Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel
Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven?
Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven,
Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil
Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil
Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel.
Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel.
Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk
Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk.
Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!)
Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen.
Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag,
En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag.
LUCIFERISTEN:
Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren.
REI:
Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren.
LUCIFERISTEN:
Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid.
REI:
Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid.
LUCIFERISTEN:
Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen.
REI:
In steê van uwen wil gerust naar God te voegen.
LUCIFERISTEN:
Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan.
REI:
Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan.
LUCIFERISTEN:
Hoe kan de meerder voor een minder zich verneêren?
REI:
Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren.
LUCIFERISTEN:
Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneên.
REI:
De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen.
LUCIFERISTEN:
Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.
REI:
Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren.
LUCIFERISTEN:
Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik.
REI:
Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'.
LUCIFERISTEN:
Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen.
REI:
De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen.
LUCIFERISTEN:
Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan.
REI:
Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan!
LUCIFERISTEN:
Och, Engelsdom! woû God zich paren met uw wezen!
REI:
Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen.
LUCIFERISTEN:
Hoe heeft Hij 's menschen peil alreê zoo hoog gemerkt!
REI:
Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt.
LUCIFERISTEN:
Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]!
REI:
Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven.
LUCIFERISTEN:
Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof?
REI:
Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof.
LUCIFERISTEN:
Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen?
APOLLION. BELIAL. REI.
APOLLION:
Zij mompelen alreê; gij hoort een strijd van tongen[15].
BELIAL:
Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw,
De sluiers om de borst en lenden; niemand zou
Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten,
Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten,
Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal
Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval
Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen?
Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen.
Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert.
REI:
Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert
Door Gabriëls bazuin, en opstijgt boven d'Engelen;
Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen:
De Geesten onderworpt het menschelijk gebied.
Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet.
APOLLION:
Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen.
BELIAL:
Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen.
REI:
Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht.
APOLLION:
Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht.
REI:
Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken.
APOLLION:
Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken?
REI:
Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor.
BELIAL:
De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor.
REI:
Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen.
APOLLION:
Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen.
REI:
Hij zet den eenen van, den andren op den troon.
De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon.
BELIAL:
Gelijkheid van genâ de Godheid best zou passen.
Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16].
De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag.
REI:
Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag,
Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde.
Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde
Veranderen in lucht of water of in vier;
De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier,
Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder.
Eén macht regeert het al en keert het bovenste onder.
Wat d'allerminste ontvangt is loutere genâ.
Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spâ[17].
In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen.
Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen.
Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur;
De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur;
Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren.
Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18],
Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid;
En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid,
In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren.
De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen.
Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk
En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk,
Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen.
Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen.
Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot,
En onderwerpt u Gods en Gabriëls gebod!
APOLLION:
Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig?
Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig.
REI:
Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk?
Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk?
BELIAL:
Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader.
En lagen Hem aan 't hart: nu leît een minder nader.
REI:
Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek
Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek
Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven.
Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven,
Behaagt den Vader, die het al in orden schiep.
BELIAL:
Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep;
Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19].
REI:
Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden.
Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud,
En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt;
Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven,
De klaarste een minder klare in luister kan verdooven;
Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft;
De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft;
En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20]
Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden,
Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem
Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem.
BELIAL:
't Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in woû scheppen.
Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22]
Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis,
Noch steurden met geklag de rust van dit paleis.
REI:
Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven.
APOLLION:
Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven
Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier.
Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier?
LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI.
LUCIFERISTEN (_koor_):
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
BELZEBUB:
't Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergâren!
En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.--[23]
Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen
T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen?
Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen
Van God, den zegenaâr, vernoegt u dat nog niet?
Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet,
Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden.
Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden
Niet langer, zonder reên, maar heldert uw gezicht
En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht!
De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken,
Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken
En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk.
Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk.
't Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen
Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen;
En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid,
De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26].
LUCIFERISTEN:
Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden
Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden
Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon
Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriël de kroon
Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten,
Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten?
Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon
Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon.
De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28]
Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich woû kanten
En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld
Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29].
Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen,
Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen
Onze aangezichten neêr. De Hemel gaf gehoor,
Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor
Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen;
Toen Gabriëls bazuin zich plotseling kwam werpen
Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer;
Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neêr.
