Om mijn gedachten en genegendheên te teugelen,
Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand
Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand,
Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken,
Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken:
Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom,
Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom
En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen;
Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen.
Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30]
Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man.
Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen,
Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen!
BELZEBUB:
Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld?
APOLLION:
Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld,
En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen.
Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen
En wederminnen met een onderlingen lust,
Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht.
BELZEBUB:
Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen.
APOLLION:
Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen.
De man en vrouw zijn beî volschapen, even schoon,
Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon,
Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen,
Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen;
Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch:
Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch,
Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen,
Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen
Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor,
En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';--
Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden,
Het zijn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maagden.
BELZEBUB:
Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33].
APOLLION:
Ik heb mijn slagveêr in dat aangename vier
Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen,
Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen.
Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om.
Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom,
Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34],
Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen,
En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht,
Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht.
Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven;
Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven.
BELZEBUB:
Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt
En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld?
APOLLION:
Zoo lang die hof beneên niet ophoude ooft te geven,
Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven,
Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom,
Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom
Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk.
Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk,
En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk,
Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk
Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten?
Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten
In duizendduizenden, in een oneindig tal.
Nu overreken eens, wat hieruit worden zal.
BELZEBUB:
De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen?
APOLLION[35]:
Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen,
Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan;
Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan,
Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten.
Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten?
Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem.
BELZEBUB:
Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem
Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien.
APOLLION:
d'Aartsengel Gabriël, gevolgd van 's Hemels reien,
Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon
T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboôn.
BELZEBUB:
Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden.
GABRIËL. REI VAN ENGELEN.
GABRIËL:
Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden!
De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit,
Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid
Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten,
Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten;
Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk,
Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk,
En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden
Der opgeleide wet, met God bezitten zouden.
Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal
Der wereld, Gode en ook den mensche te geval,
Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren,
Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren,
En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans
Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans.
Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen;
God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen,
Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot
Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God.
Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en âren,
Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen
Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk,
Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk.
Daar staat de stoel alreê geheiligd in het midden.
Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden.
Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt,
Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt.
Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister,
Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister.
Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37].
Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38].
REI VAN ENGELEN:
Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen.
GABRIEL:
Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen,
Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint.
Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint.
De mensch en Engel, beide uit éénen stam gesproten,
Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41],
Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet.
Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet!
Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42]
In driederhande rij, en negenvoudige orden:
De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon,
Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboôn.
De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten
En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten
Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen.
De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên,
En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43]
Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken
Beneden het gewelf van zuiver kristallijn,
In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'.
Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden,
Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden,
Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon
Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44].
Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden,
Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden.
Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht,
Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht.
Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden,
En brengen voor Gods troon der menschen offeranden
En wenschen en gebeên, en zingen 's Godheids lof,
Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof.
Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten,
Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten
Met wolken, om den berg te zegenen omlaag,
Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag
Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden
Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden.
Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent,
Die matige op zijn pas een ieder element,
Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden,
Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden.
Een ander sla de treên des menschen gade op 't veld.
De Godheid heeft zijn haar tot op één haar geteld.
Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote.
Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48]
Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht.
Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht.
REI VAN ENGELEN[49]:
ZANG.
Wie is het, die zoo hoog gezeten,
Zoo diep in 't grondelooze licht,
Van tijd noch eeuwigheid gemeten
Noch ronden, zonder tegenwicht[50],
Bij zich bestaat, geen steun van buiten
Ontleent, maar op zichzelven rust,
En in Zijn wezen kan besluiten
Wat om en in Hem, onbewust
Van wanken, draait, en wordt gedreven
Om 't een en eenig middelpunt[51];
Der zonnen zon, de geest, het leven;
De ziel van alles wat gij kunt
Bevroên, of nimmermeer bevroeden;
Het hart, de bronaâr, d'oceaan
En oorsprong van zoovele goeden[52]
Als uit Hem vloeien en bestaan
Bij zijn genade, en alvermogen,
En wijsheid, die hun 't wezen schonk
Uit niet, eer dit in top voltogen
Paleis, der Heemlen Hemel, blonk;
Daar wij met vleuglen d'oogen dekken,
Voor aller glansen Majesteit;
Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken,
En vallen, uit eerbiedigheid,
Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.--
Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem,
Met eene Serafijne veder.
Of schort het aan begrijp en stem?
TEGENZANG.
