II

Den 3den November 1871, 's morgens om tien uren, kwam de Caraïbe op

de reede van Cap-Haïtien, en stoomde langzaam en voorzichtig verder,

uithoofde van de vele klippen, waarmede die reede is bezaaid. Het had

den vorigen avond hard geregend; grijze nevels omhuifden de toppen

der bergen; de zee was bijna zwart van kleur; de boot zelve maakte

een somberen indruk. Al de passagiers stonden op het dek, waar ter

nauwernood ruimte was voor hunne bagage. Tegen de verschansing geleund,

zag ik naar de kust, maar kon niets van de haven bespeuren. Eensklaps

lag de stoomboot stil; de kapitein klom op de brug.

"Is er iets gebeurd, kapitein?" vroeg ik hem.

De kapitein keek mij met echt kreoolsche onverschilligheid aan,

en antwoordde zoo leuk mogelijk:

"Wij zijn er.

--Gij steekt er den draak mede, kapitein!

--Neen, zeker niet. Ziedaar Cap....

--Waar dan?

--Wel, vlak voor u..... Dat huis daar rechts, met zijn roode

pannendak en zijn dubbele zuilengalerij boven elkaar, dat is het

havenkantoor. Verder ligt de Carinage, eene voorstad, door visschers

en bootslieden bewoond. Vlak tegenover u ziet gij het tolkantoor en

de magazijnen van het entrepot."

Inmiddels was het kanonschot gevallen, dat onze aankomst verkondigde;

een aantal booten, met roeiers bemand, waren reeds van wal gestoken

en het stoomschip genaderd. In afwachting van de passagiers, die zij

naar land zouden brengen, dansten zij nu op de bewogen golven, tot

in de onmiddellijke nabijheid der wentelende raderen. Ik nam plaats

in eene dier bootjes, en liet mij met mijne bagage naar den wal roeien.

Daar moest ik aan het havenkantoor mijn paspoort laten nazien

en mij vervolgens, onder geleide van een policie-agent, naar de

Place begeven, waar het paspoort nog eens moest worden onderzocht en

afgeschreven. Voor de deur van het policie-bureau zat een schildwacht,

die zijn geweer tegen den muur had gezet, en nu op zijn gemak bezig

was, op een stuk suikerriet te knabbelen.

Nadat deze formaliteiten waren vervuld, ik mijne bagage terug gekregen

en met den schipper afgerekend had, ging ik een hotel opzoeken. Nu, de

keus was spoedig gedaan. Er was in de gansche stad maar een hotel, in

de rue Neuve, nabij de markt der Blanken. Ik liet mij daarheen brengen.

Cap-Haïtien, zoo als de inboorlingen, of Cap-Haïti, zoo als

de Engelschen en Duitschers de stad noemen, werd in 1640 door

de boekaniers gesticht, en bij herhaling door de Spanjaarden

ingenomen. Gedurende de ruim twee eeuwen van haar bestaan, werd de

stad drie malen in de asch gelegd: de eerste maal in 1690, toen zij

door de Spanjaarden in brand werd gestoken; vervolgens in Juni 1793,

tijdens de onlusten en twisten tusschen den gouverneur Galbaud en

de uit Frankrijk gezonden burgerlijke commissarissen; daarna in

1802, toen Henry Christophe haar in brand stak bij de landing van

het fransche legerkorps. Voeg daarbij de aardbeving van 1842 en

herhaalde bombardementen. Het laatste bombardement had, als ik mij

niet bedrieg, plaats in 1865, door het engelsche oorlogschip Bulldog,

op aandrang van den president Geffrard, die het wenschelijk vond

eens op zijne landgenooten te laten schieten. Geen wonder, dat de

oude koloniale stad tot onkenbaar wordens veranderd is. En inderdaad,

het tegenwoordige Cap-Haïtien heeft al zeer weinig overeenkomst met

het oude Cap-François uit de dagen van Lodewijk XV.

In die dagen bezat de stad, behalve vele kleinere, zes groote

monumentale fonteinen en acht pleinen--het Champ de Mars, de

place d'Armes, de place Montarcher, de place Royale, de place

Saint-Victor, de place Cluny:--allen goed onderhouden, netjes en

met smaak versierd. Hoe geheel anders ziet de Cap er tegenwoordig

uit! Ik sukkelde met moeite voort over de puntige steenen van het

hobbelige plaveisel, door de morsige straten, waarin open beken

of liever riolen het regen- en ander water afvoeren. De huizen ter

wederzijde, de oude huizen der kolonisten, zijn bouwvallen geworden

en brokkelen onophoudelijk af. Overal zijn de daken verdwenen en

de muren vol scheuren en spleten. De deuren hebben haar posten en

paneelen verloren; in de gangen en benedenkamers groeit het onkruid en

kruipt tegen de vochtige wanden op. Overal het jammerlijkste verval,

de schromelijkste verwaarloozing.

Dat er van de publieke gebouwen en monumenten, tijdens het fransche

bestuur opgericht, niets meer over is, behoeft bijna niet gezegd. Het

oude paleis der gouverneurs verdient nog ter nauwernood den naam van

bouwval. De neger-generaal Christophe stak het, in 1802, met eigen

hand in brand. Hij wilde dat de soldaten van generaal Leclerc niet

meer dan rookende puinen zouden vinden. Twee geschonden hoofdelooze

standbeelden, tusschen het puin neergesmeten, schijnen, bij het

wemelend maanlicht, de lijken van twee terechtgestelden, die nog

altijd wachten op eene eerlijke begrafenis.--De voormalige thesaurie

ziet er niet anders uit.

De in 1774 op de place d'Armes gebouwde kerk, tegenover den schouwburg,

de oude parochiale kerk, in den eenvoudigen basiliekenstijl gesticht,

en nog in 1825 door den franschen architekt Besse gerestaureerd,

gelijkt tegenwoordig op... ja, waarop? Ik kan haar niet beter

vergelijken dan bij eene pastei, waarvan men de bovenkorst

heeft afgenomen. Zij is van haar dak beroofd, en de toren is

geschonden. Toch hebben de muren bijna niet door de aardbevingen

geleden. Twee heiligenbeelden, Sint-Petrus en Sint-Paulus, staan

daar nog treurig in hun smalle nissen, ter wederzijde van het groote

portaal, als eenzame wachters van dit heiligdom, waar de geloovigen

hunne gebeden niet meer komen opzenden.

In de onmiddellijke nabijheid der kerk, aan de overzijde der straat,

ziet men nog andere ruïnen van een gebouw, dat door Christophe werd

opgericht, en ik weet niet welke bestemming had. Van dit gebouw

is niets meer over dan brokken muurs, omlijst en behangen, als al

deze ongelukkige bouwvallen, door den weelderigen plantengroei der

tropen, die over al die ellende den rijken mantel harer kleuren en

geuren werpt.

Ettelijke honderden huizen, met hoogstens eene verdieping, van gebakken

steenen opgetrokken en uit verschillende tijden dagteekenend, zwart,

wit, geel, rood, staan in een onbeschrijfelijke, maar alles behalve

schilderachtige wanorde, verstrooid in de wijde ruimte, welke eens

door de oude stad geheel werd ingenomen; treurige overblijfselen van

vroegere welvaart en getuigen van den jammerlijken achteruitgang,

waaraan dit arme land ten prooi is.

Te midden van al deze ellende, zijn er toch nog twee monumenten,

dat wil zeggen, twee ruïnen, die de vreemdeling niet mag verzuimen

te bezoeken: het paleis van Sans-Souci en de citadel Laferrière,

de geliefkoosde verblijfplaatsen van Christophe, die daar liever

resideerde dan in zijn goede stad, welke hij der verwoesting prijs gaf.

Deze beide monumenten bevinden zich te Milot, in de nabijheid der

stad, dicht bij elkander, zoodat één uitstapje voor het bezoek van

beiden voldoende is.

In den namiddag van den 26sten Januari toog ik daarheen, in gezelschap

van den heer Karnès Gourgues, advokaat bij de balie te Cap-Haïtien. Wij

zaten op kleine, vlugge, krachtige paarden, die hier inheemsch

zijn en waarvan het ras zonder moeite aanmerkelijk verbeterd zou

kunnen worden. Wij hadden toegangskaarten bij ons en bovendien een

aanbevelingsbrief van generaal Nord Alexis voor alle autoriteiten,

waarmede wij in aanraking mochten komen.

Na eenigen tijd langs het strand gereden te hebben, kwamen wij aan

de Saline. Ter rechterhand hadden wij het fort Saint-Michel, dat in

1802 door den inlandschen generaal Pétion werd genomen en denzelfden

dag door den franschen generaal Clausel hernomen; en ter linkerhand de

Petite-Anse, een vlek, waar in 1759 de eerste bamboes, van Martinique

naar herwaarts overgebracht, werd geplant. De weg naar Milot, die

ruim zes mijlen lang is, is in dezen tijd des jaars afschuwelijk: de

onophoudelijke regens hebben dezen en alle andere wegen in modderpoelen

veranderd, waartusschen rotsblokken uitsteken. Eindelijk kwamen wij,

in een alles behalve benijdenswaardigen toestand, tegen acht uur des

avonds, ter plaatse onzer bestemming.

Het was pikdonker en alle huizen waren gesloten. Na een poos heen en

weer gedwaald en vruchteloos inlichtingen gevraagd te hebben, vonden

wij ten slotte een onderkomen bij een mulat, die den uitlokkenden naam

droeg van Jolicoeur, en die ons met de grootste bereidvaardigheid

ontving. Wij brachten den nacht door in eene woning, welke hij op

eenige schreden afstands van zijn tegenwoordig voorloopig verblijf

liet oprichten; op den grond uitgespreide matten dienden ons tot

legerstede, en wij wikkelden ons in onze medegebrachte dekens, want

de temperatuur in de bergen is zeer koel en zelfs vochtig.

Den volgenden morgen begaven wij ons naar het bureau van den

plaatskommandant, den brigade-generaal Turenne Jean Gilles. Hij was

afwezig. Toen wij den brief van den generaal Nord Alexis vertoonden,

gaf de luitenant ons een soldaat mede, die ons eerst naar het paleis

Sans-Souci bracht, aldus genoemd naar het lustslot van Frederik II

van Pruisen te Potsdam. Dit paleis is gebouwd op de onderste hellingen

van den berg of heuvel Bonnet-à-l'Evêque.

"Vroeger," zoo verhaalde mijn cicerone, "voerde een opgehoogde weg

naar den ingang, die met twee hekken gesloten was. Rechts zag men

eene guildive [1] en het rijksmagazijn, beiden buiten het hek. Ter

linkerhand stond de kerk, een met leien gedekte rotonde, met een

portaal, waarvan de driehoekige gevelsteen door vier zuilen gedragen

werd. Daarachter bevond zich de zaal van den raad. Apropos van die

zaal vertelt men eene niet onaardige anekdote.

"Het werk aan dit gedeelte van het gebouw was voltooid; een leiendekker

was bezig met het leggen der laatste pannen. Christophe, die zich

onder den naam van Henri I tot keizer had laten uitroepen, nam het

werk in oogenschouw en stond voor den gevel stil. Eensklaps haalde

hij zijne snuifdoos voor den dag en nam daaruit een snuifje van

die macouba tabak, die hij opzettelijk van Martinique liet komen

ten behoeve van zijn keizerlijken neus. De leiendekker, die ook een

hartstochtelijk liefhebber was, en naar het schijnt in geen dagen had

kunnen snuiven, zag die beweging van den doorluchtigen monarch, en kon

aan de verzoeking geen weerstand bieden. Hij kwam dus van het dak af,

naderde den keizer tot op een tiental passen, groette op militaire

wijze en maakte drie buigingen.

--Wat wil jij? vroeg Henri I.

--Och, sire, sire, ik heb bijna in geen acht dagen kunnen snuiven. Zou

het onbeleefd zijn, aan Uwe Majesteit een snuifje te verzoeken?

--Kom hier, kom hier; ga je gang, ga je gang, zeide Henri I, met

gemaakte vriendelijkheid. Maar tegelijk keerde hij zich om naar de

negersoldaten van het regiment Royal-Dahomey, die hem overal volgden,

en die in hunne laarzen roeden verborgen hadden van lianen gevlochten:

verschrikkelijke folterwerktuigen, waarmede zij zijne bevelen ten

uitvoer brachten.

--Als hij het ongeluk heeft te niezen, moet ge hem doodgeeselen! riep

de barbaar.

"De leiendekker hoorde dat bevel, en zijne begeerte om van de

vorstelijke macouba te snuiven, was eensklaps vervlogen. Bevend over

al zijne leden, stond hij stil.

--Nu, ga je gang, zeide Henri I.

"Maar de leiendekker stond onbewegelijk, terwijl hij met angstige

blikken beurtelings den keizer en de soldaten, die hunne roeden reeds

gereed hielden, aanzag.

--Kom aan, kom aan, neem nog een snuifje, beval Henri, die niet kon

dulden dat men hem niet onmiddellijk gehoorzaamde.

"De man snoof weder, nog steeds zonder te niezen. De keizer reikte

hem weer zijn snuifdoos.

--Sire, stotterde de man, sire, dat is te veel goedheid; ik mag geen

misbruik maken van...

--Neen, neen, hernam Henri I, wiens drift van oogenblik tot oogenblik

klom, neem nog wat, of ik laat je aanstonds geeselen.

"Bevend dompelde de leiendekker nogmaals zijne vingers in de snuifdoos,

die hem wel een vat toescheen. En nog altijd niesde hij niet.

--Kom aan, kom aan, nog wat, nog wat! beval de keizer.

"De leiendekker zette groote oogen op en aarzelde.

--Kom aan, riep de keizer; je moet alles opsnuiven, tot het laatste

korreltje!

"En de man gehoorzaamde. Wel deed de uitwerking van de macouba zich

sterk gevoelen en leed hij duldelooze pijnen; maar hij hield zich

goed en niesde niet. Toen eindelijk de snuifdoos leeg was, voegde de

keizer hem toe:

--Loop naar den duivel, rekel. Jij komt er goed af. Mijn intendant

zal je twee beurzen, een snuifdoos en een flesch macouba geven,

die je zoo goed bevalt. Voort...

"Henri I keerde naar het paleis terug; en men zegt dat de leiendekker

nooit meer snoof.

"Hier zijn wij in den Cour d'honneur, vervolgde mijn cicerone. Het

eigenlijke paleis bestond uit een middenpaviljoen en twee vleugels, die

elk met een vierkant paviljoen eindigden. Eene breede poort, waarnevens

aan iedere zijde een leeuw prijkte, die een met goud gevulden koffer

bewaakte, leidde naar de benedenverdieping, die tot bewaarplaats voor

de produkten der keizerlijke fabrieken was ingericht. Een dubbele trap,

van buiten aangebracht, voerde naar de eerste verdieping. De keizerin

bewoonde het paviljoen ter linker-, de keizer dat ter rechterhand;

bij het laatste bevond zich een ruime biljartzaal.

"Op de binnenplaats stond, door een ijzeren hekwerk omsloten, een

tamarindeboom, bijna even beroemd, zij het ook op andere wijze,

als de eik van Lodewijk den Heilige. De zwarte despoot placht bij

voorkeur onder dien boom zijne vonnissen te vellen, die bijna altijd

den dood ten gevolge hadden. De zij- en achtergebouwen waren bestemd

tot woning voor de prinsen, voor stallen en kazernen. Al deze gebouwen

lagen te midden van prachtige tuinen, vol met de heerlijkste boomen,

vol schaduw en koelte en doorsneden van talrijke besproeiingskanalen.

"In de bovenzaal van zijn paviljoen, die hem tot slaapkamer diende,

blies Christophe of Henri I den laatsten adem uit.

"Den 15den Augustus 1820 had hij, in de kerk van Limonade,

een aanval van beroerte gekregen. Driemaal was hij op zijn stoel

zittende voorover gezonken, en had zich telkens weer opgericht;

de laatste maal bonsde hij zoo hevig met zijn hoofd tegen den muur,

dat het bloed uit de wonde spoot. Van dien dag af voelde de keizer

zich ziek. Justamont, een blanke geneesheer, die door hem in 1804 aan

de algemeene slachting was onttrokken, maar dien hij, in een aanval

van woede, in 1810 voor zijne oogen met stokken had laten doodslaan,

was niet meer daar om hem te helpen. Bovendien volgde welhaast de eene

slechte tijding op de andere. Den 2den October vernam hij, dat het

achtste regiment infanterie te Saint-Marc tegen hem in opstand was

gekomen; drie dagen later, den 5den, kreeg hij bericht van den dood

van zijn luitenant Jean Claude, wiens hoofd aan Boyer, den president

der mulatten-republiek San-Domingo was gebracht. Eindelijk ontving

hij, in den morgen van den 8sten October, toen hij zich van zwakte

ter nauwernood op de been houden kon, de tijding dat zijne troepen

te Cap-Haïtien zelf de vaan des oproers hadden ontrold.

"Hij trachtte zich goed te houden en zijne ziekte te bedwingen. In de

hoop zijne bezwijkende krachten op te wekken, liet hij zich een bad

gereed maken van tafia, met piment, peper en macouba-tabak. Werkelijk

gevoelde hij zich na dit bad minder zwak; maar toen hij te paard

wilde stijgen, was het hem ondanks alle inspanning niet mogelijk, zich

in den zadel te beuren. Twee soldaten van de lijfwacht schoten toe,

grepen hem onder de armen, en brachten hem zoo naar zijne kamer. Zijne

krachten waren uitgeput en zijn moed begon hem te ontzinken. Hij

liet zijne vrouw Marie Louise en zijne kinderen bij zich ontbieden;

maar dezen kwamen niet, misschien niet ten onrechte vreezende dat de

tiran, nu hij zelf alle hoop op herstel verloren had, eerst nog hen

om het leven zou laten brengen. Toen, zich van allen verlaten ziende,

wetende dat hij elk oogenblik in de handen zijner zegevierende vijanden

zou kunnen vallen, door angst en misschien ook door wroeging verteerd,

greep de half waanzinnige despoot een pistool, en joeg zich een kogel

door het hart. Zijn lijk werd, door de zorg zijner betrekkingen, in een

hangmat naar de citadel gevoerd: eene andere lijkwade had hij niet."

Nadat wij de ruïnen van het paleis hadden bezichtigd, was er te Milot

niets meer te zien. Wij stegen dus weder te paard en reden de bergen

in, steeds onder geleide van onzen soldaat. Na twee uren gereden

te hebben, werd de in de rots uitgehouwen weg zoo steil, dat wij af

moesten stijgen, en, ons met de handen vastklemmende aan de struiken,

en met de voeten steunende op de uitstekende rotspunten, zoo naar boven

moesten klauteren, onze arme paarden achter ons voorttrekkende. Na

aldus drie kwartier geklommen te hebben, ontdekten wij plotseling,

bij eene kromming in het steile pad, tot onze groote verbazing, de

donkere, indrukwekkende massa der citadel Laferrière. Buiten adem

kwamen wij aan den voet van den muur.

Nog tegenwoordig is de citadel eene trotsche ruïne, die op den

vijf-en-twintighonderd voet hoogen top van den Bonnet-à-l'Evêque met

rustige majesteit troont en den geheelen omtrek beheerscht. Wij waren

nu te dicht bij, om den geheelen omvang der kolossale ruïne te kunnen

overzien. Ik herinner mij niet ergens een zoo indrukwekkend geheel

te hebben aanschouwd; de citadel Laferrière is inderdaad een wonder.

Onze gids bond de paarden aan de struiken vast, en wij traden door eene

kleine poort in een wachthuis, waar drie in lompen gekleede soldaten

zich zaten te warmen bij een op den steenen vloer aangelegd vuur.

"Henri Christophe, zoo verhaalde mij de heer Karnès Gourgues, werd

met vijftig stemmen tot president gekozen, terwijl de generaal Paul

Romain er veertien, en Alexandre Pétion er ééne kreeg; maar toen Juste

Hugonin, zijn vriend, hem van Port-au-Prince schreef, dat hij met de

nieuwe constitutie, minder te zeggen zou hebben dan een korporaal,

ondernam hij een soort van staatsgreep, en liet zich, den 2den Juni

1811, tot erfelijk keizer uitroepen. Van dat oogenblik vooral woedde

een onverzoenlijke strijd tusschen den negerstaat in het noorden en

de mulatten-republiek, waar Pétion aan het hoofd stond, in het zuiden:

een strijd, die met den dood van Christophe eindigde.

"Reeds in Januari 1804, toen hij nog maar divisie-generaal, staatsraad

en opperbevelhebber van het departement du Nord was, en onder de

bevelen stond van den gouverneur-generaal Dessalines, begon Christophe

met den bouw van deze citadel, naar de plannen van een kleurling,

een genie-officier, Henri Barré genaamd. De geheele bevolking, met

inbegrip van vrouwen en meisjes, moest bij den bouw behulpzaam zijn; de

zwakken en onwilligen werden door de soldaten met roeden voortgedreven.

"De zwarte dwingeland ontzag geen middel van dwang en geweld,

om in spijt van de bijna onoverkomelijke zwarigheden, zijn doel te

bereiken. Toen, na den moord van Dessalines, zijne citadel eindelijk

voltooid was, bracht hij er zijne schatten over, waarvan later Boyer

zich meester maakte, benevens wapenen en ammunitie, waarvan hij niet

eens den tijd had gebruik te maken. Achter de muren van deze onneembare

sterkte, kon Christophe veilig het hoofd bieden aan zijne vijanden

en de opgestane aanhangers der republikeinsche partij. Maar in 1817

sloeg de bliksem in de kruitkamer van de citadel, waarvan een groot

gedeelte door de ontploffing werd vernield."

Op last van onzen cicerone nam de gids een brandend hout van den

vuurhaard en blies uit al zijne macht den gloed tot eene vlam aan;

vervolgens ging hij ons met dien geïmproviseerden fakkel voor door de

donkere gangen van het fort. Het inwendige van de citadel is echter

niet alleen doodsch en somber, maar ook geheel vervallen.--Wij komen

op eene binnenplaats. Rechts verrijst de buitenmuur van het fort;

links is eene deur, waardoor wij in eene donkere kamer komen. Dit

is de badkamer, even bouwvallig en geschonden als de rest. Langs een

duisteren gang komen wij in de biljartkamer, die een gewelfde zoldering

heeft. Daarachter ligt de schatkamer: een laag vertrek waarvan de

vloer met stilstaand water is bedekt, en waar niets meer te zien is dan

twee ledige, van de roest half verteerde, ijzeren kisten. Dan volgen

de gevangenhokken. Langs een steenen trap, waarvan de treden met gras

en mos zijn begroeid, klimmen wij naar de eerste verdieping, waar zich

de keizerlijke vertrekken bevinden, thans mede kaal, hol en akelig. De

muren zijn beschimmeld en hier en daar gespleten: zij zien er uit of

ze melaatsch waren. De regen, die door de gaten en scheuren van het

gewelf doordringt, vormt op den vloer plassen en kalkachtige aanslagen.

De fakkel van onzen gids is uitgegaan. Terwijl hij dien op nieuw gaat

aansteken, blijven wij op een binnenplaats, waar alle planten der

ruïnen in den weelderigsten overvloed tieren. Op het midden der plaats

verrijst het grafteeken van prins Noël, den broeder der keizerin,

dien Henri I op geheimzinnige wijze liet uit den weg ruimen. De

graftombe is vierkant van vorm, en naar men zegt ledig. Wij klimmen

nog hooger, en bezoeken de kazernen, waar ruimte was voor tienduizend

man. Vervolgens komen wij aan de bovenste batterijen, waarvan de meeste

kanonnen verdwenen zijn. Nog steeds hooger gaat de tocht; wij klimmen,

niet zonder moeite, van het eene terras naar het andere, en bereiken

eindelijk den top, van waar men, bij mooi en helder weer, een prachtig

panorama overziet. De blik omvat de gansche noordelijke vlakte, die,

van de rivier de Massacre tot aan Port-Margot, eene uitgestrektheid

heeft van tachtig vierkante mijlen: een rijk geschakeerd landschap

van heuvelen, bergen en dalen, in het weelderigste groen gedost

en doorsneden van beken en kronkelende rivieren. Aan den horizon

schittert in de zonnestralen de donkerblauwe eindelooze zee.

Het was inmiddels negen uren geworden, en wij stegen te paard. Wij

moesten nu den Bonnet-à-l'Evêque afdalen, hetgeen zoo al niet

moeilijker, dan toch zeker gevaarlijker was dan den berg te

bestijgen. Na een lastigen en bezwaarlijken tocht van drie uren,

bespeurden wij, tusschen het geboomte, de ruïnen, die wij 's morgens

reeds hadden gezien. Kort daarop hielden wij stil voor de woning van

onzen gastheer.

Zoodra hij het getrappel onzer paarden hoorde, verscheen de heer

Jolicoeur op den drempel. Wij traden het huis binnen, waar ons op eene

fraai aangerichte, vierkante tafel een dier overvloedige kreoolsche

maaltijden wachtte, die, zoo men goeden eetlust heeft, iemand in eens

weer op de been helpen.

Wij hadden nu te Milot niets meer te doen; het weder was weer goed

geworden en wij maakten ons gereed naar le Cap terug te keeren. Voor

de afwisseling volgden wij, in plaats van den weg langs welken wij

gekomen waren, den breeden weg, door Henri I midden door de savanne

van Grand-Pré aangelegd; men ziet langs dien weg nog de overblijfselen

van een op zijn last opgeslagen kamp.

"Langs dezen weg, die toen echter beter onderhouden was dan nu, zoo

verhaalde mij de heer Karnès Gourgues, begaf zich Henri I met de

grootofficieren van zijn hof en de soldaten zijner lijfwacht naar

le Cap. Op zekeren dag ontmoette hem een voerman, die met zijn met

ossen bespannen wagen van de stad kwam. De keizer was toen juist in

oorlog met Pétion, den president der mulatten-republiek. De voerman,

meenende daarmede aan Zijne Majesteit genoegen te doen, begon tegen een

zijner ossen te schelden, en noemde het dier daarbij Pétion.--Henri I,

dit hoorende, hield stil en wenkte den voerman naderbij te komen.

--Zoo, noem jij je os Pétion, en waarom? vroeg hij.

--Wel, sire, antwoordde de ander, al vooruit zich verheugende op den

goeden indruk van zijn antwoord: wel, omdat Pétion een gemeene mulat

is, die tegen Uwe Majesteit oorlog voert. En als ik mijn os ransel,

dan verbeeld ik mij, dat ik uw vijand tref.

--Naar den duivel, rekel! riep de despoot; durf jij mijn collega zoo

oneerbiedig behandelen...... Slaat dien brutalen vlegel dood!

"Het bevel werd letterlijk uitgevoerd. Terwijl de os Pétion en zijn

kameraad rustig hun weg naar den stal vervolgden, lag de ongelukkige

voerman op den weg te zieltogen. Zoo wilde het de gerechtigheid van

Henri I."

In flinken draf voorthollende, kwamen wij tegen vijf uur des avonds

te la Fossette, eene voorstad van le Cap, aan de andere zijde van

Carénage, wel tevreden over ons uitstapje.

Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881 · 第 2 / 9 题