De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen.
De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen;
En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit,
Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid,
Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren
Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren
En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat,
Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat
Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven,
Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven
Gelijk hij daar beneên de dieren houdt in dwang.
Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang
Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren:
Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen,
Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan,
't Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan.
BELZEBUB:
Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren,
Verhoê dit liever. Geef geen stof tot muitineeren,
Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid.
Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit?
LUCIFERISTEN:
Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken.
BELZEBUB:
Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken,
Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou.
O averechtschen loon van onbevlekte trouw!
Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen?
LUCIFERISTEN:
Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen.
BELZEBUB:
Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk.
LUCIFERISTEN:
Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk.
BELZEBUB:
Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen.
LUCIFERISTEN:
Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen.
BELZEBUB:
Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan.
LUCIFERISTEN:
De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan.
BELZEBUB:
Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven.
LUCIFERISTEN:
Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30].
BELZEBUB:
Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31].
LUCIFERISTEN:
Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht.
BELZEBUB:
De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten.
LUCIFERISTEN:
Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten.
BELZEBUB:
Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial?
LUCIFERISTEN:
Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal.
BELZEBUB:
Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen.
LUCIFERISTEN:
De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen.
BELZEBUB:
Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars.
LUCIFERISTEN:
Wij zien alreê meer kans en voordeel, min gevaars.
BELZEBUB:
Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel.
LUCIFERISTEN:
Aan d'uitkomst hangt het al, vóór d'uitkomst dwaalt het oordeel.
Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd
En leidsman op dien tocht.
BELZEBUB:
Maar wie is zoo beroofd
Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig',
En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig.
Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij.
Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33].
REI:
Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken
Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken
Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg
Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg.
Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren.
Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren!
LUCIFERISTEN:
En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35].
Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied,
En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader.
BELZEBUB:
O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader.
Ik wil u voortreên naar den troon van 't groot paleis.
En ons gerechtigheid bemiddelen door peis
En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen.
REI:
Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michaël besprongen.
MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
MICHAEL:
Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree?
Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vreê,
Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden
Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden,
Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad,
Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat?
BELZEBUB:
Genade, o Michaël, gewaardig ons te hooren,
Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren,
Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld.
MICHAEL:
Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld.
BELZEBUB:
De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen,
Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen,
Op Gabriëls bazuin, vereischte een tusschenspraak,
Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak
En klachten kennis koom te nemen, om het muiten,
Bij alle middelen en mooglijkheên, te stuiten;
Zij varen echter voort, al razende en ontzind
Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36]
Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37]
(Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!)
Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel;
Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel
En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen.
De Veldheer treê nu voor: wij staan gereed te volgen,
Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil.
MICHAEL:
Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil
Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten,
In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten
Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot,
Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God;
Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken.
LUCIFERISTEN:
Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken?
Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd.
Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout.
MICHAEL:
D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig.
LUCIFERISTEN:
Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig.
De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand.
Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland
Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen
De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen
Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer
Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer
Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten:
Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten.
MICHAEL:
Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand.
Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant
Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen.
Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen
Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier!
Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier,
Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken.
LUCIFERISTEN:
Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken.
Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht.
MICHAEL:
'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt.
Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden.
LUCIFERISTEN:
Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden,
Elkandre bij te staan: ook wordt niet één alleen
Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41].
MICHAEL:
Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren?
Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren.
Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht.
LUCIFERISTEN:
De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht.
Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden.
Wij willen al op een, en Goden tegens Goden
Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid
Aftreden door geweld.
MICHAEL:
Zoo groot een onbescheid[42]
Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder.
LUCIFERISTEN:
Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder
Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht.
Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht',
En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen,
De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43].
MICHAEL:
Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht,
Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45].
Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren;
Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren!
Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien
Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebiên.
Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien
En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien.
LUCIFERISTEN:
Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen.
MICHAEL:
Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer.
LUCIFERISTEN:
Trekt vrij heen.
BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN.
BELZEBUB:
De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen.
Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen,
Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraân.
Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan.
Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen.
LUCIFER:
De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen.
De keurebenden staan gereten en gedeeld.
Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt
Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.
