[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst

aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der

beweging.

[2] _Wanneer_: tot dat.

[3] _verbaast_: ontstelt.

[4] _livreien_: kleeding.

[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te

verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren.

[6] _muziek van druk_ (treurmuziek) _op noten galmen_. Het woord "noten"

lijkt overbodig.

[7] _Heerschappijen, machten, tronen_. Vlgg. over de verdeeling der

Engelen. En _Voorwoord_. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der

eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen

behoorden.

[8] _bij ons_: door ons; _mishandeld_: mis gehandeld.

[9] _onzen plicht bekleeden_. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime

beteekenis. Hier: vervullen.

[10] _in stede van regeeren zal Adam triumfeeren_: Instede dat wij

regeeren, zal Adam triumf vieren.

[11] _te rusten_: berusten.

[12] _tot heerschen min_. Minder tot heerschen.

[13] _Die zich gelaten stelt_: door in Gods wil te berusten.

[14] _de kroon verdooven_: in haar glans verdooven.

[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in

dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij _spreken_

alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden

als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel

gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog

vóór hij, Belial, _schijnt_ te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij

ongezocht waar hij wezen wil.

[16] _Nu durft de duisternis_ (de aardwormen) _het hemelsch licht

ontwassen_ (boven het hoofd groeien).

[17] _Hier komt vernuft te spâ_. Vernuft, 't verstand kan dit niet

begrijpen.

[18] _Ons schikken is ... verwarren_. Gaan wij er ons in mengen, we

brengen verwarring; misschikken alles.

[19] _Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden_; Het valt

hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden.

[20] _in deze oneffenheden_: ongelijkheden.

[21] _blijft_ in (den) staat.

[22] _den staat niet te reppen_: ongerept, ongestoord te laten.

[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan.

[24] _De schelle kelen_: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei.

[25] _steurt de maat_: verstoort het evenwicht, de harmonie.

[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u

niet anders dan als misdaad worden aangerekend.

[27] _te schutten_: te stuiten.

[28] _trouwanten_: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk

frouwant geschreven om verband te krijgen met _trouw_.

[29] _ongeduld_: wat niet te dulden is.

[30] _Het stuk ontdekken is den handel glad bederven_: door den toeleg

te doen blijken, zou men de actie schade doen.

[31] _Het Licht_: God.

[32] _zij trouwen onze zijde_: hangen onze zijde aan.

[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen.

[34] _smeeken door middelaars_. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de

kracht der bemiddeling, die de kern van zijn _Jepfta_-treurspel geworden

is.

[35] _verstout u hooger niet_: waag niet verder te gaan.

[36] _'t klachtbewind_: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap.

[37] _Ik poog de macht te scheien_: beproef als scheidsman, kalmeerder,

op te treden.

[38] _Wij willen uwen zoen bemiddelen_: optreden als bemiddelaar ter

verzoening.

[39] _d'Inspanner_: Opstandeling.

[40] _Naturelijk_: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "_Naturelijk_ staat

elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht

des doods onderworpen is".

[41] _'t raakt ons in 't gemeen_: gemeenschappelijk; het treft ons allen.

[42] _onbescheid_: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.).

[43] "dat één Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen

Michaël, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid

genoemd".

[44] _Hardnekkige aard_, voor: "hardnekkigen van aard".

[45] _dat voor geen Godheid zwicht_: "dat zich niet buigt voor God."

[46] _die last_ (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer.

[47] _dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult

verwerpen_: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen

onder Adams voet, ten teeken van slavernij."

[48] _den schaars van hem gezienen_: God.

[49] _snooden worm. Snood_ is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk.

[50] _werde_: worde.

[51] _Zoo groot een ongelijk te slechten_: zulk een groot onrecht te

beletten.

[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den

tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn.

Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht

heeft als in _koor_ gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst

uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas,

waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb

me veroorloofd dit in den tekst aan te geven.

[53] _schoon we nooit in onzen plicht bezweken_ (te kort schoten). Een

héél gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping

aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke

behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den

draai naar hun zij.

[54] _'t zich belgen; belgzucht: belgen_ is "opblazen"; dus "zich

daarover vertoornen," "er in verzet over komen." _Belgzucht_:

oproerigheid.

[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit.

[56] _den staat der Engelen_: de orde der Engelen.

[57] _gewapend onder 't zegenen van boven_: wiens wapens door God

gezegend zijn.

[58] _allerbraafste Held_: aller moedigste.

[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God èn Lucifer, om te doen

uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het

Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje

trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten.

[60] _Heft op_: heft aan.

[61] _volgt dezen God_. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd.

_Trant_ maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen."

[62] _de Morgenstar_: Lucifer.

[63] _In der nacht_. Nacht was vroeger vrouwelijk.

[64] _paaien_, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden

stellen.

[65] _Staatzucht_. Zie Inleiding, pag. 22.

* * * * *

HET VIERDE BEDRIJF

GABRIEL. MICHAEL.

GABRIEL:

De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand

Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant

Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken

Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken

Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom.

Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom.

MICHAEL:

Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd?

GABRIEL:

Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd,

Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon

Bewierookt als een God, en met een lastertoon

Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen.

Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen,

En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis

Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch

Van onweêr buldert vast, van boven en van onder.

Het weêrlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder

In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof.

Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof.

Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren.

Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren

Der Engelen, van druk en medelijden, om

Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom.

En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden

Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden,

(Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert

Bij God en Zijnen naam) te passen[3].

MICHAEL:

Wat vervoert

Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten,

Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten?

GABRIEL:

De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak

Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak

Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden,

Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden

Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw.

Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw

Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken

In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken,

Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit.

Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6]

Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen.

Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen,

En riepen vast: "Genâ, genâ, o Heer, geen Recht!"

Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht;

Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen:

Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen,

De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid,

Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait

De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen,

Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen.

Genâ had uitgediend. Waak op, in 't harrenas.

De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'.

Betem met uwen arm de woeste Behemotten

En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten.

MICHAEL:

Uriël! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier,

Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier.

Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen.

Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen,

Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort,

Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord.

Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels,

Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8]

Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan.

Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan.

GABRIEL:

Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9].

Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen

U toestraalt, en de zon in top u heil belooft.

Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd

Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren.

Schep moed, Vorst Michaël: gij zult Gods oorlog voeren.

MICHAEL:

Zoo zal ik. Hoû mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen.

GABRIEL:

Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeên[11].

LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.

LUCIFER:

Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]?

BELZEBUB:

Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen,

Te vliegen regelrecht op 't spits van Michaël.

LUCIFERISTEN:

Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel,

Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen,

Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen,

En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht.

LUCIFER:

Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht?

BELZEBUB:

Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen

Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen.

'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij,

Is 't niet de halve streek; want Michaëls getij

Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten.

De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten,

Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij,

Verzweren hunnen Heer, Vorst Michaël, als wij.

Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen

De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen

Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf;

En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf

En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen.

Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen.

Gij draagt alreê de kroon des Hemels op uw kruin.

LUCIFER:

Die klank behaagt me meer dan Gabriëls bazuin.

Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14].

Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen!

En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort.

Gij weet, hoe verre wij alreê zijn uitgestort

In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen,

Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen;

En niemand denken durf deze onuitwischbre smet

Te zuivren door genâ; dies moet de nood een wet,

Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken

Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken,

Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen

Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen.

Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig;

Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig'

Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt.

Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt

In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren,

Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren

In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed,

Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet

Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten

Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten

En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end.

Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16],

Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen;

Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren,

En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar:

LUCIFERISTEN:

Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer!

BELZEBUB:

Maar zie hoe Rafaël, verbaasd[17] en vol meêdoogen,

Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen,

Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag.

RAFAEL. LUCIFER.

RAFAEL:

Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18],

Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven?

Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven?

Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw?

Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw

En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen.

LUCIFER:

Oprechte Rafaël!

RAFAEL:

Mijn blijschap, mijn verlangen

Ik bidde u, hoor me.

LUCIFER:

Spreek, zoo lang het u behaag'.

RAFAEL:

Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag

Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne

Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne

En balsem van genâ, gestegen uit den schoot

Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot,

U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen,

Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen.

Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt?

Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20]

Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten

Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten

En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron.

Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon

Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen.

Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen,

Smaragden, diamant, robijn, en louter goud.

De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd,

Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21]

Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]:

En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]?

Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon?

Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren,

Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24],

En mengsel van gedierte en ondier ondereen,

Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheên

Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen,

De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen,

En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw?

Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw

In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27],

Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven

Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt

Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt.

Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen:

Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28].

Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas,

Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas

Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder,

Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder

Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans;

Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans

Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel,

Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel,

Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet;

't En ware een leven van ellende, van verdriet,

De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen

En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30].

Verneêr u, staak dien tocht[31]; ik offere u genâ

Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spâ.

LUCIFER:

Heer Rafaël, ik verdien noch dreigement noch tooren.

Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen,

En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht.

Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht

En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren,

De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren,

Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag

Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag,

Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen;

Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen,

Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf,

't En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf',

Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken,

Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken,

Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst;

Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst,

En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34],

Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen.

Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien

Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'.

RAFAEL:

Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzen

Voor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen.

De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis,

De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is,

En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren.

Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren!

Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch.

Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog.

LUCIFER:

Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken?

RAFAEL:

Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken?

Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen,

En boven Gods gestarnte opstijgen van beneên,

God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade,

't Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36].

Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon,

Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon.

Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen,

En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen.

LUCIFER:

Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet?

RAFAEL:

Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald Gebied

Bepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name.

LUCIFER:

Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame,

En, boven de natuur der Engelen, zijn lot

Uit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God?

RAFAEL:

Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen,

Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen,

Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven al

Wat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal,

Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen.

LUCIFER:

Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37].

RAFAEL:

Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek.

Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlek

Van afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen.

De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen.

Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon,

Het aldoordringende oog, ik deze lastren kon

Bedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven?

LUCIFER:

Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven.

Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon,

Den oudsten erfgenaam.

RAFAEL:

Vorst Lucifer, verschoon

Uzelven; onderworp u 't opperste behagen.

Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragen

Naar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet.

Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet.

Om Gods wil, wacht u toch weêrspannigen te stijven,

Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven.

Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis,

Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis,

Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren?

Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren,

En kanten tegens God, den sterksten worstelaar?

LUCIFER:

Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maar

Een zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken;

Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonken

Van dezen hemeltwist door alle daken heen.

Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leen

Van al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39].

Den mensch weêrstreven, is de Godheid wederstreven.

Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diep

Vernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep?

Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren,

Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneêren,

Van heerlijkheid ontkleên, en opstaan uit haar staat

En stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraad

Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven

Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven:

Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf.

RAFAEL:

Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40].

LUCIFER:

'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten.

RAFAEL:

Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten?

Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd,

Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt;

En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten,

Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten?

LUCIFER:

Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan;

Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan.

De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege.

Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege?

RAFAEL:

Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk,

Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk;

En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene Orden

Door hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden.

Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf,

Och, Stedehouder, voer uw regementen af;

Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden.

Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden,

Om, na de neêrlaag, u geketend door de lucht

Te voeren in triomf. Ik hoor alreê gerucht,

En zie allengs het heir van Michaël genaken.

Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken.

LUCIFER:

Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste berâ?

Hier is geen hoop op peis.

RAFAEL:

'k Verzeker u genâ,

En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42].

LUCIFER:

Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande!

Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel!

RAFAEL:

Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel,

Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen.

Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen,

Een aas verstrekken voor het vratige ingewand

Des afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand?

Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede:

Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede.

LUCIFER:

Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]?

Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik:

De zege is hachelijk; de neêrlaag zwaar te mijden.

Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden?

Den eersten standerd op te heffen tegens God,

Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod?

Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen,

En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen?

Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid?

Te kwetsen de genade en liefde en majesteit

Des rijken Vaders, bron van alle zegeningen,

Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen?

Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht!

Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat licht

Mijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?--

Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen.

Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheên?

De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geen

Genoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemen

Dees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen.

Maar 't is te spâ, en hier geen boete voor ons' smet.

De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet!

APOLLION. LUCIFER. RAFAEL.

APOLLION:

Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44];

De Veldheer Michaël, in aantocht met zijn starren

En regementen, daagt u uit in 't vlakke veld.

De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt.

Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen.

LUCIFER:

Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen.

Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht.

APOLLION:

Ik zag alreê den schrik in Michaëls gezicht,

En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen.

Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen.

Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan.

LUCIFER:

Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan;

Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken!

APOLLION:

Wij wachten op uw woord.

LUCIFER:

Zoo volgt ons op dit teeken.

RAFAEL:

Lucifer: Treurspel · 第 5 / 7 段