Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
DE ELLENDIGEN
Naar het Fransch
Van
VICTOR HUGO.
Opnieuw bewerkt.
Vierde deel.
Arnhem en Nijmegen,
Gebrs. E. & M. Cohen.
BOEK I.
EENIGE BLADZIJDEN GESCHIEDENIS.
EERSTE HOOFDSTUK.
GOED GESNEDEN.
De jaren 1831 en 1832, welke onmiddellijk op de Juli omwenteling
volgen, zijn een der eigenaardigste en treffendste tijdperken uit de
geschiedenis. Deze beide jaren zijn als twee bergen te midden der
jaren, die hen voorafgaan en volgen. Zij hebben de revolutionnaire
grootheid. Men onderscheidt er afgronden. De maatschappelijke
massa's, de grondslagen zelve der beschaving, de hechte groep der
opeengestapelde en samenhangende belangen, de eeuwenoude omtrekken
der voormalige Fransche vorming verschijnen en verdwijnen er ieder
oogenblik te midden der onstuimige wolken van stelsels, hartstochten
en theorieën. Deze verschijningen en verdwijningen heeft men den
wederstand en de beweging genoemd. Bij tusschenpoozen ziet men er de
waarheid, dat licht der menschelijke ziel, in stralen.
Dit merkwaardig tijdvak is tamelijk eng begrensd en begint zich reeds
allengs genoeg van ons te verwijderen, om thans de hoofdlijnen ervan
te kunnen erkennen.
Wij willen beproeven ze aan te toonen.
De restauratie was een tusschentijdvak, dat moeielijk te beschrijven
is, een tijdvak van afmatting, dof gerucht, gemor, slaap, rumoer,
welke niets anders beteekenen dan de komst eener groote natie aan
een rustpunt. Deze tijdvakken zijn buiten allen regel en bedriegen
de staatkundigen, die ze willen bewerken. Bij den aanvang vraagt de
natie slechts rust; men haakt slechts naar vrede; men heeft geen andere
eerzucht dan klein te zijn; 't geen wil zeggen rustig te blijven. Men
heeft, God dank, tot verzadigens toe, genoeg groote gebeurtenissen,
groote afwisselingen, groote avonturen, groote mannen gezien. Men zou
gaarne Cesar voor Prusias, en Napoleon voor den koning van Yvetot
geven: Quel bon petit roi c'était là! (welk een goed koninkje was
dat!) Men heeft sinds het aanbreken van den dag gegaan en is aan den
avond van een langen vermoeienden dag; den eersten tocht heeft men
met Mirabeau, den tweeden met Robespierre, den derden met Bonaparte
afgelegd; men is van vermoeidheid uitgeput. Ieder verlangt naar bed.
De vermoeide opoffering, de oud geworden heldenmoed, de verzadigde
eerzucht, de bereikte fortuin--dat alles zoekt, eischt, smeekt,
verzoekt, wat?--een nachtverblijf. Zij hebben het. Zij nemen bezit
van den vrede, van de rust, van het gemak--zij zijn tevreden. Maar
tezelfdertijd doen zich feiten voor, maken zich bekend en kloppen
hunnerzijds aan de deur. Deze feiten zijn uit de revolutiën en de
oorlogen voortgekomen; zij bestaan, zij leven, zij hebben het recht
zich in de maatschappij te vestigen en vestigen er zich; meesttijds
zijn de feiten kwartiermakers en fouriers, die niets doen dan voor
de beginselen kwartieren gereed te maken.
Nu verschijnt voor de politieke wijsgeeren het volgende:
Terwijl de vermoeide menschen naar rust verlangen, eischen de
volbrachte feiten waarborgen. Voor de feiten zijn waarborgen hetzelfde
als rust voor de menschen.
Die vroeg Engeland na den protector aan de Stuarts; die vroeg Frankrijk
den Bourbons na het Keizerrijk.
Deze waarborgen zijn een noodzakelijkheid van den tijd; men moet ze
verleenen. De vorsten "oktrooieeren" ze, maar 't is werkelijk de drang
der omstandigheden die ze geeft. 't Is een diepe, nuttige waarheid,
waaraan de Stuarts in 1662 niet dachten, welke de Bourbons zelfs
in 1814 niet opmerkten. De voorbeschikte familie, die in Frankrijk
terugkwam, toen Napoleon viel, had de noodlottige onnoozelheid te
gelooven, dat zij gaf, en dat zij terug kon nemen wat zij gegeven had,
dat het huis van Bourbon het goddelijk recht bezat, dat Frankrijk
niets bezat, en dat het politieke recht, in de charte van Lodewijk
XVIII toegestaan, niets anders was dan een tak van het goddelijk recht,
door het huis Bourbon afgebroken en genadiglijk aan het volk gegeven,
tot den dag dat het den koning behagen mocht het terug te nemen. Het
huis van Bourbon had evenwel, al ware het alleen door den tegenzin,
waarmede het die gift deed, moeten gevoelen, dat ze niet van hen kwam.
Het was nijdig op de negentiende eeuw. Bij iedere ontwikkeling der
natie betoonde het zich wrevelig; het "mokte," om een plat, maar waar
woord te gebruiken. Dit zag het volk.
Het waande zich sterk, wijl het keizerrijk als een tooneelscherm bij
zijn komst was weggeschoven. Het merkte niet op, dat het op dezelfde
wijze aangebracht was. Het zag niet, dat het zelf ook in de hand was,
die Napoleon had weggenomen.
Het meende wortelen te hebben, wijl het 't verledene was. Het bedroog
zich; het vormde een gedeelte van het verledene, maar geheel het
verledene was Frankrijk. De wortelen der Fransche maatschappij lagen
niet in de Bourbons, maar in de natie. Deze onzichtbare en krachtig
levende wortelen vormden niet het recht eener familie, maar de
geschiedenis van een volk. Zij lagen overal, behalve onder den troon.
Het huis van Bourbon was voor Frankrijk de roemrijke en bloedige knoop
zijner geschiedenis, maar niet meer het hoofdelement van zijn lot
en de noodzakelijke grondslag zijner politiek. Men kon de Bourbons
missen; men had ze twee-en-twintig jaren gemist; de voortduring was
afgebroken geweest, maar zij begrepen het niet. Hoe hadden zij het
kunnen begrijpen, zij die zich verbeeldden, dat Lodewijk XVII op den 9
Thermidor, en Lodewijk XVIII op den dag van Marengo regeerde? Nooit
waren, sedert het begin der geschiedenis, de vorsten zoo blind
geweest tegenover de feiten en ten opzichte van dat gedeelte van het
goddelijk gezag, 't welk de feiten bevatten en verkondigen. Nooit had
deze aanmatiging van beneden, welke men het recht der koningen noemt,
op zulk een wijze het recht van boven verloochend.
Deze groote dwaling bracht deze familie er toe de hand aan de in 1814
"geoktrooieerde" waarborgen, aan de concessiën zooals zij die noemde,
te slaan. 't Was treurig! Wat zij onze overweldigingen noemde, waren
onze rechten.
Toen de restauratie meende, Bonaparte overwonnen te hebben en in het
land geworteld te zijn, dat wil zeggen: zich sterk en vast genoeg
achtte, nam zij, toen het oogenblik haar gunstig scheen, ijlings
een besluit en waagde een slag. Op zekeren ochtend richtte zij zich
op voor Frankrijks aangezicht, en haar stem verheffende, betwistte
zij den algemeenen en den persoonlijken rechtstitel, namelijk zij
betwistte der natie de souvereiniteit, den burger de vrijheid. Met
andere woorden: zij loochende datgene wat de natie tot natie en den
burger tot burger maakte.
Dit is de grond dier beruchte staatsstukken, welke men de ordonnantiën
van Juli noemt.
De restauratie viel.
Zij viel met recht. Wij moeten echter zeggen, dat zij niet volstrekt
aan al de vormen van den vooruitgang vijandig was. Grootsche dingen
waren uitgevoerd aan haar zijde.
Gedurende de restauratie had de natie zich gewoon gemaakt aan de
discussie in de rust, 't geen aan de republiek had ontbroken, en aan de
grootheid in den vrede, 't geen aan het Keizerrijk had ontbroken. Het
vrije, sterke Frankrijk was een bemoedigend schouwspel voor de andere
volken van Europa geweest. De revolutie had, onder Robespierre, het
kanon, onder Bonaparte, het woord gevoerd; onder Lodewijk XVIII en
Karel X kwam de beurt om het woord te hebben aan het verstand. De wind
hield op, de toorts gaf weder licht. Men zag op de heldere kruinen het
zuiver licht der geesten flikkeren. Een heerlijk, nuttig en bekoorlijk
schouwspel. Men zag gedurende vijftien jaren, in vollen vrede, in
volkomen openbaarheid deze groote beginselen werkzaam, die zoo oud
voor den denker, zoo nieuw voor den staatsman zijn: de gelijkheid
voor de wet, de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken,
de vrijheid der drukpers, de toegankelijkheid van alle bedieningen
voor alle bekwaamheden. Dit duurde tot in 1830. De Bourbons waren
een werktuig van beschaving, dat in de handen der voorzienigheid brak.
De val der Bourbons was vol grootheid, niet van hun zijde, maar van
de zijde der natie. Zij verlieten den troon met ernst, maar zonder
waardigheid; hun nederdaling in den nacht was geen dier plechtige
verdwijningen, welke in de geschiedenis een sombere aandoening
achterlaten; 't was noch de spookachtige kalmte van Karel I, noch de
adelaarskreet van Napoleon. Zij gingen heen--dit was alles. Zij legden
de kroon neder, maar behielden geen glans er van. Zij waren niet laag,
maar evenmin verheven. Zij schoten eenigermate te kort aan de majesteit
van hun ongeluk. Op zijn weg naar Cherbourg liet Karel X van een ronde
tafel een vierkante zagen, en bekommerde zich meer om de bedreigde
etiquette dan om de instortende monarchie. Deze kleinheid bedroefde
de getrouwe lieden, die het persoonlijke der koninklijke familie
beminden, en de ernstige lieden, welke hun geslacht vereerden. Het
volk zelf was bewonderenswaardig. De natie, op een ochtend door
een soort van koninklijken opstand gewapenderhand aangevallen,
gevoelde zich zoo sterk, dat zij niet toornig was. Zij verdedigde,
bedwong zich, bracht de dingen weder op hun plaats; het gouvernement
in de wet, de Bourbons in ballingschap, en liet het daarbij. Zij nam
den ouden koning Karel X van onder den troonhemel, die Lodewijk XIV
had overschaduwd, en zette hem zacht op den grond neder. Zij raakte
slechts met droefheid en voorzichtig aan de koninklijke personen. 't
Was niet een man, 't waren niet eenige mannen, 't was Frankrijk,
geheel Frankrijk, het zegevierende en door zijn overwinning dronken
Frankrijk, dat zich scheen te herinneren en dat voor de oogen der
gansche wereld deze ernstige woorden van Guillaume du Vair na den
dag der barricades in practijk bracht: "'t Is gemakkelijk voor hen,
die gewoon zijn de gunst der grooten te genieten en als een vogel
van den eenen tak op den anderen te springen, van een bekrompen tot
een schitterend fortuin, zich hardvochtig tegen hun vorst en zijn
tegenspoed te toonen; maar voor mij zal het lot mijner koningen
eerwaardig zijn, en voornamelijk dat der bedroefden."
De Bourbons namen eerbied, maar geen leedwezen mede. Zooals wij gezegd
hebben, was hun ongeluk grooter dan zij. Zij verdwenen aan den horizon.
Dadelijk had de Juli-revolutie vrienden en vijanden in de geheele
wereld. De eenen ijlden met geestdrift en vreugd haar tegen, de anderen
wendden zich van haar, ieder naar zijn geaardheid. De vorsten van
Europa, de uilen bij dien dageraad, sloten aanvankelijk getroffen en
ontsteld de oogen, en openden ze niet weder dan om te dreigen. Een
ontzetting die begrijpelijk, een toorn die verschoonbaar is. Deze
zonderlinge revolutie was nauwelijks een schok geweest, zij had
zelfs het verwonnen koningschap de eer niet bewezen het als vijand
te behandelen en zijn bloed te storten. Voor de oogen der despotieke
gouvernementen, die er steeds belang bij hebben dat de vrijheid zich
zelve onteert, had de Juli-revolutie het ongelijk, vreeselijk te zijn
en toch zacht te blijven. Er werd overigens niets tegen haar beproefd
noch heimelijk bewerkt. Zij, die het meest ontevreden, vergramd en
beangst waren, begroetten haar. Hoe groot onze zelfzucht en onze wrok
zijn mogen, een geheimzinnige eerbied ontstaat uit de gebeurtenissen,
waarin men de medewerking van eene hoogere dan menschelijke macht
gevoelt.
De Juli-revolutie is de triumf van het recht, dat het feit
nedervelt. Zij is iets schitterends!
Het recht het feit nedervellende. Vandaar de glans der revolutie van
1830, vandaar ook haar zachtmoedigheid. Het triumfeerende recht heeft
geen behoefte om geweldig te zijn.
Het recht is het juiste en ware.
Het eigenaardige van het recht is, dat het eeuwig schoon en rein
blijft. Het feit, zelfs het schijnbaar noodzakelijkst, het door
den tijdgenoot volkomenst aangenomen feit is, zoo het slechts
als feit bestaat en te weinig of in 't geheel geen recht bevat,
onvermijdelijk bestemd om na verloop van tijd, leelijk, onrein,
misschien monsterachtig te worden. Zoo men met een oogopslag weten wil,
welken graad van leelijkheid het feit kan bereiken, wanneer men het
na verloop van eeuwen ziet, aanschouwe men Machiavelli. Machiavelli
is geen booze geest, geen demon, geen lage, ellendige schrijver;
hij is niets dan het feit. Niet alleen het Italiaansche feit, maar
het Europeesche; het feit der zestiende eeuw. Het schijnt leelijk,
en het is leelijk tegenover de zedelijke idée der negentiende eeuw.
Deze strijd van het recht en het feit duurt sedert het ontstaan der
maatschappijen. Het werk der wijzen is aan den tweestrijd een einde te
maken, de zuivere idée met de menschelijke wezenlijkheid te verbinden,
op vreedzame wijze het recht in het feit en het feit in het recht op
te nemen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
SLECHT GENAAID.
Maar het werk der wijzen is anders dan het werk der behendigen.
De revolutie van 1830 was spoedig tot staan gekomen.
Zoodra een revolutie gestrand is, bemachtigen zich de behendigen
het wrak.
De behendigen hebben zich zelven, in onze eeuw, den naam van
staatslieden toegekend, zoodat de naam staatsman uiteindelijk
eenigermate een woord uit de dieventaal is geworden. Men vergete het
toch niet, dat, waar behendigheid is, ook noodzakelijk kleinheid moet
zijn. Behendigen wil dus zooveel zeggen als: middelmatigen.
Even zoo is "staatsman" vaak gelijkbeteekenend met "verrader."
Zoo men nu de behendigen gelooft, zijn de revolutiën, gelijk de
Juli-revolutie, doorgesneden slagaderen, die spoedig verbonden moeten
worden. Het te luid verkondigd recht schokt. Zoodra derhalve het recht
is erkend, moet de staat opnieuw gevestigd worden. Is de vrijheid
verzekerd, dan moet men aan het gezag denken.
Hier scheiden de wijzen nog niet van de behendigen, maar beginnen te
wantrouwen. Het gezag, goed. Maar, vooreerst, wat is het gezag? ten
tweede, van waar komt het?
De behendigen schijnen de gefluisterde tegenwerping niet te hooren
en gaan voort met hun arbeid.
Volgens deze staatslieden, die zoo schrander zijn, aan voordeelige
hersenschimmen een masker van noodzakelijkheid te geven, is de eerste
behoefte van een volk na een revolutie, wanneer dit volk tot een
monarchaal werelddeel behoort, zich een dynastie te bezorgen. Op
deze wijze, zeggen zij, kan het rust na zijn omwenteling hebben;
dat wil zeggen, den tijd om zijn wonden te verbinden en zijn huis te
herstellen. De dynastie verbergt den steiger en bedekt het hospitaal.
Maar het is niet altijd gemakkelijk, zich een dynastie te bezorgen.
Ten strengste genomen is een geniaal man, ja zelfs de eerste de beste
gelukkige man voldoende om er een koning van te maken. In 't eerste
geval heeft men Bonaparte, in het tweede Iturbide.
Maar de eerste de beste familie is niet voldoende om een dynastie te
zijn. Een geslacht moet noodzakelijk zekeren ouderdom hebben en de
rimpels der eeuwen kan men niet plotseling voortbrengen.
Welke eigenschappen, altijd, wel te verstaan, uit het gezichtspunt der
"staatsmannen" gezien, en onder zeker voorbehoud, moet na een revolutie
een koning hebben, die er uit ontstaan is? Hij kan revolutionnair
zijn en 't is nuttig, dat hij het zij, namelijk dat hij persoonlijk
in de revolutie betrokken zij geweest, er de hand in gehad hebbe,
dat hij er zich door benadeeld of er roem mede behaald, dat hij er
de bijl van geraakt of den degen er voor gevoerd hebbe.
Welke zijn de eigenschappen eener dynastie? Zij moet nationaal, dat is
uit de verte revolutionnair zijn, niet door volbrachte handelingen,
maar door aangenomen beginselen. Zij moet uit het verleden zijn
samengesteld, en historisch zijn, een toekomst hebben en sympathie
inboezemen.
Dit alles verklaart, waarom de eerste revolutiën zich tevreden stellen
met een man te vinden, Cromwell of Napoleon; en waarom de tweede
volstrekt een familie willen vinden, het huis van Brunswijk of het
huis van Orleans. De koninklijke huizen gelijken naar die Indische
vijgeboomen, van welke iedere tak zich naar de aarde buigt, er wortelt
en een vijgeboom wordt. Iedere tak kan een dynastie worden. Alleen
op voorwaarde, dat hij zich tot het volk buigt.
Dit is de theorie der behendigen.
De groote kunst is alzoo: aan eenigen voorspoed den klank eener
gewichtige gebeurtenis te geven, opdat zij, die ervan genieten, er
ook voor beven; een gedanen stap met vrees te kruiden; de buiging van
den overgang te vernauwen om den vooruitgang te vertragen; dit werk te
verzwakken, de ruwheden der geestdrift aan te wijzen en weg te nemen;
de hoeken en nagels weg te snijden; den triumf in watten te leggen;
het recht in te bakeren; den reus, het volk, in flanel te wikkelen
en het schielijk te bed te brengen; aan deze overmatige gezondheid
een diëet voor te schrijven; Hercules als een herstelden zieke te
behandelen; de gebeurtenis in het hulpmiddel op te lossen; aan de,
naar het ideaal dorstende geesten een verkoelenden drank te reiken;
voorzorgen tegen al te grooten voortgang te nemen, de revolutie van
een lichtscherm te voorzien.
1830 bracht deze theorie in practijk, welke door 1688 reeds op Engeland
was toegepast.
1830 is een te halverwege tot staan gebrachte revolutie; half
vooruitgang, bijna recht. Maar de logica wil van "bijna" niets weten,
evenmin als de zon iets van de kaars weet.
Wie houdt de revolutiën te halverwege staande? De burgerstand.
Waarom?
Wijl de burgerstand is: het eigenbelang, dat tot bevrediging is
gekomen. Gisteren was het de honger, heden is het de voldoening,
morgen zal het de verzadiging zijn.
Het verschijnsel van 1814 na Napoleon herhaalde zich in 1830 na
Karel X.
Men heeft ten onrechte van den burgerstand eene klasse willen maken. De
burgerstand is eenvoudig het bevredigde gedeelte des volks. De burger
is de man, die op 't oogenblik den tijd heeft te gaan zitten. Een
stoel is geen kaste. Maar door te spoedig te gaan zitten, kan men zelfs
den gang van het menschelijk geslacht tegenhouden. Dit is dikwerf de
misslag van den burgerstand geweest.
Men is geen klasse, wijl men een misslag begaat. De zelfzucht is geen
afdeeling der menschelijke orde.
Men moet overigens, zelfs jegens de zelfzucht, rechtvaardig zijn; de
toestand, waarnaar dit gedeelte der natie, 't welk men den burgerstand
noemt, na den schok van 1830 trachtte, was geen werkeloosheid, die zich
aan onverschilligheid en luiheid paart, en een weinig schande bevat;
't was niet de slaap, die een vluchtige vergetelheid onderstelt,
vatbaar voor droomen; 't was een halt.
Dit "halt" is een woord van een dubbele, schier tegenstrijdige
beteekenis: voor marcheerende troepen behoort het tot de beweging;
bij stilstand is het rust.
Halt houden is de herstelling der krachten, 't is de gewapende en
waakzame rust, 't is het volbrachte feit, dat schildwachten uitzet en
op zijn hoede is. Halt houden veronderstelt het gevecht van gisteren
en het gevecht voor morgen.
't Is de tusschentijd van 1830 en van 1848.
Wat wij hier gevecht noemen, kan ook vooruitgang worden genoemd.
De burgerstand had dus evenzeer als de staatslieden een man noodig,
die dit woord "halt" uitdrukte. Een "Hoewel omdat." Een samengestelde
individualiteit, die revolutie en duurzaamheid beteekent, met andere
woorden: die het tegenwoordige, door de blijkbare overeenstemming
van het verledene en de toekomst, bevestigde.
Die man was "gevonden." Hij heette Lodewijk Filips van Orleans.
De 221 maakten Lodewijk Filips koning. Lafayette belastte zich met
de zalving. Hij noemde hem "de beste der republieken." Het stadhuis
van Parijs verving de Cathedraal van Reims.
Deze vervanging door een halven troon, in de plaats van een geheelen,
was "het werk van 1830."
Toen de behendigen gedaan hadden, kwam de groote feil hunner schepping
voor den dag. Dit alles was verricht buiten het volstrekte recht. Het
volstrekte recht riep: Ik protesteer! en toen trad het, 't geen nog
geduchter was, weder in de schaduw.
DERDE HOOFDSTUK.
LODEWIJK FILIPS.
Revolutiën hebben een vreeselijken arm en een gelukkige hand; zij slaan
duchtig en kiezen goed. Zelfs wanneer zij onvolledig, verbasterd, te
vroegtijdig en een jeugdige revolutie zijn, gelijk die van 1830, blijft
haar schier altijd nog genoeg providentieele helderziendheid over om
niet verkeerd te vallen. Haar verduistering is nooit een afstand.
Beroemen wij ons echter niet te luid; ook de revolutiën bedriegen
zich en men heeft ernstige misvattingen gezien.
Keeren wij tot 1830 terug. 1830 had in zijn afwijking geluk. Bij de
instelling, die, na de plotseling staande gehouden revolutie, orde
heette, was de koning beter dan het koningschap. Lodewijk Filips was
een zeldzaam man.
Zoon van een vader, nopens wien de geschiedenis zekerlijk verzachtende
omstandigheden in aanmerking zal nemen, even achtenswaardig als zijn
vader laakbaar was geweest; in het bezit van alle persoonlijke, en
vele openbare deugden; zorgvuldig voor zijn gezondheid, zijn fortuin,
zijn persoon en zijn zaken; de waarde van een minuut, niet altijd
die van een jaar kennende; matig, opgeruimd, vreedzaam, geduldig;
een goed man en een goed vorst; die bij zijn vrouw sliep en in zijn
paleis lakeien had om zijn echtelijk bed aan de burgers te laten zien;
de praalvertooning van een geregeld huwelijksleven, te noodzakelijker
geworden na de zedelooze praalvertooningen van den ouderen tak;
bekend met al de talen van Europa, en wat zeldzamer is, met alle
talen van alle belangen, en die talen sprekende; een merkwaardig
vertegenwoordiger van den "middelstand", maar dien overtreffende en
in alle opzichten er boven verheven; in 't bezit van een uitstekenden
geest, echter het bloed waardeerende waarvan hij afstamde, en vooral
zich zelven wegens eigen geestkracht; bij de vraag nopens zijn
geslacht, zich uitsluitend Orleans en niet Bourbon noemende; zeer
prins van den bloede, zoolang hij slechts koninklijke hoogheid was,
maar een wezenlijk burger, zoodra hij majesteit was; in 't openbaar
wijdloopig, maar kort en bondig in vertrouwde kringen; gierig genoemd,
maar nooit bewezen; in den grond een dier spaarzamen, die uit lust
of plicht gemakkelijk verspillend worden; een geletterde, maar echter
weinig voor de letteren over hebbende; een edelman maar geen ridder;
eenvoudig, kalm en sterk; door zijn familie en zijn huis bemind;
een verleidelijk verhaler; een van hersenschimmen bevrijd staatsman;
inwendig koel; beheerscht door het onmiddellijk belang; immer zich naar
het naaste richtend; noch tot wraak noch tot dankbaarheid bekwaam;
onmeedoogend de uitstekenden tegen de middelmatigen bezigende;
behendig om door de parlementaire meerderheden die geheimzinnige
eenstemmigheden in 't ongelijk te stellen, welke onder de tronen
grollen; openhartig, soms onvoorzichtig in zijn openhartigheid,
maar bij deze onvoorzichtigheid wonderbaar behendig; vruchtbaar in
uitvluchten, gedaantewisselingen en maskers; Frankrijk voor Europa en
Europa voor Frankrijk bevreesd makende; onbetwistbaar zijn vaderland
beminnende, maar aan zijn familie de voorkeur gevende; meer waarde
hechtende aan heerschappij dan aan het gezag, en aan het gezag meer
dan de waardigheid; een neiging die noodlottig is, wanneer zij in
alles willende slagen, list te baat neemt en niet volstrekt afkeerig
van laagheid is, maar het voordeel heeft dat zij de politiek voor
geweldige schokken, den staat voor breuken en de maatschappij voor
noodlottige gebeurtenissen behoedt; stipt in kleinigheden, nauwkeurig,
waakzaam, oplettend, scherpzinnig, onvermoeibaar, die zich soms
tegensprak en logenstrafte, die stoutmoedig tegen Oostenrijk te
Ancona, hardnekkig tegen Engeland in Spanje was, die Antwerpen
bombardeerde en den missionaris Pritchard vergoeding gaf; die met
overtuiging de Marseillaise zong; onvatbaar voor neerslachtigheid,
vermoeienissen, voor den smaak voor het goede en het ideale, voor
edelmoedige vermetelheid, voor utopieën, hersenschimmen, toorn,
ijdelheid en vrees; die al de vormen van persoonlijke onversaagdheid
had; als generaal te Valmy, als soldaat te Jemmapes, achtmaal door
koningsmoord aangerand, en die telkens glimlachte; dapper als een
grenadier, moedig als een denker; geen andere bekommering hebbende
dan voor de gevaren eener Europeesche opschudding, en ongeschikt
voor groote politieke avonturen; immer gereed zijn leven te wagen,
nooit zijn werk; zijn wil onder den schijn van invloed vermommende,
ten einde eerder als een schrander man dan als koning gehoorzaamd
te worden; begaafd met opmerkzaamheid, maar niet met vooruitzicht;
weinig lettende op de geesten, maar van groote menschenkennis, dat
wil zeggen: hij moest zien, om te kunnen oordeelen; vlug van verstand
en scherpzinnig, met practische wijsheid, welbespraakt, en met een
wonderbaar geheugen; immer uit dat geheugen puttende, het eenige wat
hij met Cesar, Alexander en Napoleon gemeen had; hij kende de feiten,
de bijzonderheden, de datums, de eigennamen, maar was onbekend met
de neigingen, de hartstochten, de verschillende uitingen der menigte,
de inwendige strevingen, de geheime en verborgen opstanden der zielen,
met één woord: alles wat men de onzichtbare stroomingen der geesten
zou kunnen noemen; een man door de oppervlakte aangenomen, maar
weinig in overeenstemming met het onderste van Frankrijk; die zich
door slimheid uit de verlegenheid redde; die te veel regeerde en niet
genoeg heerschte; die zelf zijn eerste minister was; uitmuntend om
van de kleinheid der wezenlijkheden hindernissen voor het oneindige
der ideeën te vormen; die aan een wezenlijk scheppende bekwaamheid
van beschaving, orde en organisatie een zekeren geest van kibbelarij
en chicane paarde; stichter en procureur eener dynastie, die iets
van Karel den groote en iets van een advocaat had; in 't geheel een
verhevene, origineele gestalte, een vorst die zich gezag wist te
verschaffen in weerwil der kitteloorigheid van Frankrijk, en macht,
trots Europa's ijverzucht--Lodewijk Filips zal onder de uitstekende
mannen zijner eeuw worden gesteld en zou gerangschikt zijn onder de
doorluchtige heerschers der geschiedenis, zoo hij een weinig zin voor
den roem had gehad en evenzeer gevoel voor het grootsche als voor het
nuttige. Lodewijk Filips was schoon geweest, en was, oud geworden,
nog bevallig gebleven; hoewel niet altijd aangenaam bij de natie,
was hij het altijd bij de menigte; hij behaagde. Hij had de gaaf
te bekoren. Hem ontbrak majesteit; hij droeg geen kroon, hoewel hij
koning, geen wit haar, hoewel hij een grijsaard was. Zijn manieren
behoorden den ouden, zijn gewoonten den nieuwen tijd, een mengsel van
het adellijke en burgerlijke, dat aan 1830 paste; Lodewijk Filips
was de regeerende overgang; hij had de oude uitspraak en de oude
spelling behouden, welke hij ten dienste der nieuwe gedachten stelde;
hij beminde Polen en Hongarije, maar schreef als eertijds Polonois,
en zeide Hongrais. Hij droeg de uniform der nationale garde gelijk
Karel X, en het lint van het Legioen van Eer gelijk Napoleon.
Hij ging weinig ter kerk, niet ter jacht, nooit naar de opera. Hij
was onomkoopbaar voor de kosters, jachtknechten en danseressen; dit
gaf hem populariteit bij den burgerstand. Hij had geen hofhouding. Hij
ging uit met zijn parapluie onder den arm, en deze parapluie heeft lang
tot zijn gloriekrans behoord. Hij was een weinig metselaar, een weinig
tuinier en een weinig arts; hij deed een aderlating aan een postillon,
die van het paard was gestort; hij ging evenmin uit zonder zijn lancet
als Hendrik III zonder zijn dolk. De koningsgezinden bespotten dezen
belachelijken koning, den eerste die bloed vergoot om te genezen.
In de grieven der geschiedenis tegen Lodewijk Filips moet onderscheid
gemaakt worden; er is in beschuldiging van het koningschap,
beschuldiging van de regeering en beschuldiging van den koning;
drie kolommen, welke ieder een verschillende som geven. Op het
democratische recht beslag gelegd, de vooruitgang een tweede belang
geworden, de geweldige onderdrukking der straatprotesten, de militaire
terechtstelling der opstanden, het oproer door de wapens bedwongen, de
straat Transnonain, de zittingen van den krijgsraad, de overvleugeling
van het wezenlijke land door het wettige land, het gouvernement in
halve winst met driehonderd duizend bevoorrechten zijn de feiten
van het koningschap; België geweigerd, Algerië te streng veroverd,
en, evenals Indië door de Engelschen, met meer barbaarschheid dan
beschaving; de trouwbreuk jegens Abdel-Kader, Blaye, de koop van
het verraad tegen de hertogin van Berry; de aan Pritchard betaalde
vergoeding zijn de feiten der regeering; een politiek, die meer de
belangen der familie dan die der natie op 't oog had, is een feit
des konings.
Zooals men ziet, wordt na deze afscheiding de schuld des konings
minder.
Zijn grootste misslag is deze: Hij was te bescheiden in naam van
Frankrijk.
Vanwaar komt deze misslag?
Lodewijk Filips was als koning te veel vader; de opkweeking
eener familie, waarvan men een dynastie wil maken, is voor alle
omstandigheden beducht, moet door niets gehinderd worden. Vandaar die
buitensporige beschroomdheid, welke voor het volk onaangenaam was,
dat den 14 Juli in zijn burgerlijke overleveringen, en Austerlitz in
zijn militaire overleveringen heeft.
Afgescheiden overigens van de openbare plichten, die het eerst moeten
vervuld worden, was deze innige liefde van Lodewijk Filips voor
zijn familie eene alleszins gewettigde. Deze huiselijke groep was
bewonderenswaardig. De deugden gingen er aan talenten gepaard. Eene
der dochters van Lodewijk Filips, Maria van Orleans, plaatste den naam
van haar geslacht onder de kunstenaars, zooals Karel van Orleans dien
onder de dichters had geplaatst. Zij had haar ziel in marmer gevormd,
't geen zij Jeanne d'Arc noemde. Twee zonen van Lodewijk Filips hadden
Metternich dezen demagogischen lof ontrukt: "'t Zijn jongelieden,
zooals men ze zelden ziet, en prinsen, zooals men ze in 't geheel
niet ziet."
Dit is, zonder iets te bewimpelen, maar ook zonder iets te verergeren,
de waarheid nopens Lodewijk Filips.
't Was in 1830 voor Lodewijk Filips het geluk dat hij prins Egalité
was, dat hij in zich de tegenspraak der restauratie en der revolutie
droeg, dat hij die verontrustende zijde van den revolutionnair had,
die bij den regeerder geruststellend wordt. Nooit paste een mensch
beter bij een gebeurtenis; de een ging in de andere over, en een
nieuwe menschwording ontstond. Lodewijk Filips is de menschwording
van 1830. Bovendien had hij in zijn voordeel deze groote aanbeveling
voor den troon; de verbanning. Hij was balling, zwervend en arm
geweest. Hij had van zijn arbeid geleefd. In Zwitserland had deze
deelgenoot aan de rijkste vorstelijke domeinen van Frankrijk een
oud paard verkocht, om in zijn onderhoud te voorzien. Te Reichenau
had hij lessen in de wiskunde gegeven, terwijl zijn zuster Adelaïde
borduurde en naaide. Deze herinneringen van een koning brachten den
burgerstand in verrukking. Met eigen handen had hij het laatste ijzeren
cachot van Mont-Saint-Michel afgebroken, dat door Lodewijk XI gebouwd,
door Lodewijk XV gebezigd werd. Hij was de krijgsmakker van Dumouriez,
de vriend van Lafayette; hij had tot de club der Jacobijnen behoord;
Mirabeau had hem op den schouder geklopt; Danton had tot hem gezegd:
jongeling! In 93, op vier-en-twintigjarigen leeftijd, had hij,
als mijnheer de Chartres, in een donkere loge der conventie, het
proces bijgewoond van Lodewijk XVI, zoo terecht "die arme tyran"
genoemd. De blinde helderziendheid der revolutie, het koningschap
in den koning en den koning met het koningschap verbrekende, zonder
bijna in de woeste verplettering der idée den mensch op te merken; de
ontzaggelijke storm der vergadering als gerechtshof, de openbare toorn
die ondervraagt, Capet die niet weet te antwoorden; de schrikbarende
verstomde waggeling van dit koninklijke hoofd onder dien noodlottigen
storm; de betrekkelijke onschuld van allen in dit schriktooneel,
zoowel van hen die veroordeelden als van hem die veroordeeld werd--dit
alles had hij gezien, hij had aller verbijstering aanschouwd; hij
had de eeuwen voor de balie der conventie zien verschijnen; achter
Lodewijk XVI, dezen ongelukkigen verantwoordelijken voorbijganger,
had hij in de duisternis de vreeselijke beschuldigde, de monarchie,
zien verrijzen; en in zijn ziel was de eerbiedige ontzetting voor de
ontzaggelijke gerechtigheid des volks, schier even onpersoonlijk als
die van God achtergebleven.
Het spoor dat de revolutie in hem had achtergelaten was
wonderbaar. Zijn herinnering was als een levend indruksel van deze
groote jaren, minuut voor minuut. Op zekeren dag verbeterde hij,
in tegenwoordigheid van een getuige, aan wien wij onmogelijk kunnen
twijfelen, uit zijn geheugen de geheele letter A der alphabetische
lijst van de Constitueerende Vergadering.
Lodewijk Filips was een koning in den vollen dag. Toen hij regeerde
was de pers vrij, het spreekgestoelte vrij, waren het geweten en
het woord vrij. De September-wetten spreken luide. Hoewel hij de
nadeelige kracht van het licht op de privilegiën kende, liet hij toch
zijn troon aan het licht blootgesteld. De geschiedenis zal hem deze
grootmoedigheid toerekenen.
Thans is Lodewijk Filips, zooals alle historische mannen, die van
het tooneel zijn getreden, voor de balie van het menschelijk geweten
gevoerd. Zijn proces is nog slechts ter eerste instantie.
Het uur, dat de geschiedenis met haar eerwaardige en vrije stem
spreekt, heeft voor hem nog niet geslagen, het oogenblik is nog niet
gekomen om over dien koning het eindvonnis uit te spreken: zelfs de
strenge en beroemde geschiedschrijver Louis Blanc heeft onlangs zijn
eerste vonnis verzacht; Lodewijk Filips werd gekozen door deze twee,
die men 221 en 1830 noemt, namelijk door een half parlement en een
halve revolutie; in allen geval, en uit het verheven gezichtspunt,
waarop de wijsbegeerte zich moet plaatsen, zouden wij hem hier niet
kunnen beoordeelen, zooals men hierboven heeft kunnen opmerken, dan
met zekere voorbehoudingen, in naam van het volstrekt democratisch
beginsel; voor het oog van het volstrekte, buiten deze twee rechten:
vooreerst de rechten van den mensch, en ten tweede het recht des volks,
is alles overweldiging; wat wij evenwel reeds nu, behoudens deze
voorbehoudingen, kunnen zeggen, is, dat over 't geheel en op welke
wijze men hem beschouwe, Lodewijk Filips, op zich zelven genomen en
uit het oogpunt van menschelijke goedheid, om ons van de uitdrukking
der oude geschiedenis te bedienen, een der beste vorsten zal blijven,
die op eenigen troon gezeteld hebben.
Wat heeft hij tegen zich? Die troon. Neem het koningschap van
Lodewijk Filips af. De mensch blijft. De mensch is goed; dikwijls
goed tot bewonderens toe. Menigmaal kwam hij des avonds, te midden
der drukkendste zorgen, na een dag van strijd tegen de diplomatie
van geheel Europa, in zijn kamer, en wat deed hij daar, uitgeput
van vermoeidheid, en worstelend tegen den slaap? Hij nam een bundel
processtukken, en bracht den nacht door met de nalezing van een
crimineel rechtsgeding, meenende dat het iets beteekende Europa het
hoofd te bieden, maar dat het een gewichtiger zaak was, den beul een
mensch te ontrukken. Volhardend bestreed hij zijn zegelbewaarders;
voet voor voet betwistte hij den procureurs-generaal, deze "babbelaars
der wet" zooals hij ze noemde, het terrein der guillotine. Soms
bedekten stapels processtukken zijn tafel; hij onderzocht ze alle;
't was hem onmogelijk deze rampzalige veroordeelde hoofden op te
geven. Op zekeren dag zeide hij tot denzelfden getuige, van wien
wij aanstonds spraken: "Dezen nacht heb ik er zeven gewonnen." In de
eerste jaren zijner regeering werd de doodstraf zoogoed als afgeschaft,
en het weder opgerichte schavot was een dwang den koning gedaan. De
gerechtsplaats La Gréve was met den ouderen tak der Bourbons verdwenen;
er werd een burgerlijke gerechtsplaats ingesteld onder den naam van
barrière St. Jacgues; de "practische mannen" gevoelden behoefte aan
een zoogenaamde wettige guillotine; dit was een der overwinningen
van Casimir Périer,--die de bekrompen zijden van den burgerstand
vertegenwoordigde--op Lodewijk Filips, die er de liberale zijden
van vertegenwoordigde. Lodewijk Filips had eigenhandig noten op
Beccaria's werk geschreven. Na het helsche werktuig van Fieschi,
riep hij uit: "Hoe jammer dat ik niet gekwetst ben! Ik had dan gratie
kunnen verleenen!" Toen hij een andermaal op den tegenstand zijner
ministers zinspeelde, schreef hij bij gelegenheid van een staatkundig
veroordeelde--een der edelste figuren van onzen tijd: "zijn genade
is verleend; er blijft mij slechts over ze te verwerven." Lodewijk
Filips was zachtmoedig als Lodewijk IX, en goed als Hendrik IV.
En voor ons heeft in de geschiedenis, waar goedheid een zoo zeldzame
parel is, de goedheid schier den voorrang boven de grootheid.
Daar Lodewijk Filips streng door de eenen, misschien hard door de
anderen is beoordeeld, is het zeer natuurlijk, dat een man, thans
zelf een schim, die dezen koning gekend heeft, voor hem tegenover
de geschiedenis kome getuigen; deze getuigenis, hoe zij zijn moge,
is blijkbaar en bovenal onbaatzuchtig; een grafschrift door een doode
geschreven is oprecht; een schim mag een andere schim troosten; het
deelgenootschap aan dezelfde duisternis geeft het recht tot lofspraak;
en 't is weinig te vreezen, dat men ooit van twee graftomben in
ballingschap zal zeggen: Deze heeft den ander gevleid.
VIERDE HOOFDSTUK.
SCHEUREN IN DE FUNDAMENTEN.
Op het oogenblik dat het drama, 't welk wij verhalen, in de diepte
van een der treurige wolken zal dringen, welke het begin der regeering
van Lodewijk Filips bedekken, mocht er geen dubbelzinnigheid bestaan,
en 't was noodzakelijk, dat dit boek zich nopens dien koning uitsprak.
Lodewijk Filips was zonder gewelddadigheid tot het koninklijk gezag
gekomen, zonder rechtstreeksche handeling zijnerzijds, door het feit
eener revolutionnaire omkeering, waaraan de hertog van Orleans geen
persoonlijk deel had genomen. Hij was prins geboren en meende een
gekozen koning te zijn. Hij had zich zelf dit mandaat niet gegeven,
het ook niet genomen; men had het hem aangeboden, en hij had het
aanvaard; overtuigd, onzes inziens ten onrechte, dat deze aanbieding
rechtmatig, en hij tot de aanneming verplicht was. Vandaar een bezit
te goeder trouw. Nu, wij zeggen met volle overtuiging, dat Lodewijk
Filips in het bezit te goeder trouw was, en dat de democratie,
in zijn aanval te goeder trouw zijnde, de verschrikking, die uit
de maatschappelijke worstelingen ontstaat, noch den koning noch de
democratie beschuldigt. De schok der beginselen gelijkt den schok
der elementen. De oceaan verdedigt het water, de orkaan verdedigt de
lucht; de koning verdedigt het koningschap, de democratie verdedigt
het volk; het betrekkelijke, namelijk de monarchie, biedt wederstand
aan het absolute, namelijk de republiek; de maatschappij bloedt
onder dit conflict, maar wat thans haar lijden is, zal later haar
heil zijn; in allen gevalle zijn zij die strijden niet te laken;
een van beide partijen bedriegt zich ontwijfelbaar; het recht staat
niet als de colossus van Rhodes tegelijk op twee oevers, met den
eenen voet in de republiek, met den anderen in het koningschap; het
is ondeelbaar en geheel aan één zijde; maar zij die zich bedriegen,
bedriegen zich te goeder trouw; een blinde is evenmin een misdadiger
als een Vendeër een bandiet. Schrijven wij alzoo slechts aan het
noodlot deze vreeselijke botsingen toe. Wat deze stormen zijn mogen,
de menschelijke verantwoordelijkheid heeft er geen deel aan.
Voltooien wij dit overzicht.
De regeering van 1830 had reeds dadelijk een moeielijk
bestaan. Gisteren geboren, moest zij reeds heden strijden.
Nauwelijks ingesteld, voelde zij reeds overal flauwe rukken aan het
Juli-getimmerte, dat zoo versch gebouwd, nog zoo weinig hecht was.
De tegenstand ontstond den volgenden dag; misschien was hij reeds
den vorigen dag ontstaan.
Van maand tot maand breidde zich de vijandigheid uit en werd meer en
meer openlijk.
De Juli-revolutie, die, zooals wij gezegd hebben, buiten Frankrijk
noode door de koningen ontvangen werd, was in Frankrijk op
verschillende wijze opgevat geworden.
God geeft aan de menschen Zijn zichtbaren wil in de gebeurtenissen te
kennen; een duistere tekst in een geheimzinnige taal. Dadelijk maken
de menschen daarvan vertalingen, overijlde, onjuiste vertalingen, vol
fouten, leemten en tegenstrijdigheden. Zeer weinig geesten verstaan
de goddelijke taal. De schranderste, de bedaardste, de diepzinnigste
ontcijferen langzaam, en wanneer zij met hun tekst komen, is het werk
sinds lang verricht; er zijn dan reeds meer dan twintig vertalingen
aan de markt. Uit iedere vertaling ontstaat een partij en uit iedere
tegenstrijdigheid een factie; iedere partij meent uitsluitend den
waren tekst te hebben; iedere factie meent het licht te bezitten.
Soms is het gezag zelf een factie.
In revolutiën zijn zwemmers tegen den stroom, 't zijn de oude partijen.
Aangezien de revolutiën uit het recht van den opstand ontstaan,
zoo meenen de oude partijen, die zich aan de erfelijkheid door de
gratie Gods houden, dat men tegen haar het recht van den opstand
heeft. 't Is een dwaling. Want in revolutiën is de opstandeling niet
het volk, maar de koning. Revolutie is juist het tegenovergestelde van
opstand. Iedere revolutie, een normale vervulling zijnde, bevat in zich
haar wettigheid, die soms door valsche revolutionnairen onteerd wordt,
doch die, hoewel bezoedeld, bestaan blijft, en hoewel zelfs bloedend
blijft leven. Revolutiën ontstaan niet uit een toeval, maar uit de
noodzakelijkheid. Een revolutie is een terugkeer uit het schijnbare
tot het wezenlijke. Zij is, wijl zij zijn moet.
Desniettemin vielen de oude legitimistische partijen de revolutie
van 1830 aan met al het geweld, dat uit valsche redeneering kan
voortkomen. Dwalingen zijn uitmuntende kogels. Zij troffen haar
behendig, waar zij kwetsbaar was, bij gemis van kuras, daar haar logica
ontbrak; zij vielen deze revolutie in haar koningschap aan. Zij riepen
haar toe: Revolutie, waarom deze koning? De factiën zijn blinden,
die juist mikken.
Ook de republikeinen slaakten dezen kreet. Maar deze kreet, van hen
komende, was logisch. Wat blindheid was bij de legitimisten, was
helderziendheid bij de democraten. 1830 had bij het volk bankroet
gemaakt. De verontwaardigde democratie verweet het haar.
De instelling van Juli worstelde tusschen den aanval van het verledene
en den aanval der toekomst. Zij vertegenwoordigde het oogenblik,
eenerzijds in strijd met de monarchale eeuwen, anderzijds met het
eeuwige recht.
Buitendien was zij voor buiten geen revolutie meer, toen zij monarchie
werd en 1830 was dus gedwongen Europa's stappen te volgen. Den vrede
te moeten behouden, dit vermeerderde de verwikkelingen. Een in twee
verschillende richtingen verlangde harmonie is vaak schadelijker dan
oorlog. Uit dezen doffen, steeds gebreidelden, maar steeds grommenden
strijd ontstond de gewapende vrede, dit kostbaar hulpmiddel der bij
zich zelve verdachte beschaving. Het Juli-koningschap steigerde,
niettegenstaande het dit droeg, in het gareel der Europeesche
kabinetten. Metternich had het gaarne bij de lange leidsels
genomen. In Frankrijk door den vooruitgang gedreven, dreef het de
achterblijvende monarchen in Europa. Op sleeptouw genomen, nam zij
anderen op sleeptouw.
Binnenslands vermeerderden zich en hingen loodzwaar boven
de maatschappij de quaestiën betreffende het pauperismus,
het proletariaat, het werkloon, de opvoeding, het strafrecht,
de prostitutie, het lot der vrouw, den rijkdom, de armoede, de
voortbrenging, het verbruik, de verdeeling, den ruilhandel, het
muntwezen, het crediet, het recht van 't kapitaal, het recht van den
arbeid enz.
Buiten de eigenlijk gezegde politieke partijen, ontstond een
andere beweging. Aan de democratische gisting paarde zich de
philosophische. De keur der bevolking gevoelde zich evenzeer gestoord
als de menigte; wel in een anderen zin, maar niet minder.
De denkers peinsden, terwijl de grond, namelijk het volk, door
revolutionnaire stroomingen doorweekt, onder hen beefde met
ik weet niet welke stuipachtige schokken. Deze denkers, eenigen
afzonderlijk, anderen in gezinnen en schier in gemeenten vereenigd,
peilden vreedzaam maar diep de maatschappelijke vraagstukken. Zij
waren kalme mijnwerkers, die rustig hun loopgraven in de diepten van
een vulkaan voortzetten, nauwelijks gehinderd door doffe schokken en
den reeds eenigszins zichtbaren vuurgloed.
Deze rust was niet het minst schoone schouwspel van dezen bewogen tijd.
Deze mannen lieten aan de politieke partijen de quaestie der rechten
over, zij hielden zich alleen met die des geluks bezig.
Wat zij uit de maatschappij wilden trekken, was het welzijn van
den mensch.
Zij verhieven de stoffelijke, de industriëele, de handels-, de
landbouwquaestiën schier tot de waardigheid van eenen godsdienst. In
de beschaving, zooals zij een weinig door God, en heel veel door
den mensch gevormd is, vereenigen, vermengen en hechten zich de
belangen zoodanig aaneen, dat zij een wezenlijke harde rots vormen,
die naar dynamische wetten geduldig door de staathuishoudkundigen,
deze geologen der staatkunde, bestudeerd worden.
Deze mannen, die zich onder verschillende benamingen groepeerden,
maar allen door den algemeenen naam van Socialisten kunnen worden
aangeduid, poogden deze rots te doorboren en er de levende wateren
van het menschelijk geluk uit te doen ontspringen.
Van de quaestie van het schavot tot die des oorlogs omvatten hun
werkzaamheden alles. Bij het recht van den man, door de Fransche
revolutie verkondigd, voegden zij het recht der vrouw en het recht
van het kind.
Men verwondere zich niet, dat wij, om verschillende redenen, hier
niet grondig uit het theoretisch oogpunt de quaestiën behandelen,
die door het Socialismus zijn opgeworpen.
Al de problemen, welke de Socialisten zich voorstelden op te lossen,
de cosmogenische visioenen, de droomerijen en het mysticismus
uitgezonderd, kunnen tot twee hoofdproblemen gebracht worden.
Eerste probleem:
Voortbrenging van rijkdom.
Tweede probleem:
Dien te verdeelen.
Het eerste probleem bevat de quaestie van den arbeid.
Het tweede bevat de quaestie van het werkloon.
Bij het eerste probleem betreft het de aanwending der krachten.
Bij het tweede de verdeeling der genietingen.
Door de goede aanwending der krachten ontstaat de openbare macht.
Door de goede verdeeling der genietingen ontstaat het individueel
geluk.
Door goede verdeeling moet niet verstaan worden een gelijke verdeeling,
maar eene billijke verdeeling. De eerste gelijkheid is de billijkheid.
Uit de vereeniging dezer beide zaken, de openbare macht naar buiten,
het individueel geluk naar binnen, ontstaat de maatschappelijke
welvaart.
Maatschappelijke welvaart beteekent de gelukkige mensch, de vrije
burger, de groote natie.
Engeland lost het eerste dezer beide problemen op. Het schept
op bewonderenswaardige wijze den rijkdom, doch het verdeelt hem
slecht. Deze, slechts éénzijdige oplossing, voert noodlottiger wijs
tot deze twee uitersten: Overmatige weelde, ontzettende armoede. Voor
enkelen al de genietingen, voor de anderen, namelijk voor het
volk, alle ontberingen; want het voorrecht, de uitzondering, het
monopolie, de feodaliteit ontstaan uit den arbeid zelven. Een valsche,
gevaarlijke toestand, die de openbare macht op de privaatarmoede
bouwt en de grootheid van den staat in het lijden van het individu
doet wortelen. Een slecht samengestelde grootheid, waarin zich
alle stoffelijke elementen mengen, maar waarin geen enkel zedelijk
element komt.