Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staat
Van jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen!
Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen,
't En zij de Godheid dit meêdoogende belett'[45].
Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed:
Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken.
Het bidden kan een hart van diamantsteen breken.
REI VAN ENGELEN. RAFAEL.
REI VAN ENGELEN[46]:
O Vader, die geen wierookvat,
Noch goud, noch lofzang waarder schat
Dan Godgelatenheid en stilte
Van 't schepsel, dat uit needrigheid
Behagen schept aan uw beleid,
En in uw wil zichzelf versmilte;
Gij ziet, o aller telgen stam,
Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kam
Durf kanten tegens uw behagen;
Hoe hij trompet en trommel roert,
En blind, van Staatzucht aangevoerd,
U tergt op zijnen oorlogswagen.
Ontferm u over 't lasterstuk,
En keer, och keer het ongeluk
Van duizend duizend lotgenooten,
Die, al te jammerlijk misleid,
Met zulk een wederspannigheid
Het harnas hebben aangeschoten.
RAFAEL:
Verschoon genadig, och! verschoon
Den Stedehouder, die de kroon
Der kronen op zijn hoofd wil zetten,
Om neffens u en boven al
Te triomfeeren. Och! wie zal
Hem zuiveren van zulke smetten?
REI VAN ENGELEN:
Gedoog niet, dat de schoonste ziel,
Waarop uw oog genadig viel,
Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve.
Hij boete deze ondankbre daad,
En blijv' gehandhaafd bij zijn staat;
Dat uw genâ zijn schuld vergeve.
Noten:
[1] _'k Verdaag u_: roep u òp.
[2] _in arbeid_: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't
werk.
[3] _op uw heilige eeden ... te passen_: uw eeden nà te komen.
[4] _Hoe bitter wil: wil_, als in 't Engelsch, voor _zal_.
[5] _in d'oogen van 't licht_: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch
God wordt aangeduid door: de Naam.
[6] _Genade en Gods gerechtigheid_, eigenschappen van God, hier
allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten.
[7] _Wierookstank_. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand.
[8] _drommels_: Voor _drommen_.
[9] _aangeschapen_. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen ...
aangeschapen; ingeboren ... aangeboren, als tegenstellingen, bijna
verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!)
[10] _Hou mijn woord omhoog_: Spreek mij vóór bij God.
[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon
van vader Willebrord, uit den _Gijsbrecht_, dan aan dien van een
Aartsengel.
[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat
men zich wapent tegen Michaël, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief:
Adams toekomstige heerlijkheid, Michaël allerminst raakt.
[13] _verschiet zijn groente. Groente_: groenigheid; wat groen is. Bij
Cats vinden we o.a. _in de groente zitten_, voor: in het groen zitten.
_Zijn groente en verf verschieten_ zal dus wel hier zijn op te vatten
als: verschiet zijn blijde, frissche kleur.
[14] _beneden deze trappen_: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger.
[15] _en met een aardschen stoet omsingeld_. Adams afkomst zou, ten
hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich
omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen
Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de
Engelschen tegen onzen Willem III.
[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd.
[17] _verbaasd_: als te voren: ontzet.
[18] Dit optreden van Rafaël is een der gevoeligste vonden van onzen
dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste
klanken.
[19] _Genade, o Lucifer!_ Hier is weer _genade_ in den zin van het
fransche: _de grace_.
[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld.
[21] _bommen_, rinkelbommen, waarmee de Godheid geëerd werd. Vgl. Ifis
in _Jeftha_: "Treên we in, op bommen en schalmeîen".
[22] _kwaamt te brommen_. Hier in den zin van: "zich met luiden galm
verheffen".
[23] _Uit dien troon_. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde
plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet: _van_ dien troon.
[24] _in eenen knoop van dieren_: mengeling van dieren. Zie later,
Lucifers gestalte-verandering.
[25] _misscheppen_, doen wanvormen.
[26] _zoo laag_: immers in de hel.
[27] _alle zeven_: de zeven Aartsengelen.
[28] _met u verlegen_: om u begaan.
[29] _Hooger niet_: ga niet voort in uw verzet.
[30] "Tenzij een leven van ellende ... leven mocht heeten".
[31] _tocht_: dit optrekken (ten verzet).
[32] _of echter_, of daarna.
[33] _onder 's hemelseed_, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel.
[34] _overdrongen_: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk)
Thans: opgedrongen.
[35] _paaien_, hier: in slaap wiegen.
[36] _Het leen verheergewaden_: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne
ontleenen." huldigen als leenheer.
[37] "Juist dàt is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig
uitgedrukt.
[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt".
[39] _Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven!_ "Erken
dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn." _Neven_ staat hier in
den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen",
"verwanten."
[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen;
als de leenheer 't goed van den leenman.
[41] _'k Misdank me dan_. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft
nog in de Amsterdamsche volkstaal.
[42] _stel me te pande_: stel mezelf tot borg.
[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor
de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi
moment in het treurspel.
[44] : _tijd te marren_, tijd tot toeven, aarzelen.
[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe
aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk.
Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van
den hemel.
[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid,
meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie
reizangen.
* * * * *
HET VIJFDE BEDRIJF
RAFAEL. URIEL.
RAFAEL:
De gansche Hemel, van den grond tot op de kruin
Der Aartspaleizen[1], juicht op Michaëls bazuin
En zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen.
Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2].
Uit elke schildzon straalt een triomfante dag.
Daar komt Uriël zelf, de Schildknaap, uit den slag,
En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijden
Gewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden,
Door schild en harrenas, en helm van diamant,
Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3]
En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen.
Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogen
Bekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig Recht
Zich opworpt, met één slag rechtvaardiglijk beslecht;
Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen,
Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen.
Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit!
Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid,
En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen.
URIEL[6]:
Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen.
Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7].
Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij.
De Veldheer Michaël (verwittigd uit den hoogen,
Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen,
Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet,
Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8]
Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren,
Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren)
Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriël,
Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevel
Aan al zijn Oversten en hoofden en kornellen,
De heiren, in Gods naam[10], in hun geleên te stellen,
Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruim
Van 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuim
Te vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen,
Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen.
Op dezen last vergaârt Gods heirkracht inderijl
Slagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl,
Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen,
In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13],
Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht.
Men zag een enkelheid in een driepuntig licht,
Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen;
Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen.
De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand,
Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand.
Wie moed wil houden, en triomf en zege baren,
Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren.
RAFAEL:
Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen woû?
URIEL:
Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouw
Gehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten,
Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten.
Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan.
Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan,
Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldieren
En andre monsters, die rondom hem henezwieren,
Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordt
Vorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort',
En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken.
Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken.
De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God,
Verzekerde den buik des legers, om het slot,
Der regementen knoop, in 't midden te bewaren.
De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klaren
Uit zijne morgenstar, werd van Apollion
Gehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon,
In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15].
RAFAEL:
Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten!
Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht!
Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht,
En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien.
URIEL:
Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16],
Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17],
In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrok
Van gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagen
Met gouden wielen, van robijnen dicht beslagen.
De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18],
Met starren overal bezaaid op hunnen rug,
In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen.
Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen,
De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19],
Waarin de morgenstar met kunst gedreven was,
Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen.
RAFAEL:
O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen.
Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft!
Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd,
En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen,
Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]!
O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weêrom[22]!
URIEL:
Zoo stonden zij gekant en slagreê, drom bij drom,
Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijen
Gesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen;
Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompet
Zich mengen; het geluid geweer en handen wet[26],
En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten;
Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27]
Geborsten, slag op slag, een gloênden hagel baart,
Een' storm en onweêr, dat de Hemelen vervaart,
De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren,
Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarren
Of zwijmen op de wacht, en weten niet waarheen
Te drijven, Oost of West, of boven of beneên.
Al weêrlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder.
Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder.
De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29],
Geraken handgemeen met knots en hellebaard,
En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven
En steken. Al wat kan, wat toeleît op bederven,
Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt.
De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent
Zijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven,
Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven,
En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd.
Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd,
En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren;
De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwieren
En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei
Verheft zich uit den stoet der groene liverei;
Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen.
De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen,
En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch,
Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30]
Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten.
RAFAEL:
Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31].
URIEL:
De dappre Michaël laat blazen: Eer zij God!
De regementen, op die leus en zijn gebod
Gemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgen
Naar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33];
Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart,
En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaart
Een valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennen
Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen;
Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemd
Zoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt.
De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten,
Verwacht hem op den bek, om door de borst te stooten
Van onder, als hij ploft van boven op den buit.
RAFAEL:
O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit.
Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen.
Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen,
En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond.
URIEL:
Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rond
Of halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen;
De regementen, die zich sluiten en ontvouwen,
Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan,
Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan,
Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte,
Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35].
Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt,
Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt,
En schildert en schakeert door luchte regenbogen.
De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36],
Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneên.
Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een,
Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren,
Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren,
Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim;
Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim,
Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen.
Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen,
Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37],
Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal,
Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen;
Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen,
En masten zonder tal, verpletten en vertreên
Wat tegens woest geweld van stroom en hout en steen
Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel
Der halve mane fel met roode en blauwe zwavel
En vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot.
Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood,
Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39].
De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken,
Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast),
Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last,
En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven.
De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven,
Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot,
Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood,
Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen.
Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42]
En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan.
De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen van
Zijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften.
D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiften
Met zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast,
En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast.
RAFAEL:
Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen.
URIEL:
Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen,
Die neêrstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner licht
En schooner stralen schiet, in 't gloên van zijn gezicht.
Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde.
De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde,
Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas,
Totdat hem Michaël, in 't schitterend harrenas,
Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen.
"Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen.
Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God!
Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot,
Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen.
D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen,
Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijl
Den slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijl
Den diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven;
Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven.
De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamant
Aan stukken. Michaël verheft zijn rechte hand,
En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen,
Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogen
Al t' ongenadig[50], dat hij achterover stort,
En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51]
Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken.
Den standerd van de star vergaat hierop het blinken;
Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt,
Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioelt
Van duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharen
In 't vallen, voor den val en neêrsmak, te bewaren.
Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial.
Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren val
Des Stedehouders breekt de boog der halve mane
In stukken. Echter komt Apollion ter bane
Met zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt.
De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt,
En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen,
Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53].
De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan,
Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan.
De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen.
Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen,
Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien.
RAFAEL:
Geloofd zij God! valt neêr, aanbidt hem op uw kniên!
Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen?
Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen?
Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert?
URIEL:
Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert,
Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58];
Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen,
In een wanschapenheid veranderd, al te vuil;
Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil;
De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen;
De voeten en de hand in vierderhande klauwen;
Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid.
De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit.
In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren,
Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59]
Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn:
Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn,
Een tragen ezel, een rinoceros, van tooren
Ontsteken, eene sim[60], van achter en van voren
Al even schaamteloos, en geil en heet van aard,
Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard.
Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen,
Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen.
Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat,
En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat.
RAFAEL:
Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken!
Waar bleef Apollion?
URIEL:
Hij zag zijn tij verstreken,
Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood.
De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot,
Met weêrlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen,
De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen,
En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarreling
Van buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging,
Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend,
Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent.
Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging,
Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling,
In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen.
D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen
In Engletroniën nu zweemen naar de Hel,
En helsche gruwzaamheên!--Daar hoor ik Michaël.
Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63].
De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen,
Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit,
En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid.
REI VAN ENGELEN. MICHAEL.
REI VAN ENGELEN:
Gezegend zij de Held,
Die 't goddeloos geweld,
En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerd
Ter neder heeft geveld.
Die God stak naar zijn kroon,
Is uit den hoogen troon[64]
Met zijn macht in den nacht neergezonken.
Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon!
Al brandt het oproer fel,
De dappre Michaël
Weet den brand met zijn hand uit te blusschen,
Te straffen dien rebel.
Hij handhaaft Gods banier;
Bekranst hem met laurier.
Dit paleis groeit in peis en in vrede:
Geen tweedracht hoort men hier.
Nu zingt de Godheid lof,
In 't onverwinbaar hof!
Prijs en eer zij den Heere aller Heeren!
Hij geeft ons zingens stof.
MICHAEL:
Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd.
D'Aartsvijand[65] leît er toe. Hij laat ons zijnen standerd,
En morgenstar en helm en vanen en rondas,
Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as,
Met juichen en triomf en eere en lofgezangen,
Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangen
Van wederspannigheid en Staatzucht, die de kam
Verheffen tegens God, den onverzetbren stam
En oorsprong en de bron en Vader aller dingen,
Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen.
Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit
Bezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid.
Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen,
Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen,
Beneveld en verblind en ijselijk misvormd.
Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt.
REI:
Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden,
Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden.
GABRIEL. MICHAEL. REI.
GABRIEL:
Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd!
Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd;
Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.
MICHAEL:
Wat hoor ik, Gabriël?
GABRIEL:
Och, Adam is gevallen;
De vader en de stam van 't menschelijk geslacht
Te jammerlijk, te droef alreê ten val gebracht.
Hij leît er toe[67].
MICHAEL:
Dat is een donderslag in d'ooren.
Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren.
Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreên?
GABRIEL: