Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden.
De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt.
Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind.
De zuivre Wijsheid woû ten deel' haar wil bezegelen[15],
Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen
Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat,
Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat.
De reden en het wit, waarom wij namaals wachten,
Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16],
Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd,
Den schepter voeren zal, en breed en overwijd
De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren,
Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren.
Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord.
LUCIFER:
Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord
Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17]
Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten
Zoo verre boven God?
GABRIEL:
Genoeg u met uw lot
En staat en waardigheid, u toegeleîd van God.
Hij hief u in den top van alle Hierarchijen:
Doch niet om iemands glans en opgang te benijen.
De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon,
Indien ze wederstreef des Oppersten geboôn.
Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen.
LUCIFER:
Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen.
GABRIEL:
Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al
Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal,
Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen.
LUCIFER:
Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen,
Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon
Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon
Van duizend duizenden eenstemmige koralen,
Verdooft de majesteit en diamanten stralen
Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet;
En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet.
GABRIEL:
De zaligheid bestaat in een gerust genoegen,
In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen.
LUCIFER:
De majesteit van God en Godheid wordt verkleend,
Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent,
Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader
Aan God en Zijn natuur, als zoons van éénen Vader
Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is
Te stellen tegens een deze ongelijkenis
Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde
Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde
Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19],
Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook
En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven!
Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven!
De zon al majesteits ontberen, in haar loop!
Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop,
Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20],
Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen
In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriël!
Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel,
Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven.
Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven,
Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor
Van mijn gehoorzaamheid.
GABRIEL:
Gij ijvert krachtig voor
De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen
Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen,
Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek.
De menschgeworden God zal dit geheimnisboek,
Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten.
Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten
Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom
Van zijn verholendheên, en diep in 't Heiligdom
Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken,
En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken
Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht
De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht.
Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21].
Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen
Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert,
Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneêrt.
Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten.
Ik ga, daar God mij zendt.
LUCIFER:
Men zal er scherp op letten.
BELZEBUB. LUCIFER.
BELZEBUB:
De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait,
Dat Gabriëls bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid.
Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken:
Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23].
LUCIFER:
Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien.
Geen minder droome hier zijn meerder te gebiên.
BELZEBUB:
Hij dreigt weêrspannigheid haar hoofd en kroon te pletten.
LUCIFER:
Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24],
Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans,
Door alle kreitsen hene en starrelichten glans.
Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25],
De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken
Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel.
Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel
Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder
Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder
Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf;
Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf,
Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26]
Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen;
't Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp
Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27],
En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren.
Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren.
Men dage Apollion.
BELZEBUB:
Hier treedt hij voor den dag.
APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB.
APOLLION:
O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag,
Orakel, in den Raad der onderdane Goden,
Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden.
Wat eischt de majesteit van haren onderdaan?
LUCIFER:
Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan,
Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken.
Het wit is[28] Michaël de slagveêr uit te rukken,
Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'.
Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit,
Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven
In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven
In top der Hemelen, door alle kreitsen heen,
En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneên
Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen.
Het lust me met geweld dien zetel te bestormen,
En op te zetten bij dat opzet, in één slag,
Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag.
APOLLION:
Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere
En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere
Te raden, onder u, tot zulk een brave daad.
Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29],
De wil is prijselijk, al woû het niet gedijen.
Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen,
Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan?
Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan?
LUCIFER:
Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen.
APOLLION:
Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen
In eene zelve schaal met d'Almacht;--haar gewicht
Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht.
BELZEBUB:
Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.
APOLLION:
Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen?
Het overpeinzen kwetst alreê Gods majesteit.
LUCIFER:
Men hoû haar ongekwetst, en stappe met beleid
Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen.
Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen.
APOLLION:
Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na,
Tenzij men leeren wil met naberouw te spâ.
De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken.
LUCIFER:
Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken
Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'.
Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg
Met eenen slingerslag; ons heiren overladen
Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden.
APOLLION:
Gij weet wat Michaël, Gods Veldheer, al vermag:
Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag.
Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven.
De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34]
Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star
Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35],
Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren.
Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren,
Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart
Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart'
Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen?
Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open,
Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling.
BELZEBUB:
Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling,
Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd
Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd.
APOLLION:
De Veldheer Michaël voert, ruim zoo trotsch en fier,
Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier,
De zon in top.
LUCIFER:
Wat baat een naam met licht geschreven?
Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven
Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed
En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed.
Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41],
Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien.
Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht;
En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht.
Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen;
De hoofden en de leên aan 't woeden en krakeelen;
De meeste macht alreê geblinddoekt en verdoofd,
En oversten en elk vast roepen om een hoofd.
Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42],
Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen
Ga hene, en overleg dit stuk met Belial:
Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal.
Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen,
In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43],
Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee.
De Hofraad is vergaârd en wacht ons' komst alreê.
Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen.
Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen.
BELIAL. APOLLION.
BELIAL:
Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog.
APOLLION:
Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog.
BELIAL:
En doelen op een wit, doch hachelijk te raken.
APOLLION:
Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken.
BELIAL:
Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan.
APOLLION:
Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan?
BELIAL:
De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen.
APOLLION:
De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen.
BELIAL:
Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd.
APOLLION:
Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt.
BELIAL:
Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten,
En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten.
APOLLION:
Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof,
Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof
Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen;
Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48],
En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep,
Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep.
Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven.
Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven,
En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag,
Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag
Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen.
Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen
Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend.
De mensch beware[49] dan zijn eigen element,
Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50]
Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen
Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar.
Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar.
Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden,
En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51].
Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer?
Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer.
Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten.
BELIAL:
Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52].
APOLLION:
Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor.
Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor,
Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen.
BELIAL:
Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen.
Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed.
APOLLION:
Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed.
BELIAL:
Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien.
APOLLION:
Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien,
Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag.
BELIAL:
Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag,
Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54].
APOLLION:
Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen.
BELIAL:
De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid,
Biê zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55].
APOLLION:
Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren:
Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen
Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd.
BELIAL:
Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft,
Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen.
APOLLION:
Wat reê gewonnen is, behoeft men niet te winnen.
Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat,
Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat
In zooveel duizenden!
BELIAL:
De billijkheid en reden
Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden,
Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan,
Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan.
REI VAN ENGELEN:
ZANG.
Hoe zien de hoffelijke gevels[56]
Zoo rood? hoe straalt het heilig licht
Zoo rood op ons gezicht,
Door wolken en bedroefde nevels?
Wat damp, wat mist betrekt
Dat zuiver, nooit bevlekt,
En loutere saffier?
Die vlam, dien glans, dat vier
Van 't heldere Alvermogen?
Hoe schijnt ons nu de diepe gloed
Der Godheid toe, zoo zwart als bloed?
Die flus zoo klaar alle oogen
Verheugde? Wie begrijpt, wie kent
Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen,
Die, boven Adams element,
Nog flus op galm van kelen zwommen;
Op lucht van Geesten, in den glans,
Die galerij, en tin, en trans,
Gewelf van koor en hof verguldde,
En met een ziel van vreugd vervulde
Al wat hier boven leeft, en zweeft?
Wie is er, die ons reden geeft?
TEGENZANG.
Toen wij, op Gabriëls bazuinen,
Ontvonkten, en een nieuwe wijs
Aanhieven, God ten prijs;
De rozengaarden, en de tuinen
Van 't Hemelsch Paradijs,
Door zulk een dauw en spijs
Van lof en zang verblijd,
Ontloken;--scheen de Nijd[57]
Van onder in te sluipen.
Een groot getal der Geesten, stom
En bleek en doodsch, ging, drom bij drom
Misnoegend henendruipen.
De winkbrauw hing verslenst op 't oog.
Het gladde voorhoofd zette een rimpel.
De Hemelduiven, hier omhoog,
Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel,
Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen;
Alsof de Hemel viel te kleen
Voor haar, toen Adam wierd verkoren,
En zulk een kroon den mensch beschoren,
Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht.
Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht.
Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen,
En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen.
Noten:
[1] _Gij snelle geesten--trek onzen wagen_: Lucifer is de eenige engel,
van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van
het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen?
[2] _deze dubbele star_: Adam en Eva.
[3] _'t Is nacht met Engelen_: 't Wordt duister voor d'Engelen.
[4] _op d'allerhoogste tronen_: tot d'allerhoogste tronen; immers naast
God.
[5] _onze erfenis_: ons erfdeel.
[6] _strijkt de kroon_: gaat met de kroon strijken.
[7] _de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven_: de staf Gods
zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen.
[8] _die 't eeuwig feest:_ de blijschap eeuwigdurendlijk.
[9] _met nederslachtigheid_: ootmoedig.
[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt
hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en
ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch.
[11] _anders_: althans (Wdbk).
[12] _dien hoek te boven komen_: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm;
ook in _Adam in Ballingschap_ aan te treffen.
[13] _een wulpsch vermogen_. Een wulp is een jong dier, in het algemeen,
en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig.
[14] _zakkende element_. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven,
in tegenstelling tot den mensch.
[15] _Wou haar wil bezegelen_: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie
hiervoor, _op bondig_.
[16] _een tafel erfgeslachten_: een ganschen stamboom.
[17] _Een ingeboren zwichten_. Hier kàn V. gedacht hebben aan de oude
grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is
het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene
boven den vreemdeling gaat?
[18] _vereent, vereeniqt_: één maakt en innig één doet worden.
[19] _God_: de zon; de smook: de menschheid.
[20] _Wanorden orden en geschiktheid overrompelen_. "Geschiktheid" staat
hier voor: "'t geen wèl geschikt is," dus in denzelfden zin als orde.
[21] _tegenstappen_: tegemoetgaan, bejegenen.
[22] _plakkaat_: ordonnantie; voorschrift.
[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem vóór te leggen hoe de
menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting.
[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich
zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s _Berecht_.
[25] _verstrekken_: zijn tot.
[26] _bogen, ronden; kreitsen_. Zie _Voorwoord_.
[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot
den ouden staat van woestheid. _Mengelklomp_ is Chaos.
[28] _Het wit is_: het doel is.
[29] _bestaan_: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen".
[30] _geleende macht_: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan
den Leenheer, God.
[31] _haar gewicht weegt over_: voor "overweegt" "is zwaarder".
[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michaël, niet tegen God.
[33] _den sleutel van het Wapenhuis_: een wat te nuchter-realistisch
trekje, in deze hemelsfeer.
[34] _Hij houdt op alle Hoven_: _Hof_ werd in de 16e en 17e E. gebruikt
voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar:
de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk).
[35] _dar_: durft. Zie in het _Voorwoord_: de Engelen geleiden de
Hemellichamen op hun baan. Zie ook: _een ander draaigestarnte_.
[36] _Men vangt haast aan_: het aanvangen gaat vlug genoeg.
[37] _braveeren_: als _bravade_: pronken, uittartend glansen, als teeken
van overwinning.
[38] _Gods wonderlijken naam_: Wonderbaarlijken.
[39] _tittelen_: titels, gezag, vertoon.
[40] _treken_: listen.
[41] _in te luien_: in slaap te wiegen.
[42] _troonen_: meetronen.
[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van _voorbij vliegen_:
overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan
"voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht.
[44] _leg het over_: overleg.
[45] _dit stuk_: aanslag.
[46] _ietwat glimpelijks_: iets dat er een goeden glimp aan geeft.
[47] _te schennen tegens een_: tegen elkaar op te zetten.
[48] _waren_: verdedigen. Verweren. Zie _Gysbrecht_: "ik kom dit
slot bewaren."
[49] _beware_: blijve dan in.
[50] _palen_: grenzen.
[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de
aarde.
[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme.
[53] _door toeval van ontelbre vanen_: ontelbre regimenten (_vanen_)
zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten.
[54] _Zijn wapen hangen_. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd
op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat
wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk
insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: _arms_).
_Zijn wapen hangen_ = zijn zegel hechten.
[55] _trotsch beleid_: trotseerend beleid.
[56] _Hoffelijke gevels_: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een
bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer
gold.
[57] _De Nijd_ treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die
Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid.
[58] _Onnoozel_: van kwaad onbewust.
[59] _die vlam_ (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood
zien".
* * * * *
HET DERDE BEDRIJF
LUCIFERISTEN. REI.
LUCIFERISTEN[1].
Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden!
Hoe is 't alreê verkeerd! wij schatten niemands Orden
Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk,
Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk,
En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend;
Wanneer[2] ons Gabriël met Gods bazuin bejegent,
En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod,
Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot,
Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken.
Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken
En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht,
De gansche Hierarchy des hemels ongerust,
Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven,
Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven.
O onverwachte slag en staatverwisseling!
Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring
In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren
En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren,
Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbiên.
De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien.
Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien,
Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4],
En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht,
Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht.
Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten.
Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten!
Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart.
Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart.
Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren:
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
REI[5].
Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon!
De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon
Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen
Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen,
En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit?
Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit,
Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen?
Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden?
Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag'
Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag
Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert,
Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert.
De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vreê.
Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee.
Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren!
LUCIFERISTEN (_koor_):
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
REI:
Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe?
O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moê?
Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren,
Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans.
De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans,
Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven,
In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven,
Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann'
Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan
Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen
Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7],
Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom.
Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom.
Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen.
Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen.
LUCIFERISTEN:
Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let?
Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriël trompet:
Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen
In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen,
Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan.
Wat is bij ons[8] alreê mishandeld of misdaan,
Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen,
Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen?
Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof?
Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof,
Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten,
En worden op een sprong gebannen, en gestooten
Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf;
De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf,
Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren
Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10],
En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald.
De zon der Geesten is te plotseling gedaald.
Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren.
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
REI: