benedenkamers, twee kamers op de eerste verdieping, onder een keuken,
boven een boudoir, onder het dak een zolder, voor het huis aan de
straat een tuin met hek. Deze tuin was ongeveer een morgen groot. Dat
was alles wat de voorbijgangers konden zien; maar achter het paviljoen
was een kleine plaats, en achter op die plaats een lage woning van
twee vertrekken met kelder, een soort van schuilplaats ingeval soms
een kind met de min moesten verborgen worden. Deze woning kwam van
achter met een verborgen deur uit in een lang, nauw, bestraat, krom,
open, aan beide zijden van hooge muren omgeven pad, dat met wonderbare
kunst tusschen de omheiningen der tuinen en bouwvelden, waarvan het al
de hoeken en krommingen volgde, verscholen en als verloren was, tot aan
een andere, eveneens geheime deur, ongeveer een half kwartier verder,
schier in een andere wijk, aan het eenzame einde der Babelstraat.
Mijnheer de president ging daarbinnen, zoodat zelfs zij, die hem
bespied hadden, en gevolgd waren, door de opmerking dat hij alle
dagen heimelijk ergens heen ging, niet konden gissen, dat hij van
de Babelstraat naar de straat Blomet ging. Door den gelukkigen
aankoop van gronden had de schrandere magistraatspersoon op eigen
grond en bijgevolg zonder contrôle dien geheimen weg kunnen doen
aanleggen. Later had hij in kleine perceelen, voor tuinen en velden, de
gronden bezijden de gang verkocht, en de eigenaars dier gronden meenden
aan weerszijden een tusschenmuur te hebben en vermoedden volstrekt
niet het bestaan van een lang, bestraat pad, dat tusschen twee muren
kronkelend door hun moestuinen en boomgaarden liep. Alleen de vogels
zagen deze merkwaardigheid. 't Is mogelijk, dat de vinken en musschen
der vorige eeuw veel over mijnheer den president gepraat hebben.
Dit paviljoen in den stijl van Mansard gebouwd en in den smaak van
Watteau gemeubeld, omgeven met een driedubbele haag bloemen, had iets
geheimzinnigs, coquets en plechtigs, zooals het aan een grilligheid
der liefde en van het rechterschap betaamt.
Dat huis en deze gang, die thans verdwenen zijn, bestonden nog voor
omstreeks vijftien jaren. In '93 had een ketellapper het huisje
gekocht om het af te breken, maar wijl hij het niet kon betalen,
verklaarde de natie hem bankroet; zoodat het huis den ketellapper ten
onder bracht. Sedert bleef het huis onbewoond en verviel allengs,
zooals ieder verblijf, waaraan de tegenwoordigheid van den mensch
geen leven meer mededeelt. Het bleef gemeubeld met zijn oud huisraad,
en stond altijd te koop of te huur, en de tien of twaalf personen, die
jaarlijks de straat Plumet doorgaan, werden hiervan verwittigd door een
geel en onleesbaar bordje, dat sinds 1810 aan het tuinhek was gehecht.
Deze zelfde voorbijgangers konden tegen het einde der restauratie zien,
dat het bordje verdwenen was en de vensterluiken der eerste verdieping
open waren. Het huis werd inderdaad bewoond. Voor de vensters hingen
ondergordijntjes, een bewijs dat er een vrouw in 't huis was.
In de maand October 1829 had een vrij bejaard man het huis gehuurd,
in den staat zooals het was, daaronder begrepen het achterhuis en de
gang, die in de Babelstraat uitliep. Hij had de twee geheime deuren
van die gang doen herstellen. Zooals wij gezegd hebben, was het huis
nog genoegzaam gemeubeld met het oude huisraad van den president;
de nieuwe bewoner had eenige herstellingen verordend, hier en daar
bijgevoegd wat ontbrak, de plaats opnieuw doen bestraten, de vloeren
doen vernieuwen, aan de trap nieuwe treden doen maken en ruiten in
de ramen doen zetten, en eindelijk had hij met een jong meisje en
een oude dienstmaagd stil en onopgemerkt het huis betrokken, als
iemand die heimelijk binnensluipt. De buren babbelden er niet over,
wijl er geen buren waren.
Deze weinig gerucht makende huurder was Jean Valjean het jonge meisje
was Cosette. De dienstbode was een vrouw, Toussaint geheeten, welke
Jean Valjean van het hospitaal en de armoede had gered, een oude,
stotterende boerin, welke drie hoedanigheden Jean Valjean er toe geleid
hadden haar bij zich te nemen. Hij had het huis gehuurd onder den naam
van Fauchelevent, rentenier. Met al hetgeen reeds vroeger verhaald is,
zal de lezer Jean Valjean gewis eerder herkend hebben dan Thénardier
zulks deed.
Waarom had Jean Valjean het klooster van Klein-Picpus verlaten? Wat
was er gebeurd?
"Er was niets gebeurd."
Men weet, dat Jean Valjean in het klooster gelukkig was, zoo
gelukkig, dat zijn geweten zich eindelijk verontrustte. Hij zag
Cosette dagelijks, terwijl het vaderlijk gevoel meer en meer in hem
ontwaakte en zich ontwikkelde; hij nam het kind geheel in zijn hart op,
hij zeide bij zich zelven, dat het hem behoorde en niets het hem kon
ontrukken; dat dit altijd zoo zou blijven; dat zij zekerlijk non zou
worden, wijl zij hiertoe dagelijks zacht werd aangespoord; dat dus het
klooster zoowel voor hem als voor haar, voortaan de wereld zou zijn;
dat hij er oud en zij er groot zou worden; dat zij er oud worden en
hij er sterven zou; dat eindelijk, welk een zoet vooruitzicht! geen
scheiding meer mogelijk was. Doch bij de overweging van dit alles,
geraakte hij toch in verlegenheid. Hij onderzocht zich zelven. Hij
vroeg zich, of al dat geluk hem wel behoorde; of het niet uit het geluk
van een ander bestond, uit het geluk van het meisje, 't welk hij, oude
man, zich toegeëigend had en bij zich verborg; of dit geen diefstal
was? Hij zeide tot zich zelf, dat dit kind het recht had het leven
te kennen, vóór er afstand van te doen, dat, zoo hij haar vooraf, en
zonder haar te raadplegen, alle vreugde afsneed, onder het voorwendsel
haar voor alle verzoekingen te bewaren, en van haar onwetendheid en
afzondering gebruik maakte om een kunstmatige roeping in haar aan te
kweeken--hierdoor een menschelijke natuur geweld werd aangedaan en God
belogen. En wie weet of Cosette, dit eenmaal ontwarende en een non
tegen haar zin zijnde, hem ten slotte niet zou haten. Deze laatste,
schier zelfzuchtige en minder edelmoedige gedachte dan de andere,
was hem ondragelijk. Hij besloot het klooster te verlaten.
Hij nam dat besluit en erkende met leedwezen, dat hij
moest. Tegenbedenkingen had hij niet. Een vijfjarig verblijf en
verdwijning tusschen deze vier muren hadden noodwendig alle redenen
van vrees vernietigd of verdreven. Gerust kon hij onder de menschen
wederkeeren. Hij was ouder geworden en alles was veranderd. Wie zou hem
nog herkennen? Zoo het ergste mocht gebeuren, was er slechts gevaar
voor hem zelven, en hij had het recht niet Cosette tot het klooster
te doemen, omdat hij tot het bagno veroordeeld was geweest. Wat is
overigens het gevaar tegenover den plicht? Eindelijk, niets belette
hem voorzichtig te zijn en voorzorgen te nemen.
Cosette's opvoeding was overigens bijna voltooid.
Toen hij zijn besluit genomen had, wachtte hij de gelegenheid af. Deze
bood zich spoedig aan. De oude Fauchelevent stierf. Jean Valjean
verzocht gehoor bij de hoogwaardige priorin en zeide haar, dat hem bij
den dood zijns broeders een kleine erfenis was toegevallen, welke hem
vergunde, voortaan stilletjes te kunnen leven, waarom hij den dienst
van het klooster ging verlaten en zijn dochter medenam; maar aangezien
het niet billijk zou zijn dat Cosette, nu ze haar gelofte niet deed,
kosteloos opgevoed was geworden, verzocht hij nederig de eerwaardige
priorin het klooster, ter vergoeding der vijf jaren die Cosette er in
had doorgebracht, een som van vijf duizend francs te mogen aanbieden.
Alzoo verliet Jean Valjean het klooster der Eeuwige Aanbidding. Toen
hij het verliet, droeg hij zelf, zonder het aan een kruier te willen
toevertrouwen, het kleine valies, van 't welk hij steeds den sleutel
bij zich droeg. Dit valies wekte Cosette's nieuwsgierigheid, uithoofde
der kamferlucht die het verspreidde.
Laat ons bij deze gelegenheid zeggen, dat dit valies hem voortaan niet
meer verliet. Het was altijd in zijn kamer. Het was het eerste en soms
het eenige voorwerp, dat hij bij zijn verhuizingen medenam. Cosette
lachte er om, en noemde dit valies, "de onafscheidbare," en zeide,
dat zij er jaloersch op was.
Overigens verscheen Jean Valjean niet zonder bezorgdheid weder in de
vrije lucht.
Hij vond het huis in de straat Plumet en trok zich hier terug. Van
nu af nam hij den naam van Ultime Fauchelevent aan.
Tezelfder tijd huurde hij twee andere woningen in Parijs, om minder
de aandacht te trekken, dan wanneer hij altijd in dezelfde wijk
ware gebleven, om desnoods bij de minste ongerustheid zich te kunnen
verwijderen, en eindelijk om niet weer zonder toevlucht te zijn als
in den nacht toen hij zoo wonderdadig aan Javert ontsnapt was. 't
Waren uiterlijk twee zeer ellendige en armoedige woningen in twee
ver van elkander verwijderde wijken, de eene in de Westerstraat,
de andere in de straat van den gewapenden Man.
Van tijd tot tijd ging hij met Cosette nu in deze, dan in gene woning
een maand of zes weken doorbrengen, zonder vrouw Toussaint mede te
nemen. Hij liet er zich door de portiers bedienen en gaf zich uit
voor een rentenier uit den omtrek, die een optrek in de stad moest
hebben. Deze zoo deugdzame man had drie woningen in Parijs om aan de
politie te ontkomen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
JEAN VALJEAN NATIONALE GARDE.
Overigens woonde hij eigenlijk in de straat Plumet, waar hij op de
volgende wijs zijn leven had ingericht:
Cosette bewoonde met de dienstbode het paviljoen, zij had de groote
slaapkamer met de geschilderde paneelen, het boudoir met de vergulde
lijsten, het salon van den president met tapijten en groote stoelen,
en den tuin. Jean Valjean had in Cosette's kamer een ledikant met
hemel van drieërlei kleur van oud damast doen plaatsen en den vloer
doen beleggen met een oud fraai Perzisch tapijt, dat in de straat
Figuier-Saint-Paul bij vrouw Gaucher was gekocht, en om het statige
van deze ouderwetsche pracht eenigszins te temperen, had hij er
allerlei bevallige en sierlijke kleine meubelstukken voor jonge dames
bijgevoegd, étagère, boekenkast met vergulde boeken, papeterieën, een
met paarlemoer ingelegd werktafeltje, een zilveren vergulde nécessaire,
en een toilet van Japansch porselein. Lange, driekleurige damasten
gordijnen met rooden grond als die van het ledikant hingen voor de
vensters van de eerste verdieping. Voor de vensters beneden hingen
geborduurde gordijnen. Den ganschen winter was het huisje van Cosette
van boven tot beneden verwarmd. Jean Valjean zelf bewoonde de soort
van portierswoning achter op de plaats, met een matras op een bed met
zeelen, een withouten tafel, twee matten stoelen, een aarden waterkan,
eenige boeken op een plank, zijn dierbaar valies in een hoek, maar
altijd zonder vuur. Hij at met Cosette, en had een zwart brood voor
zich op de tafel. Toen vrouw Toussaint bij hem in dienst kwam, had hij
haar gezegd: "De jongejuffrouw is de meesteres des huizes."--"En gij,
mijnheer?" had vrouw Toussaint verwonderd gevraagd. "Ik ben veel meer
dan de heer des huizes, ik ben de vader."
Cosette had in het klooster de huishouding geleerd, en regelde de
uitgaven, die zeer matig waren. Alle dagen ging Jean Valjean met
Cosette aan den arm wandelen. Hij leidde haar naar het Luxembourg
in de minst bezochte laan, en alle Zondagen naar de mis, altijd in
St. Jacques du Haut-Pas, wijl deze kerk ver af was. Aangezien deze wijk
zeer arm is, gaf hij er veel aalmoezen, en de armen omringden hem in
de kerk, 't geen hem den brief van Thénardier had bezorgd: "Aan den
weldadigen Heer van de kerk van Saint-Jacques du Haut-Pas." Gaarne
ging hij met Cosette de behoeftigen en kranken bezoeken. Geen vreemde
had toegang in het huis der straat Plumet. Vrouw Toussaint bracht de
mondbehoeften, en Jean Valjean zelf ging het water aan een nabijgelegen
pomp op den boulevard halen. Het hout en de wijn werden bewaard in
een half onderaardsch hol, dicht bij de deur in de Babelstraat, dat
eertijds den heer president tot grot had gediend; want in dien tijd
was er geen liefde zonder grot.
In de deur aan den kant der Babelstraat was een bus voor brieven
en dagbladen; maar de drie bewoners van het paviljoen der straat
Plumet ontvingen noch dagbladen noch brieven, zoodat deze bus, die
vroeger had gediend voor de ontvangst van minnebrieven en liefdezaken,
nu enkel de waarschuwingen van den ontvanger der belastingen en de
wachtbriefjes ontving. Want de rentenier Fauchelevent was nationale
garde; hij had aan de dichte maliën der volkstelling van 1831 niet
kunnen ontsnappen. Het onderzoek van het stedelijk bestuur, destijds
gedaan, had zich tot het klooster van Klein-Picpus uitgestrekt, waaruit
Jean Valjean, voor het oog der mairie, als uit een ondoordringbare
en heilige wolk, eerwaardig, en bijgevolg waardig om de wacht te
betrekken, gekomen was. Drie of viermaal 's jaars trok Jean Valjean
zijn uniform aan en betrok de wacht. Hij deed dit gaarne, want 't was
voor hem een volkomene vermomming, die hem onder de menschen mengde en
toch alleen liet. Jean Valjean had zijn zestigste jaar reeds bereikt,
welke ouderdom hem van den dienst vrijstelde; maar hij scheen niet
ouder dan vijftig; bovendien had hij volstrekt geen lust zich aan zijn
sergeant-majoor te onttrekken en met zijn kommandant den graaf de Lobau
te kibbelen; hij verborg zijn naam, zijn identiteit, zijn ouderdom;
hij verborg alles, en, zooals wij gezegd hebben, was hij een nationale
garde met goeden wil. Zijn eenige eerzucht bestond in op ieder te
gelijken, die zijn burgerplichten volbrengt. Het ideaal voor dezen
man was voor het innerlijke de engel, voor het uiterlijke de burger.
Wij moeten hier evenwel op een bijzonderheid opmerkzaam maken: wanneer
Jean Valjean met Cosette uitging, kleedde hij zich, zooals wij gezien
hebben, en had eenigszins het voorkomen van een oud-officier. Wanneer
hij alleen uitging en dit was gewoonlijk 's avonds 't geval, droeg
hij steeds een buis en broek als een werkman, en een pet welker klep
zijn gezicht bedekte. Was dit voorzichtigheid, of nederigheid? Beide
tegelijk. Cosette was aan het raadselachtige zijns levens gewoon
en merkte nauwelijks de zonderlingheden van haar vader op. Vrouw
Toussaint vereerde Jean Valjean en vond alles goed wat hij deed.--Op
zekeren dag zeide de slager, die even Jean Valjean gezien had:
"'t Is een rare snaak." Zij antwoordde: "'t Is een heilige."
Nooit gingen Jean Valjean, Cosette of vrouw Toussaint uit of in het
huis dan door de deur in de Babelstraat. Zonder hen door het tuinhek te
zien, zou 't bezwaarlijk te raden zijn geweest, dat zij in de straat
Plumet woonden. Dat hek bleef altijd gesloten. Jean Valjean had den
tuin woest laten liggen, ten einde de aandacht er niet op te vestigen.
Hierin bedroog hij zich misschien.
DERDE HOOFDSTUK.
BLADEREN EN BLOESEMS.
Deze alzoo sedert een halve eeuw aan zich zelven overgelaten tuin
was inderdaad buitengewoon en fraai geworden. Veertig jaren geleden
bleven de voorbijgangers in de straat staan om hem te bezien, zonder
te vermoeden, welke geheimen achter zijn frisch, dicht struikgewas
scholen. Menig denker heeft destijds zekerlijk zijn oogen en zijn
gedachten tevens nieuwsgierig door de traliën van het gesloten,
waggelend hek gewrongen, dat zich tusschen twee met mos begroeide
pilaren bevond, met een kroonwerk van zonderlinge, onverklaarbare
arabesken.
Men zag er een steenen bank in een hoek en een paar beelden,
tegen den muur eenig rottend latwerk; maar geen sporen van paden of
bedden; overal onkruid. De tuinier was heengegaan, maar de natuur was
teruggekeerd. Het onkruid tierde welig, een gelukkige omstandigheid
voor een arm hoekje grond. De hondsbloemen hielden er feest. Niets in
dezen tuin belemmerde het heilig streven van het geschapene naar leven;
er heerschte onweerhouden groeikracht. De boomen hadden zich naar
de struiken gebogen, de struiken waren tot de boomen opgestegen, de
plant had zich geslingerd, wat op de aarde kruipt had zich vereenigd
met 't geen zich in de lucht ontwikkelt; wat in den wind wuift,
had zich gebogen naar 't geen in het mos wemelt; stammen, takken,
vezelen, struiken, ranken, doornen hadden zich gemengd, verward,
dooreen gekronkeld; de groeikracht had hier in een klein en nauw
bestek, op een oppervlakte van driehonderd vierkante voeten, onder
het tevreden oog van den schepper de heilige verborgenheid van haar
broederschap, het zinnebeeld der menschelijke broederschap, gevierd
en voltrokken. Deze tuin was geen tuin meer, maar één colossaal
struikgewas, dat wil zeggen iets dat ondoordringbaar is als een woud,
bevolkt als een stad, trillend als een vogelnestje, somber als een
kerk, geurig als een bloemruiker, eenzaam als een graf, levendig als
een volksdrom.
In de lente deelde dit groote bosschage, vrij achter zijn hek en
tusschen zijn vier muren, in den algemeenen arbeid der ontkieming en
van den liefdegloed, trilde het bij de opgaande zon schier als een
dier, dat den invloed der cosmische liefde in zijn aderen voelt zieden;
dan zijn weelderig groen haar in den wind schuddende, bestrooide het
de vochtige aarde, de half vergane beelden, de bouwvallige stoep van
het paviljoen en zelfs de keien der eenzame straat met bloemen en
sterren, met dauw en paarlen, met vruchtbaarheid, schoonheid, leven,
vreugd en geur. Des middags dartelden er duizenden witte vlinders, en
't was een heerlijk schouwspel deze levende zomersneeuw in de schaduw
te zien dwarlen. Hier, in deze bekoorlijke duisternissen van het groen,
spraken een menigte ongekunstelde stemmen zachtkens tot de ziel,
en wat het gekweel had vergeten, voltooide het gegons. Des avonds
steeg een wasem van droomerij uit den tuin op en vervulde hem; een
lijkwade van nevel, een hemelsche, kalme droefgeestigheid overdekte
hem; de zoo bedwelmende geur der kamperfoelie en winde verbreidde
zich van alle zijden als een vluchtig, bedwelmend vergif; men hoorde
de laatste tonen der meerlen en vinken onder de twijgen wegsterven,
men gevoelde er die heilige vertrouwelijkheid van den vogel en den
boom; des daags verlevendigt het gevogelte de bladeren, des nachts
beschermen de bladeren het gevogelte.
In den winter was het bosschage donker, vochtig, steil opgericht,
bibberend, en liet het een weinig het huis zien. Men zag dan in
plaats van bloemen in de twijgen en dauw op de bloemen, de lange
zilveren strepen der slakken op het kille dikke tapijt van dorre
bladeren; maar op allerlei wijzen, hoe men ze ook beschouwde, in alle
jaargetijden, in de lente, des winters, des zomers, in den herfst,
ademde deze kleine plek weemoed bespiegeling, eenzaamheid, vrijheid,
's menschen afwezendheid, Gods tegenwoordigheid; en het oude verroeste
hek scheen te zeggen: deze tuin behoort mij.
Niettegenstaande heel Parijs er omheen lag, de klassieke en prachtige
hôtels der straat Varennes er zich dicht bij bevonden, de dom
der Invaliden zeer dicht bij was, de kamers der gedeputeerden
niet ver waren; niettegenstaande de koetsen der Bourgogne- en
St. Dominique-straten statig in de nabuurschap rolden, de gele,
bruine, witte en roode omnibussen elkander op het nabijgelegen
plein kruisten--was en bleef de straat Plumet een woestenij; en
de dood der voormalige bezitters, een voorbijgegane omwenteling,
de verwoesting van vroegere rijkdommen, afwezendheid, vergetelheid,
veertigjarige verlatenheid en ledigheid waren voldoende geweest om in
dit bevoorrechte oord varens, scheerling, duizendblad, wild gras en
woekerplanten, hagedissen, kevers, alle soorten van insecten terug
te brengen; om uit de diepte der aarde een onbeschrijfelijk wilde
en woeste grootschheid tusschen deze vier muren te doen opstijgen,
en te bewerken, dat de natuur, die de kleingeestige inrichtingen van
den mensch verijdelt, en zich daar geheel uitstort, waar zij zich
uitstort, evenzeer in de mier als in den arend, zich in een kleinen
Parijschen tuin met even veel macht en majesteit ontwikkelde, als in
een maagdelijk woud der nieuwe wereld.
