geweest" en wiens naam Javert vergeten had, aan dezen lag Javert weinig
gelegen. Een advocaat is buitendien altijd licht te vinden. Maar was
hij wel advocaat?
Het onderzoek was begonnen.
De rechter van instructie had het raadzaam geoordeeld, een der mannen
van de bende Patron-Minette niet buiten toegang te stellen, hopende
dat hij iets verklappen zou. Deze man was Brujon, de langharige van
de straat Petit-Banquier. Men had hem in een ander deel der gevangenis
gebracht, waar de bewakers hem in het oog hielden.
Deze naam, Brujon, behoort tot de herinneringen in de gevangenis
la Force. Op de leelijke binnenplaats van het zoogenaamde nieuwe
gebouw, welke het bestuur de plaats St. Bernard, maar de dieven den
Leeuwenkuil noemden, zag men op den vuilen muur die zich links tot
aan de daken verhief, bij een oude verroeste ijzeren deur, welke in
de oude kapel van het hertogelijk hôtel de la Force voerde, en welke
kapel thans als slaapzaal voor dieven dient, voor omstreeks twaalf
jaren een soort van bastille met een spijker in de steenen gekrabd
en daar onder deze naamteekening:
Brujon, 1811.
De Brujon van 1811 was de vader van den Brujon van 1832.
Deze laatste, dien men bij de hinderlaag in het huis Gorbeau slechts
onduidelijk gezien heeft, was een zeer sluwe, behendige knaap, met
een bescheiden en weemoedig voorkomen. Om deze reden had de rechter
van instructie hem in de algemeene gevangenis doen brengen, in de
meening dat hij hier nuttiger zou zijn dan buiten toegang in zijn cel.
De dieven staken hun bedrijf niet, omdat zij in de handen der justitie
zijn. Aan zulk een kleinigheid stoort men zich niet. Wegens een misdaad
in de gevangenis te zijn, belet niet een andere misdaad op touw te
zetten. 't Zijn schilders, die een schilderij op de tentoonstelling
hebben, en daarom niet te minder aan een nieuwe schilderij in hun
atelier werken.
Brujon scheen door de gevangenis geheel ontsteld. Men zag hem soms
uren lang op de plaats bij het raampje der cantine staan, als een
zinnelooze de vuile prijslijst der waren beschouwende, die begon met:
knoflook 62 centimes, en eindigde met: sigaren vijf centimes. Of hij
bracht den tijd door met te rillen en te klappertanden, zeggende dat
hij de koorts had, en onderzoekende of een der acht-en-twintig bedden
der koortszaal onbezet was.
Eensklaps vernam men omstreeks het midden der maand Februari 1832,
dat Brujon, die slaper, door de boodschappers van het gevangenhuis,
niet op zijn naam, maar op dien van drie zijner kameraads, drie
verschillende boodschappen had laten doen, welke hem gezamenlijk
vijftig sous hadden gekost, een buitengewone uitgave, welke de
opmerkzaamheid van den brigadier der gevangenis wekte.
Men deed onderzoek en het tarief der boodschappen vergelijkende,
dat in de spreekkamer der gevangenen hing, bleek het, dat de vijftig
sous voor drie boodschappen waren geweest, een naar het Pantheon,
tien sous; een naar het Val de Grace, vijftien sous; en een naar de
barrière Grenelle, vijf-en-twintig sous. Deze laatste was de duurste
op het tarief. Nu bevonden zich juist bij het Pantheon, het Val de
Grace en de barrière Grenelle de woningen van deze drie zeer gevreesde
barrièreschooiers, Kruideniers, anders genoemd Bizarro, Glorieux, een
ontslagen galeiboef, en Barre-Carrosse, op welke door dit voorval de
blik der politie opnieuw getrokken werd. Men meende te weten, dat deze
drie mannen tot de bende van Patron-Minette behoorden, van welke men
twee aanvoerders, Babet en Gueulemer, gevat had. Men veronderstelde,
dat de boodschappen van Brujon, die niet aan de huizen, maar aan lieden
op de straat gericht waren, inlichtingen moesten bevat hebben wegens
een of ander beraamd misdrijf. Men had nog andere aanwijzingen. Men
vatte dus de drie schooiers, in de meening hierdoor Brujons plannen
verijdeld te hebben.
Omstreeks een week na deze maatregelen zag een oppasser, die zijn ronde
deed en de benedenslaapzaal van het nieuwe gebouw inspecteerde, juist
toen hij het teeken wilde geven dat alles in orde was, door het spiegat
van de slaapzaal, Brujon op zijn bed zitten schrijven. De oppasser
trad binnen, men zette Brujon een maand in het cachot, maar men kon
niet vinden wat hij geschreven had. De politie vernam evenmin iets.
Zeker is het, dat den volgenden dag "een postillon" van de plaats
Charlemagne over het vijf verdiepingen hooge gebouw, dat beide plaatsen
scheidde, in den Leeuwenkuil werd geworpen.
De gevangenen noemen "postillon" een kunstig van brood gekneed
balletje, dat "naar Ierland" wordt gezonden, dat wil zeggen over
de daken eener gevangenis van de eene naar de andere plaats. Dat
balletje valt op de plaats. Die het opraapt, opent het en vindt er
een briefje voor een der gevangenen in. Is de vinder een gevangene,
dan bezorgt hij het briefje aan zijn bestemming; is 't een oppasser
of een stille verklikker onder de gevangenen, dan wordt het briefje
naar het bureau der gevangenis gebracht en aan de politie overgeleverd.
Ditmaal kwam de postillon aan zijn adres, hoewel degeen voor wien
het briefje was bestemd, op dien oogenblik buiten toegang zat. De
geadresseerde was niemand minder dan Babet, een der vier aanvoerders
van Patron-Minette.
De postillon bevatte een gerold papiertje, waarop slechts deze
twee regels:
"Babet. Er is in de straat Plumet een zaak te doen. Een hek om
een tuin."
Dit had Brujon des nachts geschreven.
Ten spijt van alle onderzoekingen vond Babet middel het briefje uit la
Force naar Salpetrière, de vrouwengevangenis, tot een "goede vriendin"
die hier zat, te doen overgaan. Deze vrouw bezorgde op haar beurt
het briefje aan eene andere die ze kende, een zekere Magnon, die de
politie scherp in 't oog hield, maar nog niet gevat had. Deze Magnon,
wier naam de lezer reeds kent, had betrekkingen met de Thénardiers,
welke later zullen worden vermeld, en kon, door Eponine te bezoeken,
tot brug dienen, tusschen la Salpetrière en de Madelonnettes.
't Was juist op het oogenblik, dat de zusters Eponine en Azelma weer
op vrije voeten werden gesteld, daar bij 't onderzoek der zaak van
haar vader geen directe bewijzen tegen haar waren aan 't licht gekomen.
Toen Eponine de Madelonnettes verliet, gaf haar Magnon, die haar aan
de deur wachtte, het briefje van Brujon aan Babet, haar bevelende de
zaak "op te nemen."
Eponine ging naar de straat Plumet, vond het hek en den tuin, nam
het huis in oogenschouw, bespiedde, loerde, en bracht eenige dagen
later aan Magnon, die in de straat Cloche-Perce woonde, een beschuit,
welke Magnon aan de minnares van Babet in de Salpetrière bezorgde. Een
beschuit beteekent in de duistere beeldspraak der gevangenissen:
"niets te doen."
Toen ongeveer een week later Babet en Brujon elkander in de gang
der gevangenis la Force ontmoetten, terwijl de een naar het verhoor
ging en de andere van daar terugkeerde, vroeg Brujon: "Nu, de straat
P?"--"Beschuit," antwoordde Babet.
Alzoo ging deze kiem der misdaad te niet, welke door Brujon in la
Force was ontworpen.
Deze mislukking had echter gevolgen, die geheel niet in Brujons
bedoelingen lagen.
Men meent soms een draad te knoopen, en men maakt een anderen los.
DERDE HOOFDSTUK.
VADER MABEUF HEEFT EEN VERSCHIJNING.
Marius bezocht niemand meer; hij ontmoette echter nu en dan den
ouden Mabeuf.
Terwijl Marius langzaam die donkere trap afging, welke men de trap
der holen zou kunnen noemen, en welke naar die oorden zonder licht
voert, waar men de gelukkigen boven zich hoort gaan, ging de heer
Mabeuf zijnerzijds insgelijks naar beneden.
De "Flora van Cauteretz" werd volstrekt niet meer verkocht. De
proefnemingen met de indigo waren niet geslaagd in den kleinen tuin van
Austerlitz, die niet aan de zonzijde lag. Mabeuf kon er slechts eenige
zeldzame planten kweeken, die vochtigheid en schaduw behoeven. Evenwel
verloor hij den moed niet. In den Plantentuin had hij een hoekje gronds
verkregen, dat goed gelegen was, om er "te zijnen koste" proefnemingen
met de indigo te doen. Daarvoor had hij de koperplaten zijner Flora
naar den lombard gebracht. Hij had zijn ontbijt tot twee eieren
ingekrompen, en daarvan gaf hij er een aan zijn oude dienstmaagd,
welke hij sedert vijftien maanden geen loon had betaald. En dikwijls
was zijn ontbijt zijn eenige maaltijd. Hij lachte niet meer met dien
kinderlijken lach van vroeger, maar was somber geworden en ontving
geen bezoeken meer. 't Was goed, dat Marius er niet meer aan dacht tot
hem te gaan. Soms ontmoetten de grijsaard en de jongeling elkander op
den boulevard, wanneer de heer Mabeuf naar den Plantentuin ging. Zij
spraken niet, maar knikten elkander treurig toe. 't Is iets grievends,
dat er oogenblikken zijn, wanneer de armoede alle betrekkingen
oplost! Men was een paar vrienden, men wordt twee voorbijgangers.
De boekhandelaar Royol was overleden. De heer Mabeuf kende nu nog
slechts zijn boeken, zijn tuin en zijn indigo; dit waren de drie
vormen, welke voor hem het geluk, het vermaak en de hoop hadden
aangenomen.
Dit was hem voldoende om te leven. Hij dacht: "Zoodra ik mijn indigo
gemaakt heb, ben ik rijk, ik zal mijn koperplaten uit den lombard
halen, het debiet van mijn Flora door kwakzalverij, de turksche trom
en advertentiën in de couranten weder herstellen, en hier of daar een
exemplaar van L'art de Naviguer door Pierre de Medine, druk van 1559,
met houtsneden, zien op te sporen. Intusschen werkte hij den ganschen
dag aan zijn indigobed en des avonds kwam hij te huis om zijn tuin te
begieten en zijn boeken te lezen. De heer Mabeuf was op dat tijdstip
bijna tachtig jaar oud.
Op zekeren avond had hij een zonderlinge verschijning.
Hij was te huis gekomen, terwijl het nog helder licht was. Moeder
Plutarchus, die begon te sukkelen, was ongesteld en lag te bed. Hij
had met een bot, waaraan een weinig vleesch was, en een stuk brood, dat
hij op de keukentafel had gevonden, zijn maaltijd gedaan, en zich toen
op een liggenden straatpaal gezet, die in zijn tuin voor bank diende.
Bij die bank stond, zooals gewoonlijk in oude tuinen met vruchtboomen,
een soort van groote kist, die onder tot konijnenhok, boven tot
bergplaats van vruchten diende. Er waren geen konijnen in het hok,
maar boven eenige appels; de rest van den wintervoorraad.
De heer Mabeuf was, met behulp van zijn bril, twee boeken begonnen
te doorbladeren en te lezen, welke hem bevielen, en zelfs, iets
bijzonders op zijn ouderdom, zijn gedachten geheel boeiden. Zijn
natuurlijke beschroomdheid maakte hem eenigszins vatbaar voor
bijgeloovigheid. Het eene boek was de vermaarde verhandeling van
den president Delancre "over de onstandvastigheid der duivels",
het andere was de 4e uitgave van Mutor de la Rubaudière, "over de
duivels van Vauvert en de kabouters van de Bièvre." In dit laatste
oude boek stelde hij te meer belang, wijl zijn tuin vroeger door
kabouters bezocht was geweest. De avondschemering begon wat boven is
te verlichten en wat onder is te verdonkeren. Terwijl hij het boek
las, dat hij in de hand hield, zag vader Mabeuf er over heen naar
zijn planten, onder anderen naar een prachtigen rhododendron, die een
zijner vertroostingen was; er waren vier heete, winderige en zonnige
dagen zonder een droppel regen voorbijgegaan; de stengels bogen, de
knoppen hingen, de bladeren vielen; de geheele tuin moest begoten
worden; vooral stond de rhododendron heel treurig. Vader Mabeuf
behoorde tot hen, voor wie de planten zielen hebben. De grijsaard
had den geheelen dag aan zijn indigobed gewerkt, hij was uitgeput van
vermoeidheid, maar stond echter op, legde zijn boeken op de bank en
ging gebukt en met waggelenden tred naar den put; doch toen hij den
ketting had gegrepen, kon hij niet ver genoeg reiken om dien los te
haken. Toen keerde hij zich om en hief een treurigen blik ten hemel,
die zich met sterren vulde.
De avond had die helderheid, welke over de smarten van den mensch een
soort van weemoedige en eeuwige vreugd uitbreidt. De nacht beloofde
even dor te zijn als de dag was geweest.
Overal sterren! dacht de grijsaard; niet het kleinste wolkje! geen
droppel water!
En zijn even opgericht hoofd zonk weder op zijn borst.
Hij hief het weder op, aanschouwde nogmaals den hemel en prevelde:
Een dropje dauw! een weinig erbarming!
Hij poogde nogmaals den ketting los te maken, maar kon niet.
Op dit oogenblik hoorde hij een stem zeggen:
"Vader Mabeuf, wilt gij, dat ik uw tuin begiete?"
Tezelfder tijd ontstond in de haag een gerucht als van een dier, dat
er doordrong, en hij zag uit de struweelen een groot, mager meisje
komen, dat eensklaps voor hem verscheen, en hem strak en stoutmoedig
aanzag. Zij had minder het voorkomen van een menschelijk wezen dan
van een gestalte, die uit de avondschemering was ontstaan.
Alvorens vader Mabeuf, die licht schrikte, en zooals wij gezegd
hebben, spoedig bevreesd was, iets had kunnen antwoorden, had dit
wezen, welks bewegingen in de duisternis een zonderlinge levendigheid
hadden, den ketting losgemaakt, den emmer laten dalen en opgehaald,
en den gieter gevuld; en nu zag de goede oude man deze verschijning,
met bloote voeten en in een versleten rok, tusschen de bloembedden
loopen, en leven om zich heen verspreiden. Het geruisch van den gieter
op de bladeren vervulde de ziel van vader Mabeuf met verrukking. Hij
meende, dat de rhododendron nu gelukkig moest zijn.
Toen de eerste emmer ledig was, putte het meisje een tweeden, en
daarna een derden. Zij begoot den geheelen tuin.
Terwijl zij dus over de paden ging, waarop haar gestalte donker
uitkwam, en met haar knokige armen haar gescheurden halsdoek bewoog,
had zij wel iets van een vleermuis.
Toen zij gedaan had, trad vader Mabeuf met tranen in de oogen naar
haar toe, legde zijn hand op haar hoofd en zeide:
"God zal u zegenen; ge zijt een engel, wijl ge voor de bloemen zorgt."
"Neen," antwoordde zij, "ik ben een duivel; maar 't scheelt mij niet."
De oude man riep, zonder haar antwoord te wachten of te hooren:
"Het spijt mij, dat ik zoo ongelukkig en zoo arm ben van niets voor
u te kunnen doen."
"Gij kunt iets voor mij doen," zeide zij.
"Wat dan?"
"Mij zeggen, waar de heer Marius woont."
De grijsaard begreep haar niet.
"Welken mijnheer Marius?"
Hij sloeg zijn oogen op en scheen iets te zoeken, dat verdwenen was.
"Een jong mensch, die van tijd tot tijd hier komt."
De heer Mabeuf had zijn geheugen onderzocht, en riep:
"Ha, ja... ik weet wien ge bedoelt. Wacht even! mijnheer Marius... de
baron Marius Pontmercy, zeker! hij woont... of liever, hij woont niet
meer... ik weet niet."
Dus sprekende had hij zich gebogen om een tak van den rhododendron
op te richten, en hernam:
"Zie, nu herinner ik mij. Hij komt dikwijls op den boulevard en
gaat aan de zijde der Glacière, straat Croule Barbe, naar het
Leeuweriksveld. Ga daar heen; gij zult er hem gemakkelijk vinden."
Toen de heer Mabeuf zich oprichtte, was er niemand meer; het meisje
was verdwenen.
Hij was werkelijk een weinig angstig geweest.
"Inderdaad," dacht hij, "zoo mijn tuin niet werkelijk begoten was,
zou ik denken, dat het een geest was geweest."
Toen hij een uur later te bed lag, speelde 't hem weder door 't hoofd,
en toen hij insluimerde, in dat nevelig oogenblik dat de gedachte,
als de vogel uit de fabel, die in een visch verandert, om de zee over
te gaan, allengs den vorm des drooms aanneemt, om in den slaap over
te gaan, zeide hij bij zich zelven:
"Inderdaad, het gelijkt wel naar 't geen la Rubaudière van de kabouters
verhaalt. Zou 't een kabouter geweest zijn?"
VIERDE HOOFDSTUK.
MARIUS HEEFT EENE VERSCHIJNING.
Eenige dagen na dit bezoek van een "geest" aan vader Mabeuf, had
Marius--'t was des Maandags, den dag dat Marius een vijffrancstuk van
Courfeyrac leende om 't aan Thénardier te geven,--des ochtends dat
vijffrancstuk in zijn zak gestoken, maar voor het naar de gevangenis
te brengen was hij een weinig gaan wandelen, in de hoop, dat hem
dit bij zijn terugkomst zou doen werken. Dit was trouwens altijd
hetzelfde. Zoodra hij was opgestaan, zette hij zich voor een boek en
een vel papier, om iets te vertalen; hij had destijds tot bezigheid
de vertaling in 't Fransch van een vermaarden Duitschen twist, den
strijd van Gans en Savigny; nu nam hij Gans, dan Savigny, las vier
regels, poogde er een te schrijven, kon niet, zag een star tusschen
zich en zijn papier, stond van zijn stoel op en zeide: "Ik wil eens
uitgaan. Dat zal mij op streek brengen."
En hij ging naar het Leeuweriksveld.
Daar zag hij meer dan ooit de ster, en minder dan ooit Savigny en Gans.
Hij kwam weder te huis, beproefde zijn werk te hervatten, maar
't gelukte hem niet; er was geen mogelijkheid een der gebroken
draden in zijn hersens weder aaneen te knoopen, en dan zeide hij:
"Morgen zal ik niet uitgaan. Het belet mij te arbeiden."--Maar hij
ging alle dagen uit.
Hij woonde meer op het Leeuweriksveld dan in de kamer van
Courfeyrac. Zijn wezenlijk adres was dit: Boulevard de la Santé,
zevende boom, voorbij de straat Croulet-Barbe.
Dien ochtend had hij dezen zevenden boom verlaten en zich aan den
kant der rivier der Gobelins nedergezet. De zon drong vroolijk door
de frisch ontloken en glanzende bladeren.
Hij dacht aan "haar"; tot zijn denken een verwijt voor hem werd. Hij
dacht dan met smart aan zijn luiheid, aan de geestverlamming, welke
hem aangreep, en aan de duisternis, welke ieder oogenblik voor hem
dikker werd, zoodat hij zelfs de zon niet meer zag.
Te midden van deze smartelijke denkbeelden, welke hem schier alle
geestkracht benamen, bereikten hem evenwel de indrukken van buiten. Hij
hoorde achter zich, op beide oevers der rivier, de waschvrouwen
der Gobelins haar linnen kloppen, en boven zijn hoofd de vogels
in de olmen kweelen en zingen. Aan den eenen kant het gerucht der
vrijheid, der gelukkige zorgeloosheid, van den gevleugelden lust;
aan den anderen kant het gerucht van den arbeid. Deze beide geluiden
brachten hem opnieuw aan 't mijmeren en bijna aan 't nadenken.
Eensklaps, te midden van zijn weemoedige verrukking, hoorde hij een
bekende stem zeggen:
"Zie, daar is hij!"
Hij sloeg de oogen op, en herkende het ongelukkig meisje, dat op
zekeren morgen bij hem was gekomen, de oudste dochter der Thénardiers,
Eponine; hij wist thans hoe zij heette. Zonderling, zij was armer
en schooner geworden, zij had twee stappen gedaan, welke bij haar
niet meer mogelijk schenen. Zij was dubbel vooruitgegaan, naar het
licht en naar den nood. Zij was blootsvoets en in lompen, gelijk op
den dag toen zij zoo stoutmoedig zijn kamer was binnengegaan, maar
haar lompen waren twee maanden ouder, de scheuren waren grooter, de
vodden vuiler. 't Was dezelfde heesche stem, hetzelfde doffe, verweerde
voorhoofd; dezelfde vrije, wilde en dwalende blik. Maar op haar gezicht
lag meer dan vroeger dat onbeschrijfelijk schuwe en jammerlijke,
't welk de doorgang tot de gevangenis aan de ellende geeft.
Zij had stroo- en hooi-sprieten in 't haar, niet als Ophelia, door
Hamlets krankzinnigheid aangestoken, maar wijl zij op den zolder van
een stal geslapen had.
In weerwil van dat alles was zij schoon. Welk een star zijt gij,
o jeugd!
Ondertusschen stond zij voor Marius stil met een zweem van vreugde
op haar bleek gezicht en iets dat naar een glimlach geleek.
Zij bleef eenige oogenblikken alsof zij niet kon spreken.
"Ik heb u dan gevonden," zeide zij eindelijk. "Vader Mabeuf had gelijk,
't was op dezen boulevard! Hoe heb ik u gezocht! Zoo ge het wist! Ik
ben veertien dagen in de gevangenis geweest. Maar zij hebben mij
losgelaten, wijl er niets tegen mij was, en ik bovendien de jaren
van onderscheid niet had; er ontbraken nog twee maanden aan. O! wat
heb ik gezocht, sedert zes weken. Ge woont dus niet meer ginds?"
"Neen," zei Marius.
"Ha ik begrijp; uithoofde van het gebeurde. Die dingen zijn
onaangenaam. Ge zijt verhuisd. Zie! waarom draagt ge zulke oude
hoeden? een jongeling als gij moet fraai gekleed zijn. Weet ge wel,
mijnheer Marius, dat vader Mabeuf u baron Marius noemt; ik weet niet
hoe meer. Niet waar, ge zijt immers geen baron? Barons zijn oud,
zij gaan naar het Luxembourg voor het kasteel, waar 't zonnig is,
en lezen de Gliobienne voor een sou. Eens ben ik met een brief bij
zulk een baron geweest. Hij was ouder dan honderd jaar. Maar zeg mij,
waar woont ge nu?"
Marius antwoordde niet.
"O," voer zij voort, "er is een scheur in uw overhemd. Ik zal 't voor
u naaien."
Toen hernam zij met een uitdrukking die allengs treuriger werd:
"'t Schijnt u geen genoegen te doen, dat ge mij ziet?"
Marius zweeg, ook zij zweeg een oogenblik; vervolgens riep zij:
"Zoo ik echter wilde, zou ik u wel dwingen verheugd te schijnen."
"Wat?" vroeg Marius. "Wat wilt ge zeggen?"
Zij beet zich op de lip en scheen te weifelen, als ter prooi aan een
inwendigen strijd. Eindelijk scheen zij een besluit te nemen.
"Nu, zooveel te erger, 't doet er niet toe. Ge ziet er treurig uit, ik
wil dat ge tevreden zijt. Beloof mij slechts, dat ge zult lachen. Ik
wil u zien lachen en u hooren zeggen: Ha! dat is goed! Arme mijnheer
Marius; herinnert ge u, dat ge mij beloofd hebt mij alles te geven
wat ik wilde?"
"Ja, maar spreek dan!"
Zij zag Marius strak in de oogen en zeide:
"Ik heb het adres!"
Marius verbleekte. Al zijn bloed stroomde naar zijn hart terug.
"Welk adres?"
"Het adres, dat ge mij gevraagd hebt."
En als zich geweld doende, voegde zij er bij:
"Ge weet immers... het adres."
"Ja," stamelde Marius.
"Van de jonge dame."
Zij zuchtte diep, bij 't uitspreken van dat woord.
Marius sprong van den grond, waar hij zat, en greep driftig haar hand.
"Ha! welaan, geleid mij! spreek! vraag mij al wat ge wilt! waar
is het?"
"Kom mede," antwoordde zij. "Ik weet niet goed de straat en het
nommer. 't Is geheel aan den anderen kant; maar ik weet het huis en
zal er u brengen."
Zij trok haar hand terug en hernam op een toon, die een toeschouwer
smartelijk bewogen zou hebben, maar die den verbijsterden en verrukten
Marius nauwelijks aandeed:
"Ha! nu zijt gij tevreden!"
Een wolk trok over Marius' voorhoofd. Hij greep Eponines arm, en zeide:
"Zweer mij één ding."
"Zweren?" hernam zij; "wat wil dat zeggen? Hé, wilt ge dat ik zwere?"
Zij lachte.
"Beloof mij, Eponine, zweer mij, dat ge dat adres niet aan uw vader
zult bekend maken."
Verbaasd wendde zij zich tot hem, en riep:
"Eponine! Hoe weet ge dat ik Eponine heet?"
"Beloof mij wat ik u vraag!"
Maar zij scheen hem niet te hooren.
"'t Is heel lief, dat ge mij Eponine noemt!"
Marius nam haar beide armen tegelijk.
"In 's hemels naam, antwoord toch! let op 't geen ik u zeg, zweer
mij dat ge het bewuste adres niet aan uw vader zult zeggen."
"Mijn vader?" zeide zij. "O, ja, mijn vader; wees gerust. Hij is
gevangen, buiten toegang. Wat kan mij mijn vader ook schelen."
"Maar gij belooft het mij niet," riep Marius.
"Laat mij toch los?" riep zij luid lachend; "hoe schudt ge mij! Ja,
ja, ik beloof het, ik zweer het; wat raakt het mij? ik zal 't adres
aan mijn vader niet zeggen. Nu, is 't zoo goed? is het?"
"Noch aan iemand anders?" hernam Marius.
"Aan niemand."
"Geleid mij nu," zei Marius.
"Aanstonds?"
"Ja, aanstonds."
"Kom!--O! hoe verheugd is hij nu!" zeide zij.
Na eenige schreden hield zij stil.
"Ge volgt mij al te dicht, mijnheer Marius. Laat mij vooruit gaan,
en volg mij, dat het niet in 't oog valt. Men mag niet zien, dat een
jongeling als gij gaat met een meisje als ik."
Geen taal kan uitdrukken, wat in dit woord "meisje" lag, aldus door
dit kind uitgesproken.
Zij deed een tiental schreden en bleef weder staan. Marius voegde zich
bij haar. Zijdelings, zonder zich tot hem te wenden, sprak zij tot hem:
"A propos, ge weet dat ge mij iets beloofd hebt."
Marius tastte in zijn zak. Hij bezat niets ter wereld dan de vijf
francs voor Thénardier bestemd. Hij nam ze en legde ze in Eponines
hand.
Zij opende de vingers en liet het muntstuk ter aarde vallen, terwijl
ze hem met een somberen blik aanzag, en zeide:
"Ik wil uw geld niet."
BOEK III.
HET HUIS IN DE STRAAT PLUMET.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET VERBORGEN HUIS.
Omstreeks het midden der vorige eeuw had een president van het
parlement te Parijs eene maîtresse, welke hij verborg; want in
dien tijd vertoonden de groote heeren hun maitressen, en de burgers
verborgen ze. Hij liet een huis bouwen in de voorstad Saint Germain,
in de eenzame straat Blomet, die thans straat Plumet genoemd wordt.