Nadat ik het paleis van Sans-Souci en de citadel Laferrière had gezien,
bleef er niet anders te kijken over dan eene grot, die de heer Karnès
Gourgues, mijn zwak kennende, mij bijzonder had aanbevolen.
Beaubrun-Andouin beweert, dat deze grot, de Voûte-à-Minguet, haar naam
heeft ontvangen naar een planter. Volgens Demesvar Delorme daarentegen
zou de grot aldus genoemd zijn naar de groote menigte mei-bloemen,
in het kreoolsch minguettes, die in den omtrek groeien.
Den 29sten Januari, des morgens ten vier uur, toog ik op weg, in
gezelschap van een jongen neger, Courouille genaamd, van Dondon
geboortig, en die tot in de kleinste bijzonderheden met de streek
welke wij moesten bezoeken, volkomen bekend was. De heer Karnès
Gourgues had hem daarom ook als gids aanbevolen. Aan hem heb ik mijn
eerste onderricht in het kreoolsch te danken. Ik richtte onderweg
allerlei vragen tot hem, waarop hij zeer dikwijls niet anders wist
te antwoorden, dan moé pa connai, dat mij niet heel veel verder bracht.
Wij gingen welgemoed voort, hij fiks doorstappende op zijn bloote
voeten, ik te paard, en trokken door de bekende savannen van Acul,
die tot de groote noordelijke vlakte behooren, en waar in 1791 voor het
eerst de geduchte oproerzangen van Oua-Nassé en het Camp du Grand-Pré
weerklonken--de Marseillaise der negers van Haïti.
De weg, die gedurende drie mijlen door een effen vlakte loopt, wordt
nu eensklaps steil. Wij hebben de heuvelen van Limbé bereikt, dat
in 1789 niet meer dan een gehucht was, maar toch belangrijk door de
twee-en-twintig suikerplantages, in deze kleine vlakte aangelegd. Ik
las deze en andere bijzonderheden in het boek van Beaubrun-Andouin,
dat ik mede had genomen, toen het eensklaps mijne aandacht trok, dat
ik Courouille, die gedurende het laatste uur onophoudelijk hetzelfde
lied had gezongen, niet meer hoorde. Daar ik hem ook niet voor mij uit
zag gaan, keerde ik mij om, ten einde te zien of hij mij volgde. Green
spoor van Courouille: hij was verdwenen. Ik riep hem herhaaldelijk
met luider stem, maar daar volgde geen antwoord. Ik begon reeds kwaad
vermoeden te krijgen, toen ik hem eensklaps ontdekte, neergeknield
aan den oever van een tien voet breeden bergstroom, die door de
vele regens sterk was gezwollen en nu met groot geweld dwars over
den weg naar beneden schoot. Hij lag daar roerloos, op zijne kniën,
aan de overzijde van het water; maar bespeurende dat ik genaderd was,
hief hij zijn hoofd op en zeide:
"Général, passé vîte; Clameille capable vini" (Generaal, ga haastig
over; Clameille is in staat te komen).
Daar ik gaarne wilde weten, wie Clameille was, dreef ik mijn paard
door den stroom en stond weldra naast Courouille.
"Wat bedoel je," vroeg ik hem, "met dien Clameille, waarvan je
spreekt?"
Hij sloeg een kruis, en overtuigd dat hij door dit heilig teeken den
boozen geest had gebannen, vervolgde hij:
"Clameille c'est Zombi que rété isit. Si moune pas passe vîte, li égaré
yo." (Clameille is Zombi, die hier huist. Als wij niet gauw doorgaan,
zal hij u van den weg doen afdwalen).
Wij hielden stil om te ontbijten. Een tweede rit van zes uren bracht
ons naar Dondon, waar wij tegen donker aankwamen. Courouille stelde
mij aan zijne moeder voor, omringd door een half dozijn negerjongens
en meisjes, van verschillende grootte en tint. Zij ontving mij zeer
vriendelijk en was volkomen bereid, mij gastvrijheid te verleenen, al
was het dan ook dat zij daarbij haar eigen belang niet geheel vergat.
Dondon is een groep schilderachtige huizen of hutten, tegen de helling
van een heuvel gebouwd, op eene hoogte van vijfhonderd el boven de
zee. Het geheele district, waarvan dit dorpje de hoofdplaats is, is met
bergen bedekt, waartusschen zich smalle valleien slingeren. Er zijn aan
deze plek eenige herinneringen verbonden. Hier werd voor het eerst de
van Martinique ingevoerde koffiekultuur op groote schaal gedreven. Op
het kerkhof van Dondon vindt men het graf van den inlandschen generaal
Clervaux, die in 1864 is overleden, en daar vlak bij het graf van
den Jesuïet Le Pers, die aan Charlevoix de bouwstoffen leverde voor
zijne geschiedenis van Sint-Domingo. Na hem, in 1791, was hier de
beruchte abbé De la Haye pastoor, die een der voornaamste aanstokers
was van den opstand der slaven in het noorden, en die, op bevel van
den kapitein-generaal Rochambeau gevangen genomen, in 1803 in zee
werd verdronken;--een einde, zijn misdadig leven waardig.
De avondmaaltijd, door mijne gastvrouw gereed gemaakt, smaakte mij
uitmuntend. Daar het reeds laat was geworden en ik mij vermoeid
gevoelde, begaf ik mij dadelijk na de tafel naar bed, in de grootste
kamer van de hut, die tot mijne beschikking was gesteld. Het bed
bestond uit een raam van bamboes, ongeveer drie voet boven den grond
verheven, waarop een matras was uitgespreid. Ik sliep gerust tot den
volgenden morgen, toen ik door een bescheiden kloppen op mijne deur
gewekt werd. Sicliclaise, de zuster van Courouille, bracht mij een
kop koffie en versch water voor mijn toilet.
Ik steeg te paard en begaf mij met Courouille op weg naar de grot. De
rit was vrij lastig en moeilijk; maar eindelijk, na allerlei bochten
en krommingen gemaakt te hebben, kwamen wij aan den oever van de
Vasé, eene rivier, die van den Bonnet-à-l'Evêque afdaalt, in tallooze
kronkelingen door de savanne vloeit en zich eindelijk uitstort in de
Guayamuco, een nevenstroom van den Artibonite. Courouille stroopte zijn
broek tot de kniën op en stapte in het water, mij uitnoodigende hem
te volgen. Gedurende eenige minuten gingen wij zoo, stroomopwaarts,
midden door de bedding der rivier; toen, op een punt waar de kant
minder steil was gekomen, klauterde Courouille op den oever en verzocht
mij af te stijgen.
De ingang van de grot is geheel gesloten door een natuurlijken voorhang
van bloeiende lianen, die tot op den grond reiken; Courouille lichtte
dien voorhang op en wij traden binnen. Toen de voorhang weer gevallen
was, bevonden wij ons in volslagen duisternis. Ik reikte mijn gids een
paar lucifers over; hij stak daarmede een stuk harsachtig dennenhout
aan, dat hij had medegenomen; en bij het onzekere licht van dien
walmenden fakkel traden wij voort op een weeken grond, waar ik bij
elke schrede dieper inzonk. De bodem der grot was bedekt met eene
dikke laag guano, hier sedert eeuwen door vogels van allerlei soort
bijeengebracht.
De Voûte-à-Minguet is overigens hare reputatie waard. De grot splitst
zich in drie verschillende gedeelten: een breed middelschip, omgeven
door twee zijschepen, die van het hoofdschip gescheiden zijn door
twee rijen stalaktiten, wel onregelmatig van vorm, maar toch in eene
rechte lijn nevens elkander geplaatst. Sommige dezer pilaren schijnen
bewerkt te zijn; enkelen, door het voortdurend afzijpelende water
nog steeds groeiende, reiken nog niet tot het gewelf.
Aan het einde van het schip ziet men eenige vierkante steenen, die
andere platte steenen dragen, op de wijze der dolmens in Bretagne. Deze
schikking verraadt de hand der menschen. Inderdaad zijn deze ruwe
steenen tafels altaren, waarop vroeger, door de Indianen, op bepaalde
tijden, en vooral bij nieuwe maan, offers werden gebracht aan de
beschermgoden van den stam, wier priesters tegelijk geneesheeren en
waarzeggers waren, die ook de orakels verklaarden.--De wanden der
grot zijn op vele plaatsen bedekt met nog zeer duidelijk leesbare
namen en opschriften, door europeesche, meest spaansche bezoekers,
die sedert het einde der zestiende eeuw in de grot zijn geweest, in de
witte wanden gegrift of met krijt daarop geschreven. Courouille vond er
ook nog een zeer ruw bewerkt afgodsbeeldje, omstreeks zes duim groot.
Na een stevig middagmaal gebruikt en wat gerust te hebben, verlieten
wij Dondon, twee uren na zonsondergang, en keerden, bij een prachtigen
avond, naar de stad en mijn hotel terug.
Er bleef nu voor mij te Cap-Haïtien of in den omtrek niets meer te
zien over; ik begon dus te denken aan mijn vertrek. Tegenwoordig
heeft de reiziger de keus tusschen verschillende stoombootdiensten,
maar destijds waren de middelen van gemeenschap tusschen de steden
zeer gebrekkig; en het had veel meer moeite in, om van de eene plaats
aan de kust naar eene andere, ook al was die nabij gelegen, te komen,
dan op de manier van Phileas Fogg, in het boek van Jules Verne,
in tachtig dagen eene reis om de wereld te maken.
Een tocht over land had ook bezwaar in, vooral als men bagage bij zich
had. Daarvoor was een paard noodig, benevens lastdieren en een gids;
en het was gansch niet gemakkelijk, dat alles te bekomen, en indien
dit al gelukte, moest men fabelachtige prijzen betalen. Er schoot dus
eigenlijk niet anders over dan de kustvaarders. De divisie-generaal
Martin, inspecteur der fortificatiën, met wien ik in de Club des
Négociants kennis gemaakt had, verwees mij naar den schipper van de
Conception, een goëlet, die op het punt stond naar Port-au-Prince
te vertrekken en onderweg bijna alle havens van de noordkust zou
aandoen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en nam, tegen betaling
van negen piasters, eene plaats op dat vaartuig. Hoewel onder dien
prijs ook de kost begrepen was, kwam hij mij toch veel te hoog voor,
want de tafel bestond onveranderlijk uit kabeljauw en bananen.
Toen ik mijne bagage naar het schip wilde zenden, traden dadelijk
acht of negen leegloopers, die tegen den muur zaten te dutten, toe
om twee of drie koffertjes te vervoeren, die één man gemakkelijk
had kunnen voortkruien. De een pakte een vrij zwaar kistje met
boeken aan, en tilde dat, met behulp van vier zijner makkers, op
een kruiwagen. Voor de rest van mijne bagage, waarmede een enkele
commissionair gemakkelijk terecht zou zijn gekomen, waren zes man
noodig. Drie flesschen pale-ale, die de inspecteur der fortificatiën
mij gegeven had, werden door drie mannen gedragen. Een trommel
met beschuit en mijn reiszak volgden, op het hoofd gedragen door
twee athletisch gebouwde negers. Ik ging vooruit, met de kleinere
voorwerpen, die ik op reis nooit uit handen geef; en zoo trokken wij
voort, tot groote verbazing der voorbijgangers, die mij gewis voor
een hoogst aanzienlijk personage hielden.
De Conception, die de roode en blauwe vlag van Haïti voerde, was
in haar soort een zeer sierlijk vaartuig. De bemanning bestond uit
acht forsch gebouwde matrozen, allen negers, evenals de kapitein
Saint-Louis. De scheepsjongen, een lange, magere slungel, antwoordde
op den naam van Petit-Frère. Adam, onze kok, kookte alle dagen de
kabeljauw en roosterde de bananen. Kapitein en matrozen, scheepsjongen
en kok, allen met een gekleurden doek om het hoofd geknoopt, en zonder
andere kleeding dan een hemd en een grove linnen broek, op de heupen
vastgebonden met een lederen riem, waarin een kort tweesnijdend mes
stak;--allen lagen den meesten tijd op het dek te slapen.
Eenige uren nadat wij het anker gelicht hadden, toen de avond begon te
vallen, werden wij eensklaps door eene geweldige regenbui verrast. Daar
de eenige hut van het schip voor de vrouwen bestemd was, moest ik
een toevlucht zoeken in het vooronder, waar ik een zeer onaangenamen
nacht doorbracht, tusschen de matrozen en de met water gevulde vaten,
die als ballast dienden. Bovendien drong het regenwater met stralen
door de slecht gevoegde planken van het dek, dat wel eenige gelijkenis
had met eene zeef. Het stortregende den ganschen nacht.
Toen het dag begon te worden, wierp de goëlet het anker uit voor
Saint-Louis-du-Nord, kortheidshalve Saint-Louis genoemd; een vlek,
schilderachtig aan den oever der zee gelegen, en in 1675 gesticht
door de van het eiland Tortuga verdreven boekaniers. Men vindt in de
bosschen in den omtrek verschillende kostbare houtsoorten; de kleine,
door riffen omringde en voor alle winden open liggende haven is voor
schepen van grooten diepgang niet toegankelijk.
Wij hielden te Saint-Louis maar twee uren stil, en voeren weldra het
ongeveer acht kilometers breede kanaal binnen, dat het eiland Tortuga
of la Tortue van Haïti scheidt. Dit eiland is negen mijlen lang en
achttienhonderd el breed; het verheft zich boven de blauwe golven
als het schild van een reusachtige schildpad; de westelijke punt
verbeeldt den kop, en de oostelijke den staart van het dier. Vandaar
ook de naam van het eiland. De hooge oevers zijn van onderen tot boven
met een mantel van dicht groen bedekt; het eiland is rijk aan kostbare
houtsoorten, vooral aan mahoniehout. Ook vindt men daar den welbekenden
boom, in het Spaansch manzanas genoemd, wiens schaduw, naar men zegt,
doodelijk is en wiens vruchten op kleine appelen gelijken.
Tortuga heeft een naam in de geschiedenis. Dit eiland was de
bakermat van de schoonste en rijkste kolonie, die Frankrijk ooit in
de Antilles bezeten heeft. Fransche avonturiers, onder aanvoering
van Pierre Vadrosque en d'Enambuc; engelsche avonturiers onder
kommando van Warner, kwamen zich op dit eiland vestigen, nadat
zij in 1630, door den spaanschen admiraal Frederik de Toledo, van
het eiland Saint-Cristophe verdreven waren. Jaren lang hielden deze
zonderlinge gasten op Tortuga hun verblijf; aanvankelijk bekend onder
den naam van boekaniers, omdat zij hun vleesch lieten roosteren op
een boucan, een soort van houten rooster, waarvan de Indianen zich
bedienden. Hunne kleeding was hoogst eenvoudig, en bestond slechts
uit een hemd en een onderbroek, beiden met bloed geverwd. Om hunne
heupen gordden zij een lederen riem, waaraan hetzij een korte sabel,
hetzij een mes of wel een dolk hing. Hunne beenen waren bloot;
aan de voeten droegen zij ruwe sandalen van in de zon gedroogde
huiden. Hunne hoogste begeerte was het bezit van een vuurroer en een
koppel jachthonden. Hunne levenswijze was zeer eigenaardig. Zij kozen
opperhoofden, die zij ook zeer dikwijls vermoordden. Vrouwen werden
onder hen niet geduld. Zij vormden onderling zekere vereenigingen,
waarbij persoonlijk bezit was uitgesloten en alles gemeenschappelijk
eigendom was. Zij maakten jacht op de wilde zwijnen en runderen,
die bij gansche kudden door het eiland zwierven, en waarvan zij het
vleesch aten en de huiden verkochten. Zoodra zij een zeker aantal
huiden bijeen hadden, lieten zij ze, door gehuurde agenten, aan boord
brengen der europeesche schepen, die met hen handel dreven.
Later, door de Spanjaarden verdreven en vervolgd, werden zij
zeeschuimers, en in die hoedanigheid algemeen bekend en gevreesd onder
den naam van flibustiers. In hun ontembaren overmoed vreesden zij niets
en deinsden zij ook voor niets terug. Meer dan een van deze vermetele
zeeroovers heeft zich een naam verworven, die nog niet geheel vergeten
is. Pierre le Grand, van Dieppe, die met een boot, met vier kanonnen
en met acht-en-twintig koppen bemand, het schip van een spaanschen
vice-admiraal vermeesterde; Michel le Basque, die een oorlogsschip
buit maakte, met een millioen piasters aan boord; Nan l'Olonnais en
Montbars uit Languedoc, bijgenaamd de Verderver. Niets evenaardde de
toomelooze vermetelheid dezer kapers, tenzij dan hunne woestheid en
wreedheid. Jaren lang waren zij de schrik der west-indische zeeën en
van alle omliggende landen en eilanden, die telkens door hunne stoute
strooptochten werden geteisterd, en waar bij herhaling de voornaamste
steden werden geplunderd en in de asch gelegd. In de eerste jaren
der achttiende eeuw begon deze vereeniging van roovers aan macht te
verliezen, tot zij zich eindelijk ontbond.
Toen wij voor Port-de-Paix aankwamen, dat slechts eenige mijlen van
Saint-Louis verwijderd is, was het middag. Er was nergens een schip
of boot op de reede te zien: het vlek scheen verlaten. Daar de goëlet
eerst den volgenden morgen weer vertrekken zou, liet ik mij met een
mijner reisgenooten naar den wal brengen, en kwamen wij weldra op
een plein, vroeger naar Lodewijk XVI genoemd, waar nu aan den voet
van een reusachtigen palmboom--den vrijheidspalm, even oud als de
republiek--een altaar van het vaderland is opgericht. Men ziet, dat
de negers van Haïti onze zotternijen trouw naäpen. Wij wandelden
verder en bevonden ons spoedig weder aan den oever der zee, nabij
het voorgebergte, waarop de ruïnen van een oud fort liggen.
De kalme golven kusten met zacht gemurmel het grijze zand, waaruit,
bij onze nadering, gansche drommen van kleine krabben en kreeften
verschrikt de vlucht namen. De zee was zoo heerlijk, dat ik geen
weerstand kon bieden aan de verzoeking om een bad te nemen.
De zee der Antilles wemelt van haaien, en vooral langs deze kusten
komen zij in menigte voor. Nauwelijks had ik eenige vademen ver
gezwommen, of mijn reisgenoot, die, gelukkig voor mij, aan den
wal was gebleven, bespeurde een haai, die op mij afkwam. Op zijn
luid geschreeuw maakte ik onwillekeurig eene beweging van schrik
en ontzetting. Het monster was reeds zoo dicht bij mij, dat ik
duidelijk zijn rugvin kon onderscheiden! In mijne overhaasting om
naar het strand terug te keeren, struikelde ik. De haai, verschrikt
door het geluid van mijn val, nam ijlings de vlucht. Ik stond weder
op en spoedde mij naar het strand, zeer dankbaar dat ik op die wijze
aan een dreigend gevaar was ontsnapt.
De kust vormt bij Port-de-Paix een inham, in de gedaante van
eene halve maan, waarvan de beide punten met een fort waren
voorzien. Columbus, die in 1492 deze baai bezocht, noemde haar
Valparaiso, paradijsvallei. De fransche flibustiers, door de
engelsche en spaansche flibustiers van Tortuga verdreven, vestigden
zich hier in 1665. Dit was hunne tweede nederzetting op het groote
eiland. Zij werden hier met rust gelaten, en noemden de plaats daarom
Port-de-Paix. In 1678 barstte hier de eerste opstand der slaven uit,
aangestookt door Padre Juan, een spaanschen neger. De opstandelingen
hadden zich in de heuvels teruggetrokken en versterkt. Pouancey
onderwierp hen, met behulp van twintig flibustiers, die door lust tot
avonturen gedreven, toevallig te Port-de-Paix waren gekomen. In 1685
verhief de gouverneur de Cussy dit vlek tot de hoofdplaats der kolonie.
Zoodra wij het anker hadden uitgeworpen, was de kapitein van de
Conception aan wal gegaan om zijne familie te bezoeken, die op vrij
grooten afstand van het vlek woonde. Hij kwam niet terug. Den derden
dag, omstreeks vier uren, bewees de in hevigheid toenemende branding
langs de kust, dat de wind was opgestoken. Eindelijk verscheen de
kapitein. De zeilen werden geheschen en wij hervatten onzen tocht. Het
was een prachtige avond. Een sterke bries joeg ons met snelheid
voort over de oppervlakte der wateren, die, schitterende van licht,
een grenzenloos meer van gesmolten metaal geleken.
Den volgenden morgen, na kaap Saint-Nicolas te zijn omgevaren, liepen
wij de haven van Haïti binnen, waar de balanaélés, dat wil zeggen de
mannen der zee, zooals de Indianen de Europeanen noemden, voor het
eerst voet aan wal zetten. De Santa-Maria en de Nina wierpen hier
den 6den December 1492 het anker uit, en Columbus gaf aan de baai den
naam van Sint-Nikolaas, ter eere van den heilige van den dag. Den naam
van Môle dankt de haven aan de rotsen, die even als een natuurlijke
dam of golfbreker, den ingang beschermen. Tot in 1693 diende de
Môle-Saint-Nicolas slechts tot wijkplaats voor de flibustiers; toen
begon de gouverneur Ducasse zich de plaats aan te trekken; maar toch
duurde het tot 1764 eer zich hier eene vaste bevolking nederzette.
Er werden nu gaandeweg geduchte vestingwerken en batterijen aangelegd,
ten einde aan de engelsche schepen het binnenloopen van de haven
te beletten. Omstreeks het midden van het jaar 1803 leverde het
fransche fregat la Poursuivante, van veertig stukken, onder kommando
van Willaumez, nabij deze haven, een scherp gevecht aan het engelsche
schip Hercules, van vier-en-zeventig stukken. Het britsche oorlogschip
verloor zijn kapitein en was genoodzaakt af te deinzen. De kolonisten
Deneux, O'Farel, Jaunas, Chaumette, leverden Môle-Saint-Nicolas,
op den 21sten September 1793, in handen der Engelschen, die aan de
landzijde nieuwe versterkingen opwierpen en de plaats bezet hielden
tot in 1798, toen generaal Maitland haar overgaf.
Na de onafhankelijkheidsverklaring der kolonie werd Môle-Saint-Nicolas,
dat door de troepen bezet was, die Pétion had afgezonden om den
opstand van Port-de-Paix te ondersteunen, door Christophe belegerd. De
generaal Lamarre verdedigde zich met grooten moed, tot hij den 16den
Juli 1810 door een kanonskogel op den muur werd gedood. De stad,
die gedurende het beleg veel geleden had, werd na de overgave geheel
ontmanteld, en is sedert een puinhoop gebleven. De baai, die slechts
vijf-en-twintig mijlen van kaap Maysi op Cuba verwijderd is, wordt
door een schiereiland geheel gedekt, en biedt den schepen ten allen
tijde eene veilige ligplaats aan.
Wij vervolgen onze vaart, die alleraangenaamst zou geweest zijn,
indien wij niet zooveel te lijden hadden gehad van de warmte. Nu
eens streek de vlugge goëlet over het water, met de beide zeilen
de golven beroerende, als een meeuw met haar vleugels; dan weder,
langs den voet der hooge steile oevers glijdende, verloor zich haar
mast tusschen de boomen der kust, waarlangs het golvende schuim een
breeden zilveren rand teekende.
Zoo voeren wij langs Cap-à-Foux, de Pointe-à-Perles, de Plate-Forme,
de baai van Henne en l'Anse-Rouge, en kwamen eindelijk te
Port-à-Piment, waar een warme minerale bron gevonden wordt, Eaux
de Boignes genoemd. Tijdens het koloniale bestuur bestond hier eene
badinrichting, waar vele zieken genezing vonden. Bij het vallen van
den avond herkenden wij de Pointe-Corydon. Dank zij den gunstigen
wind, liep de Conception in dien nacht een aantal knoopen. Toen de
dag aanbrak, hield de bries aan, maar naarmate de zon boven de kimmen
rees, werd de hitte ondragelijker.
Ik had mij op het dek, in de schaduw der zeilen, nedergelegd, toen
eene plotselinge manoeuvre, waardoor ik in de zon kwam te liggen,
mij deed opstaan. Ik zag op het vlakke strand een wonderlijken chaos
van houten huizen en steenen magazijnen. Wij waren te Gonaïves. Deze
stad, die een indiaanschen naam draagt, en in 1738 tot een kerspel werd
gemaakt, was voor de revolutie slechts een onbeteekenend vlek; sedert
heeft de plaats in beteekenis gewonnen, vooral na de openstelling van
de haven, waardoor de handel in katoen en koffie steeds belangrijker
is geworden. In de haven kunnen de grootste schepen veilig ankeren.
Het eenige gebouw, dat een bezoek verdient, is de kerk, waar Dessalines
tot keizer werd uitgeroepen. Zij is overdadig rijk versierd en maakt,
door de bespottelijke overlading, een zonderlingen indruk, vooral
op de vreemdelingen uit Europa, die aan dergelijken tooi in eene
dorpskerk niet gewend zijn, en die nog altijd min of meer hechten
aan het totaal onamerikaansche begrip, dat smaak en schoonheidszin,
ook bij de versiering van een gebouw, niet volkomen overbodige zaken
zijn. Te Gonaïves werd de onafhankelijkheid van Haïti geproklameerd.
Na een verblijf van ruim twee dagen te Gonaïves vervolgden wij
onzen tocht. Naarmate de Conception verder zuidwaarts kwam, doemden
telkens nieuwe panorama's voor onzen blik op; vlekken, ruïnen, bergen,
heuvelen, eilandjes, langs de kust verspreid: die allen volgden in
bonte afwisseling op elkander.
Ik kon duidelijk de uitmonding onderscheiden van de Artibonite, de
Atiboniko der Indianen, de voornaamste rivier van Haïti, die op den
Monte-Gallo ontspringt, door de savanne van Guaba en de vlakte van
Saint-Marc loopt, verscheidene andere stroomen in zich opneemt en bij
de Grande-Saline in zee vloeit. Op den rechter oever, vijf mijlen van
de zee verwijderd, vindt men een dorp, Petite-Rivière-de-l'Artibonite
genaamd. In dat dorp werd in 1794, op last van den burgerlijken
commissaris Polverel, de rooverhoofdman Guiambois gevangen genomen, die
in verstandhouding met de Spanjaarden stond en het district Artibonite
in hunne handen wilde leveren. Later liet Lully hier Blanc Cassenave
neersabelen met zijn horde negers, bekend onder den naam van Congos
tout nus. Deze Blanc Cassenave was een mulat, die aan Spanje verkocht
was, een dronkaard en woesteling, die bloed dronk uit een schedel. Een
andere neger uit Artibonite, Cotro genaamd, verontwaardigd over de door
Toussaint-Louverture bevolen moorden, vatte de wapenen op. Dessalines
noodigde hem uit tot eene samenkomst en bezwoer hem plechtig, dat hem
geen leed geschieden zou. Cotro was onnoozel genoeg hem te gelooven;
hij verscheen op de aangewezen plaats en werd natuurlijk vermoord.
Ten noordoosten van de Petite-Rivière de l'Artibonite bevindt zich
de ingang van den Grand en den Petit-Chaos. Ten westen verheft zich
de Crête-à-Pierrot, met de ruïnen van een fort, waarvan de bastions
door Christophe werden aangelegd. Aan den voet van den heuvel stuwt
de Artibonite, te midden van het hooge gras, hare trage wateren
voort, die echter bijwijlen zulke schromelijke verwoestingen kunnen
aanrichten. De vlakte, die aan de rivier haar naam ontleent, prijkt in
een eeuwig groenen dos; en met stille bewondering rust de blik op het
prachtige landschap, dat zich aan alle zijden ontvouwt, van de bergen
van Mirebalais ten noorden, tot den Gros-Morne-des-Gonaïves ten zuiden,
en van de bergketen der Chaos tot aan de bergen van la Selle.
Dessalines, die eene bijzondere voorliefde koesterde voor de vlakte
van Artibonite, besloot daar zijne residentie te vestigen, nadat hij
zich tot keizer had laten kronen. In 1804 herschiep hij de plantage
Marchand, aan den ingang der kloven van de Chaos, in eene stad,
waaraan hij den naam van Dessalinesville gaf. De bevolking der
omliggende streek moest bij den bouw der huizen behulpzaam zijn, en
de vestingwerken, waarmede tijdens den oorlog tegen het moederland een
aanvang was gemaakt, werden spoedig voltooid. Op de zuidelijke helling
van den berg, die de nieuwe stad beheerscht, ziet men nog zes forten.
Op den morgen van den twintigsten dag na ons vertrek van Cap-Haïtien,
voer de goëlet het kanaal Saint-Marc binnen, dat Haïti van Gonave
scheidt. Weldra vertoonde zich de stad Saint-Marc aan ons oog. In
1716 gesticht, bestond zij aanvankelijk slechts uit eenige verspreide
huizengroepen; langzamerhand echter ontwikkelde zij zich, en vóór 1791
was zij eene der fraaiste steden van de kolonie. In 1802 werd de stad
door Dessalines in de asch gelegd; gedurende den oorlog tusschen het
zuiden en het noorden, was Saint-Marc de grensstad van het rijk van
Henri I. Het was daar dat het achtste regiment tegen hem in opstand
kwam en zich aan de zijde van Boyer schaarde.
Langzaam vervolgden wij onze vaart, die alleen minder aangenaam werd
gemaakt door de brandende hitte en door het volslagen gemis van elk
comfort aan boord. Nu en dan las ik mijn medepassagiers iets voor
uit een boek, of wij praatten te zamen over het eiland en zijne
geschiedenis. De matrozen waren trotsch op hun land, en wisten mij
elke plaats te noemen, waar wij langs voeren. Inderdaad is het een
lust, deze schilderachtige, rijk begroeide oevers in hun kronkeling
te volgen, en onwillekeurig overmeestert ons een gevoel van leedwezen,
dat een zoo schoon en rijk gezegend land, dat vroeger onder de fransche
heerschappij zoo vruchtbaar en zoo welvarend was, thans zoo diep is
gevallen en tot den laagsten rang gedaald, dank zij de zoogenaamde
vrijheid, welke de inwoners heeten te genieten.