Niets is werkelijk klein; wie zich aan de onderzoekingen der natuur
wijdt, weet dat. Hoewel de wijsbegeerte zich evenmin beroemen kan op
het aangeven der oorzaak als op de bepaling der werking, verzinkt
toch de aanschouwer in grondelooze verrukking bij deze werkingen
der natuurkrachten, die alle tot éénheid voeren. Alles werkt tot
het geheel.
De algebra is van toepassing op de wolken; de straling der sterren
is ten voordeele der roos; geen denker zou durven zeggen, dat de geur
van den witten hagedoorn geheel zonder invloed op de sterren is. Wie
kan dus den loop van een stofdeeltje berekenen? Wat weten wij er
van, of de vorming van werelden niet door den val van zandkorrels
wordt veroorzaakt? Wie kent toch de wederzijdsche eb en vloed van
het oneindig kleine, den weerklank der oorzaken in de afgronden van
het bestaan, en de lawinen der eeuwigheid. Een mijtje is van gewicht;
het kleine is groot, het groote is klein; alles staat in noodzakelijk
evenwicht; welk een vreeselijk visioen voor den geest!
Wezens en zaken zijn met elkander in wonderbare betrekking, in
het onmetelijk geheel hebben mijt en zon, heeft het een het ander
noodig. Het licht voert de aardsche geuren niet in het blauw des hemels
op, zonder te weten wat er meê te doen; de nacht deelt aan de slapende
bloemen het uitvloeisel der sterren mede. Al de vogels die vliegen
hebben den draad van het oneindige aan den poot. De ontkieming ligt
zoowel in het ontstaan van een luchtverschijnsel als in het pikken
der zwaluw, die het ei breekt, en zij bewerkt evenzeer de geboorte van
een aardworm als de verschijning van een Sokrates. Waar de telescoop
eindigt, begint de microscoop. Wie van de twee heeft het scherpste
gezicht. Men kieze. Een schimmelplekje is een melkweg van bloemen;
een nevelvlek een gewemel van sterren. 't Is dezelfde, maar nog meer
wonderbare overeenstemming der dingen van den geest met de werkingen
van de stof. De elementen en beginselen mengen, vereenigen, verbinden,
vermenigvuldigen zich de eene door de andere, zoodat zij tegelijk de
stoffelijke en de zedelijke wereld in het licht brengen.
De oneindige cosmische wisselingen strekken zich over alles uit,
en vormen een ontzaggelijke machine, welker eerste beweegkracht een
mug en welker laatste rad de dierenriem is.
VIERDE HOOFDSTUK.
VERANDERING VAN HET HEK.
Het scheen of deze tuin, eertijds geschapen om onzedelijke
verborgenheden te omsluieren, was herschapen en geschikt geworden
om kuische verborgenheden te beschermen. Er waren geen priëelen,
geen grasperken, geen hutjes, geen grotten meer; maar er was een
heerlijke duisternis, die als een sluier over alles hing. Paphos was
in Eden veranderd. Deze plek scheen door een of andere boetedoening
gereinigd. Deze bloementuin bood thans haar bloemen aan de ziel. Deze
sierlijke tuin, eertijds zeer onteerd, was weder rein en schuldeloos
geworden. Een president, geholpen door een tuinier, hadden hem voor de
zinnelijkheid gevormd, gesnoeid, gedraaid, opgeschikt en ingericht;
maar de natuur had hem teruggenomen, met schaduw gevuld en voor de
reine liefde bereid.
In deze eenzaamheid was insgelijks een geheel gereed hart. De liefde
behoefde zich slechts te vertoonen; zij had er een tempel uit loof,
gras, mos, vogelengekweel en zachte duisternis; en een ziel uit
zachtheid, geloof, deugd, hoop, wenschen en illusiën gevormd.
Cosette had, schier als kind, het klooster verlaten; zij was iets ouder
dan veertien jaar, in den zoogenoemden "ondankbaren leeftijd." Zooals
gezegd is, scheen zij, behalve de oogen, eer leelijk dan mooi. Zij
had wel is waar geen onaangename trekken, maar zij was houterig,
mager, verlegen en stoutmoedig tevens, kortom een groot "klein" meisje.