ook en bovenal uiterlijke vroomheid geleerd; voorts de "geschiedenis",
namelijk wat in 't klooster dus genoemd wordt, de aardrijkskunde,
de spraakkunst, de deelwoorden, de koningen van Frankrijk, een weinig
muziek, teekenen enz.; overigens kende zij niets, 't geen tevens een
bekoorlijkheid en een gevaar is. De ziel van een meisje mag niet in
de duisternis blijven; later ontstaan er als in een camera obscura
te plotselinge en te levendige lichtbeelden in. Zij moet zacht en
behoedzaam verlicht worden, meer door den weerschijn der werkelijkheid,
dan door haar rechtstreeksch en scherp licht. Door een heilzaam en
behagelijk halflicht wordt de kinderlijke angst verdreven en voor den
val behoed. Slechts het moederlijk instinct, deze wonderbare ingeving,
die de herinneringen der maagd met de ondervinding der vrouw vereenigt,
weet op welke wijs dit halflicht moet samengesteld zijn en aangebracht
worden. Niets kan dit instinct vervangen. Voor de vorming van een
jong meisje kunnen al de geestelijke zusters der wereld niet tegen
ééne moeder opwegen.
Cosette had geen moeder gehad. Zij had slechts vele moeders gehad.
Jean Valjean bezat wel alle teederheden en bezorgdheden tevens in zich,
maar hij was een oud man, die volstrekt niets wist.
En hoeveel wetenschap is er niet noodig voor dat werk der opvoeding,
voor deze gewichtige zaak, als de voorbereiding eener vrouw tot het
leven, om tegen deze groote onwetendheid op te wegen, die de onschuld
wordt genoemd!
Niets maakt een meisje vatbaarder voor hartstocht dan het klooster. Het
klooster richt de gedachte naar het onbekende. Het hart, tot zich zelf
verwezen, graaft en verdiept zich, wijl het zich niet kan uitstorten en
uitzetten. Vandaar al die visioenen, gissingen, veronderstellingen,
romantische beelden, gewenschte avonturen, luchtkasteelen in de
duisternis van den geest gebouwd, donkere, geheime verblijven, waar
de hartstochten dadelijk huisvesting vinden, zoodra het hek geopend
is en zij er binnen kunnen gaan. Het klooster is een beperking die, om
het menschelijk hart te kunnen betoomen, het geheele leven moet duren.
Toen Cosette het klooster verliet, kon zij niets liefelijker en
gevaarlijker vinden dan het huis in de straat Plumet. 't Was de
voortzetting der eenzaamheid met het begin der vrijheid, een gesloten
tuin, maar een krachtige, weelderige en prikkelende natuur; overigens
dezelfde droomen als in het klooster, maar daarbij soms een blik op
jongelingen; een hek, maar aan de straat.
Zij was echter, wij herhalen het, toen zij er kwam, een kind. Jean
Valjean gaf haar dien woesten tuin. Doe er mede wat ge wilt, sprak
hij.--Cosette vermaakte zich en zocht in het gebladerte en onder de
steenen diertjes; zij speelde er, tot de dag kwam dat zij er droomen
zou; zij beminde dien tuin om de insecten, welke zij onder haar
voeten in het gras vond, tot de dag kwam, dat zij hem zou beminnen
om de sterren, welke zij er door de takken heen boven zich zou zien.
Overigens beminde zij haar vader, namelijk Jean Valjean, met haar
gansche ziel, met een naïeve kinderlijke liefde, die den goeden man een
gewenscht en aangenaam gezelschap voor haar maakte. Men herinnere zich,
dat de heer Madeleine veel las; Jean Valjean was hiermede voortgegaan
en dit had hem geleerd te spreken; hij bezat den verborgen schat en
de welsprekendheid van een bescheiden en gezond verstand, dat zich
zelf gevormd heeft. Hem was juist zooveel ruwheid overgebleven om
zijn goedheid daarmede te temperen; hij was ruw van geest en zacht
van hart. Wanneer zij in den tuin van het Luxembourg te zamen waren,
onderrichtte hij haar over alles wat hij gelezen, en ook wat hij
geleden had. Met verstrooiden blik luisterde Cosette naar hem.
Deze eenvoudige man was voor den geest van Cosette evenzeer voldoende
als de verwilderde tuin voor haar oogen. Wanneer zij een geruime
poos vlinders had vervolgd, kwam zij buiten adem bij hem en zeide:
"O! wat heb ik geloopen!" Hij kuste haar teederlijk.
Cosette vereerde den goeden man. Immer was zij hem op de hielen. Waar
zich Jean Valjean bevond, was het voor haar goed. Wijl Jean Valjean
noch in het paviljoen, noch in den tuin kwam, beviel het haar beter
op de geplaveide achterplaats, dan in den tuin vol bloemen, beter in
het kleine vertrek met matten stoelen, dan in het ruime salon met
tapijten belegd en met zachte armstoelen bezet. Jean Valjean zeide
haar soms, met een glimlach van geluk, omdat hij gestoord werd:
"Maar ga toch naar uw kamer. Laat mij een oogenblik alleen!"
Zij beknorde hem dan zoo bekoorlijk en teeder, als slechts een dochter
tegen haar vader vermag.
"Vader, ik word koud hier bij u; waarom legt ge hier geen kleed en
zet een kachel?"
"Mijn lief kind, er zijn zooveel menschen die beter zijn dan ik,
en die zelfs geen dak boven hun hoofd hebben."
"Waarom is er dan vuur en al het overige bij mij?"
"Wijl ge een vrouw en een kind zijt."
"Zoo! moeten de mannen dan koude lijden en slecht wonen?"
"Sommige mannen."
"Goed, ik zal hier zoo dikwijls komen, dat ge wel genoodzaakt zult
zijn te stoken."
Zij zeide hem nog:
"Vader, waarom eet ge zulk gemeen brood?"
"Daarom, mijn dochter."
"Nu, zoo gij het eet, zal ik het ook eten."
En opdat Cosette geen zwart brood zou eten, at Jean Valjean wit brood.
Cosette herinnerde zich slechts flauw haar kindsheid. Zij bad 's
morgens en 's avonds voor haar moeder, welke zij niet gekend had. De
Thénardiers waren als twee leelijke droombeelden in haar geheugen
gebleven. Zij herinnerde zich dat zij "eens in een nacht" water in een
bosch had gehaald. Zij meende, dat het zeer ver van Parijs was. Het
scheen haar alsof haar leven in een afgrond was begonnen, waaruit Jean
Valjean haar getrokken had. Haar kindsheid maakte op haar den indruk,
als van een tijd toen zij door niets dan duizendpooten, spinnen en
slangen omgeven was. Wanneer zij zich 's avonds, vóór zij insliep,
aan haar gedachten overgaf, verbeeldde zij zich, bij gemis van een
juist begrip hoe zij de dochter van Jean Valjean en hij haar vader
was, dat de ziel van haar moeder in dien goeden man was overgegaan
en alzoo nu bij haar woonde.
Wanneer hij zat, legde zij haar wang tegen zijn wit haar en liet
zij er soms in stilte een traan op vallen, denkende: "deze man is
misschien mijn moeder."
Cosette, hoewel 't zonderling klinken moge, had, in de diepe
onwetendheid van een meisje, dat in het klooster is opgevoed, en
wijl buitendien het moederschap voor de maagdelijkheid volkomen
onbegrijpelijk is, zich eindelijk verbeeld, dat zij misschien
geen moeder gehad had. Immers kende zij niet eens den naam dezer
moeder. Telkens wanneer zij er Jean Valjean naar vroeg, zweeg hij. Zoo
zij haar vraag herhaalde, antwoordde hij met een glimlach. Eenmaal
drong zij er op aan, en toen ging zijn glimlach in een traan over.
Deze stilzwijgendheid van Valjean hulde Fantine in nacht.
Was het voorzichtigheid? was het achting? was het uit vrees dien naam
aan de toevallen van een ander geheugen dan het zijne over te leveren?
Zoolang Cosette klein was, had Jean Valjean haar gaarne van haar
moeder gesproken; toen zij jongedochter was geworden, werd hem dit
onmogelijk. 't Scheen hem, alsof hij niet meer durfde. Was het om
Cosette? Was het om Fantine? Hij gevoelde een soort van godsdienstige
huivering om deze schim in Cosette's gedachte te brengen en de doode
in hun beider lot in te voeren. Hoe heiliger voor hem deze schim
was, hoe meer hij haar scheen te vreezen. Hij dacht aan Fantine en
gevoelde zich tot stilzwijgen gedwongen. Onduidelijk zag hij in de
duisternis iets, dat naar een vinger op een mond geleek. Was deze
kuischheid, die in Fantine geweest en gedurende haar leven met geweld
uit haar gedreven was, dadelijk na haar dood tot haar wedergekeerd,
om, verontwaardigd, de rust dezer doode te beschermen en, schuw,
haar in 't graf te bewaken? Voelde Jean Valjean er onbewust den druk
van? Wij, die aan den dood gelooven, behooren niet tot hen, welke deze
geheimzinnige verklaring zouden verwerpen. 't Was hierom voor Valjean
onmogelijk, zelfs tegen Cosette, den naam Fantine uit te spreken.
Op zekeren dag zeide Cosette tot hem:
"Vader, van nacht heb ik mijn moeder in den droom gezien. Zij had twee
groote vleugels. In haar leven moet mijn moeder schier een heilige
zijn geweest!"
"Door haar lijden," antwoordde Jean Valjean.
Overigens was Jean Valjean gelukkig.
Wanneer Cosette met hem uitging, leunde zij op zijn arm en was fier en
gelukkig uit de volheid van haar hart. Bij al deze teekenen van een
zoo uitsluitende en met hem alleen tevredene liefde, voelde Valjean
zijn ziel in zaligheid opgelost.
De arme man trilde, overstroomd door hemelsche weelde; met verrukking
hield hij zich overtuigd, dat dit zijn geheele leven zou duren; hij
zeide in zich zelven, dat hij inderdaad niet genoeg geleden had,
om zulk een schitterend geluk te verdienen, en dankte God uit de
diepte zijner ziel, wijl Hij vergunde, dat hij, de ellendige, door
dit onschuldig wezen zoo bemind werd.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE ROOS BESPEURT DAT ZIJ EEN WAPEN IS.
Op zekeren dag zag Cosette toevallig in den spiegel en zeide:
"He!" Het kwam haar bijna voor, dat zij mooi was! Dit bracht haar
in een zonderlinge onrust. Tot hiertoe had zij aan haar gezicht niet
gedacht. Zij zag in den spiegel, maar nam zich niet op. Bovendien had
men haar dikwerf gezegd, dat zij leelijk was; Jean Valjean alleen
zeide zacht: "Wel neen, wel neen!" Hoe het zij, Cosette had altijd
gemeend, dat zij leelijk was, en was met de gemakkelijke berusting
der kindsheid in dat denkbeeld groot geworden. Maar zie, eensklaps
zeide haar de spiegel, evenals Jean Valjean: "Wel neen!" Zij sliep den
ganschen nacht niet.--Indien ik schoon ware! dacht zij; hoe aardig
zou het zijn als ik schoon ware!--En zij herinnerde zich die harer
kloostergezellinnen, die om haar schoonheid beroemd waren, en zij
zeide bij zich zelve: Hoe! zou ik op mejuffrouw die of die gelijken!
Den volgenden dag beschouwde zij zich, maar niet toevallig, en zij
twijfelde.--"Waar waren mijn gedachten?" zeide zij; "neen, ik ben
leelijk!" 't Was alleen, omdat zij slecht geslapen had, omdat haar
oogen flauw waren en haar gezicht bleek was. Het geloof aan haar
schoonheid had haar den vorigen dag niet zoo buitengewoon verheugd,
maar nu was zij treurig, er niet meer aan te gelooven. Zij beschouwde
zich niet meer, en langer dan veertien dagen beproefde zij zich te
kappen met den rug naar den spiegel gekeerd.
Des avonds na het middagmaal was zij gewoon in het salon te borduren,
of eenigen kloosterarbeid te verrichten, terwijl Jean Valjean bij haar
las. Eens sloeg zij de oogen van haar werk op, en was zeer verwonderd
over de ongeruste wijze, waarop haar vader haar aanschouwde.
Een anderen keer meende zij op de straat iemand, die achter haar ging,
en dien zij niet zag, te hooren zeggen: Een schoone dame, maar slecht
gekleed. "O," dacht zij, "dat geldt mij niet. Ik ben leelijk, maar
goed gekleed."--Zij droeg toen haar pluchen hoed en merinossen kleed.
Zekeren dag, eindelijk, was zij in den tuin en zij hoorde de oude
vrouw Toussaint zeggen: "Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer, hoe
mooi de jongejuffrouw wordt?" Cosette hoorde niet wat haar vader
antwoordde; de woorden van vrouw Toussaint veroorzaakten haar een
soort van schok. Zij verliet den tuin, ging naar haar kamer, ijlde
voor den spiegel, zij had zich sedert drie maanden niet beschouwd,
en slaakte een kreet. Zij was over zich zelve verbijsterd.
Zij was schoon en lief; zij kon zich niet beletten, de meening van
vrouw Toussaint en van haar spiegel te deelen. Haar vormen waren
weelderig, haar vel was blank, heur haar zacht en glanzend; een
onbekende gloed schitterde in haar blauwe oogen. Eensklaps, in een
minuut, als bij het ontstaan van een helder licht, was zij zich haar
schoonheid bewust geworden; anderen hadden 't immers reeds opgemerkt,
vrouw Toussaint zeide het; 't was blijkbaar dat de voorbijganger
van haar gesproken had, er was geen twijfel; nu keerde zij naar
den tuin terug, en waande zich een koningin; zij meende de vogels
te hooren zingen, hoewel het winter was; zij zag den hemel verguld,
de zon in het geboomte, bloemen aan de struiken, zij was opgetogen,
in een onuitsprekelijke verrukking.
Jean Valjean gevoelde van zijn kant een innige, onbegrijpelijke
hartsbeklemming.
Inderdaad, sedert eenigen tijd had hij met schrik de toenemende
schoonheid opgemerkt, die dagelijks schitterender op het zachte gelaat
van Cosette verscheen. Voor alle anderen een bekoorlijk morgenrood;
alleen voor hem een somber.
Cosette was langen tijd schoon geweest, zonder het op te merken. Maar
reeds van den beginne af deed dit onverwachte licht, 't welk langzaam
opging en trapswijs de geheele gestalte van het meisje omhulde, de
sombere oogen van Jean Valjean pijnlijk aan. Hij gevoelde, dat het
een verandering zou zijn in een gelukkig leven, zoo gelukkig, dat hij
er niet aan durfde roeren, uit vrees er iets in te verstoren. Deze
man, die alle tegenspoeden had doorgestaan, die nog bloedde door
de verwondingen van zijn lot, die bijna slecht was geweest en
schier een heilige was geworden, die na de ketenen van het bagno te
hebben gesleept, nu de onzichtbare, maar zware keten der eindelooze
eerloosheid sleepte, deze man, dien de wet niet had losgelaten, en
die elk oogenblik weder gevat en uit de verborgenheid zijner deugd
in het helder licht der openbare schande kon worden gebracht, deze
man berustte in alles, verschoonde alles, vergaf alles, zegende alles,
wilde allen goed, en bad alleen van de Voorzienigheid, van de menschen,
van de wetten, van de maatschappij, van de natuur, van de wereld,
dit eenige: dat Cosette hem mocht beminnen.
Dat Cosette hem bij voortduring mocht beminnen, dat God het hart van
dit kind niet belette tot hem te komen en bij hem te blijven. Door
Cosette bemind, gevoelde hij zich genezen, gerust, bevredigd,
gelukkig, beloond en bekroond. Door Cosette bemind, was hij zalig;
hij verlangde niets meer. Zoo men hem gevraagd had: Wilt gij iets
meer? zou hij geantwoord hebben: Neen. Zoo God hem gevraagd had:
Wilt gij den Hemel? zou hij geantwoord hebben: Ik zou er bij verliezen.
Al wat dezen toestand kon aanraken, ware het slechts zeer licht
en oppervlakkig, deed hem beven, als ware het 't begin van iets
anders. Nooit had hij recht geweten wat de schoonheid eener vrouw was;
maar door instinct begreep hij, dat dit iets vreeselijks kon zijn.
Deze schoonheid, die zich allengskens overweldigend en trotsch,
aan zijn zijde, onder zijn oogen ontwikkelde op het tevens argeloos
en belangrijk gelaat van het meisje, aanschouwde hij van uit zijn
leelijkheid, zijn ouderdom, zijn ellende, zijn verworpenheid, zijn
bedruktheid met ontzetting. Hij dacht: "Hoe schoon is zij! Wat zal
van mij worden!"
Hierin bestond overigens het verschil tusschen zijn liefde en de
liefde eener moeder. Wat hij met angst zag, zou een moeder met vreugd
hebben gezien.
De eerste verschijnselen vertoonden zich spoedig.
Van den dag, dat zij bij zich zelve had gezegd: Inderdaad, ik ben
schoon! stelde Cosette meer belang in haar kleeding. Zij herinnerde
zich de woorden van den voorbijganger: Mooi, maar slecht gekleed--de
stem van een orakel, die langs haar gegaan en verdwenen was, na
in haar hart een der beide kiemen te hebben gelegd, die later het
geheele leven der vrouw zullen vervullen, de coquetterie. De liefde
is de andere kiem.
Met het geloof aan haar schoonheid, ontwikkelde zich in haar
de gansche vrouwelijke ziel. Zij had een afkeer van het merinos
en schaamde zich over het pluche. Haar vader had haar nooit iets
geweigerd. Eensklaps was zij ingewijd in de geheimen van den hoed,
van het kleedje, van de mantille, van het laarsje, van de manchette,
van de stof die goed staat, van de kleur die past, deze wetenschap,
die van de Parijsche vrouw iets zoo bekoorlijks, zoo innemends, zoo
gevaarlijks maakt. Het woord femme capiteuse is voor de Parijsche vrouw
uitgevonden, 't beteekent, dat men eene vrouw niet kan aanschouwen
zonder als betooverd te worden.
In minder dan een maand was de kleine Cosette in de onaanzienlijke
Babelstraat niet alleen een der schoonste vrouwen, en dat beteekent
iets, maar zij was een der best gekleede dames van Parijs, wat veel
meer wil zeggen. Zij zou gaarne den bewusten "voorbijganger" ontmoet
hebben, om te hooren wat hij nu zou zeggen. Zij was inderdaad in alle
opzichten bekoorlijk, en wist verwonderlijk een hoed van Gerard van
een hoed van Herbaut te onderscheiden.
Angstig sloeg Jean Valjean deze verandering gade. Hij gevoelde, dat
hij zelf nooit anders dan zou kunnen kruipen, of ten hoogste gaan,
en zag dat Cosette vleugels kreeg.
Overigens zou een vrouw reeds op 't eerste gezicht van Cosette's
kleeding gezien hebben, dat zij geen moeder had. Zekere kleine
voegzaamheden, zekere bijzondere aangenomen gebruiken waren door
Cosette niet in acht genomen. Een moeder, bij voorbeeld, zou haar
gezegd hebben, dat een jong meisje geen damast draagt.
Den eersten keer toen Cosette in haar zwart damastzijden kleed en
mantilje, en haar witkrippen hoed uitging, nam zij, vroolijk, opgewekt,
blozend, fier en schitterend den arm van Jean Valjean.--"Vader,"
vroeg zij, "hoe vindt ge mij nu?" Jean Valjean antwoordde, met een
stem, welke bitter was als die van een afgunstige: "Bekoorlijk."--Op
de wandeling was hij voorts als gewoonlijk. Te huis komende vroeg
hij Cosette:
"Wilt ge uw kleed en hoed van vroeger niet meer dragen?"
Dit had plaats in de kamer van Cosette. Cosette wendde zich naar de
kleerkast, waar haar kloosterkleeding nog hing. "Deze plunje!" zeide
zij. "Vader, wat zal ik daarmeê doen? O neen, die leelijke dingen
draag ik niet meer. Met dat ding op 't hoofd heb ik veel van een
oude schoonmaakster."
Jean Valjean zuchtte diep.
Van dien oogenblik af, merkte hij op, dat Cosette, die vroeger altijd
wilde te huis blijven, zeggende: Vader, ik vermaak mij hier beter
met u, nu steeds wenschte uit te gaan. Inderdaad, waartoe dient een
fraaie gestalte en een keurige kleeding, zoo men ze niet laat zien.
Ook merkte hij op, dat Cosette niet meer dezelfde liefde voor de
achterplaats had. Nu was zij het liefst in den tuin en wandelde niet
zonder vermaak voor het hek. Schuw, zette Jean Valjean den voet niet
in den tuin, hij bleef op zijn achterplaats, als de hond.
Nu Cosette wist dat zij schoon was, verloor zij het bekoorlijke dier
onwetendheid; een uitnemende bekoorlijkheid; want de schoonheid, door
argeloosheid opgeluisterd, is onbeschrijfelijk, en niets is heerlijker
dan een schitterende onschuld, die, zonder het te weten, in haar hand
den sleutel van een hemel heeft. Maar wat zij aan naïeve bevalligheid
verloor, won zij aan ernstige, peinzende bekoorlijkheid. Haar geheele
persoon, doordrongen door de vreugden der jeugd, der onschuld en der
schoonheid, ademde een betooverende zwaarmoedigheid.
't Was omstreeks dien tijd, dat Marius haar, na zes maanden, in het
Luxembourg wederzag.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE VELDSLAG BEGINT.
Cosette was in haar duisternis, gelijk Marius in de zijne,
volkomen gereed om in gloed te geraken. Het lot bracht langzaam,
met zijn geheimzinnig, onfeilbaar geduld, deze twee wezens bijeen,
beiden vervuld en kwijnend van de verwoestende electriciteit van den
hartstocht, welke de liefde in zich droegen, zooals twee wolken den
bliksem dragen, en die elkander treffen en samensmelten zouden door
een blik, gelijk de wolken door een bliksemstraal.
Men heeft in de liefderomans zooveel misbruik van den blik gemaakt,
dat hij eindelijk in minachting is gekomen. Nauwelijks durft men thans
meer zeggen, dat twee wezens alleen door den blik verliefd op elkaar
zijn geworden. 't Is toch aldus, dat men verliefd wordt en niets
anders. Het overige is slechts het overige, en komt later. Niets is
wezenlijker dan deze geweldige schokken, welke twee zielen elkander
bij de wisseling van dezen vonk geven.
In het oogenblik, dat Cosette, zonder het te weten, dien blik schoot,
die Marius in verwarring bracht, vermoedde Marius niet, dat hij
insgelijks een blik schoot, die Cosette in verwarring bracht. Hij
veroorzaakte haar hetzelfde leed en hetzelfde goed.
Sinds lang zag zij hem en sloeg hem gade, zooals meisjes zien en
gadeslaan, terwijl zij elders zien. Marius vond Cosette nog leelijk,
toen Cosette Marius reeds schoon vond. Maar dewijl hij niet op haar
lette, was de jongeling haar onverschillig.
Zij kon evenwel niet beletten, bij zich zelve te zeggen, dat hij
fraai haar, fraaie oogen, fraaie tanden, een bekoorlijke stem had,
wanneer zij hem met zijn makkers hoorde spreken, dat hij, zoo
men aanmerkingen wilde maken, geen fraaie houding had, maar eene
eigenaardige bevalligheid, dat hij in 't geheel niet dom scheen, dat
zijn geheel voorkomen iets edels, zachts, eenvoudigs en fiers toonde,
en dat hij eindelijk wel arm maar goed scheen.
Den dag toen hun oogen elkander ontmoetten en plotseling die
geheime en onuitsprekelijke dingen zeiden, welke de blik stamelt,
begreep Cosette aanvankelijk niets. Zij kwam peinzend te huis in de
Westerstraat, waar Jean Valjean, naar gewoonte, zijn zes weken had
doorgebracht. Toen zij den volgenden morgen ontwaakte, dacht zij aan
dien onbekenden jongeling, die zoo lang onverschillig en koel was
geweest, en nu op haar scheen te letten, en niets duidde aan, dat
deze opmerkzaamheid haar aangenaam was. Veeleer was zij eenigszins
wrevelig op dien schoonen onverschillige. Een zweem van vijandelijk
gevoel verhief zich in haar: 't scheen haar, en zij gevoelde er een
kinderlijke vreugde over, dat zij zich eindelijk zou kunnen wreken.
Daar zij wist dat ze schoon was, had zij er een onduidelijk gevoel
van, dat zij een wapen had. De vrouwen spelen met haar schoonheid
als kinderen met hun mes. Zij kwetsen er zich zelven mede.
Men herinnere zich Marius' aarzeling, zijn ontroering, zijn
angsten. Hij bleef op zijn bank en naderde niet. Dit was Cosette
onaangenaam. Op zekeren dag zeide zij tot Jean Valjean: Vader, laat ons
een weinig naar dien kant wandelen.--Ziende dat Marius niet tot haar
kwam, ging zij tot hem. In dergelijke gevallen gelijkt iedere vrouw
op Mahomed. Daarbij is, zonderlinger wijze, het eerste verschijnsel
van ware liefde bij den jongeling, beschroomdheid; bij een meisje,
stoutmoedigheid. Dit is verwonderlijk, en toch zeer eenvoudig. 't
Zijn twee seksen die elkander pogen te naderen, en die elkanders
hoedanigheden aannemen.
Dien dag maakte het gezicht van Cosette Marius verbijsterd, het
gezicht van Marius deed Cosette huiveren. Marius verwijderde zich vol
vertrouwen, en Cosette onrustig. Van dien dag af beminden zij elkander.
Het eerste wat Cosette gevoelde, was een onbestemde, diepe
droefgeestigheid. 't Kwam haar voor, als ware haar ziel, van den
eenen dag op den anderen, duisterder geworden. Zij herkende ze niet
meer. De blankheid der ziel van jonge meisjes, welke uit koelheid en
vroolijkheid bestaat, gelijkt de sneeuw. Zij smelt onder de liefde,
die haar zon is.
Cosette wist niet wat liefde was. Nooit had zij dat woord in den
aardschen zin hooren uitspreken. In de wereldsche muziekwerken,
welke in het klooster kwamen, werd het woord amour (liefde) steeds
door tambour of pandour vervangen. Dit vormde raadsels, welke de
verbeelding der "grooten" in beweging bracht, als: "O, hoe liefelijk
is de trommel!" of "Medelijden is geen pandoer!" Maar Cosette had te
jong het klooster verlaten om zich veel met den "trommel" bemoeid
te hebben. Zij wist dus geen naam te geven aan 't geen zij thans
gevoelde. Is men er te minder ziek om, dewijl men den naam zijner
ziekte niet kent?
Zij beminde te vuriger, wijl zij onwetend beminde. Zij wist niet of
het goed of slecht, nuttig of gevaarlijk, noodzakelijk of doodelijk,
eeuwig of vluchtig, geoorloofd of verboden was; zij beminde. Zij
zou zeer verwonderd zijn geweest, zoo men haar gezegd had: Slaapt
gij niet? dat is verboden! Eet gij niet? dit is verkeerd! Voelt
ge bedruktheid en hartkloppingen? dat mag niet wezen! Bloost en
verbleekt ge, wanneer iemand in het zwart gekleed aan het einde van
zekere groene laan verschijnt? dit is schandelijk! Zij zou dit niet
begrepen, en geantwoord hebben: Hoe kan ik schuldig zijn in iets,
waaraan ik niets doen kan en waarvan ik niets weet?