.

EERSTE HOOFDSTUK.

UITWENDIGE VERWONDING, INWENDIGE GENEZING.

Trapswijze verduisterde zich alzoo hun leven.

Hun bleef echter nog een afleiding over, die vroeger een geluk was

geweest, namelijk brood te brengen aan hen die hongerden, en kleederen

aan hen die koû leden. Bij dit bezoek der armen, waarbij Cosette

dikwerf Jean Valjean vergezelde, hervonden zij eenige overblijfselen

hunner vorige verrukking; vaak, wanneer het een goede dag was geweest,

wanneer veel nood gelenigd was, en vele kleine kinderen verkwikt en

verwarmd waren, was Cosette des avonds eenigszins vroolijk. 't Was

in dezen tijd, dat zij Jondrette in zijn armoedig verblijf bezochten.

Den dag na dat bezoek verscheen Jean Valjean des morgens in

het paviljoen even bedaard als gewoonlijk, maar met een groote,

zeer ontstoken, boosaardige wonde aan den linkerarm, welke een

brandwonde scheen, en die hij zoo goed mogelijk verklaarde. Deze

wonde veroorzaakte, dat hij langer dan een maand de koorts had en

niet uitging. Hij wilde geen heelmeester. Toen Cosette hierop bij

hem aandrong, zeide hij: Roep den hondendokter.

Cosette verbond hem 's morgens en 's avonds met zulk een hemelschen

glimlach en met zulk een engelachtige vreugde, hem nuttig te kunnen

zijn, dat Jean Valjean zijn vroeger geluk voelde terugkeeren en

zijn vrees en angst verdwijnen, en Cosette aanschouwende, zeide hij:

"O welk een gelukkige wond! Welk een goed kwaad!"

Cosette had, bij de ongesteldheid van haar vader, het paviljoen

verlaten en weder liefde voor de kleine woning en de achterplaats

opgevat. Schier den ganschen dag bracht zij bij Jean Valjean

door, en las hem uit de boeken, welke hij verkoos. Meestal waren 't

reisbeschrijvingen. Jean Valjean was als herboren; zijn geluk herleefde

als met nieuwen glans; het Luxembourg, de onbekende jonge sluiper,

Cosette's verkoeling, al deze wolken zijner ziel verdwenen. Hij

zeide zelfs bij zich zelven: "Ik heb mij dit alles slechts verbeeld;

ik ben een oude dwaas."

Zijn geluk was zoo groot, dat de schrikkelijke, onverwachte ontmoeting

der Thénardiers, in het verblijf van Jondrette, om zoo te zeggen, bij

hem was neergegleden. 't Was hem gelukt te ontsnappen; zijn spoor was

verloren, wat kon hem het overige schelen! hij dacht er slechts aan,

deze ellendigen te beklagen. Nu waren zij in de gevangenis en buiten

staat voortaan te schaden, dacht hij; maar welk een beklagenswaardige

familie in nood en ellende!

Van de afschuwelijke verschijning aan de barrière du Maine had Cosette

niet meer gesproken.

In 't klooster had zuster St. Mechtilde Cosette muziek geleerd. Cosette

had de stem van een nachtegaal, die eene ziel bezat, en soms zong

zij des avonds in het eenvoudig kamertje van den gekwetste treurige

liederen, die Jean Valjean opvroolijkten.

De lente kwam, de tuin was in dat jaargetijde zoo heerlijk, dat Jean

Valjean tot Cosette zeide: "Gij komt bijna niet meer in den tuin;

ga er wandelen."

"Zooals ge wilt, vader," zei Cosette.

En om haar vader te gehoorzamen, hervatte zij de wandelingen in haar

tuin, meestal alleen, want, zooals gezegd is, kwam Jean Valjean,

waarschijnlijk uit vrees van door het hek gezien te worden, er

schier nooit.

De wonde van Jean Valjean was een afleiding geweest.

Toen Cosette zag, dat haar vader minder pijn had, dat hij genas en

gelukkig scheen, gevoelde zij zich zoo tevreden, dat zij 't zelfs

niet eens opmerkte, zoo zacht en natuurlijk was dit gekomen. 't Was

bovendien Maart, de dagen werden langer, de winter ging voorbij; de

winter neemt altijd iets van onze treurigheden mede; toen kwam April,

die morgenstond van den zomer, frisch als iedere dageraad, vroolijk als

de kindsheid; soms een weinig schreiend gelijk een pasgeboren kind,

dat zij ook is. De natuur heeft in die maand een bekoorlijk licht,

dat uit den hemel, uit de wolken, uit de boomen, uit de weiden,

uit de bloemen in het hart van den mensch overgaat.

Cosette was nog te jong om door die vreugd van April, welke haar

geleek, niet doordrongen te worden. Ongemerkt en zonder dat zij er

aan dacht verdween de duisternis uit haar gemoed. In de lente is 't

licht in de treurige harten, evenals 't op den middag licht is in de

kelders. Cosette was zelfs niet zeer treurig meer. 't Was inderdaad

zoo, maar zij sloeg er geen acht op. Des morgens tegen tien uren, na

het ontbijt, wanneer 't haar gelukt was haar vader voor een kwartier

mede naar den tuin te troonen, en zij met hem op de stoep in de zon

wandelde, terwijl ze zijn gekwetsten arm in den haren hield, lette

zij er niet op, dat zij telkens lachte en gelukkig was.

Jean Valjean was verrukt, haar weder blozend en opgeruimd te zien

worden.

"O, welk een gelukkige wonde!" herhaalde hij zacht.

En hij was den Thénardiers dankbaar.

Toen zijn wonde genezen was, begon hij weder zijn eenzame wandelingen

in den schemeravond.

Men zou zich vergissen, zoo men meende, dat men op deze wijze lang

alleen in de onbewoonde streken van Parijs kan wandelen, zonder eenig

avontuur te ontmoeten.

TWEEDE HOOFDSTUK.

'T IS VOOR MOEDER PLUTARCHUS NIET MOEIELIJK EEN VERSCHIJNSEL TE

VERKLAREN.

Op zekeren avond had de kleine Gavroche niet gegeten; hij herinnerde

zich, dat hij ook den vorigen middag niet had gegeten; dat werd

onaangenaam. Hij besloot een poging te doen om zich een avondmaal te

bezorgen. Hij ging dus voorbij la Salpetrière, naar eenzame plaatsen,

waar het best iets te vinden is; waar niemand is, vindt men iets. Hij

kwam aan eenige huizen, die hem het dorp Austerlitz schenen te zijn.

Op een zijner vroegere tochten had hij hier een ouden tuin opgemerkt,

bewoond door een oud man en een oude vrouw, en in dien tuin een

tamelijk goeden appelboom. Naast dien appelboom stond een fruithok,

dat slecht gesloten was en waar gemakkelijk een appel was te kapen. Een

appel is een avondmaal, een appel is het leven. Wat Adam deed verloren

gaan, kon Gavroche redden. Langs den tuin liep een eenzame ongeplaveide

straat, tusschen struikgewas, in afwachting dat er huizen zouden komen;

een heg scheidde haar van den tuin.

Gavroche ging naar dien tuin; hij vond de straat terug, herkende

den appelboom, en het fruithok daarnaast; onderzocht de heg, die

hij gemakkelijk kon overspringen. De avond daalde, geen kat was in

de straat, 't oogenblik was gunstig. Gavroche wilde juist over de heg

gaan, maar bleef plotseling staan. In den tuin werd gesproken. Gavroche

tuurde door de heg.

Twee schreden van hem, aan gene zijde van de heg, juist ter plaatse

waar hij bij zijn overklimming zou terecht zijn gekomen, lag een

steen, die voor bank diende en waarop de oude huurder van den tuin

zat. Een oude vrouw stond voor hem. Deze bromde. Gavroche luisterde

nieuwsgierig.

"Mijnheer Mabeuf!" zei de oude vrouw.

"Mabeuf!" dacht Gavroche, "een grappige naam!"

De aangesproken oude man verroerde zich niet. De oude vrouw herhaalde:

"Mijnheer Mabeuf!"

De grijsaard antwoordde eindelijk, zonder de oogen op te slaan:

"Wat is er, moeder Plutarchus?"

"Moeder Plutarchus!" dacht Gavroche, "weder een grappige naam."

Moeder Plutarchus hernam, en de oude man was gedwongen in een gesprek

te treden:

"De huisheer is ontevreden."

"Waarom?"

"Ge zijt hem drie kwartalen huur schuldig."

"Na drie maanden zal ik hem vier kwartalen schuldig zijn."

"Hij zegt dat hij u uit het huis zal laten zetten."

"Ik zal gaan."

"De groentevrouw wil betaald worden. Zij wil geen brandhout meer

geven. Wat zullen wij van den winter stoken? Wij zullen geen hout

hebben."

"Wij hebben de zon."

"De slachter wil niet meer borgen; hij wil geen vleesch meer leveren."

"Dat komt heel goed. Mijn spijsvertering is slecht en het vleesch

voor mij te zwaar."

"Wat zullen wij dan eten?"

"Brood."

"De bakker wil iets op rekening betaald hebben, en zegt: geen geld,

geen brood."

"Goed."

"Wat zullen wij dus eten?"

"De appels van den appelboom."

"Maar, mijnheer, men kan toch zonder geld niet leven."

"Ik heb het niet."

De oude vrouw verwijderde zich, de grijsaard bleef alleen. Hij gaf

zich aan zijn gedachten over. Ook Gavroche dacht. 't Was bijna donker.

Het eerste resultaat van Gavroches overdenking was, dat hij, in plaats

van over de heg te klimmen, er zich tegen legde. Onder aan de heg

vormden de takken een kleine holte.

Zie! dacht Gavroche, een volmaakte bedstede; en hij kroop er in. Hij

lag met den rug schier tegen de bank van mijnheer Mabeuf, en hoorde

den tachtigjarige ademen.

In plaats van te eten, poogde hij nu te slapen.

't Was een hazenslaap, met één oog open. Sluimerende bleef Gavroche

opmerken.

De heldere schemering van den hemel viel op de aarde, en de straat

vormde een vale streep tusschen twee donkere heggen. Eensklaps

verschenen in die schemerachtige streep twee donkere gestalten. De

eene ging vooruit, de andere volgde op eenigen afstand.

"Daar komen er twee," bromde Gavroche.

De eerste gestalte scheen een oud, gebogen, peinzend burgerman, meer

dan eenvoudig gekleed, die uithoofde van zijn ouderdom langzaam ging,

en een avondwandeling scheen te doen.

De tweede gestalte was recht, stevig en slank. Zij regelde haar stap

naar dien van de eerste; maar in de vrijwillige langzaamheid van

haar gang erkende men lenigheid en vlugheid. Deze gestalte had, bij

iets schuws en verontrustends, de volkomene houding van 't geen men

destijds een elegant noemde; de hoed had een goeden vorm, de zwarte

jas was van nieuw-modischen snit, waarschijnlijk van goed laken, en

sloot net om het lijf. Het hoofd was met een zekere fiere bevalligheid

opgericht, en onder den hoed merkte men in het schemerlicht een bleek

jongelingsgelaat. Hij had een roos in den mond. Gavroche kende deze

tweede gestalte zeer goed; 't was Montparnasse.

Van de andere had hij niets kunnen zeggen, dan dat 't een eenvoudig

oud man was.

