Het communisme en de Agrarische wet meenen het tweede probleem

te kunnen oplossen. Zij bedriegen zich. Hun verdeeling doodt de

voortbrenging. De gelijke verdeeling vernietigt den naijver. Bijgevolg

den arbeid. 't Is een verdeeling zooals de slachter verricht,

die doodt wat hij verdeelt. 't Is alzoo onmogelijk, zich met deze

vermeende oplossingen tevreden te stellen. Door den rijkdom te dooden,

verdeelt men hem niet.

Om goed te worden opgelost moeten de beide problemen te zamen worden

opgelost. De beide oplossingen moeten vereenigd worden en slechts

één vormen.

Zoo men slechts het eerste van beide problemen oplost, is men Venetië

of Engeland. Als Venetië zal men een kunstmatige macht hebben, of als

Engeland een stoffelijke macht; men zal de slechte rijke zijn. Men

sterft door geweld, zooals Venetië, of door een bankroet, zooals

Engeland zal vallen. En de wereld zal u laten sterven en vallen,

wijl de wereld alles laat sterven en vallen wat enkel zelfzucht is,

al wat niet voor het menschelijk geslacht een deugd of een idée

vertegenwoordigt.

't Spreekt vanzelf, dat wij hier door de woorden Venetië en Engeland

op geen volken, maar op maatschappelijke instellingen wijzen; de

oligarchieën over de natiën en niet de natiën zelven. De natiën

bezitten steeds onze achting en sympathie. Als volk zal Venetië

herboren worden; als aristocratie zal Engeland vallen; maar als natie

is het onsterfelijk. Nu gaan wij verder.

Los beide problemen op, moedig den rijke aan, bescherm den arme,

vernietig de armoede, maak een einde aan de onrechtvaardige exploitatie

van den zwakke door den sterkere, breidel de onbillijke ijverzucht

van hem die op weg is, tegen hem die reeds is aangekomen; breng

het loon wiskunstig en broederlijk in verhouding met den arbeid;

verbind het kosteloos en verplichtend onderwijs met den wasdom van

het kind en maak van de wetenschap den grondslag der manbaarheid;

men ontwikkele het verstand, terwijl men de handen bezighoudt; men

zij tevens een machtig volk en een gezin van gelukkige menschen;

men democratizeere den eigendom niet door hem af te schaffen, maar

door hem algemeen te maken, opdat ieder burger zonder uitzondering

bezitter zij--wat gemakkelijker is dan men meent--met twee woorden;

men wete den rijkdom voort te brengen en dien te verdeelen, en hierdoor

zal men tevens de stoffelijke en de zedelijke grootheid hebben;--en

ge zult waardig zijn Frankrijk te heeten.

Dat was, behalve eenige secten die op een dwaalspoor waren, hetgeen

het socialisme zeide, wat het in de feiten zocht, wat het in de

geesten prentte.

Bewonderenswaardig pogen! heilig streven!

Deze leerstelsels, deze theorieën, deze wederstand, de onverwachte

noodzakelijkheid voor den staatsman om met den philosoof in rekening

te treden; de schepping, uit verwarde en onduidelijk erkende

waarheden, van een nieuwe politiek, niet te veel in tweestrijd

met het revolutionnaire ideaal, een toestand waarin men Lafayette

moest gebruiken om Polignac te verdedigen; de overtuiging van den

vooruitgang onder den opstand, de kamers en de straat; het in evenwicht

houden der naijverigen in hun omgeving; zijn geloof in de revolutie;

een eventueele onderwerping bij de onduidelijke aanneming van een

bepaald oppergezag; zijn wil om aan zijn geslacht trouw te blijven;

zijn familiezucht; zijn oprechte eerbied voor het volk, zijn eigene

eerlijkheid, dit alles hield Lodewijk Filips op smartelijke wijze

bezig, en bij wijlen, hoe sterk en moedig hij was, bezwaarde en

bemoeielijkte het hem zoo, dat hij schier onder zijn koningschap

bezweek.

Hij voelde onder zijn voeten een vreeselijke woeling, die eigenlijk

nog geen instorting was, want Frankrijk was krachtiger dan ooit.

Donkere wolken stapelden zich aan den horizont opeen. Een zonderlinge

duisternis, die nader en nader kwam, spreidde zich allengs over de

menschen, over de dingen, over de ideeën; een duisternis die uit den

toorn en de stelsels ontstond. Al wat in overhaasting gesmoord was,

bewoog zich en geraakte in gisting. Soms hield het geweten van den

eerlijke den adem in, zoo ongezond was de lucht, waarin zich de

sophismen met de waarheden mengden. De gemoederen beefden in dien

maatschappelijken angst, als de bladeren bij de nadering van den

storm. De electrieke spanning was zoodanig, dat in zekere oogenblikken,

de eerste de beste, een onbekend licht gaf. Dan weder daalde de

schemering en duisternis. Bij tusschenpoozen kon men, naar het diep

en dof gerommel, de hoeveelheid bliksem berekenen die in de wolken was.

Nauwelijks waren twintig maanden sedert de Juli-omwenteling verstreken,

of het jaar 1832 had zich met een dreigend aanzien geopend. De nood

van het volk, de broodelooze werklieden, de laatste prins van Condé

in de duisternis verdwenen; Brussel, dat de Nassaus verdreef gelijk

Parijs de Bourbons; België, dat zich aan een Fransch prins aanbood, en

aan een Engelsch prins gegeven werd; de Russische haat van Nikolaas;

achter ons twee zuidelijke demons, Ferdinand in Spanje, Miguel in

Portugal; de bevende bodem van Italië; Metternich, die de hand naar

Bologna uitsteekt; Frankrijk, dat Oostenrijk te Ancona trotseert:

in het noorden een akelig gerucht van hamerslagen, die Polen weder

in zijn doodkist spijkeren; in geheel Europa vergramde oogen, die

op Frankrijk loeren; Engeland, een verdacht bondgenoot, gereed om

omver te stooten, wat mocht hellen, en zich te werpen op hetgeen

vallen zou; het pairschap, dat zich achter Beccaria verschanst,

om aan de wet vier hoofden te weigeren: de leliën van het rijtuig

des konings geschrapt; het kruis van Notre Dame gerukt; Lafayette

klein geworden; Laffitte geruïneerd; Benjamin Constant arm gestorven;

Casimir Périer in de uitputting der macht overleden; de politieke en

de maatschappelijke krankheid, die zich tegelijkertijd in de twee

hoofdsteden van het rijk openbaren, in de stad der gedachte, en in

de stad van den arbeid; te Parijs de burgeroorlog; te Lyon de oorlog

der werklieden; in beide steden dezelfde vuurgloed; het purper eens

kraters op het voorhoofd des volks: het zuiden gefanatiseerd; het

westen in beroering; de hertogin van Berry in de Vendée; complotten,

samenzweringen, opstanden, de cholera voegden bij het somber rumoer

der denkbeelden het somber gewoel der gebeurtenissen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

FEITEN WAARUIT DE GESCHIEDENIS VOORTKOMT, MAAR WELKE DE GESCHIEDENIS

NIET KENT.

Tegen het einde van April was alles verergerd. De gisting werd

koking. Sedert 1830 waren hier en daar kleine, afzonderlijke opstanden

ontstaan, die, spoedig onderdrukt, weder te voorschijn kwamen, een

teeken van een ver uitgebreiden onderaardschen brand. Er broeide iets

vreeselijks. Men zag, hoewel nog onduidelijk, de flauwe omtrekken

eener mogelijke revolutie. Frankrijk zag naar Parijs; Parijs zag naar

de voorstad St. Antoine.

De voorstad St. Antoine, heimelijk gestookt, begon te koken.

De kroegen in de straat Charonne waren, hoewel de verbinding dezer

beide uitdrukkingen moeielijk op kroegen toepasselijk schijnt,

ernstig en onstuimig.

Er werd niets minder dan het voortbestaan van het gouvernement

besproken. Men discuteerde openlijk over "de vraag of men vechten

zou of rustig blijven." Er waren kamers achter de winkels, waar men

de werklieden deed zweren, dat zij bij den eersten alarmkreet op de

straat zouden zijn en "vechten zonder den vijand te tellen." Zoodra

deze verbintenis was aangegaan, zeide iemand, in een hoek der herberg

gezeten, met heldere stem: "Gij hoort het! gij hebt het gezworen!" Soms

ging men naar boven, in een gesloten kamer, en daar hadden schier

vrijmetselaars-tooneelen plaats. Men liet den ingewijde zweren "om

hem dienst te doen, alsmede aan de huisvaders." Zoo luidde de formule.

Beneden in de gelagkamers las men oproerige brochures. "Zij sloegen het

gouvernement met geweerkolven," zegt een geheim rapport uit dien tijd.

Men hoorde er woorden als deze: "Ik ken de namen der aanvoerders

niet. Wij zullen slechts twee uren te voren den dag kennen."--Een

arbeider zeide: "Wij zijn driehonderd, geven wij ieder tien

sous, dan hebben wij honderdvijftig francs om kogels en kruit te

maken."--Een ander zeide: "Ik eisch geen zes maanden, geen twee

maanden. Met vijf-en-twintig-duizend man kan men er zich tegenover

stellen."--Een ander zeide:--"Ik ga niet te bed, want ik maak 's

nachts patronen."--Nu en dan kwamen mannen fraai en "als heeren"

gekleed, "maakten bedenkingen" schenen te bevelen, gaven aan de

"aanzienlijksten" de hand en gingen weder heen. Zij bleven nooit

langer dan tien minuten. Men fluisterde elkander veelbeteekenende

woorden toe: "Het complot is rijp; de maat is vol." Allen die er

waren "gonsden dat na" om de uitdrukking van een der aanwezenden te

gebruiken. De opgewondenheid was zoodanig, dat een werkman eens in

een volle herberg riep: "Wij hebben geen wapens!"--Een zijner makkers

antwoordde: "De soldaten hebben er!" aldus, zonder er aan te denken,

Bonapartes proclamatie aan het leger van Italië parodieerende. "Hadden

zij iets geheimers," zegt een rapport, "dan deelden zij het elkander

niet mede." Men begrijpt niet wat zij nog te verbergen hadden, na

gezegd te hebben wat zij zeiden.

Deze vergaderingen waren soms geregeld. In sommige waren niet

meer dan acht of tien personen te zamen en steeds dezelfde. In

andere mocht komen wie wilde, en de kamer was zoo vol dat men staan

moest. Eenigen gingen daarheen uit geestdrift en hartstocht; anderen,

wijl "'t hun weg was om naar den arbeid te gaan." Evenals tijdens de

revolutie waren in die herbergen patriottische vrouwen, die de nieuw

aankomenden omhelsden.

Andere veelbeteekenende feiten traden te voorschijn.

Iemand kwam in een herberg, dronk, ging heen en zeide: "kastelein,

wat ik schuldig ben zal de revolutie betalen."

Bij een herbergier tegenover de straat de Charonne benoemde men

revolutionnaire agenten. De stembriefjes werden in petten verzameld.

Werklieden kwamen bij een schermmeester te zamen, die in de straat de

Cotte assauts gaf. Er was een wapentrofee samengesteld, uit houten

sabels, wandelstokken, knuppels en fleuretten. Op zekeren dag brak

men de knoppen van de fleuretten. Een arbeider zeide: "Wij zijn

vijf-en-twintig man, maar men rekent mij niet mede, wijl men mij als

een machine beschouwt."--Deze machine was later Quénisset.

De dingen, die werden voorbereid, verkregen allengs op zonderlinge

wijze een algemeene bekendheid. Een vrouw, die haar stoep veegde, zeide

tot een andere vrouw: "Sinds lang is men druk bezig met patronen te

maken."--Op de straat las men proclamatiën gericht aan de nationale

garden der departementen. Een dier proclamatiën was onderteekend:

"Burtot, wijnkooper."

Voor de deur van een likeurstoker op de markt Lenoir klom op zekeren

dag een man met een ringbaard en met Italiaanschen tongval op een

straatpaal, en las met luide stem een zonderling geschrift, dat van

een onzichtbare macht afkomstig scheen. Groepen hadden zich om hem

geschaard en juichten hem toe. De zinsneden, welke op de menigte den

meesten indruk maakten, werden bewaard en opgeschreven.--"...Onze leer

wordt belemmerd, onze proclamatiën worden verscheurd, onze aanplakkers

worden bespied en in de gevangenis geworpen."--"De daling, die in de

katoen heeft plaats gehad, heeft verscheidenen van het justemilieu

tot ons bekeerd."--De toekomst der volken wordt in onze nederige

rangen bewerkt."--"... 't Is bepaald: Actie of reactie, revolutie

of tegenrevolutie. Want in onzen tijd gelooft men niet meer aan

werkeloosheid, noch aan bewegingloosheid. Voor het volk of tegen

het volk, dat is de vraag; er is geen andere weg!"--"Breekt ons,

zoodra gij ons niet meer geschikt acht, maar helpt ons tot zoolang

voorwaarts gaan."

Dit alles gebeurde op klaar lichten dag.

Andere, nog vermeteler feiten waren juist om hun vermetelheid bij

het volk verdacht. Den 4 April 1832 klom een voorbijganger op den

straatpaal aan den hoek der straat St. Marguérite en riep: "Ik behoor

tot Babeuf!" Maar onder Babeuf vermoedde het volk den politieprefekt

Gisquet.

Onder andere zei deze voorbijganger:

"Weg met den eigendom! De oppositie der linkerzijde is lafhartig

en verraderlijk. Wanneer zij gelijk wil hebben, predikt zij

de revolutie. Zij is democratisch om niet geslagen te worden,

en koningsgezind om niet te vechten. De republikeinen zijn

pluimdieren. Mistrouwt de republikeinen, burger-werklieden!"

"Zwijg, burger-verklikker!" riep een werkman.

Deze kreet maakte een einde aan de redevoering.

Geheimzinnige voorvallen hadden plaats.

Tegen den avond ontmoette een arbeider bij het kanaal "een goed

gekleed man," die hem zeide: "Waarheen, burger?"--"Ik heb de eer

niet u te kennen, mijnheer," antwoordde de werkman. "Maar ik ken

u." En de man voegde er bij:--"Vrees niet, ik ben de agent van het

comité. Men verdenkt u van niet trouw te zijn. Gij weet, dat zoo

ge iets openbaardet, men u in 't oog houdt."--Toen drukte hij den

werkman de hand en zeide heengaande: "Spoedig zien wij elkander weder."

De spioneerende politie ving niet alleen in de herbergen, maar ook op

de straat de zonderlingste gesprekken op:--"Laat u spoedig aannemen,"

zei een wever tot een schrijnwerker.

"Waarom?"

"Er zal geschoten moeten worden."

Twee havelooze kerels wisselden met elkander deze merkwaardige woorden,

die veel van "Jacquerie" hadden:

"Wie regeert ons?"

"Mijnheer Filips."

"Neen, 't is de burgerstand."

Men geloove niet, dat wij het woord Jacquerie in een slechten zin

gebruiken. De "Jacques" waren de armen. De hongerigen hebben altijd

recht.

Een andermaal hoorde men twee voorbijgangers tot elkander zeggen:

"Wij hebben een zeer goed plan van aanval."

Van een vertrouwelijk gesprek tusschen vier mannen, die in een groeve

bij de barrière du Trone bijeengekropen zaten, verstond men slechts

het volgende:

"Men zal al het mogelijke doen, opdat hij niet meer in Parijs wandele."

Wie, hij? 't Was een duistere bedreiging.

"De hoofdaanvoerders," zooals men in de voorstad zeide, hielden zich

ter zijde. Men geloofde, dat zij in een herberg bij St. Eustache

te zamen kwamen om te raadplegen. Een zekere Aug..., chef van

het hulpgenootschap der kleermakers in de straat Mondetour, werd

gehouden voor onderhandelaar tusschen de aanvoerders en de voorstad

St. Antoine. Niettemin heerschte steeds veel duisternis omtrent deze

aanvoerders, en niets kan de zonderlinge fierheid van dit antwoord

verzwakken, 't welk later door een beschuldigde voor het hof der

pairs gegeven werd:

"Wie was uw chef?"

"Ik kende er geen en wilde er geen erkennen."

Meestal waren 't nog doorschijnende, bewimpelde, maar losse woorden;

soms slechts geruchten. Maar daarbij kwamen andere kenteekenen.

Een timmerman, in de straat Rueilly bezig met het spijkeren van

planken voor een schutting van een huis dat in aanbouw was, vond

op het terrein een gedeelte van een verscheurden brief, waarop deze

regels nog leesbaar waren:

"... Het comité moet maatregelen nemen ten einde de recruteering voor

de verschillende genootschappen in de sectiën te beletten..."

En als postcriptum:

"Wij hebben vernomen, dat in de straat Faubourg Poissonnière No. 5

(bis) op de binnenplaats van dat huis bij een geweermaker vijf of

zes duizend geweren zijn. De sectie bezit geen wapens."

Wat den timmerman ontstelde en hem bewoog het papier aan zijn buren

te toonen was, wijl hij eenige schreden verder er nog een opraapte,

dat ook gescheurd en van meer beteekenis was, en waarvan wij uit

hoofde van het historisch belang, het model hier mededeelen:

+---+---+---+---+--------------------------------------------+

| Q | C | D | E | Leer deze lijst van buiten. Verscheur ze |

| | | | | vervolgens. De toegelaten personen zullen |

| | | | | hetzelfde doen, zoodra gij hun bevelen |

| | | | | overgegeven hebt. |

| | | | | |

| | | | | Heil en Broederschap, |

| | | | | |

| | | | | u og a' fe. L.  |

+---+---+---+---+--------------------------------------------+

De personen, die van dien vond wisten, vernamen eerst later, wat deze

vier hoofdletters beteekenden, namelijk: quinturions, centurions,

dicurions, éclaireurs; en de letters u og a' fe: den 15 April

1832. Onder iedere hoofdletter stonden namen met zeer karakteristieke

aanwijzingen, als deze: Q. Bannorel, 8 geweren, 83 patronen. Een

vertrouwd man.--C. Boubière, 1 pistool, 40 patronen.--E. Teissier,

1 sabel, 1 patroontasch, enz.

Eindelijk vond deze timmerman, altijd op hetzelfde erf een derde

papier, waarop zeer leesbaar met potlood deze raadselachtige lijst

stond geschreven:

Eenheid, Blanchard: arbre-sec. 6.

Barra. Soize. Salie au Comte.

Kosciusko. Aubrey le boucher?

J. J. R.

Caïus Graccheus.

Recht van herziening. Dufond. Four.

Val der Girondisten. Derbac. Maubueé.

Washington. Pinson. 1 pist. 86 patr.

Marseillaise.

Souver. Van het volk. Michel. Quincampoix. Sabel.

Hoche.

Marceau. Platon. Arbre-Sec.

Warschau. Tilly, uitroeper van den Populaire.

De brave burger, in wiens handen deze lijst was geweest, kende de

beteekenis ervan. Het schijnt, dat 't een naamlijst was der sectiën

van het vierde arrondissement van 't genootschap der rechten van den

mensch, met de namen en woonplaatsen van de chefs dier sectiën. Thans,

nu al deze in de duisternis gebleven feiten tot de historie behooren,

mag men ze openbaren. Wij moeten er bijvoegen, dat de oprichting van

het genootschap der Rechten van den mensch na den vond van dit papier

schijnt te dagteekenen. Misschien was 't slechts een proeve.

Na de geruchten, de gesprekken en de geschreven kenteekenen begonnen

zich stoffelijke feiten te vertoonen.

Ten huize van een uitdrager werden in een ladetafel zeven vellen grijs

papier, in vieren gevouwen, gevonden en in beslag genomen; deze vellen

papier waren zes-en-twintig vierkante stukken van hetzelfde grijze

papier voor patronen bestemd, en een kaart waarop te lezen stond:

"Salpeter, 12 ons.

Zwavel, 2 ons.

Houtskool, 2 1/2 ons.

Water, 2 ons."

Het procesverbaal der inbeslagneming vermeldde, dat de ladetafel

sterk naar buskruit rook.

Een metselaar, van zijn werk naar huis keerende, vergat op een

bank bij de brug van Austerlitz een pakje. Dat pakje werd naar

den wachtpost gebracht. Men opende het en vond er twee gedrukte

samenspraken in, onderteekend: Lahautière, en een liedje getiteld:

Ouvriers, associez-vous (werklieden, vereenigt u), en een blikken

doos vol patronen.

Een werkman, die met een zijner kameraads dronk, liet dezen voelen

hoe warm hij was; de andere voelde een pistool onder zijn buis.

In een grebbe op den boulevard, tusschen Père Lachaise en de barrière

du Trône, vonden kinderen, die op een eenzame plek speelden, onder

een hoop spaanders en afval, een zak, waarin een kogelvorm, een houten

hamer om patronen te maken, een bakje waarin eenig jachtkruit en een

ijzeren potje, dat sporen bevatte van gesmolten lood.

Politieagenten, die onverhoeds te vijf uren 's ochtends het huis

van een zekeren Pardon binnendrongen, die later lid der sectie van

de barricade Merry was, en in den opstand van April 1834 sneuvelde,

vonden hem bij zijn bed bezig met patronen maken.

Omstreeks het schoftuur der werklieden, werden twee mannen gezien,

die elkander, tusschen de barrière Picpus en de barrière Charenton

op een smal pad tusschen twee muren bij een herberg ontmoetten. De

een nam van onder zijn kiel een pistool, dat hij den ander gaf. Hij

bespeurde, dat het kruit door het zweet van zijn borst eenigszins

vochtig was geworden. Hij opende de pan van het pistool en voegde er

nieuw kruit bij. Daarop scheidden beide mannen.

Een zekere Gallais, later in de gevechten van April in de straat

Beaubourg gedood, roemde er op, dat hij in zijn huis zevenhonderd

patronen en vier-en-twintig vuursteenen had.

Op zekeren dag ontving de regeering het bericht, dat in de voorstad

wapens en tweehonderd duizend patronen waren uitgedeeld. In de volgende

week werden dertig duizend patronen uitgedeeld. 't Is opmerkelijk,

dat de politie er geen enkele van kon vatten. In een onderschepten

brief stond: "De dag is niet ver, dat in vier uren tachtig duizend

patriotten onder de wapens zullen zijn."

Deze geheele gisting was openbaar, men zou kunnen zeggen rustig. De

dreigende opstand maakte tegenover het gouvernement met kalmte zijn

storm gereed. Niets zonderlings ontbrak aan deze nog onderaardsche

maar reeds zichtbare crisis. De burgers spraken rustig met de

werklieden over hetgeen werd voorbereid. Men vroeg: "Hoe gaat het

met den opstand?" op denzelfden toon als men zou gevraagd hebben:

"Hoe gaat het uw vrouw?"

Een meubelmaker in de straat Moreau vroeg: "Nu, wanneer begint

de aanval?"

Een winkelier zeide:

"Ik weet, dat men spoedig zal aanvallen. Een maand geleden waart gij

vijftien duizend man, nu zijt gij vijf-en-twintig duizend." Hij bood

zijn geweer, en een buurman een pistooltje aan, dat hij voor zeven

francs wilde verkoopen.

Intusschen won de revolutionnaire koorts veld. Geen punt van Parijs

noch van Frankrijk was er vrij van. Overal klopte de slagader. Evenals

die vliezen, welke uit sommige ontstekingen ontstaan en zich in het

menschelijk lichaam vormen, begon het net der geheime genootschappen

zich over het land uit te breiden. Uit het genootschap der Vrienden van

het volk, dat tevens openbaar en geheim was, ontstond het genootschap

der Rechten van den mensch, dat een zijner dagorders aldus dagteekende:

Pluviôse, an 40 de l'ère republicaine (regenmaand, het 40e jaar der

republiek), dat zelfs de vonnissen der gerechtshoven overleefde,

die zijn ontbinding uitspraken en niet aarzelde aan zijn sectiën de

volgende veelbeteekenenden namen te geven:

Pieken.

Alarmklok.

Alarmkanon.

Phrygische muts.

21 Januari.

Geuzen.

Schooiers.

Voorwaarts.

Robespierre.

Waterpas.

Ça ira.

Het genootschap der Rechten van den mensch bracht het genootschap

van de Daad voort. Het waren de ongeduldigen, die zich los maakten

en vooruit ijlden. Andere genootschappen trachtten zich uit de groote

moedervereenigingen te recruteeren.

De Parijsche genootschappen hadden hun vertakkingen in de voornaamste

steden. Lyon, Nantes, Rijssel en Marseille hadden hun genootschap

van de Rechten van den mensch, der vrije mannen enz.

Te Parijs was de voorstad Saint-Marceau niet minder onrustig

dan de voorstad Saint-Antoine, en de scholen niet minder dan deze

voorsteden. Een koffiehuis in de straat Saint-Hyacinthe en de estaminet

der zeven biljarten in de straat Mathurins Saint-Jacques dienden den

studenten tot vereenigingsplaatsen. Het genootschap der vrienden van

het A. B. C., in verbinding met andere genootschappen, kwam, zooals

men gezien heeft, in het koffiehuis Musain te zamen. Ook, zooals

gezegd is, ontmoetten die jongelingen elkander in een restaurant

bij de straat Montédour, dat Corinthe heette. Deze samenkomsten

waren geheim. Andere waren zoo openbaar mogelijk, en hielden hun

bijeenkomsten op de openbare straat.

Het leger was tegelijk met de bevolking ondermijnd, zooals later de

bewegingen te Belfort, te Luneville en te Epinal bewezen. In Bourgondië

en in de zuidelijke steden plantte men den vrijheidsboom. Namelijk

een mast met een roode muts op den top.

Zoo was de toestand.

De voorstad Saint-Antoine was inzonderheid het brandpunt van den

opstand.

Deze oude voorstad, als een mierennest bevolkt, ijverig, moedig

en toornig als een bijenzwerm, trilde van verwachting en begeerte

naar een schok. Alles was er beweging, zonder dat daarom de arbeid

werd gestaakt. In deze voorstad is onder het dak der vlieringen

hartverscheurende ellende verborgen; maar tevens vindt men er zeldzame

schranderheid en vernuft. 't Is vooral bij gebrek en schranderheid

gevaarlijk, dat de uitersten elkander raken.

De voorstad Saint-Antoine is een vergaarbak van volk. De

revolutionnaire schudding veroorzaakt er scheuren in, door welke de

volkssouvereiniteit heen vloeit. Deze souvereiniteit kan kwaad doen;

zij bedriegt zich gelijk ieder ander; maar zelfs in hare afdwalingen

blijft zij groot.

De Ellendigen (Deel 4 van 5) · 第 2 / 28 段