LUCIFERISTEN:
Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen,
Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michaël,
Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel
Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47],
En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen
Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht
Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht.
Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]?
Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen,
Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem?
Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem,
Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden.
Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden
Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink';
De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink'
In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen,
Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen.
Indien gij u verneêrt zoo groot een ongelijk,
Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk,
Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten.
Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten.
LUCIFERISTEN (_koor_):
Wij zweren u met kracht en volle majesteit,
Te zetten op den troon, aan Adam toegeleîd.
Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten,
Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52].
LUCIFER:
Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht,
Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht.
Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder
Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder.
Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand
Van zijne Almogendheid, als een genadepand
En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen.
Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen,
En lust het hem den mensch, in volle heerschappij,
Te zetten bovenaan, en boven u en mij
Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53];
Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken?
Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid,
En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleîd,
Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen,
Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54],
Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'.
Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar,
Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve:
Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve.
LUCIFERISTEN:
Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch,
En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog.
Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren.
Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren.
LUCIFER:
Dit strijdt met onzen eed, en Gabriëls gebod.
LUCIFERISTEN:
Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God.
LUCIFER:
Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55].
LUCIFERISTEN:
Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren,
U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen.
Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treên.
LUCIFER:
De Veldheer Michaël, gewapend onder 't zegenen
Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen.
Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel!
LUCIFERISTEN:
Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel
Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde.
LUCIFER:
Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de
Verdrukkers van uw Recht.
LUCIFERISTEN:
De moed, de dapperheid,
De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid,
De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten,
En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten.
BELZEBUB:
Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht.
Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht
En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen;
Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen.
LUCIFER:
Ik troost me dan geweld te keeren met geweld.
BELZEBUB:
Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58].
Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren.
LUCIFER:
Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren!
Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial!
Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal,
Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren.
BELZEBUB:
Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren:
Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar.
LUCIFERISTEN:
Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59].
BELZEBUB:
Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen,
Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren,
En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht,
En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht,
Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien.
Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien.
Heft op[60] een heldren toon,
Ter eere van zijn kroon.
LUCIFERISTEN:
Op! trekt op, o gij Luciferisten,
Volgt dees' vaan.
Rukt te hoop al uw krachten en listen.
Trekt vrij aan.
Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant;
Beschermt uw Recht en Vaderland,
Helpt hem Michaëls heirkrachten stuiten,
Houdt nu moed.
Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten
En zijn bloed.
Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom.
Beschut de kroon van 't Engelsdom.--
Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken.
Voor die pracht
Zal des vijands banier haast verzinken,
In der nacht[63];
Wij met triomf kronen God Lucifer,
Bewierookt hem: aanbidt zijn Star.
REI VAN ENGELEN:
ZANG.
Waar zijn we toe gekomen,
Dat 's Hemels burgertwist
De regementen splitst,
En 't zwaard is opgenomen,
Te zinneloos en blind?
Wie is er van ons benden,
Hij sneuvelt of verwint,
Gelukkig? die d'ellenden
Van hunne broedren zien
En Rijks- en Reigenooten?
Of die verwonnen vliên,
In ballingschap gestooten?
O, zoons van éénen God,
Waartoe verdwaalt uw lot!
TEGENZANG.
Helaas! waartoe verdwalen
De Geesten? wat verleidt
Hen, uit de zekerheid
Van hunnen staat en palen
Te spatten, zonder nood?
Zich op het spits te wagen?
Ons' weelde was te groot,
Te dertel om te dragen;
De Hemel niet genoeg
Om Englen te paaien[64];
De nijdigheid most vroeg
Dit zaad van oorlog zaaien,
In 't vreedzaam Vaderland.
Wie leît dien twist aan band?
TOEZANG.
Is dit krijgsvier niet te smoren,
Door een macht van hooger hand,
Wat wil blijven in zijn stand?
Staatzucht[65] zal alle Orden storen:
Hemel, aarde, zee en strand
Zullen staan in lichten brand.
Staatzucht, eens door triomfeeren
Als gewettigd, zal verwoed
God en alle macht braveeren.
Staatzucht kent noch God, noch bloed.
Noten: