I
Wij bevinden ons in volle zee. De hemel is donkerblauw; de
dampkring heeft die doorzichtige helderheid, die volgens Homerus bij
uitnemendheid eigen is aan den dampkring van den Olympus. Zoo ver de
blik reikt, zien wij aan den horizon de groene heuvelachtige kust,
waartegen de lauwe golven zachtkens breken, aan den voet van palmen,
van koffieplanten, van suikerriet en oranjeboomen. Zoo, uit zee gezien,
schijnt deze kust eene fantastische decoratie uit een tooverballet.
Dat is Haïti, het oude Sint-Domingo.
Dit eiland, na Cuba het grootste der Antilles, ligt, zooals men weet,
aan den ingang der wijde golf van Mexico, tusschen 17°55' en 20°
westerlengte, gerekend naar den meridiaan van Parijs. Van het oosten
naar het westen beslaat het eene oppervlakte van honderd-zestig mijlen
in de lengte, bij eene breedte die, van het noorden naar het zuiden,
tusschen de zestig en zeven-en-zestig mijlen bedraagt. De geheele
oppervlakte wordt geschat op vijfduizend-tweehonderd vierkante mijlen,
daaronder niet begrepen Tortuga of la Tortue, Gonave, Saôna en eenige
andere aangrenzende eilandjes. De bevolking beloopt tegenwoordig
ongeveer achthonderd-duizend zielen: bijna driehonderd-duizend voor
San-Domingo of Dominicania, en ruim vijfhonderd-duizend voor de
republiek Haïti.
Toen Columbus, den 6den December 1492, dit eiland ontdekte, werd hij
getroffen door de gelijkenis van deze kusten met die van Spanje: hij
schonk daarom aan het nieuw gevonden land, dat door de inboorlingen
nu eens Quisqueya, dan weder Bohio of Aïty genoemd werd, den naam van
Hispanjola, Klein-Spanje. "Hispañola," schreef hij aan Ferdinand en
Isabella, "es una maravilla!"
En wel mocht het een wonder worden genoemd, dit smaragdgroene eiland,
oprijzende uit de donkerblauwe golven der heerlijke zee, die overal
langs de kust tallooze baaien en inhammen vormt, waar haar golfjes
zacht kabbelend uitrollen over het parelgrijze zand. En evenals de
zee in het land binnendringt, zoo treedt het land vooruit in de zee,
vormt kapen en voorgebergten en is in het rond met kleine eilandjes
omgord, die als een krans het groote eiland omgeven, dat van verre
op een reusachtigen rijk versierden bloemkorf gelijkt, drijvende op
de azuren wateren.
Het binnenland van Haïti is, evenals Cuba, doorsneden van bergketenen,
waarvan de voornaamste toppen eene hoogte van omstreeks drieduizend el
bereiken. Tusschen deze bergketens strekken zich vlakten of savannen
uit, nu eens wijd uitgespreid als de amerikaansche prairieën, dan weer
meer op onze europeesche valleien gelijkende en ter wederzijde door
bergen ingesloten. Vlakten en valleien beiden zijn met de weelderigste
tropische flora bedekt: oranjeboomen, mangoboomen, bananen, vijgen,
palmen, suikerriet, koffie, katoen, cacao: al de vruchten en al de
gewassen der keerkringslanden bloeien en tieren hier in den rijksten
overvloed.
Toen de Spanjaarden het eiland ontdekten, was het bewoond door
indiaansche stammen, die onder eigen opperhoofden of kaciken
stonden. Het was den vreemdelingen in de eerste plaats om goud te
doen; en zoodra zij hadden bespeurd waar dat te vinden was, werden de
inlanders gedwongen, bij de opdelving daarvan behulpzaam te zijn en in
de mijnen te arbeiden. Deze zware arbeid richtte onder de tot slaven
gemaakte oorspronkelijke bevolking zulke ontzettende verwoestingen
aan, dat het getal inwoners, hetwelk bij de ontdekking in 1492 op
omstreeks een millioen werd geschat, in 1507 reeds, naar men zegt, tot
op zestigduizend geslonken was. Om de plaats der vroegere bevolking
te vervangen, werden nu uit Afrika negers ingevoerd, die veel beter
dan de Indianen tegen den arbeid in de mijnen en op de plantages
bestand waren. Volgens Herrera, verrichtte één neger meer werk dan
vier Indianen. Zoo bestond de bevolking van het eiland voortaan uit
blanken en negers, beiden vreemdelingen, en als meesters en slaven
tegenover elkander staande. Van de oorspronkelijke Indianen bleef nog
slechts een handvol over, die zich eindelijk, na langdurigen strijd,
in een klein distrikt, ten noordoosten van San-Domingo terugtrokken;
hunne weinig talrijke nakomelingen leven daar nog heden onder eigene
opperhoofden.
In 1630 maakten fransche en engelsche boekaniers, onder aanvoering van
Niel d'Enambuc, zich meester van het eilandje Tortuga (la Tortue)
in de onmiddellijke nabijheid van het groote eiland Hispanjola
of San-Domingo, zooals het gemeenlijk naar de hoofdstad genoemd
werd. Wel gelukte het den spaanschen gouverneur, deze lastige buren te
verdrijven; maar een deel hunner, hoofdzakelijk Franschen, vestigde
zich nu op de onbewoonde noordkust in het westen van het eiland,
en riep straks de hulp van den franschen koning tegen de Spanjaarden
in. Lodewijk XIV sloeg die bede niet af: in 1661 werd Dogeron naar
San-Domingo gezonden en vier jaren later in het westelijk gedeelte des
eilands eene fransche kolonie gesticht. Wel werd deze weder door de
Spanjaarden verwoest; maar in 1691 werd nogmaals eene nieuwe kolonie
gesticht, en zes jaren later, bij den vrede van Rijswijk, werd de
kleinere westelijke helft van het eiland aan Frankrijk afgestaan.
Deze kolonie ontwikkelde zich in den loop der achttiende eeuw zeer
voorspoedig en geraakte tot zeer hoogen bloei, dank zij voornamelijk
de vlijt en de energie der fransche kolonisten: alzoo dat de kleinere
westelijke helft van San-Domingo de grootere oostelijke, die aan
Spanje verbleven was, al spoedig geheel in de schaduw stelde. Doch
als een dreigend gevaar bleef de onnatuurlijke verhouding tusschen
de betrekkelijk weinig talrijke blanke bevolking en de massa der
negerslaven: een gevaar, nog zeer belangrijk vermeerderd door de
vorming eener weldra zeer talrijke klasse van zoogenoemde kleurlingen,
meest allen uit ongeoorloofde betrekkingen tusschen blanken en zwarten
gesproten, voor het meerendeel vrijgelaten, ten deele naar europeesche
wijze opgevoed, maar overigens van alle rechten verstoken. Deze uit
den aard der zaak ontevredene, onrustige, misplaatste middenklasse,
door het besef van haar valsche positie gedrukt en verbitterd,
zou ten allen tijde een gevaar voor de koloniale maatschappij
zijn geweest; maar zij werd dit nog in veel hooger mate, toen
straks de revolutionaire denkbeelden en beginselen van het einde
der achttiende eeuw ook op Sint-Domingo doordrongen, toen de arme
hoofden der kleurlingen en der zwarten werden verbijsterd en op
hol gebracht door het onzinnig geschetter over menschenrechten,
door de erger dan holle klanken van gelijkheid en vrijheid. De
gevolgen bleven niet uit; en nadat in 1789 de Nationale Vergadering
in Frankrijk zich had geconstitueerd, hielp deze, door haar dwaze
besluiten, natuurlijk dapper mede om de verwarring nog grooter te
maken. Eindelijk kwam de uitbarsting. Den 28sten Augustus 1791 kwamen
de mulatten en de negers te Cap-François in opstand, en binnen weinig
tijd had zich in de geheele kolonie de zwarte bevolking, in verbond
met de kleurlingen, op haar meesters geworpen. De onmenschelijkste
gruwelen werden bedreven, de vreeselijkste moordtafreelen aangericht,
en de door de Conventie gezonden gevolmachtigden waren buiten staat
en ook niet gezind om aan die verfoeilijke euveldaden een einde
te maken. En waarom ook? Deden die losgelaten zwarte tijgers iets
anders dan het voorbeeld navolgen, door het souvereine gepeupel van
Parijs gegeven? Jaren lang hielden de wanordelijkheden aan; en nadat
ook het Spaansche deel van het eiland, bij den vrede van Basel,
aan Frankrijk was afgestaan, werden de blanken in 1797 gedwongen
Sint-Domingo te verlaten. De negers en mulatten richtten nu eene eigen
republiek op, die wel in 1801 weder aan Frankrijk werd onderworpen,
maar slechts voor korten tijd. Reeds in 1802 brak, onder aanvoering
van den neger Dessalines, een nieuwe opstand uit; de fransche troepen,
door kwaadaardige ziekten geteisterd, konden dien niet meester worden
en moesten reeds in het volgende jaar naar Frankrijk terugkeeren. De
daarop volgende gebeurtenissen in Europa, bovenal de vredebreuk met
Engeland, dat sedert Trafalgar onbeperkt beheerscher was der zee,
maakten voor Napoleon iedere poging tot herovering van Sint-Domingo
onmogelijk. Haïti bleef aan zich zelve overgelaten en bood sedert der
wereld het tragi-komische schouwspel aan eener zoogenaamde republiek
van negers en mulatten, waarin de eene omwenteling de andere op den
voet volgde, en de toestand van volslagen regeeringloosheid nu en
dan werd afgebroken door de fantastische tirannie van een of anderen
zwarten avonturier, die zich voor de aardigheid de keizerskroon op
het hoofd zette en nu aan al zijn luimen en grillen botvierde, tot
hij eindelijk weggejaagd of ook wel vermoord werd. Het zou de moeite
niet loonen, de namen van al die individus, die sedert de zoogenoemde
onafhankelijkheidsverklaring over deze karikatuur-republiek hebben
geregeerd, op te noemen; en al even weinig belangstelling mag ons
de geschiedenis inboezemen van dit schoone land, zoo jammerlijk
prijs gegeven aan een troep barbaren, wier hopelooze onbekwaamheid
en verdorvenheid slechts te meer uitkomt, nu zij, van de tucht des
meesters ontslagen, zoo als het heet zich zelven regeeren.
Het zij genoeg te herinneren dat het eiland, na gedurende eenigen
tijd een enkelen staat te hebben gevormd, thans weder in twee
republieken verdeeld is: de westelijke, kleinste helft behoort aan de
neger-republiek Haïti; de oostelijke, die vroeger aan Spanje behoorde
en voor ettelijke jaren tijdelijk weder onder de gehoorzaamheid der
Spaansche kroon terugkeerde, vormt de republiek van San-Domingo of
Dominicania, waarin het mulatten-element meer de overhand heeft.
Na dit vluchtig overzicht willen wij een bezoek aan het eiland brengen,
en daartoe in hoofdzaak het verhaal volgen van den heer De la Selve,
leeraar in de rhetorica aan het lyceum Pétion te Port-au-Prince.