Gavroche legde zich dadelijk op de loer. De eene dezer twee wandelaars

had duidelijk bedoelingen jegens den anderen. Gavroche was goed

geplaatst om te zien wat er gebeuren zou. Zijn "bedstede" was zeer

van pas een schuilhoek geworden.

Dat Montparnasse op zulk een uur, in zulk een streek, ter jacht ging,

was iets gevaarlijks. Gavroche voelde zijn straatjongenshart bewogen

van medelijden met den ouden man. Wat te doen? Zou hij tusschenbeide

treden? Zou de eene zwakke den anderen zwakke helpen! Montparnasse

zou er om lachen. Gavroche verheelde het zich niet, dat beiden, de

oude man en de knaap, voor den vreeselijken achttienjarigen bandiet

kinderspel waren.

Terwijl Gavroche overlegde, had plotseling de aanval op een

afschuwelijke wijze plaats; een aanval van den tijger op het schaap,

een aanval der spin op de vlieg. Eensklaps wierp Montparnasse

de roos weg, sprong op den grijsaard toe, vatte hem in zijn das

en drukte hem met alle kracht. Gavroche had moeite een kreet te

bedwingen. Een oogenblik later lag een der mannen onder den anderen,

hijgend, reutelend, spartelend, terwijl een marmeren knie zijn borst

drukte. Maar 't was niet juist zooals Gavroche verwacht had; want op

den grond lag Montparnasse en op hem de oude man. Dat alles gebeurde

op slechts korten afstand van Gavroche.

De oude man had den stoot ontvangen en dien teruggegeven, en wel zoo

geducht, dat in een oogenblik de aanvaller en de aangevallene van

rol veranderd waren.

Dit is een dappere invalide, dacht Gavroche.

En hij kon niet laten in de handen te klappen. Maar deze toejuiching

was nutteloos; zij bereikte het oor van geen der beide strijders,

die met elkander worstelend en wederzijds verdoofd, beiden hijgden

en zwoegden.

Er ontstond een pauze. Montparnasse hield op zich te verweren, en

Gavroche vroeg bij zich zelven: "Is hij dood?"

De oude man had geen woord gezegd, geen kreet geslaakt. Hij richtte

zich op, en Gavroche hoorde hem tot Montparnasse zeggen:

"Sta op!"

Montparnasse stond op, maar de oude man hield hem vast. Montparnasse

had de vernederende, maar woedende houding van een wolf, die door een

schaap was gebeten. Gavroche tuurde en luisterde, en deed moeite om

zijn gezicht door zijn gehoor te versterken. Hij had een ongelooflijken

schik.

Hij werd beloond voor zijn beangste nieuwsgierigheid. Hij kon de

volgende samenspraak opvangen, welke in de duisternis iets sombers

had. De oude man vroeg, Montparnasse antwoordde:

"Hoe oud zijt ge?"

"Negentien jaar."

"Gij zijt sterk en gezond. Waarom werkt ge niet?"

"Dit verveelt mij."

"Wat is uw beroep?"

"Nietsdoener."

"Spreek ernstig. Kan er iets voor u gedaan worden? Wat wilt ge zijn?"

"Dief!"

Er ontstond een pauze. De grijsaard scheen diep in gedachten. Hij

stond bewegingloos en hield Montparnasse steeds vast. Ieder oogenblik

deed de sterke, vlugge, jonge bandiet zijsprongen, als een in den

strik gevangen dier. Hij stiet, trok, beproefde den ouden man een

been te lichten en poogde te ontsnappen. De grijsaard scheen er geen

acht op te slaan en hield hem met ééne hand vast, met de onbezorgde

overtuiging van een overwegende kracht.

De oude man bleef eenigen tijd in gedachten, en aanschouwde

Montparnasse met strakken blik; toen verhief hij zacht de stem in de

duisternis, waarin zij zich bevonden, en sprak de volgende plechtige

woorden, van welke Gavroche geen woord ontging:

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 8 / 28 段