IV.

Ziedaar Port-au-Prince, aan den lagen oever van haar diep landwaarts

intredende golf, eene verzameling van houten hutten en ruime gebouwen

van baksteen, vrij ordeloos geschaard langs breede rechtlijnige

straten, die geen naam en zelfs geen nummer hebben, en alzoo een

verwarden doolhof vormen, waaruit de vreemdeling niet wijs weet te

worden. Achter de stad rijzen in een halven kring groene heuvelen

op, met witte woningen bezaaid. Op den hoogsten dezer heuvelen ligt

het fort Alexandre, van waar de wacht de aankomst van schepen in de

haven seint.

De stad werd in 1749 door de la Caze gesticht, die haar l'Hôpital

noemde; den naam van Port-au-Prince dankt zij, volgens sommigen, aan

den heer André, kommandant van het schip le Prince; volgens anderen

aan de Prinseneilandjes, bij den ingang der haven gelegen. In 1793

werd zij natuurlijk verdoopt en heette toen Port-Républicain, tot

zij in 1811 haar ouden naam hernam en sedert behield.

Hare gunstige ligging, die de gemeenschap met de vier departementen

zeer gemakkelijk maakt, en de nabijheid van de rijke vruchtbare vlakte

van Cul-de-Sac waren de voornaamste oorzaken, die haar den voorrang

deden toekennen boven le Cap. De oppervlakte der stad wordt geschat op

negenhonderd-zestigduizend vierkante ellen; de zes-en-twintig straten

hebben eene breedte van dertig tot drie-en-dertig el, maar zijn zeer

slecht onderhouden. Alle onreinheden uit de huizen worden eenvoudig op

straat geworpen. Om de huizen binnen te gaan, moet ge vuile stinkende

open riolen oversteken, met behulp van verrotte planken, die onder

uwe voeten kraken en elk oogenblik dreigen te bezwijken. Zoo ge op

straat door den regen overvallen wordt, wacht u dan wel den rijweg

te verlaten, om eene schuilplaats te zoeken onder de galerij langs

de huizen: bedenk, dat de grond niet effen is, maar eene aangename

afwisseling vormt van hoogten en kuilen, en bovendien doorsneden

is door kleine greppels, die de grenzen aanwijzen der verschillende

erven. Zoo ge onder de galerij gaat, loopt ge elk oogenblik gevaar,

hetzij in een gat of een kuil te vallen, hetzij tegen een paal te

stooten: en in beide gevallen kunnen de gevolgen ernstig genoeg zijn.

De stad bezit een zeker aantal pleinen; de vier voornaamste zijn

het Pétion-plein, het Onafhankelijkheidsplein, het plein Vallière

en het plein Geffrard. Op dit laatste staat een kiosk, door een hek

omringd, benevens eenige voetstukken, waarnevens kleine beelden in

het gras liggen. De andere pleinen zijn meest ingenomen door kramen,

waarin des zaterdags, ter gelegenheid van de markt, allerlei zaken

worden verkocht. De meeste openbare fonteinen, die door Barbé de

Marbois zijn aangelegd, verkeeren, door verregaande verwaarloozing,

in erg vervallen toestand. Zeer dikwijls is er maar eene, waar de

waterdragers zich van het noodige water kunnen voorzien, dat zij in

kleine vaatjes langs de huizen verkoopen.

De kerk, die met den weidschen titel van kathedraal prijkt, is

onder de regeering van Soulouque hersteld; achter de kerk ligt het

bisschoppelijk paleis, met zijn voorplaats en tuin. Weinige schreden

verder vindt men het seminarie. Het Palais-National, dat in 1772 werd

voltooid, bestaat niet meer: de president Salnave liet het gebouw,

dat hij ontruimen moest, in de lucht springen. De tegenwoordige

president--dat wil zeggen de persoon, die tijdens mijn bezoek dien

titel voerde--bewoont, in de rue de l'Egalité, een eenvoudig houten

huis, onder welks galerij de wachthoudende soldaten op banken zitten

te dutten of op den grond liggen uitgestrekt.

De gevangenissen, het hospitaal, het arsenaal, het lyceum, de bureaux,

de gerechtshoven, de gebouwen voor den senaat en voor de kamer der

afgevaardigden, zien er allen even ellendig en vervallen uit: de meeste

dezer gebouwen zijn eigenlijk niets meer dan ruïnen. Het tuighuis, dat

door de ontploffing van eenige ponden buskruit, op den 12den Februari

1827 werd vernield, is sedert dien tijd nog niet weder opgebouwd.

Aanvankelijk bouwde men de huizen van steen. Maar deze wijze van

constructie geraakte in onbruik na de aardbeving van 1751, die evenwel

niets te beteekenen had, vergeleken bij de geweldige aardbeving,

die negentien jaren later, in 1770, de stad teisterde. Den 3den Juni,

op eersten Pinksterdag van dat jaar, des avonds ten zeven uur, zaten

de inwoners onder de veranda's hunner woningen om de avondkoelte te

genieten, toen zij plotseling den grond onder hunne voeten voelden

trillen. Zij vluchtten haastig op straat, terwijl de grond den

ganschen nacht door in sterke beweging bleef. Tot aan den 18den Juni

telde men gemiddeld honderd schokken per dag. De gansche stad werd

in een puinhoop herschapen, en honderd personen verloren bij die ramp

het leven.

Maanden lang moest de geheele bevolking in tenten huizen. Ten

einde hongersnood te voorkomen, bepaalden de gouverneur-generaal,

graaf de Nolivos, en de intendant de Bongars, dat de schepen

op de reede brood moesten leveren, tot zoolang men weder ovens

gemaakt had. De bewoners der omliggende districten, die minder

geleden hadden, zorgden met groote vrijgevigheid voor den aanvoer

van allerlei levensmiddelen. Ten gevolge van deze aardbeving werd

eene policie-verordening uitgevaardigd, waarbij den burgers bevolen

werd, hunne woningen uitsluitend van hout te bouwen. Men vermeed

aldus het eene gevaar, om zich bloot te stellen aan een ander, niet

minder vernielend en verschrikkelijk en daarenboven vrij wat minder

zeldzaam: het gevaar van brand. In 1794, in 1820 en 1822 werd de stad

geheel of voor een groot deel door het vuur vernield. Kort voor mijne

aankomst was nog eene der drukste en voornaamste straten, de rue des

Fronts-Forts, binnen weinige uren in de asch gelegd.

Onder de voortdurende bedreiging van dit gevaar zijn de eigenaars

van huizen weer tot den steen teruggekeerd, hetgeen niet belet dat

Port-au-Prince minstens tweemaal per jaar in brand staat, zoo als ik

tot mijne schade ondervonden heb.

Den dag na mijne aankomst steeg ik te paard en ging naar Martissant,

om eene visite te maken bij den graaf de Lémont, bij wien ik eenige

dagen te voren gedineerd had.

Port-au-Prince verlatende, volgde ik een ongelijken weg, die langs den

voet der heuvelen nabij de zee loopt. Tusschen de bananen schenen,

ter wederzijde, witachtige hutten, op de manier der indiaansche

wigwams gebouwd. Ter linkerhand voert een smal pad, tusschen twee

hagen van wilde acacias, al slingerend opwaarts, naar de woning van

den gevolmachtigden minister van Frankrijk.

Een zwarte tuinman opende mij het hek van het groote en goed

onderhouden park, dat zich amphitheatersgewijze, langs de hellingen der

heuvelen van Piémont, tot aan de zee uitstrekt. Op een der terrassen

van den berg staat het huis, waarachter zich de bergwand steil verheft,

en dat van voren door een gordijn van palmen en mangoboomen aan het

oog onttrokken wordt, en alleen te herkennen is aan het pannendak,

dat boven de boomen uitsteekt. Het huis is vierkant, heeft slechts

eene verdieping en is in het rond omgeven door eene galerij of

veranda, waarvan de zoldering op houten pilaren rust. De fransche

vlag wapperde op den adem van het koeltje. Voor het huis prijkt een

bloemperk, waar al de bloemen der keerkringen de schitterende pracht

harer kleuren ten toon spreiden. Een helder beekje slingert zich

door de grasperken en vervolgt zijn loop door de savanne, de lucht

vervullend met de liefelijke muziek van zijn kabbelend water. Men

heeft van hier een prachtig uitzicht op de golf, met haar gordel van

heuvelen en haar groene eilandjes, als bloemkorven oprijzende uit de

kalme blauwe wateren.

In de stad teruggekeerd, bezocht ik de puinhoopen van het

Palais-National, door den president Salnave in 1868 in brand gestoken;

van het oude senaatspaleis en van de gebouwen, onder Geffrard opgericht

voor de bureaux der verschillende ministeriën, en eindelijk van het

fort Riché: al deze gebouwen zijn niet meer dan ruïnen. Ook bracht ik

een bezoek aan het graf van A. Pétion, en zag daarbij de sarkophagen

van wit marmer, waarin de stoffelijke overblijfselen van hem en

van zijne dochter Célie moeten bewaard worden. Inmiddels blijven de

sarkophagen aan den invloed van regen en hitte blootgesteld en zijn

de hoeken gebroken, omdat de soldaten er hunne messen op slijpen.

Men heeft te Port-au-Prince eene muziekschool en ook eene klinische

school, aan welker hoofd een inboorling staat, die zijne opvoeding

in Frankrijk ontvangen heeft en iemand is van wetenschappelijke

verdiensten. Natuurlijk spant hij zich te vergeefs in, om de klinische

school aan de vereischten voor eene dergelijke inrichting te doen

beantwoorden, want de regeering onthoudt hem alle hulpmiddelen en bij

niemand vindt hij eenigen steun. Onder de inrichtingen van bijzonder

onderwijs, die vertrouwen en aanbeveling verdienen, staat bovenaan

het Kleine-Seminarie (Collège Saint-Martial), onder bestuur van de

eerwaarde paters van den Heiligen Geest.

In de eerste dagen na mijne aankomst te Port-au-Prince bleef

ik dikwijls uren lang voor het venster mijner kamer op de eerste

verdieping van een huis in de rue des Fronts-Forts. Nu eens dwaalden

mijne blikken over de stad, waar de palmen en kokosboomen hunne

wuivende groene kruinen verhieven te midden der eentonig roode daken;

dan weder volgden zij de golvende lijnen der heuvelen van Bel-Air,

waarover de zon een stroom van verblindend licht uitgoot, of wel

rustten zij op de kalme oppervlakte der reede, waar de schepen ten

anker lagen, wier masten ik boven de huizen zag uitsteken.

Somtijds was des avonds de lucht betrokken. De diepe stilte werd

slechts nu en dan afgebroken door den roep: "Wie daar?" van den op

schildwacht staanden soldaat. Meestal echter was de heldere donker

blauwe hemel met fonkelende sterren bezaaid. Dan schoot de maan haar

stralen neder op de stad en het omringende landschap en overgoot

alles met een helderen lichtglans, die het mogelijk maakte tot aan den

gezichteinder te zien en alle voorwerpen duidelijk te onderscheiden.

Vooral op zaterdag, als er markt gehouden werd, heerschte er op straat

eene onbeschrijfelijke drukte, want dan stroomden de landbewoners

uit den omtrek in geheele drommen naar de stad. Dan kwamen negerinnen

voorbij mijne woning, met manden op haar hoofd, waarin zij oranjes,

bananen, ananassen en andere vruchten ter markt droegen. Zij geleken

bijna op egyptische beelden, zoo als zij daar voortgingen in nauw

sluitend, tot op de voeten afhangend gewaad, en met een doek om het

hoofd geknoopt. Anderen zaten op ezels tusschen twee bossen gras van

Guinea. Bedelaars zaten of stonden op de straat, met luider stemme een

aalmoes vragende. Overal geschreeuw en luidruchtigheid. Waterdragers

baanden zich met zwaren stap een doortocht, half gebogen onder

de vaatjes, die op een houten juk in evenwicht op hun schouders

rustten. Zware vierkante karren, met magere paarden bespannen, wagens

door ossen getrokken, trokken langzaam door de straten, overal de

schare opeen dringende, terwijl de voerman met luid geschreeuw de

voetgangers waarschuwde, uit den weg te gaan. Het was een levendig,

woelig tooneel, dat echter geen aanspraak op schilderachtigheid

kon maken, en waaraan te zeer de stempel van oorspronkelijkheid en

eigenaardigheid ontbrak om het inderdaad belangwekkend te doen zijn.

Nadat ik mij behoorlijk geïnstalleerd had, wilde ik voor alles een

bezoek brengen aan de plaats, waar Dessalines, op den 17den October

1806, was vermoord. Daar de afstand tot Sibert, eene plantage,

waar Pétion door Christophe verslagen werd, slechts vijf of zes

mijlen bedraagt, was een voormiddag voor het tochtje voldoende. Ik

vervoegde mij bij zekeren heer Baudet, om een paard te huren; hij

gaf mij voor vier piasters een goed paard; terwijl zijn bloedverwant,

Touliné Duplessis, zich bereid verklaarde, mij te vergezellen.

Wij verlieten de stad door de poort Saint-Joseph, sloegen den weg in

naar de Croix-des-Bouquets, en kwamen weldra aan eene brug, over een

beek, die gedurende het grootste gedeelte van het jaar droog is. Dit

is de Pont-Rouge, die volstrekt niet de eer van een bezoek waard zou

zijn, zoo hier niet het feit had plaats gehad, waarvan mijn metgezel,

die bleek goed onderricht en iemand van beschaving te zijn, mij al

de bijzonderheden vertelde.

"Te Marchand," zoo luidde zijn verhaal, "vernam Dessalines de tijding

van den opstand van Mécerou in het Zuiden. Op dit bericht riep hij uit:

"Ik wil dat mijn paard tot aan Tiburon door bloed zal waden." Niet

wetende dat Christophe aan het hoofd van den opstand was geplaatst,

schreef hij hem een brief met last om zich gereed te houden te velde

te trekken. Ook zond hij aan generaal Pétion bevel om naar les Cayes

op te rukken.

"Na het kommando van Marchand aan Vernet te hebben overgedragen, trok

hij zelf op om den opstand te dempen, vergezeld door de generaals

Mentor en Bazelais, de kolonels Roux en Charlotin Marcadieux en de

secretarissen Dupuy en Boisrond-Tonnerre. Het eerste en het tweede

bataillon van de vierde halve brigade vormden het keizerlijk eskorte.

"Te Saint-Marc aangekomen, beval hij dat het derde bataillon derzelfde

brigade, hetwelk daar in garnizoen lag, zich bij de twee andere zou

aansluiten. Zonder zich op te houden zette hij, met die onbeteekenende

krijgsmacht, zijn tocht voort tot hij te Arcahaie kwam, waar hij zes

kompagnieën van de derde halve brigade vond, onder kommando van den

kolonel Thomas en den bataillonschef Gédéon. "Hebt gij moed, vroeg

hij aan die beide officieren, om tot aan les Cayes door bloed te

waden?" en hij voegde er bij: "Het Zuiderdepartement zal weldra eene

wildernis zijn, waarin men zelfs geen haan meer zal hooren kraaien."

"Thomas en Gédéon antwoordden dat zij hun plicht zouden doen. Tegen

tien uren des avonds van den 16den October bevonden zij zich op slechts

drie mijlen afstands van de Pont-Rouge. Een reiziger, die hen vóór

was, maakte in de stad Port-au-Prince bekend, dat de voorhoede van

het leger des keizers in aantocht was.

"De generaals Guérin, Vaval en Yayou gingen de soldaten te gemoet,

die in wanorde voort marcheerden, en haalden hen door beloften over,

de partij der republikeinen te kiezen. De kolonel en de bataillonschef

werden gevangen genomen en op hun verzoek naar Pétion geleid. Thomas,

die niet zoo dadelijk den keizer ontrouw wilde worden, werd voorloopig

in verzekerde bewaring gehouden; Gédéon, die aanstonds tot de

opstandelingen overging, werd aan het hoofd gesteld van de derde

brigade, die op het plein Vallière onder de wapenen stond.

"Gédéon deelde aan Guérin mede, dat Dessalines hem had bevolen, bij

de Pont-Rouge op hem te wachten. Guérin liet hem daarop zijne uniform

uittrekken en beval een officier, die op Gédéon geleek, zich daarmede

te kleeden. Die officier werd nu, met een bataillon van de vijftiende

brigade, bij de Pont-Rouge geplaatst, om den keizer in een valstrik

te lokken.

"In den vroegen morgen van den 17den verliet de keizer Arcahaie, alleen

vergezeld van zijn staf. Onderweg ontmoette hij verscheidene inwoners

van Port-au-Prince, die op de vraag, hoe het in de stad gesteld was,

alleen antwoordden dat er niets bijzonders was voorgevallen. Dessalines

reed dus voort, zonder eenigen argwaan te koesteren. Toen hij,

omstreeks negen uren, dicht bij de Pont-Rouge gekomen was, keerde

hij zich tot Boisrond-Tonnerre, die naast hem reed:

""Ziet gij Gédéon op de brug?" zeide hij. "Hij is stipt op de

discipline. Ik zal hem beloonen."

--Maar, Sire, zeide kolonel Léger, die tot zijn staf behoorde, als

ik mij niet zeer bedrieg, zijn dat soldaten van het Zuiden....

--Gij ziet verkeerd, antwoordde Dessalines. Wat zouden die hier

uitvoeren?"

"Op het eigen oogenblik hoorde hij het bevel, de geweren te vellen,

en het geroep: "Halt, keizer! Halt, keizer!"

"Met de hem eigen onstuimigheid sprong hij eensklaps te midden der

bajonetten. "Soldaten, riep hij, kent gij mij niet? Ik ben uw keizer!"

"Hij greep een karwats die aan zijn zadelknop hing, zwaaide daarmede

in het rond en sloeg de op hem gerichte bajonetten weg. Een der

soldaten schiet zijn geweer af. De keizer, die niet getroffen is,

zet zijn paard in vollen draf. Een tweede schot valt, en Dessalines,

nu geraakt, roept: "Help mij, Charlotin!"

"Marcadieux ijlt toe, maar ontvangt een sabelhouw op het hoofd,

die hem met gespleten schedel ter aarde werpt. Dessalines zit nog

altijd in den zadel. Yayou steekt hem nu tot driemaal toe zijn dolk

in de borst, zoodat hij, in zijn bloed badende, dood neervalt. De

officieren van zijn gevolg, dit ziende, nemen haastig de vlucht,

behalve Mentor, zijn vertrouwde raadsman, die luide uitroept:

"De tyran is gevallen! Leve de vrijheid! Leve de gelijkheid!"

"Zoo stierf Jean Jacques Dessalines, genoemd Jacques I,

gouverneur-generaal en vervolgens keizer van Haïti, wiens loopbaan niet

minder zonderling was dan die van zijn voorganger Toussaint-Louverture

of van zijn opvolger Henry Christophe. In 1758 te Cormier, eene

plantage nabij Cap Français geboren, was hij opgevoed door Duclos,

een blanken planter, wiens naam hij ook droeg, zoo als de slaven zich

in den regel naar hun meester noemden, tot hij, op nog jeugdigen

leeftijd, gekocht werd door Dessalines, een vrijen neger, in wiens

dienst hij bleef tot zijn drie-en-dertigste jaar, en dien hij tot zijn

hofmeester benoemde, toen hij zelf gouverneur-generaal was geworden.

"Nadat in 1802 de oorlog was ontbrand, die met de erkenning der

onafhankelijkheid van de vroegere fransche kolonie eindigde, en waarbij

negers en mulatten te zamen streden, nam hij daaraan ijverig deel

en wist zich als keizer te doen erkennen. Zijne regeering was eene

aaneenschakeling van onzinnige dollemansstreken, van grenzenlooze

tirannie, van barbaarsche wreedheid en woeste buitensporigheid."

Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881 · 第 4 / 9 题