dag van fanatisme of van geestdrift was, trokken uit de voorstad
Saint-Antoine woeste horden, of heldenmoedige legioenen.
Woeste. Verklaren wij dit woord. Wat wilden deze opgeruide menschen,
die in de eerste scheppingsdagen van den revolutionnairen chaos, in
lompen, brullend, wreed, met opgeheven knots, met gevelden piek tegen
het oude, overhoop geworpen Parijs stormden? Zij wilden het einde der
verdrukkingen, het einde der tyrannieën, het einde van het zwaard,
arbeid voor den man, onderwijs voor het kind, een stil maatschappelijk
leven voor de vrouw, de vrijheid, de gelijkheid, de broederschap,
brood voor allen, de idée voor allen, de wereld tot een paradijs
gemaakt, den vooruitgang; en deze heilige, edele, teedere zaak, den
vooruitgang, tot het uiterste gedreven, en zonder er zelf in betrokken
te zijn, eischten zij half naakt, met de knots in de vuist, brullend
en schuimbekkend. 't Waren wilden, ja; maar de wilden der beschaving.
Zij proclameerden met woede het recht; zij wilden, ware het ook
door ontzetting en schrik, het menschelijk geslacht in het paradijs
drijven. Zij geleken barbaren, en waren redders. Zij eischten licht,
in het masker van den nacht.
Tegenover deze wreede en schrikkelijke mannen, wij bekennen het, maar
wreed en schrikkelijk tot het goede, zijn andere mannen, glimlachende,
geborduurde, vergulde, met linten omhangen, gesternde mannen, met
zijden kousen, witte pluimen, gele handschoenen, gelakte laarzen,
die, op een met fluweel bekleede tafel geleund voor een marmeren
schoorsteen, zoetelijk aandringen op de handhaving en het behoud van
het verledene, van de Middeleeuwen, van het goddelijk recht, van de
dweepzucht, van de onwetendheid, van de slavernij, van de doodstraf,
van den oorlog; die heel beleefd en met zachte stem de sabel, den
brandstapel en het schavot verdedigen. Zoo wij gedwongen waren een
keus te doen tusschen de barbaren der beschaving en de beschaafden
der barbaarschheid, zouden wij de barbaren kiezen.
Maar de hemel zij dank, er is een andere keus mogelijk. Er is geen
steile sprong noodig, zoomin naar voren als naar achteren. Noch
despotisme, noch schrikbewind. Wij willen den vooruitgang langs een
zachte helling.
God zorgt hiervoor. De geheele politiek van God is de verzachting
der hellingen.
ZESDE HOOFDSTUK.
ENJOLRAS EN ZIJN LUITENANTS.
Omstreeks dien tijd hield Enjolras, in 't vooruitzicht van een
mogelijke gebeurtenis, een geheime monstering.
Allen waren in het koffiehuis Musain vereenigd.
Enjolras zeide, terwijl hij onder zijn woorden eenige half
raadselachtige, maar veelbeteekenende beeldspraak mengde:
"'t Is noodzakelijk te weten, hoe ver men is en op wie men rekenen
kan. Zoo men strijders wil, moet men ze maken; moet men wapens
hebben. De voorbijgangers hebben altijd meer kans door hoornen te
worden gestooten, als er ossen op den weg zijn, dan wanneer er geen
zijn. Tellen wij dus eens de kudde. Hoe talrijk zijn wij? Dat werk
mag niet tot morgen worden uitgesteld. Revolutionnairen moeten altijd
haast hebben; de vooruitgang heeft geen tijd te verliezen. Hoeden wij
ons voor het onverwachte. Wij mogen ons niet laten overrompelen. Al
de naden, die wij gemaakt hebben, moeten onderzocht worden om te
zien of zij houden. Deze zaak moet vandaag afgedaan worden. Gij,
Courfeyrac, spreek met de polytechnici. 't Is vandaag hun uitgaansdag;
Woensdag. Gij, Feuilly, zult die der Glacière spreken, niet
waar? Combeferre heeft mij beloofd naar Picpus te zullen gaan. Daar is
een heerlijk gekrioel. Bahorel zal de Estrapade bezoeken. De metselaars
verflauwen, Prouvaire; ge moet ons tijding brengen uit de loge van de
straat Grenelle-Saint-Honoré. Joly zal naar de clinische school van
Dupuytren gaan en haar den pols voelen. Bossuet zal even naar het
paleis van justitie wandelen en met de jonge advocaten spreken. Ik
belast mij, naar de Cougourde te gaan."
"Dus is alles geregeld," zei Courfeyrac.
"Neen."
"Wat is er nog?"
"Iets zeer gewichtigs."
"Wat?" vroeg Combeferre.
"De barrière du Maine," antwoordde Enjolras.
Enjolras bleef een oogenblik als in gedachten verdiept; toen hernam
hij:
"Aan de barrière du Maine zijn steenhouwers, schilders, werklieden
der beeldhouwers-ateliers. Zij zijn vol geestdrift, maar aan een
spoedige verkoeling onderhevig. Ik weet niet wat zij sinds eenigen
tijd hebben. Zij denken aan iets anders. Zij verdooven, zij brengen
hun tijd met het dominospelen door. 't Is noodzakelijk, dat men hen
ga spreken en opwekken. Zij vereenigen zich bij Richefeu. Men kan
ze er tusschen twaalf en één ure 's middags vinden. Die asch moet
aangeblazen worden. Ik had hiervoor op dien verstrooiden Marius
gerekend, die overigens zeer goed is, maar hij komt niet meer. Ik
heb iemand noodig voor de barrière du Maine; maar heb niemand."
"En ik ben er," zei Grantaire.
"Gij?"
"Ik."
"Gij zoudt republikeinen willen leeren! gij, in naam der beginselen,
verkoelde harten verwarmen!"
"Waarom niet?"
"Zoudt gij tot iets deugen?"
"Ik maak er eenigszins aanspraak op," zei Grantaire.
"Gij gelooft aan niets."
"Ik geloof aan u."
"Wilt ge mij een dienst doen, Grantaire?"
"Alles, uw laarzen poetsen."
"Nu, bemoei u dan niet met onze zaken. Slaap uw absinth uit."
"Ge zijt ondankbaar, Enjolras."
"Zoudt gij de man zijn om naar de barrière du Maine te gaan? Zoudt
ge er toe in staat zijn?"
"Ik ben in staat dien weg af te leggen; mijn schoenen zijn er ook
toe in staat."
"Kent gij de vrienden die bij Richefeu komen?"
"Niet veel. Wij zijn overigens zeer gemeenzaam met elkander."
"Wat zult ge hun zeggen?"
"Ik zal hen van Robespierre spreken, van Danton, van de beginselen."
"Gij!"
"Ik. Men laat mij geen gerechtigheid wedervaren. Als ik er mij toe zet,
ben ik vreeselijk. Ik heb Prudhomme gelezen; ik ken het Contrat Social,
ik ken de constitutie van het jaar II van buiten. "De vrijheid van den
burger eindigt, waar de vrijheid van een ander burger begint." Houdt
ge mij voor een botterik? In mijn lade heb ik een oude assignaat. Ik
weet van de rechten van den mensch, van de volkssouvereiniteit te
spreken. Zes uren lang kan ik, met dit horloge in de hand, over de
heerlijkste dingen redevoeren."
"Wees ernstig," zei Enjolras.
"Ik ben meer dan ernstig," antwoordde Grantaire.
Enjolras dacht eenige oogenblikken en maakte een gebaar als iemand
die een besluit heeft genomen.
"Grantaire," zeide hij ernstig, "ik zal u op de proef stellen. Ga
naar de barrière du Maine."
Grantaire woonde in de nabijheid van het koffiehuis Musain.
Hij ging; maar kwam vijf minuten later terug. Hij was even te huis
geweest om een vest à la Robespierre aan te doen.
"Rood," zeide hij binnenkomende en Enjolras strak aanschouwende.
En met forsche hand drukte hij het roode vest tegen zijn borst.
Toen Enjolras naderde, fluisterde hij hem in:
"Wees gerust."
En zijn hoed op het hoofd drukkende verwijderde hij zich.
Een kwartieruurs later was de achterkamer van het koffiehuis Musain
verlaten. Al de vrienden van het A. B. C. waren, ieder op zijn eigen
gelegenheid, naar hun werk gegaan. Enjolras, die voor zich de Cougourde
had behouden was de laatste die heenging.
De leden van het genootschap der Cougourde van Aix, welke te Parijs
waren, vereenigden zich toen op de vlakte van Issy, in een der talrijke
verlaten steengroeven aan die zijde van Parijs.
Terwijl Enjolras zich naar die vereenigingsplaats begaf, sloeg hij bij
zich zelven een blik op den toestand: Dat de gebeurtenissen ernstig
waren, was duidelijk. Wanneer de kenteekens eener maatschappelijke
ziekte zich openbaren, kan ze onverwacht uitbreken. Enjolras zag
een lichtschijn in de donkere wolken der toekomst. Wie weet? Het
oogenblik naderde misschien. Welk een fraai schouwspel, het volk
dat zijn recht herneemt! de revolutie die majestueus Frankrijk in
bezit neemt en tot de wereld zegt: het vervolg morgen! Enjolras was
tevreden. De oven werd heet. Hij had op dienzelfden tijd zijn vrienden
in Parijs verspreid. In zijn gedachte schiep hij door de wijsgeerige
welsprekendheid van Combeferre, de cosmopolitische geestdrift van
Feuilly, de wegsleependheid van Courfeyrac, de vroolijkheid van
Bahorel, de droefgeestigheid van Jean Prouvaire, de wetenschap van
Joly, de spotternijen van Bossuet, een soort van electrisch geknetter,
dat alom een weinig vuur vatte. Allen waren aan 't werk. De uitkomst
zou gewis aan de poging beantwoorden. 't Was goed. Dit deed hem aan
Grantaire denken.--De barrière du Maine, dacht hij, is niet ver uit
mijn weg. Zoo ik tot Richefeu ging, om te zien wat Grantaire doet,
en hoe ver hij is?
De klok van Vaugirard sloeg één uur, toen Enjolras in de kroeg van
Richefeu aankwam. Hij opende de deur, trad binnen, kruiste de armen,
terwijl de deur tegen zijn schouder dicht viel, en sloeg een blik
door de kamer, die vol tafels, mannen en rook was.
Een stem klonk in dien nevel en werd levendig door een andere stem
beantwoord. 't Was Grantaire, die met een ander aan een marmeren
tafeltje zat domino te spelen.
BOEK II.
EPONINE.
EERSTE HOOFDSTUK.
HET VELD VAN DE LEEUWERIK.
Marius was getuige geweest der onverwachte ontknooping van de
hinderlaag, op welker spoor hij Javert had gebracht; doch nauwelijks
had Javert het oude huis verlaten en zijn gevangenen in drie rijtuigen
medegenomen, of Marius ging insgelijks uit het huis. Het was eerst
negen uren 's avonds. Marius ging naar Courfeyrac. Courfeyrac was
niet meer de bestendige bewoner van de latijnsche wijk; hij was,
"om staatkundige redenen", naar de straat la Verrerie verhuisd;
deze wijk behoorde onder degene, waar de opstand zich het meest had
gevestigd. Marius zeide tot Courfeyrac: Ik kom bij u slapen. Courfeyrac
haalde een matras uit zijn bed, dat er twee had, legde ze op den
grond en zeide: "Ziedaar."
Den volgenden ochtend tegen zeven uren keerde Marius naar het oude
huis terug, betaalde de huur en wat hij aan vrouw Bougon schuldig was,
liet op een handkar zijn boeken, bed, tafel, commode en twee stoelen
laden, en ging heen zonder zijn adres achter te laten, zoodat, toen
Javert des morgens kwam, om Marius nopens de gebeurtenissen van den
vorigen avond te ondervragen, hij slechts vrouw Bougon vond, die hem
antwoordde: "Verhuisd!"
Vrouw Bougon hield zich zelve overtuigd, dat Marius min of meer een
medeplichtige was van de dieven, die dien nacht gevangen waren. "Wie
zou dat gezegd hebben?" riep zij bij de portierster in de buurt,
"een jonge man, dien ge voor een meisje zoudt gehouden hebben."
Marius had voor deze plotselinge verhuizing twee redenen gehad. De
eerste was zijn afkeer van dit huis, waarin hij van zoo dichtbij
de afzichtelijkste en wreedste ontwikkeling der maatschappelijke
afschuwelijkheid had gezien, iets afschuwelijker nog dan den slechten
rijke: den slechten arme. De tweede was, dat hij op geenerlei wijze in
't proces wenschte gemengd te worden, 't geen waarschijnlijk volgen
zou, noch genoodzaakt zijn tegen Thénardier te getuigen.
Javert meende dat de jongeling, wiens naam hij niet onthouden had,
bevreesd geweest en gevlucht was, of wellicht niet eens op 't oogenblik
der hinderlaag te huis was gekomen; hij deed evenwel eenige pogingen
om hem weder te vinden, die echter vruchteloos waren.
Een maand verstreek, daarna een andere. Marius was nog altijd
bij Courfeyrac. Hij had van een jong advocaat, die gewoon was het
gerechtshof te bezoeken, vernomen, dat Thénardier in zijn gevangenis
buiten toegang was. Alle Maandagen liet Marius voor Thénardier aan
de griffie der gevangenis La Force vijf francs bezorgen.
Toen Marius geen geld meer had, leende hij van Courfeyrac vijf
francs. Het was de eerste maal zijns levens dat hij geld ter leen
nam. Deze wekelijksche vijf francs waren een dubbel raadsel, voor
Courfeyrac, die ze gaf, en voor Thénardier, die ze ontving. "Tot
wien gaan ze?" dacht Courfeyrac. "Van wien komen ze?" vroeg zich
Thénardier af.
Overigens was Marius bedroefd. Alles was wederom als in een
valluik voor hem verdwenen. Hij zag niets meer voor zich; zijn
leven was weder in die geheimzinnigheid gedompeld, waarin hij dolend
rondtastte. Een oogenblik had hij van zeer nabij in deze duisternis
het meisje herzien, dat hij beminde, den grijsaard, die haar vader
scheen, deze onbekende wezens, die zijn eenige belangstelling,
zijn eenige hoop in de wereld waren; en juist toen hij ze meende
te vatten, werden al deze schimmen als weggeblazen. Zelfs geen
enkele vonk van zekerheid en waarheid was uit dien vreeselijken
schok gesprongen. Geen gissing was mogelijk. Hij kende zelfs den
naam niet meer, dien hij gemeend had te kennen. 't Was stellig
niet Ursula. En Leeuwerik was een bijnaam. En wat van den grijsaard
te denken? Verborg hij zich werkelijk voor de politie. De werkman
met het witte haar, dien Marius in de nabijheid der Invaliden had
ontmoet, kwam hem weder voor den geest. 't Werd thans waarschijnlijk,
dat deze werkman en de heer Leblanc dezelfde waren. Hij vermomde zich
dus? Deze man had een heldhaftige en een dubbelzinnige zijde. Waarom
had hij niet om hulp geroepen? Waarom was hij gevlucht? Was hij de
vader van het meisje, ja of neen? was hij eindelijk inderdaad de
man, dien Thénardier had gemeend te herkennen? Had Thénardier zich
kunnen vergissen? Alles onoplosbare raadsels. Dit alles, evenwel,
ontnam niets aan de engelachtige bekoorlijkheid der jonge dame van
het Luxembourg. 't Was een pijnlijke toestand; Marius had liefde
in het hart en duisternis voor de oogen. Hij werd voortgedreven,
aangetrokken en kon zich niet bewegen. Alles was verdwenen,
behalve de liefde. Zelfs van de liefde had hij het instinct en de
plotselinge verlichting verloren. Gewoonlijk verlicht deze vlam,
die ons brandt, ook een weinig en werpt eenigen heilzamen glans naar
buiten. Marius hoorde zelfs niet meer de onduidelijke raadgevingen
van den hartstocht. Nooit dacht hij: zoo ik daar heen ging? Zoo ik
dit beproefde? Zij, die hij niet meer Ursula kon noemen, was bepaald
ergens; maar niets duidde Marius aan, in welke richting hij haar
moest zoeken. Zijn geheel leven was nu in twee woorden samengevat:
een volstrekte onzekerheid in een ondoordringbaren nevel. Haar weder
te zien was zijn voortdurende wensch; maar hij vleide er zich niet
meer mee.
Tot overmaat van ramp, keerde de armoede terug. Dicht bij zich,
achter zich voelde hij haar killen adem. Bij al deze folteringen had
hij reeds sinds lang zijn arbeid gestaakt, en niets is gevaarlijker dan
de staking van den arbeid; de arbeid is een gewoonte die verdwijnt. Een
gemakkelijk te verlaten, maar moeielijk te hernemen gewoonte.
Een weinig droomerij is goed, evenals een verdoovend geneesmiddel,
mits in matige hoeveelheid toegediend. Het verzacht de soms heftige
koorts van den werkenden geest en breidt er een zachten frisschen adem
over, die de scherpe kanten van de nuchtere gedachte verstompt en hier
en daar leemten en tusschenruimten aanvult en verbindt. Maar te veel
droomerij overstroomt en verdrinkt. Wee den werker door den geest,
die zich geheel uit de gedachte in den droom laat verzinken. Hij
meent, dat hij zich gemakkelijk weder opheffen zal, en acht het in
allen geval ook vrij onverschillig. Dwaling!
De gedachte is de arbeid van het verstand, het droomen is er de
wellust van. Het droomen in de plaats der gedachte stellen, is vergif
met voedsel verwarren.
Marius, men zal 't zich herinneren, was hiermede begonnen. Vervolgens
was de liefde gekomen en had hem eindelijk in hersenschimmen zonder
doel of grond gestort. Men gaat dan slechts uit om te droomen. 't
Is een gevaarlijke, stilstaande, peillooze kolk. En naarmate de
arbeid minderde, groeiden de behoeften. Dit is een wet. De mensch, in
droomenden toestand, is van nature zacht en verspillend; de ontspannen
geest kan het leven niet streng meer in teugel houden. In deze
leefwijze is het goede onder het kwade vermengd, want zoo weekheid
noodlottig is, edelmoedigheid is heilzaam en goed. Maar de arme,
die goed en edelmoedigheid is, zonder te werken, is verloren. Zijn
hulpbronnen verdrogen, en de nood rukt aan. 't Is een noodlottige
helling, waarop zoowel de eerlijksten en standvastigsten als de
zwaksten en de slechtsten worden medegesleept, en die op één dezer
twee afgronden uitloopt--den zelfmoord of de misdaad.
Wie lang genoeg is uitgegaan om te denken en te droomen, gaat eindelijk
uit om zich te verdrinken.
Overmatige droomerijen brengen Escousses en de Lebras voort.
Met langzame schreden ging Marius langs deze helling, met de oogen
op haar gericht, die hij niet meer zag. Wat wij hier schrijven,
zal zonderling schijnen en is evenwel waar. De herinnering aan
een afwezende ontvlamt in de duisternis van het hart; hoe meer hij
verdwenen is, des te helderder schittert hij; de wanhopige, duistere
ziel ziet dat licht aan haar horizont, als een ster in den inwendigen
nacht. Zij was Marius' eenige gedachte. Hij dacht aan niets anders;
hij gevoelde onduidelijk dat zijn oude rok onmogelijk langer te dragen
was, en zijn nieuwe een oude rok werd; dat zijn hemden, zijn hoed,
en zijn laarzen versleten, dat ook zijn leven versleet, en hij dacht:
"Zoo ik haar slechts mocht wederzien vóór ik stierf!"
Slechts een liefelijke gedachte bleef hem over, dat zij hem bemind had,
dat haar blik het hem had gezegd, dat zij zijn naam niet kende, maar
wel zijn hart, en dat zij hem misschien thans, in welk geheim oord
zij ook zijn mocht, nog beminde. Wie weet of zij niet evenzeer aan
hem dacht, als hij aan haar! Soms, in onbeschrijfelijke uren, zooals
ieder minnend hart er heeft, waarin hij slechts redenen van smart vond
en evenwel een onduidelijke rilling van vreugd gevoelde, zeide hij
bij zich zelven: "'t Zijn haar gedachten, die tot mij komen?"--Dan
voegde hij er bij: "Mijn gedachten komen misschien ook tot haar."
Deze hersenschim, die hem een oogenblik later het hoofd deed schudden,
wierp toch eenige stralen, welke soms eenigermate naar hoop zweemden,
in zijn hart. Nu en dan, meestal in dat uur van den avond, dat de
mijmeraars het meest droefgeestig maakt, liet hij op het papier
de zuiverste, de onlichamelijkste, de ideaalste zijner droomerijen
vloeien, waarmede de liefde zijn hersens vulde. Dit noemde hij "aan
haar schrijven."
Men geloove niet, dat zijn verstand geleden had. Integendeel. Hij
had wel de bekwaamheid verloren om te arbeiden en met vastheid naar
een bepaald doel te streven, doch hij zag helderder en juister dan
ooit. Marius zag in een rustig en wezenlijk, hoewel zonderling licht,
wat voor zijn oogen gebeurde, zelfs de onverschilligste feiten of
menschen; hij sprak over alles het juiste woord uit, met een soort van
eerlijke droefheid en oprechte onbaatzuchtigheid. Zijn oordeel, dat
zich schier van alle hoop had losgemaakt, hield zich hoog en krachtig.
In deze gemoedsstemming ontglipte hem niets, niets misleidde hem en
hij ontdekte te allen tijde den grond des levens, der menschelijkheid
en van het noodlot. Hij is zelfs in angst en onspoed gelukkig, wien
God een ziel heeft geschonken, die de liefde en het ongeluk waardig
is! Wie de dingen dezer wereld en het hart der menschen niet in dit
dubbel licht gezien heeft, heeft niets waars gezien en weet niets.
De ziel, die bemint en lijdt, is in een verheven toestand.
Overigens volgden de dagen elkander op en niets nieuws deed zich
voor. Het scheen hem echter, alsof de donkere ruimte, welke hij
nog moest doorloopen, elk oogenblik korter werd. Hij meende reeds
duidelijk den kant van de grondelooze steilte te onderscheiden.
"Hoe!" vroeg hij zich telkens, "zal ik haar vooraf niet wederzien?"
Zoo men de straat St. Jacques is ingegaan, de barrière ter zijde laat
liggen en eenigen tijd links den ouden binnen-boulevard gevolgd heeft,
komt men in de straat la Santé, daarna bij de Glacière en even voor
het riviertje der Gobelins ziet men een soort van veld, dat binnen
den langen eentonigen ring der boulevards van Parijs de eenige plek
is waar Ruijsdael lust zou hebben gehad zich neer te zetten.
Daar is dat onbeschrijfelijke, waaruit het bevallige zich ontwikkelt;
een groene weide, waarboven gespannen touwen, waarop het linnen in
den wind droogt; een oude warmoezierswoning uit den tijd van Lodewijk
XIII met zijn groot dak en grillige dakvensters, vervallen heiningen,
een weinig water tusschen populieren, vrouwen, gelach, stemmen; aan
den horizont het Pantheon, de boom der doofstommen, het Val-de-grace,
en op den achtergrond de statige vierkante torens van Notre-Dame.
Dewijl deze plek werkelijk der moeite waard is gezien te worden,
komt er niemand. Nauwelijks om het kwartieruurs een kar of een voerman.
Eenmaal voerden de eenzame wandelingen van Marius hem naar dit
oord, bij dat water. Op dien dag was er op dezen boulevard iets
zeldzaams, namelijk een voorbijganger. Marius, wien de schier woeste
bekoorlijkheid van deze plek trof, vroeg dien voorbijganger: "Hoe
heet dit oord?"
De voorbijganger antwoordde: "Het Leeuweriksveld."
En hij voegde er bij: "'t Is hier dat Ulback de herderin van Ivry
doodde."
Maar na het woord "Leeuwerik" had Marius niets meer gehoord. In den
droomenden toestand kan een enkel woord een plotselinge verstijving
doen ontstaan. De geheele ziel dringt zich om één denkbeeld samen
en is voor geen ander begrip vatbaar. De "Leeuwerik" was de naam,
die in Marius' diepe droefgeestigheid den naam "Ursula" vervangen
had. "Zie," sprak hij, in die soort van de redelooze verbazing aan
deze geheimzinnige afgetrokkenheid eigen, "dit is haar veld. Hier
zal ik vernemen waar zij woont."
't Was ongerijmd, maar onweerstaanbaar.
En dagelijks wandelde hij naar dit Leeuweriksveld.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET ONTSTAAN VAN DE KIEMEN DER MISDADEN IN DE GEVANGENISSEN.
De overwinning van Javert in het huis Gorbeau scheen volkomen te zijn
geweest, maar was het echter niet.
Vooreerst, en dat was zijn grootste teleurstelling, had Javert den
gevangene niet gevangen genomen. De aangerande, die vlucht, is nog
meer verdacht dan de aanrander; en waarschijnlijk zou deze persoon,
die zulk een kostbare buit voor de bandieten was geweest, een niet
minder goede vangst voor de justitie geweest zijn.
Voorts was ook Montparnasse aan Javert ontsnapt. Er moest een andere
gelegenheid worden afgewacht om op dien "Pronker der Hel" de hand te
leggen. Inderdaad, Montparnasse, die Eponine had ontmoet, terwijl ze
onder de boomen van den boulevard de wacht hield, had haar medegenomen,
om liever Nemorin met de dochter, dan Schinderhannes met den vader te
zijn. 't Was zijn geluk geweest; want hij was vrij. Javert had echter
Eponine doen vatten; een geringe troost voor hem. Eponine werd bij
Azelma in de gevangenis de Madelonnettes gezonden.
Eindelijk was een der voornaamste gevangenen, Claquesous, op den weg
van het huis Gorbeau naar la Force, weg geraakt. Men wist niet hoe het
gebeurd was, de agenten en stadssergeanten "begrepen er niets van," hij
was in damp veranderd, uit de handboeien gegleden, door de reten van
het rijtuig heengeslopen; men wist niets anders te zeggen, dan dat,
toen men aan de gevangenis kwam, Claquesous verdwenen was. Daar school
iets van tooverij of politie onder. Was Claquesous in de duisternis
gesmolten als een sneeuwvlok in het water? Bestond er tusschen de
politieagenten en hem een heimelijke verstandhouding? Behoorde deze
man tot het dubbel raadsel der wanorde en orde? Was hij het middelpunt
tusschen de misdaad en de beteugeling? Had deze sfinx de voorpooten
in de misdaad, en de achterpooten in het openbaar gezag? Javert wilde
van al deze redeneeringen niets weten, en zou ze met afkeer verworpen
hebben; maar bij zijn sectie behoorden meer inspecteurs, die hoewel
zijn ondergeschikten, misschien beter dan hij in de geheimen der
prefectuur van politie waren ingewijd, en Claquesous was zulk een
schurk, dat hij een zeer goed handlanger der politie kon zijn. Den
nacht aldus tot hulpgenoot te hebben is uitmuntend voor de dieven,
maar wonderbaar voor de politie. Er zijn zulke schurken, wier mes
aan twee kanten snijdt. Hoe het zij, de verloren Claquesous was niet
weder te vinden. Javert scheen er meer vertoornd dan verwonderd over.