Dat 's _God_. Oneindig eeuwig Wezen
Van alle ding, dat wezen heeft.
Vergeef het ons, o nooit volprezen
Van al wat leeft, of niet en leeft;
Nooit uitgesproken, noch te spreken;
Vergeef het ons, en scheld ons kwijt
Dat geen verbeelding, tong, noch teeken
U melden kan. Gij waart, Gij zijt,
Gij blijft dezelve. Alle Englekennis
En uitspraak, zwak, en onbekwaam,
Is maar ontheiliging en schennis:
Want ieder draagt zijn eigen naam.
Behalve Gij. Wie kan U noemen
Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd
Tot Uw Orakel? wie durf roemen?
Gij zijt alleen dan die Gij zijt,
U zelf bekend en niemand nader.
U zulks te kennen, als Gij waart,
Der eeuwigheden glans en ader,
Wien is dat licht geopenbaard?
Wien is der glansen glans verschenen?
Dat zien is nog een hooger heil
Dan wij van uw genade ontleenen;
Dat overschrijdt het perk en peil
Van ons vermogen. Wij verouden
In onzen duur; Gij nimmermeer.
Uw wezen moet ons onderhouden.
Verheft de Godheid; zingt Haar eer!
TOEZANG.
Heilig, heilig, nog eens heilig,
Driemaal heilig! eer zij God!
Buiten God is 't nergens veilig.
Heilig is het hoog gebod.
Zijn geheimenis zij bondig[53];
Men aanbidde Zijn bevel.
Dat men overal verkondig,
Wat de trouwe Gabriël
Ons met zijn bazuin kwam leeren:
Laat ons God in Adam eeren.
Al wat God behaagt, is wel.
Noten:
[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche
namen); APOLLION (Grieksch): verderver.--Deze Engelen zijn dus door
Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen,
duivelschen aard.
BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; vóór de komst van
Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde
gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de
laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen
gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt
lezers en hoorders in de sfeer der handeling.
[2] _Kreits in kreits_: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel
der Hemelen en de aarde liggen (_Voorwoord_).
[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.).
[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over.
[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid
geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van
Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel.
[6] _verf_: kleur.
[7] _vroolijk_: fleurig.
[8] hemelsch _mann_: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn
uit den hemel viel.
[9] _mist me niet_: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan.
[10] _de negen bogen_: (zie _Voorwoord_).
[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde.
[12] _pennen_: vleugels.
[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel
en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant
des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in
modernen zin lag niet in den geest van dien tijd.
[14] _verschieten_: in 't verschiet opdoemen.
[15] _onderwereld_: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de
menschen.
[16] _valt rond_: is rond (uitgevallen).
[17] _daar geen gezicht op stuit_; die gezichten weerspiegelen.
[18] _Bdellion_: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts.
[19] _Dan_: daardoor.
[20] _telg_: tak.
[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen
wenschen?
[22] _Wiens_: wier.
[23] _ommegang_ der dieren: hun leven en bedrijven.
[24] _bergleeuw, landstier_: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger
en voller, voor 't vers.
[25] _Behemoth, Leviatan_: voorwereldlijke reuzendieren.
[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels
door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en
was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven.
[27] _geestig_: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol".
[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam
in Ballingschap."
[29] _Zijn ribbe_, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd
in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie.
[30] _gespan_: Wat _samen_ in een gareel gespannen is. Thans nog:
"span".
[31] _Dit eischt Natuurs penseel_. Hier spreekt Vondel (en niet
Apollion, zeker!), wien alle poëzie "levende schilderij" was.
[32] _wiens_: welker.
[33] _dier_: schepsel.
[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van
haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van
Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende?
[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen
versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent
Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon
te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der
Menschheid te stellen--heel dramatisch--die onrust tot wrevel aansporen
die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s _Dramatiek_
pag. 112.
[36] : _van eeuwigheid_, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit
van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen.
[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen
verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij,
Engelen, grooter en schooner zijn.
[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in
alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde
lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op
bijzondere wijze beklemtoond.
[39] _stemt_: bestemt, bepaalt, vaststelt.
[40] _passen_, (evenals te voren): zorgen.
[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder
effect dan in noot 38.
[42] Over die verdeeling der Engelen zie _Voorwoord_.
[43] _moet duiken_: moet buigen.
[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't
bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling.
[45] _Gehoorzaamt Lucifer_. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om
ons den straks afvallige hier door Gabriël te doen noemen als den
eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen.
[46] _Een ander draai gestarnte_. Het was, ook volgens Dante, de taak
der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie _Ploeg_
II, pag. 41).
[47] _Onnoozelheid_. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van
"onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed vóór den
zondeval.
[48] _gezonden van een Groote_: Zie tevoren, dat een Engel der laagste
rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken
voor een aardsche zending.
[49] _Rei van Engelen_. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de
_zang_ wordt aangeheven door de lagere rijen, de _Tegenzang_ door die
der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een
_Serafijne_ veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods
Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar:
Dat zien is nòg een hooger heil,
Dan wij van uw genade ontleenen.
[50] _noch ronden_. De hemellichamen zijn gebonden aan de _ronden_,
sferen; God niet.--_Zonder tegenwicht bij zich bestaat_: op zich zelf
staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: _Geen steun van buiten
ontleent_.
[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is
begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het _Al_.
[52] _Zoovele goeden_: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat
aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het
licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de
Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der
Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn.
Waarom niet als in _Adam in Ballingschap_ vs. 465, "goede dingen"?
[53] _bondig_. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk.
meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer:
"raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar."
D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn
bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het
opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene
uitdrukt.
* * * * *
HET TWEEDE BEDRIJF
LUCIFER, BELZEBUB
LUCIFER:
Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]:
Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen,
Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer
Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2],
Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven,
Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven.
Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad,
Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad
Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen;
Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen,
En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag,
De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag.
't Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen:
De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen,
In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend:
Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient
En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen.
De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen.
't Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag',
Dat ieder op hen passe, en op de handen draag',
Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4].
Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen.
Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk.
De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk
Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven
De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven
En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort,
Wat Gabriël bazuint voor 's Hemels gouden poort.
BELZEBUB:
O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen,
Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen
Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft.
De last van Gabriël leît klaar: dat woord behoeft
Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen.
Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen
Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan,
Wat Adam al bezit, zoo laag beneên de maan:
Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt,
Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt,
En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer
Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer.
De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open.
Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen
Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien
Zoo verre boven u, en, vallende op uw kniên,
Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen,
Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen.
Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht,
Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht,
En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10]
Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden,
Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk,
Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk,
Dat God de menschen wil verheffen, ons verneêren?
Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren
Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand:
Een lager is er, die de kroon daar boven spant,
Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen
En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen
Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad.
Wij zien den Hemel haast veranderen van staat.
De starren zien vast uit, en wijken met verlangen,
Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen.
LUCIFER:
Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht.
BELZEBUB:
Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht
Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen.
Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen.
Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God,
Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod;
Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden.
De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden,
Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem
Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem?
Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden,
Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden
Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij
Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij.
De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten:
Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten.
En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reên;
Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een.
LUCIFER:
Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen
Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen;
Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht;
Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht,
Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren:
Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren.
Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet éénen voet.
Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed,
Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen:
Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12].
Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd,
Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd,
Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden
En zooveel duizenden als onze zijde houden.
Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof;
En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof,
Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder;
Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder.
Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut,
Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd.
Het waar' niet ongeraân hem nader t' ondervragen.
Ik wil hem tegentreên, en aftreên van den wagen.
GABRIEL. LUCIFER.
GABRIEL:
Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis?
LUCIFER:
Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis!
GABRIEL:
Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen.
LUCIFER:
Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen,
Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart,
Verlicht me met uw komst.
GABRIEL:
Wat is 't, dat u bezwaart?
LUCIFER:
Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde
Des hemels lager schat dan 't element der aarde,
den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel
Door alle starren voert; het menschdom op den stoel
Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven;
Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven.
Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof
Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof
Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen,
En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen?
Waartoe vernedert ons d'oneindige Genâ
Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spâ?
En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen
Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen
Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in
Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin?
Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?--
Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen?
Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht
Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht,
Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen?
Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen
Zien buigen voor een grof en zakkende element[14],
Daar God zijn majesteit en wezen inneprent?
Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten.
Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten,
Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil
Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil.
GABRIEL: