De liefde, welke zich aanbood, was juist die, welke het best

overeenkwam met den toestand harer ziel. 't Was een soort van

vereering op een afstand, een stomme aanschouwing, de vergoding door

een onbekende. 't Was de verschijning der jeugd aan de jeugd, de

droom der nachten, roman geworden en droom gebleven, de gewenschte

verschijning eindelijk verwezenlijkt en vleesch geworden, doch

nog zonder naam, zonder feil, zonder vlek, zonder eischen, zonder

gebrek; met één woord, de verwijderde, ideaal gebleven minnaar, een

hersenschim met een vorm. Een nadere, tastbaarder ontmoeting zou in

dit eerste tijdperk Cosette hebben verschrikt, die nog ten halve in

de ruwe nevels des kloosters gedompeld was. Zij bezat al de vrees

der kinderen, met die der nonnen vermengd. De kloostergeest, die haar

gedurende vijf jaren doordrongen had, wasemde nog langzaam van haar

geheele persoonlijkheid uit en deed alles rondom haar beven. In dien

toestand was 't geen minnaar dien zij behoefde, niet eens een geliefde,

't was een visioen. Zij begon Marius te vereeren als iets heerlijks,

lichtends, onbereikbaars.

Wijl de uiterste onnoozelheid aan de uiterste coquetterie grenst,

glimlachte zij hem openhartig toe.

Ongeduldig wachtte zij iederen dag het uur der wandeling, zij vond

er Marius, gevoelde zich onuitsprekelijk gelukkig, en meende oprecht

geheel haar gedachte uit te spreken, als zij tot Jean Valjean zeide:

"welk een bekoorlijke tuin is het Luxembourg!"

Marius en Cosette stonden voor elkander in den nacht. Zij spraken,

groetten, kenden elkander niet. Zij zagen elkander slechts, en even

als de sterren aan den hemel, welke door millioenen mijlen gescheiden

zijn, leefden zij in elkanders beschouwing.

Zoo werd Cosette allengskens een vrouw en ontwikkelde zich, schoon

en beminnend, met de bewustheid harer schoonheid, en de onbekendheid

harer liefde. Coquet was zij door haar onschuld.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

TEGEN TREURIGHEID NOG GROOTER TREURIGHEID.

Iedere toestand heeft een bijzonder instinct. De oude, eeuwige

moeder natuur verwittigde Jean Valjean heimelijk van Marius'

tegenwoordigheid. Jean Valjean beefde in het diepst zijner

gedachte. Jean Valjean zag, wist niets, en beschouwde evenwel met

halsstarrige oplettendheid de duisternis waarin hij was, als gevoelde

hij aan de eene zijde iets dat werd opgebouwd, aan de andere iets

dat verging. Marius, insgelijks gewaarschuwd door diezelfde moeder

natuur, de strenge wet van den goeden God, deed alles wat hij kon om

zich aan den "vader" te onttrekken.

't Gebeurde evenwel, dat Jean Valjean hem soms zag.

Marius' bewegingen waren volstrekt niet natuurlijk meer. Zijn

voorzichtigheid was loensch en zijn vermetelheid linksch. Hij naderde

niet meer zoo dicht als vroeger; hij zette zich in de verte neer

en bleef daar als in verrukking; hij had een boek en deed alsof hij

las. Waarom veinsde hij? Vroeger kwam hij in zijn ouden rok, nu droeg

hij dagelijks zijn nieuwen rok; 't was niet zeker of hij zich niet liet

friseeren; zijn oogen waren ook zoo wonderlijk; hij droeg handschoenen;

kortom, Jean Valjean haatte dien jongeling van ganscher harte.

Cosette liet niets blijken. Zonder juist te weten, wat haar bewoog,

had zij echter het duidelijk bewustzijn, dat het iets was, en zij

het moest verbergen.

In den smaak voor kleeding, welke bij Cosette ontstaan was,

en de gewoonte om nieuwe kleederen te dragen, die de onbekende

had aangenomen, was een zekere overeenkomst, die Jean Valjean

onaangenaam was. 't Was toevallig misschien, ongetwijfeld, zeker;

maar die toevalligheid kon gevaarlijk worden.

Nooit sprak hij Cosette over dien vreemde. Op zekeren dag kon hij zich

echter niet bedwingen en met die onbestemde wanhoop, welke eensklaps de

ramp peilt, zeide hij haar: "Dit jonge mensch ziet er zeer pedant uit!"

Een jaar vroeger, toen zij nog een klein onverschillig meisje was,

zou zij geantwoord hebben: "Nu, ik vind hem heel lief." Tien jaren

later, met de liefde van Marius in het hart, zou zij geantwoord hebben:

"Pedant en ondragelijk om te zien; ge hebt gelijk."--Op het oogenblik

des levens en des gevoels, waarin zij thans was, antwoordde zij enkel

met de grootste bedaardheid: "Dit jonge mensch!"

Alsof zij hem voor het eerst van haar leven zag.

"Hoe dom ben ik!" dacht Jean Valjean. "Zij had hem nog niet

opgemerkt. Nu vestig ik er haar aandacht op."

O eenvoud des ouderdoms! o sluwheid der jeugd!

Dit is wederom een wet dier jeugdige jaren van lijden en zorgen, van

dien levendigen strijd der eerste liefde tegen de eerste hindernissen,

dat het meisje zich in geen strik laat vangen, terwijl de jongeling in

alle strikken valt. Jean Valjean had tegen Marius een geheimen oorlog

begonnen, dien Marius in de verheven domheid van zijn hartstocht

en zijn leeftijd niet begreep. Jean Valjean legde hem een menigte

belemmeringen in den weg; hij veranderde het uur, verwisselde van

bank, vergat zijn zakdoek, kwam alleen in het Luxembourg; Marius liep

blindelings in al deze strikken; en op al de vraagteekens door Jean

Valjean op zijn weg geplant, antwoordde hij onnoozel: ja. Intusschen

bleef Cosette in haar schijnbare onverschilligheid en onverstoorbare

kalmte verschanst, zoodat Jean Valjean tot dit besluit kwam: Deze

knaap is dol verliefd op Cosette; maar Cosette weet nauwelijks,

dat hij bestaat.

Desniettemin gevoelde hij in zijn hart een smartelijke

ongerustheid. Ieder oogenblik kon het uur slaan, dat Cosette

wederkeerig zou beminnen. Begint niet alles met onverschilligheid?

Eenmaal beging Cosette een misslag, die hem deed ontstellen. Hij

stond op van de bank na drie uur gezeten te hebben, en toen zeide zij:

"Nu al!"

Jean Valjean had zijn wandelingen naar het Luxembourg niet gestaakt,

wijl hij niets bijzonders wilde doen en bovenal vreesde Cosette's

aandacht te wekken; maar terwijl Cosette, in deze voor beide verliefden

zoo zoete uren, haar glimlach naar Marius wendde, die verrukt in deze

beschouwing verzonken was en thans in de wereld niets anders zag dan

een aangebeden schitterend gelaat, richtte Jean Valjean glinsterende

en vreeselijke oogen op Marius. Hij, die eindelijk gemeend had niet

meer in staat te zijn tot een kwaadwillig gevoel, geloofde, zoodra

hij Marius zag, weder woest en wreed te worden, en hij voelde tegen

dien jongeling die oude holen zijner ziel zich weder openen en woelen,

die vroeger zooveel woede bevat hadden. Het scheen hem schier, alsof

nieuwe, onbekende kraters in hem ontstonden.

Hoe! hij was dáár, dat wezen! wat kwam hij er doen? Hij slingerde

rond, snuffelde, spiedde, maakte plannen! hij dacht: wel, waarom

niet? hij sloop om zijn, Valjean's, leven, om zijn geluk, ten einde

het te grijpen en weg te voeren.

Jean Valjean voegde er bij: Ja, dat is het! Wat zoekt hij? een

avontuur? Wat wil hij? een minnarij? Een minnarij! en ik! Hoe! ik zal

eerst de ellendigste der menschen zijn geweest en dan de rampzaligste,

ik zal zestig jaren levens geknield hebben voortgesleept, alles

geleden hebben wat te lijden is, oud geworden zijn zonder jong te

zijn geweest, zonder familie, zonder verwanten, zonder vrouw, zonder

kinderen geleefd hebben, iets van mijn bloed op alle steenen, op

alle stammen, op alle palen, langs alle muren achtergelaten hebben;

ik zal zachtmoedig zijn geweest, hoewel men hard tegen mij was, en

goed, hoewel men slecht voor mij was; ik zal, in weerwil van alles,

eindelijk weer een eerlijk man zijn geworden, berouw hebben gehad

over het door mij bedreven kwaad, en het kwade hebben vergeven,

dat men mij gedaan heeft, en op het oogenblik, dat ik beloond word,

op het oogenblik, dat alles geëindigd is, en ik het doel bereik,

op het oogenblik, dat ik heb wat ik wil, wat ik goed en deugdelijk

betaald gewonnen heb, zal dat alles heengaan en verdwijnen; ik zal

Cosette verliezen, mijn leven, mijn vreugd, mijn ziel; wijl het een

jongen dwaas behaagde in het Luxembourg te wandelen!

Toen vulden zich zijn oogen met een buitengewoon somber vuur. 't

Was niet meer een mensch, die een ander mensch; niet een vijand,

die een vijand aanschouwt; 't was een bloedhond, die een dief ziet.

Men weet het overige. Marius bleef in zijn onzinnigheid. Zekeren

dag volgde hij Cosette in de Westerstraat. Een anderen dag sprak

hij met den portier. Zijnerzijds sprak de portier met Valjean,

zeggende: "Mijnheer, wie is toch die zonderlinge jongeling, die naar

u vraagt?" Den volgenden dag sloeg Jean Valjean op Marius dien blik,

welken Marius eindelijk opmerkte. Acht dagen later was Jean Valjean

verhuisd. Hij zwoer, dat hij geen voet meer in het Luxembourg, noch

in de Westerstraat zou zetten. Hij keerde terug naar de straat Plumet.

Cosette klaagde niet, zeide niets, vroeg niet, zij trachtte de reden

hiervan niet te vernemen; zij was reeds in het tijdperk, wanneer men

vreest, doorvorscht te worden en zich te verraden. Jean Valjean had

niet de minste ondervinding van deze rampen, de eenige die bekoorlijk

zijn, en de eenige welke hij niet kende; dit maakte dat hij de ernstige

beteekenis van Cosette's stilzwijgendheid niet begreep. Alleen merkte

hij op, dat zij treurig was geworden, en hij werd bedroefd. 't Was

wederzijdsche onervarenheid, die met elkander in strijd was.

Eenmaal deed hij een poging. Hij vroeg Cosette:

"Wilt ge naar het Luxembourg gaan?"

Een straal verhelderde Cosette's bleek gezicht.

"Ja," antwoordde zij.

Zij gingen er heen. Er waren drie maanden verstreken. Marius kwam er

niet meer. Marius was er niet.

Den volgenden dag vroeg Jean Valjean weder aan Cosette:

"Wilt gij naar het Luxembourg gaan?"

Zij antwoordde treurig en zacht:

"Neen."

Deze treurigheid griefde Jean Valjean, en deze zachtheid vervulde

hem met smart.

Wat ging er om in dit nog zoo jong en reeds zoo ondoordringbaar

gemoed? Wat was bezig er zich in te vormen? Wat gebeurde in de ziel

van Cosette? Soms bleef Jean Valjean, in plaats van te bed te gaan,

er naast zitten, met het hoofd in de hand en bracht den ganschen nacht

door met zich te vragen: waar denkt Cosette aan? en met aan de dingen

te denken, waaraan zij kon denken.

O, welke smartelijke blikken wendde hij in die oogenblikken naar het

klooster, dit kuische, heilige verblijf der engelen, dien ongenaakbaren

ijsberg der deugd. Met welk een wanhopige verrukking aanschouwde hij

dien kloostertuin, vol onbekende bloemen en opgesloten maagden, waar

alle geuren en alle zielen regelrecht naar den hemel opstijgen. Hoe

aanbad hij dat voor altoos gesloten paradijs, waaruit hij vrijwillig

was heen gegaan, dat hij dwaselijk had verlaten. Hoe betreurde hij zijn

zelfverloochening en zijn dwaasheid, Cosette in de wereld te hebben

teruggebracht; arme held der opoffering, door zijn opoffering zelve

aangetast en verslagen! Hoe dikwerf zuchtte hij: "Wat heb ik gedaan?"

Van dit alles merkte Cosette evenwel niets. Hij toonde haar noch

misnoegen noch norschheid; zijn gedrag was altijd even opgeruimd en

goedhartig. Jean Valjean was jegens haar teederder en vaderlijker

dan ooit. Zoo iets in hem minder vreugd had kunnen aanduiden, zou

het zijn meerdere zachtmoedigheid zijn geweest.

Harerzijds kwijnde Cosette. Zij leed door de afwezigheid van Marius,

evenzeer als zij over zijn tegenwoordigheid, zonderlingerwijze,

en zonder er zich rekenschap van te kunnen geven, verheugd was

geweest. Toen Jean Valjean haar niet meer op de gewone wandelingen

geleidde, had het vrouwelijk instinct haar onduidelijk in het hart

gefluisterd, dat zij niet moest laten blijken in het Luxembourg

belang te stellen, en zoo zij er zich onverschillig voor betoonde,

haar vader er haar weder heen zou voeren. Maar dagen, weken en

maanden volgden elkander op. Jean Valjean had stilzwijgend Cosette's

stilzwijgende goedkeuring aangenomen. Zij betreurde het. Het was te

laat. Den dag, dat zij weder naar het Luxembourg ging, was Marius er

niet meer. Marius was dus verdwenen. 't Was uit. Wat te doen? Zou

zij hem ooit weder vinden? Zij voelde een beklemming des harten,

welke niets verruimde en die elken dag vermeerderde; zij wist niet

meer of het zomer dan wel winter was, of het regende dan, of de zon

scheen, of de vogels zongen of de dahlias of viooltjes bloeiden, of

de tuin van het Luxembourg bekoorlijker dan die der Tuilerieën was,

of het linnen, dat de waschvrouw te huis bracht, te veel of te weinig

gestijfd was, of vrouw Toussaint haar marktgang goed of slecht gedaan

had; en zij bleef neerslachtig, slechts aan één gedachte overgegeven,

met strakken blik, als wanneer men des nachts op de donkere, diepe

plaats staart, waar een verschijning is verdwenen.

Overigens liet zij evenmin aan Jean Valjean iets anders zien dan haar

bleekheid. Zij toonde hem immer een vriendelijk gezicht.

Maar deze bleekheid was meer dan voldoende om Jean Valjean bekommering

aan te jagen. Soms vroeg hij haar:

"Wat deert u?"

Zij antwoordde:

"Mij deert niets."

En na een poos, alsof zij opmerkte dat hij insgelijks treurig was,

hernam zij:

"Deert u iets, vader?"

"Mij? neen," zeide hij.

Deze twee wezens, die elkander zoo uitsluitend, met zulk een innige

liefde bemind, en zoo lang met en door elkander geleefd hadden, leden

nu naast elkander, de een om den ander, zonder het elkander te zeggen,

zonder het elkander te wijten, en glimlachend.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GALEIKETEN.

De ongelukkigste van beiden was Jean Valjean. De jeugd heeft zelfs

in haar verdriet altijd nog een helderheid.

In zekere oogenblikken leed Jean Valjean zóóveel, dat hij kinderachtig

werd. 't Is het eigenaardige der smart, dat zij de kinderlijke zijde

van den mensch weder te voorschijn roept. Hij gevoelde ontwijfelbaar,

dat Cosette hem ontging. Hij had willen strijden, haar tegenhouden,

haar door iets uiterlijks en schitterends willen begoochelen. Deze

gedachten, kinderachtig, zooals wij gezegd hebben, doch tevens

berekenend, gaven hem en wel door haar kinderachtigheid, een tamelijk

juist begrip omtrent den invloed van uiterlijke versieringen op de

verbeelding van jonge meisjes. Eens zag hij op de straat een generaal

in volle uniform te paard voorbij rijden, den graaf Coutard, kommandant

van Parijs. Hij benijdde dien vergulden man, en dacht: welk een geluk

zou 't zijn dien rok te dragen; Cosette zou verrukt zijn, als zij

hem zag; wanneer hij met Cosette aan den arm het hek der Tuilerieën

voorbijging, zou men het geweer voor hem presenteeren, en dit zou voor

Cosette voldoende zijn, en haar de gedachte van jongelieden afleiden.

Een onverwachte schok paarde zich aan deze treurige gedachten.

In hun afgezonderd leven, en sedert zij in de straat Plumet woonden,

hadden zij de gewoonte aangenomen, soms het genot te smaken van de

zon te zien opgaan, een zoete vreugd, die zoowel past voor hen die

het leven ingaan, als voor hen die het uittreden.

Een wandeling in den vroegen morgen heeft voor dengeen, die de

eenzaamheid bemint, hetzelfde genot als eene avondwandeling, en de

vroolijkheid der natuur bovendien. De straten zijn eenzaam, maar de

vogels zingen. Cosette, zelve een vogel, stond gaarne 's morgens vroeg

op. Deze morgenwandelingen werden den vorigen avond besproken. Hij

stelde ze voor, zij nam ze aan. Ze werden als een complot beraamd;

men ging uit vóór 't nog geheel licht was, en dit was een van Cosettes

kleine genoegens. Deze onschuldige overdrijvingen behagen de jeugd.

Jean Valjean ging bij voorkeur, zooals men weet, naar weinig bezochte

plaatsen, naar eenzame oorden, naar vergeten plekken. Destijds waren

in den omtrek van Parijs armoedige velden, die schier met de stad

verbonden waren, waar des zomers schraal koren groeide, en die in den

herfst na den oogst het aanzien hadden, niet van gemaaid, maar van

geplukt te zijn. Hierheen wendde zich Jean Valjean het liefst. Cosette

verveelde er zich niet. 't Was voor hem de eenzaamheid, voor haar

de vrijheid. Daar was zij weder een klein meisje; zij kon er loopen,

schier spelen; zij zette haar hoed af, beschouwde de vlinders op de

bloemen, maar ving ze niet; zachtmoedigheid en verteedering ontstaan

met de liefde, en de jongedochter, die een bevend en teeder ideaal

in zich draagt, heeft medelijden met den vleugel van een vlinder. Zij

vlocht een krans van klaprozen, welke zij op het hoofd zette, en deze

door de zon beschenen bloemen gaven aan haar frisch blozend gelaat

een kroon van gloeiende kolen.

Zelfs toen hun leven treurig was geworden, behielden zij de gewoonte

dezer morgenwandelingen.

Op een October-morgen, door den ongemeen fraaien herfst van 1831

verlokt, waren zij uitgegaan en bevonden zich, toen 't licht werd, bij

de barrière du Maine. 't Was niet het morgenrood, 't was de dageraad;

een bekoorlijk, onbeschrijfelijk oogenblik: hier en daar nog eenige

sterren aan den bleeken hemel; de aarde geheel zwart; de hemel geheel

wit; een huivering door de grasscheuten; alom de geheimzinnige indruk

der schemering. Een leeuwerik, die zich tusschen de sterren scheen te

bevinden, zong uit de verbazende hoogte, en 't was alsof deze hymne

van het kleine tot het oneindige de onmetelijkheid bevredigde. In het

oosten kwam het Val-de-Grace, met zijn donkere massa, scherp uit den

helderen horizont te voorschijn; tintelend steeg Venus op achter dien

dom, en geleek een ziel die uit een donker gebouw ontvlucht.

Alles was rustig en stil; niemand was op den weg; slechts op de

zijpaden onderscheidde men enkele werklieden, die naar hun arbeid

gingen.

Jean Valjean had zich neergezet op eenig houtwerk, dat voor het hek

van een werf lag. Zijn blik was naar den weg gekeerd, en zijn rug

naar het licht; hij vergat de zon, die aan 't opgaan was; hij was in

een dier diepe mijmeringen verzonken, die den geheelen geest innemen,

en zelfs den blik boeien. Er zijn overdenkingen, welke den mensch als

tusschen vier muren sluiten. Wanneer men er zich in bevindt, wordt

er tijd vereischt om tot de aarde terug te keeren. Jean Valjean was

in een dier mijmeringen verzonken. Hij dacht aan Cosette, aan een

mogelijk geluk, zoo niets tusschen haar en hem kwam; aan dat licht,

waarmede zij zijn leven vervulde, een licht dat de adem zijner ziel

was. Hij was schier gelukkig in deze mijmering. Cosette stond naast

hem, en zag de wolken zich rozig kleuren.

Eensklaps riep Cosette: "Vader, ginds schijnt iemand te naderen."

Jean Valjean sloeg de oogen op. Cosette had gelijk.

De weg die naar de oude barrière du Maine voert, is zooals men weet,

een verlenging der straat van Sèvres, en wordt rechthoekig door den

binnen-boulevard doorsneden. Op den hoek van den weg en den boulevard,

ter plaatse waar zij elkander kruisen, hoorde men een gerucht, dat

in dit uur moeielijk te verklaren was. Een verwarde, vormlooze massa

verscheen van den boulevard op den straatweg.

Het werd grooter, 't scheen zich ordelijk te bewegen, doch hortend

en waggelend. 't Scheen een voertuig te zijn, doch men kon niet

onderscheiden, wat er op geladen was. Er waren paarden, wielen,

kreten, klappende zweepen. Allengs werden de omtrekken duidelijker,

hoewel nog in schemering gehuld. 't Was inderdaad een voertuig, dat

van den boulevard op den weg was gekomen en de barrière naderde, waar

Jean Valjean zat; een tweede, van 't zelfde voorkomen, volgde, toen een

derde, toen een vierde, zeven voertuigen kwamen achtereenvolgens om den

hoek te voorschijn; de koppen der paarden raakten het achterdeel der

vooruitrijdende wagens. Gestalten bewogen zich op de karren, men zag

in de schemering iets flikkeren als waren er bloote sabels, men hoorde

een gerammel als van ketens; het naderde, de stemmen werden luider;

't was iets ontzettends, alsof het uit de spelonk der droomen kwam.

Allengs werden de vormen duidelijker tusschen het geboomte, hoewel

ze nog bleek als schimmen bleven; de langzaam rijzende morgen wierp

een vaal schijnsel op dit tevens doodelijk en levend gekrioel, de

hoofden der gestalten werden doodshoofden.

't Waren zeven rijtuigen, die achter elkander over den weg reden. De

zes eerste waren van een zonderlingen bouw. 't Waren een soort van

ladders op twee wielen, welke ladders vooraan de boomen vormden. Iedere

wagen of liever ieder dezer ladders was met vier paarden achter

elkander bespannen. Op deze ladders werden zonderlinge menschentrossen

voortgesleept. In het halfduister zag men deze menschen niet, men

vermoedde ze. Daar waren er vier-en-twintig op ieder voertuig, twaalf

aan iedere zijde, met den rug tegen elkander, met het gezicht naar

den voorbijganger, met afhangende beenen; aldus togen die menschen

voort. Achter hun rug was iets dat klonk, een keten, en aan hun

hals iets dat glinsterde, een halsboei. Ieder had een afzonderlijken

halsboei, maar de keten was voor allen, zoodat deze vier-en-twintig

menschen, wanneer zij van het voertuig kwamen en voortgingen, door

een onverbiddelijke eenheid werden samengebonden, en over den grond,

met de keten als ruggegraat, ongeveer als een duizendpoot moesten

voortkruipen. Op ieder rijtuig stond vóór en ook achter een man,

van welke beiden ieder een der einden van den keten onder zijn

voeten had. De halsboeien waren vierkant. Het zevende voertuig was

een groote vrachtwagen zonder huif, met vier wielen en zes paarden,

waarop een hoop ijzeren ketels en pannen, fornuizen en ketens,

waartusschen eenige geknevelde menschen lagen uitgestrekt, die ziek

schenen. Deze geheel open wagen was voorzien van vervallen horden,

die tot de voormalige strafpleging schenen gediend te hebben.

Deze voertuigen hielden het midden van den weg. Aan beide zijden

gingen, in een dubbele rij, wachten met eerlooze gezichten, en met

driekante hoeden op 't hoofd als de soldaten van het Directoire;

zij droegen gescheurde, smerige uniformrokken van invaliden en half

grijze en blauwe havelooze pantalons, wijders roode epauletten,

gele bandeliers, korte sabels, geweren en stokken; zij geleken

trosboeven. Deze sbirren schenen uit het uitvaagsel der bedelaars

te bestaan, met het gezag van den beul. Hij, die hun chef scheen,

hield een postzweep in de hand.

Al deze, in de morgenschemering onduidelijke, bijzonderheden werden

meer en meer zichtbaar, naarmate de dag helderder werd. Vóór en achter

den wagentrein reden gendarmes te paard statig met de sabel in de hand.

Deze trein was zoo lang, dat toen het eerste voertuig reeds bij de

barrière was, het laatste nauwelijks den boulevard verlaten had.

Een menigte menschen, met die onbegrijpelijke snelheid te zamen

gekomen, als dit te Parijs immer geschiedt, verdrongen elkaar aan

beide zijden van den weg, om te zien.

De mannen op de voertuigen lieten zich zwijgend hotsen. Zij waren

blond van de morgenkoude. Allen droegen linnen broeken en klompen aan

de bloote voeten. Het overige hunner kleeding was naar de luim der

armoede. Hun plunje was van de afschuwelijkste tegenstrijdigheid;

niets is treuriger dan een harlekijn in lompen. Gedeukte hoeden,

geteerde petten, vuile wollen mutsen, en naast de boezeroen den zwarten

rok met gaten in de ellebogen, verscheidenen droegen vrouwenhoeden;

anderen een mand op het hoofd; men zag harige borsten, en door de

scheuren der plunje onderscheidde men tatoueeringen; liefdetempels,

vlammende harten, cupido's. Ook kwaadzeer en boosaardige puisten. Twee

of drie hunner lieten, als op een stijgbeugel, hun voeten rusten op

een van stroo gedraaid touw, dat onder hen aan de dwarshouten van het

voertuig was gehecht. Een hunner had iets in de hand en bracht het aan

den mond, dat een zwarte steen geleek, waarop hij beet; 't was brood,

dat hij at. Aller oogen waren droog; dof of flikkerend van een heilloos

licht. De geleiders vloekten, de geboeiden spraken geen woord; nu en

dan hoorde men een stokslag op de ruggen of hoofden vallen; sommigen

dier lieden geeuwden; de lompen, die zij droegen, waren afzichtelijk;

de beenen hingen, de schouders schommelden, de hoofden stieten tegen

elkander, de ijzers rammelden, de oogen vlamden wild; de vuisten

balden zich of openden zich krachteloos als de handen van dooden;

achter den trein schreeuwde en lachte een troep kinderen.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 7 / 28 段